Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2458

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
23-003840-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en mishandeling. GS 12 maanden m.a wv. 4 vw. Beslag en BP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003840-19

datum uitspraak: 27 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-650388-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

Zaak A (13-650388-18):

1
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 28 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 24 augustus 2018 tot en met 28 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( ongeveer) 1,35 gram en/of 1,37 gram van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ( ongeveer) 9 tabletten van een materiaal bevattende 2C-B en/of

- ( ongeveer) 5 tabletten en/of 0,06 gram van een materiaal bevattende MDMA,

in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Zaak B (13-081138-19)

3
3.
hij, op of omstreeks 5 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 35 2C-B pillen en/of ongeveer 18 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 16 wikkels cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4
hij, op of omstreeks 5 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door een vuistslag in/op/tegen de kaak, in elk geval het gezicht, van die [benadeelde] te geven;

Zaak C (13-130398-19)

5
hij op of omstreeks 3 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14 tabletten MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 0,24 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (13-650388-18):

1
hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2018 tot en met 28 augustus 2018 te Amsterdam telkens opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht.

2
hij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2018 tot en met 28 augustus 2018 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 1,35 gram en 1,37 gram van een materiaal bevattende cocaïne en

- 9 tabletten van een materiaal bevattende 2C-B en

- 5 tabletten en 0,06 gram van een materiaal bevattende MDMA.

Zaak B (13-081138-19)

3
3.
hij, op 5 april 2019 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 35 2C-B pillen en

18 pillen van een materiaal bevattende MDMA en wikkels van een materiaal bevattende cocaïne.

4
hij, op 5 april 2019 te Amsterdam, [benadeelde] heeft mishandeld door een vuistslag tegen de kaak van [benadeelde] te geven.

Zaak C (13-130398-19)

5
hij op 3 mei 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14 tabletten van een materiaal bevattende MDMA en 0,24 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Het onder 2, 3 en 5 bewezen verklaarde levert telkens op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft het hof verzocht bij strafoplegging rekening te houden met de positieve ontwikkelingen van de verdachte en hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede gelet op het risico dat hij door een onvoorwaardelijke detentie zijn woning zal verliezen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende zes maanden schuldig gemaakt aan de verkoop van – onder andere – cocaïne en (pillen) MDMA op straat. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van verschillende harddrugs. Gelet op de aangetroffen hoeveelheden drugs en de wijze waarop een deel daarvan was verpakt, moeten deze drugs bestemd zijn geweest voor de verdere verkoop en verspreiding. De verdachte heeft op de zitting bij de rechtbank ook verklaard dat hij op 5 april 2019 is doorgegaan met dealen, en ook in mei 2019 al een aantal dagen bezig was met dealen voordat hij – voor de derde keer – werd aangehouden. Het gebruik en de verspreiding van harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en leiden veelal – direct en indirect – tot diverse vormen van (andere) criminaliteit, onder andere doordat de gebruikers van deze drugs vermogensdelicten plegen om in hun verslaving te voorzien.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door een vuistslag te geven, waardoor het slachtoffer pijn heeft geleden en letsel heeft bekomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien kunnen dergelijke feiten bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Het hof acht dit kwalijk.

De verdachte kan op basis van het recente uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2020 strikt genomen als first offender ter zake van de Opiumwet worden aangemerkt. Desalniettemin weegt het hof sterk in het nadeel van de verdachte mee dat hij, nadat hij voor de eerste keer voor het overtreden van de Opiumwet was aangehouden en in verzekering gesteld, binnen een zeer kort tijdbestek nog tweemaal voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen. Zelfs de voorgeleiding bij de rechter-commissaris en de dreigende voorlopige hechtenis hebben verdachte kennelijk niet het inzicht gegeven te stoppen met het dealen van drugs.

Gelet op het voorgaande en op de straffen die in soortgelijke gevallen worden uitgesproken, acht het hof in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd. Het hof zal echter een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, teneinde de verdachte, die nog relatief jong is, te stimuleren een bestaan op te bouwen en teneinde hem ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten. Een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf kan de verdachte wellicht helpen de verleiding van “snel geld” te weerstaan.

In hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafmaat naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding een andere of lagere straf op te leggen. De door de verdediging voorgestelde straffen doen onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede omdat de verdachte tot twee keer toe opnieuw in de fout is gegaan na de eerste aanhouding. Het hof komt wel tot een lagere straf dan de rechtbank heeft opgelegd, omdat een kortere periode waarin hij heeft gedeald bewezen is verklaard.

Alles afwegende acht het hof, conform de eis van de advocaat-generaal, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag (zaak B)

Onder de verdachte is – blijkens een kennisgeving van inbeslagneming van 6 april 2019 – een geldbedrag van € 835,75 in beslag genomen en nog niet teruggegeven.

De rechtbank heeft gelast dat een gedeelte van dit bedrag, namelijk € 150,00, zal worden teruggegeven aan de verdachte. Van het resterende bedrag heeft de verdachte ter terechtzitting afstand gedaan.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof met betrekking tot het beslag tot dezelfde beslissing komt.

Nu de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afstand heeft gedaan van een deel van het geldbedrag ligt ter beoordeling van het gerechtshof slecht het inbeslaggenomen geldbedrag ter grootte van €150,00 voor. Naar het oordeel van het hof kan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep worden vastgesteld dat het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag, groot € 150,00, aan de verdachte toebehoort, zodat het hof de teruggave van dit geldbedrag aan hem zal gelasten. Dat laat onverlet dat er op dit bedrag nog conservatoir beslag rust.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 4)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 250,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep daarom te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de gehele vordering moet worden toegewezen en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdediging niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling rechtstreeks schade heeft geleden. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 250,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op het agressieve karakter van het handelen van de verdachte, de pijn en het letsel dat de benadeelde partij daardoor heeft opgelopen alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen en zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een geldbedrag van € 150,00 (in beslag genomen onder parketnummer 13-081138-19; goednummer: PL1300-2019070751-5732820 ).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde], ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 april 2019.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van

mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 augustus 2020.

mr. J.H.C. van Ginhoven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.