Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2456

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
19/01344
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de utb terecht uitgereikt? Onvolledig Form A, mag deze worden geweigerd? Is het enkel ontbreken van een handtekening van de exporteur in vak 12 voldoende voor een weigering? Mag douane, bij voornoemd gebrek, een aantekening plaatsen in vak 4? Kan het gebrek worden hersteld door achteraf hetzelfde Form A alsnog te voorzien van een handtekening van de exporteur? Is terecht nagevorderd, nu de cumulatieve voorwaarden van artikel 220, lid 2, aanhef en onder b, van het CDW zijn vervuld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-09-2020
FutD 2020-2861
DouaneUpdate 2020-0415 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/2813
NLF 2020/2164 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/01344

15 september 2020

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X BV] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: A.T.M. Jansen (Customs & Trade Regulatory Law Firm B.V.),

tegen de uitspraak van 30 juli 2019 in de zaak met kenmerk HAA 17/1630 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 9 september 2015 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een bedrag van € 10.579,26 aan douanerechten.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 februari 2017, de utb gehandhaafd.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak van 30 juli 2019 ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 september 2019, aangevuld bij brief van 22 oktober 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld (belanghebbende is hierin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Op 8 februari 2013 heeft eiseres aangifte gedaan tot plaatsing van goederen (cacaoboter) onder de douaneregeling in het vrij verkeer brengen. Bij het doen van de aangifte heeft eiseres verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel. Daartoe is bij de aangifte gebruik gemaakt van het certificaat van oorsprong Form A. met nr. [nummer] (hierna: het Form A) ten bewijze van de preferentiële oorsprong van de goederen (Colombia). De aangifte is administratief afgedaan.

2. Naar aanleiding van een in februari 2015 bij eiseres ingestelde controle na de invoer op overeenstemming en formele eisen van oorsprongsbewijzen die bij diverse aangiften zijn overgelegd, heeft verweerder onder meer het hiervoor onder 1 genoemde Form A ingenomen ter nadere controle op de vormvereisten.

3. Op het Form A staat in vak 11.“Certification” een onleesbare handtekening en een stempel van “U.A.E. Direccion De Impuestos y Aduanas Nacionales Colombia 13 nov 2012”. Als exporteur is in vak 1. vermeld “ [exporteur] ” en als ontvanger is in vak 2. vermeld “ [ontvanger] ”. In vak 12. “Declaration by the exporter” is ingevuld dat de goederen zijn geproduceerd in Colombia, bestemd zijn voor export naar Nederland en is als datum 13 november 2012 ingevuld.

4. Verweerder heeft in het kader van de controle na de invoer vastgesteld dat in vak 12 van het Form A de ondertekening van de exporteur ontbreekt. Deze vaststelling leidt bij verweerder tot het standpunt dat de bij de aangifte voor het vrije verkeer verleende tariefpreferentie op basis van het Form A niet in stand kan blijven. Bij brief van 17 juli 2015 heeft verweerder het voornemen tot verzenden van de utb aan eiseres bekend gemaakt.

5. Bij brief van 4 augustus 2015 heeft verweerder op verzoek van eiseres het geweigerde Form A in origineel aan haar retour gezonden. In het geweigerde Form A heeft verweerder in vak 4. “For official use”, aangetekend “Refused. No signature in box 12”, met daarbij een stempel met de datum 4 augustus 2015. Op 19 augustus 2015 heeft eiseres per e-mail aan verweerder laten weten dat ze geen vervangend certificaat kan krijgen, maar dat de exporteur het afgekeurde certificaat alsnog kan tekenen en of verweerder daarmee akkoord gaat. Uit de stukken blijkt niet dat verweerder daarop heeft gereageerd.

6. Met dagtekening 9 september 2015 is de utb aan eiseres uitgereikt. Eiseres heeft bij brief van 16 oktober 2015 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bezwaarschrift is het eerder geweigerde Form A gevoegd, ditmaal met in vak 12. “Declaration by the exporter”, een niet gedateerd stempel van [C] voorzien van een onleesbare handtekening. De behandeling van het bezwaar is aangehouden tot 1 maart 2016 om eiseres in de gelegenheid te stellen om achteraf een nieuw Form A te overleggen. Bij e-mail van 13 april 2016 laat eiseres aan verweerder weten dat zij er niet in geslaagd is om een vervangend Form A uit Colombia te verkrijgen. Tijdens het hoorgesprek op 29 juni 2016 is aan eiseres nogmaals de gelegenheid gegeven om achteraf een nieuw certificaat te verkrijgen. Bij e-mail van 15 februari 2017 heeft eiseres aan verweerder bericht dat zij de hoop heeft opgegeven dat er een vervangend certificaat komt.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de bestreden utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil – voor zover in hoger beroep relevant – als volgt overwogen en beslist:

“11. De rechtbank stelt voorop dat op situaties die zich vόόr het van toepassing worden van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) op 1 mei 2016 hebben voorgedaan, in het algemeen de materiële voorschriften van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) en de TCDW van toepassing zijn (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) 23 februari 2006, C-201/04 (Molenbergnatie NV) en Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:605). De relevante bepalingen uit het TCDW luidden als volgt.

12. Artikel 97 terdecies, tweede lid, van de TCDW:

“Het certificaat staat de exporteur ter beschikking, zodra de goederen daadwerkelijk worden uitgevoerd of het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd. Een certificaat van oorsprong, formulier A, kan bij wijze van uitzondering na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, worden afgegeven indien:

a. (..)

b. ten genoegen van de bevoegde overheidsinstanties wordt aangetoond dat het certificaat van oorsprong, formulier A, is afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is

aanvaard.”

13. Artikel 97 terdecies, zesde lid, van de TCDW:

“Het is niet verplicht vak 2 van het certificaat van oorsprong, formulier A, in te vullen. Vak 12 is voorzien van de vermelding ‘Europese Unie’ of de naam van een van de lidstaten. De datum van afgifte van het certificaat van oorsprong, formulier A, wordt in vak 11 vermeld. Dat vak, dat bestemd is voor de overheidsinstantie die bevoegd is het certificaat af te geven, moet met de hand worden ondertekend, evenals vak 12 waarin de handtekening van de gemachtigde ondertekenaar van de exporteur moet worden geplaatst.”

14. Artikel 97 quindecies, eerste lid, van de TCDW:

“De certificaten van oorsprong, formulier A, of de factuurverklaringen worden ingediend bij de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer overeenkomstig de procedures betreffende de douaneaangifte.”

Beoordeling van het geschil

15. Op grond van artikel 201, eerste lid, aanhef en letter a, van het CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Op grond van Verordening (EU) nr. 978/2012 van 25 oktober 2012 komen goederen van oorsprong uit de landen van het Algemeen Preferentieel Systeem (hierna: APS) in aanmerking voor preferentie indien zij van oorsprong zijn uit de APS-landen overeenkomstig artikel 72 en verder van de TCDW, en met inachtneming van de procedures en methoden van administratieve samenwerking vastgesteld in artikel 97 duodecies en verder van de TCDW.

16. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij haar aangifte niet voldaan heeft aan het voorschrift van artikel 97 terdecies, zesde lid, van de TCDW, immers op het originele Form A ontbrak in vak 12 de handtekening van de Colombiaanse exporteur. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder op juiste gronden tot de conclusie gekomen dat hierdoor het originele Form A om een technische reden als bedoeld in artikel 97 terdecies, tweede lid, sub b van de TCDW, niet kan worden aanvaard voor het verkrijgen van de preferentiële tariefmaatregel.

17. Artikel 97 terdecies, tweede lid, van de TCDW biedt de mogelijkheid om een Form A, bij wijze van uitzondering, af te geven na de uitvoer van de goederen, indien ten genoegen van de bevoegde overheidsinstanties wordt aangetoond dat het certificaat van

oorsprong, Form A, is afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is

aanvaard. Deze bepaling voorziet in het achteraf afgeven door de bevoegde Colombiaanse overheidsinstanties van een nieuw Form A, welke het eerdere – niet aanvaarde – Form A vervangt. Anders dan eiseres kennelijk meent kan uit artikel 97 terdecies, tweede lid, van de TCDW niet worden afgeleid dat een niet aanvaard Form A achteraf nog kan worden hersteld door de exporteur het certificaat alsnog te laten ondertekenen, althans niet zonder dat deze toevoeging door de bevoegde overheidsinstanties van Colombia voor akkoord is getekend.

18. Ten behoeve van het door eiseres verkrijgen van een nieuw Form A heeft verweerder op juiste gronden op 4 augustus 2015 in het originele Form A in vak 4 aangetekend dat het formulier niet is aanvaard vanwege het ontbreken van de handtekening van de exporteur in vak 12. Daarmee heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om in Colombia aan te tonen dat het formulier om technische redenen niet is aanvaard, hetgeen de weg voor eiseres heeft geopend om aldaar een nieuw Form A te verkrijgen. Verweerder heeft eiseres hiertoe ruim de tijd gegeven. Het is uiteindelijk eiseres zelf geweest die heeft aangeven dat er geen vervangend Form A verkregen kan worden. Dat is een omstandigheid welke in de risicosfeer van eiseres gelegen is en niet aan verweerder kan worden tegengeworpen.

19. Eiseres stelt ten slotte nog dat er sprake is van een vergissing van de Colombiaanse douaneautoriteiten. Volgens vaste jurisprudentie van HvJ beoogt artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW de bescherming van gewettigd vertrouwen van de douaneschuldenaar. Op grond van dit artikelonderdeel wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van douanerechten indien de volgende drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: (1) de inning van de rechten moet achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zelf is toe te schrijven, (2) de belastingschuldige moet deze vergissing redelijkerwijze niet hebben kunnen ontdekken én (3) de belastingschuldige moet te goeder trouw zijn en aan alle bepalingen inzake de douaneaangifte hebben voldaan. De rechtbank stelt vast dat het Form A in vak 12 niet was ondertekend door de exporteur. Deze vergissing was naar het oordeel van de rechtbank kenbaar voor eiseres. Nu aan de tweede voorwaarde niet is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of aan de overige voorwaarden voor een geslaagd beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel is voldaan. Artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW staat dus niet in de weg aan het opleggen van de utb.

20. Naar het oordeel van de rechtbank is de utb op juiste gronden aan eiseres uitgereikt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Daarnaar gevraagd heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat zij in hoger beroep de volgende stellingen inneemt.

Primair stelt belanghebbende dat de inspecteur het Form A slechts mag weigeren indien de Colombiaanse autoriteiten, volgens de procedure van artikel 97 unvicies TCDW zijn geraadpleegd en hebben teruggemeld dat de goederen niet van Colombiaanse oorsprong zijn. Nu dit niet is gebeurd mag het Form A niet terzijde worden geschoven.

Indien weigering van het Form A zonder voorafgaande consultatie van de Colombiaanse autoriteiten wel is toegestaan, stelt belanghebbende zich subsidiair op het standpunt dat het enkele ontbreken van de handtekening van de exporteur in vak 12 geen rechtsgrond oplevert voor de weigering van voornoemd certificaat.

Indien de douane wel het recht heeft om een Form A te weigeren indien de handtekening van de exporteur in vak 12 ontbreekt, dan stelt belanghebbende zich meer subsidiair op het standpunt (a) dat de douane niet bevoegd is een aantekening te plaatsen in vak 4 (‘For official use’), (b) dat de omstandigheid dat de douane desondanks toch een aantekening heeft geplaatst in vak 4 er de oorzaak van is dat de Colombiaanse autoriteiten geen nieuw certificaat wilden afgeven en (c) dat daarom het preferentiële tarief dient te worden toegepast, ook al ligt er geen geldig Form A voor.

Als ook laatstgenoemde stelling faalt, stelt belanghebbende zich nog meer subsidiair op het standpunt dat het Form A thans wel geldig is, omdat de Colombiaanse exporteur het door de inspecteur geweigerde Form A achteraf alsnog van een handtekening en een stempel heeft voorzien.

Indien alle voormelde standpunten door het Hof worden verworpen stelt belanghebbende zich op het standpunt dat niet mag worden nagevorderd, omdat de drie cumulatieve voorwaarden die in artikel 220, lid 2, aanhef en onder b, van het CDW worden gesteld voor het afzien van navordering, zijn vervuld. In de eerste plaats is sprake van een vergissing van de Colombiaanse autoriteiten, bestaande uit het viseren van het onvolledig ingevulde Form A. Daarnaast is sprake van een vergissing van de inspecteur, omdat hij in vak 4 heeft aangetekend “Refused. No signature in box 12” en omdat hij het Form A niet voor een nacontrole aan de Colombiaanse autoriteiten heeft gestuurd, aldus belanghebbende.

5.2.

Het Hof stelt voorop dat, nu belanghebbende aanspraak wenst te maken op een preferentiële tariefmaatregel, het op haar weg ligt om bewijs bij te brengen van de in de aangifte vermelde preferentiële oorsprong van de goederen. Dit bewijs dient in het onderwerpelijke geval te worden geleverd door het overleggen van een oorsprongscertificaat Form A. Op het door belanghebbende gebruikte Form A ontbreekt in vak 12 een handtekening van de exporteur. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de handtekening van de exporteur in vak 12 een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de geldigheid van het certificaat. Het Hof verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 februari 1994, Administration des douanes/Chiffre, C-368/92, ECLI:EU:C:1994:72, punt 11 t/m 14 en naar de tekst van artikel 97 terdecies, lid 6, TCDW. Uit laatstgenoemd lid 6 volgt dat er een verplichting bestaat om alle vakken van het Form A in te vullen (m.u.v. vak 2) en dat in vak 12 de handtekening van de gemachtigde ondertekenaar van de exporteur moet worden geplaatst. Het ontbreken van een handtekening in vak 12 kan niet worden beschouwd als een vormfout, zoals een typefout, in de zin van artikel 97 novodecies, lid 2, TCDW. Nu een handtekening ontbreekt heeft de inspecteur het Form A terecht geweigerd. De subsidiaire stelling van belanghebbende faalt.

5.3.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur het Form A slechts mag weigeren indien de Colombiaanse autoriteiten, volgens de procedure van artikel 97 unvicies TCDW, zijn geraadpleegd en hebben teruggemeld dat de goederen niet van Colombiaanse oorsprong zijn. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Artikel 97 unvicies schrijft voor dat een Form A wordt ingezonden ter controle wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten redenen hebben te twijfelen aan (1) de echtheid van deze documenten, (2) de oorsprong van de betrokken producten of (3) de naleving van de andere voorwaarden van afdeling 1bis TCDW. In casu heeft de inspecteur vastgesteld dat de handtekening van de exporteur ontbreekt in vak 12. Dit ‘technische’ gebrek kan de inspecteur door eigen waarneming vaststellen, zodat hieromtrent geen twijfel kan bestaan en derhalve geen aanleiding bestaat - laat staan een verplichting - om een verzoek tot controle achteraf in te dienen bij de Colombiaanse autoriteiten. Hieruit volgt dat ook de primaire stelling van belanghebbende faalt.

5.4.

Indien een Form A om technische redenen wordt geweigerd kan achteraf (à posteriori) een nieuw Form A worden afgegeven door de bevoegde autoriteiten, op voorwaarde dat “ten genoegen van de bevoegde overheidsinstanties wordt aangetoond dat het certificaat van oorsprong, formulier A, is afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard” (vgl. artikel 97 terdecies, lid 2, aanhef en onder b, TCDW). Om belanghebbende (althans haar Colombiaanse exporteur) in staat te stellen om ten genoegen van de Colombiaanse autoriteiten aan te tonen dat het onderwerpelijke Form A bij invoer in Nederland om technische redenen niet is aanvaard, heeft de inspecteur - alvorens het Form A aan belanghebbende terug te geven - in vak 4 (“For official use”) vermeld: “Refused. No signature in box 12.”. Tevens is in vak 4 de handtekening van de desbetreffende ambtenaar geplaatst en een afdruk van een metalen slagstempel van de Nederlandse douane. Anders dan belanghebbende heeft betoogd is de inspecteur hiertoe bevoegd. Vak 4 is bestemd voor officiële communicatie tussen de autoriteiten van het land van afgifte en de autoriteiten van het land van bestemming. De in Nederland voor de uitvoering van de douanewetgeving bevoegde autoriteit is de inspecteur. Het lijdt daarom geen twijfel dat de inspecteur bevoegd is om in vak 4 van een Form A een aantekening te plaatsen die bestemd is voor de Colombiaanse autoriteiten. Het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende dient reeds daarom te worden verworpen.

5.5.

Anders dan belanghebbende betoogt, brengt de omstandigheid dat het geweigerde certificaat in vak 12 achteraf - naar belanghebbende stelt door de exporteur - alsnog is voorzien van een handtekening en een bedrijfsstempel, niet met zich dat het Form A thans alsnog kan worden aangemerkt als een geldig certificaat. Aan genoemde wijziging van het Form A komt geen betekenis toe, omdat deze heeft plaatsgevonden nadat de visering van het certificaat door de Colombiaanse autoriteiten (in vak 11) heeft plaatsgevonden en de handtekening dus niet door de Colombiaanse autoriteiten is geviseerd.

5.6.

Bij deze stand van het geding houdt partijen verdeeld of de inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 220, lid 2, aanhef en onder b, van het CDW gehouden is om af te zien van navordering. Het Hof is van oordeel dat, anders dan belanghebbende heeft betoogd, geen sprake is van een vergissing van de inspecteur. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie kan een belastingplichtige geen gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten van oorsprong baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat deze voorshands hebben aanvaard, aangezien de rol van die autoriteiten bij de eerste aanvaarding geen beletsel voor latere controles vormt (vgl. HvJ 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services B.V., C-293/04, ECLI:EU:C:2006:162, punt 33, en aldaar aangehaalde jurisprudentie), nog daargelaten dat in casu sprake was van een ‘papierloze aangifte’, hetgeen inhoudt dat het Form A niet aan de inspecteur is overgelegd, maar (slechts) door belanghebbende in haar administratie ter beschikking van de inspecteur is gehouden.

De vermelding door de inspecteur in vak 4 (“Refused. No signature in box 12.”) berust evenmin op een vergissing van de inspecteur (zie 5.4).

De visering van het Form A in vak 11 van het formulier vormt naar ’s Hofs oordeel wel een vergissing van de Colombiaanse autoriteiten, nu deze daarmee hebben bevestigd dat de verklaring van de exporteur juist is, terwijl van een verklaring van de exporteur in het geheel geen sprake is, omdat de handtekening van de exporteur ontbreekt. Deze vergissing leidt er echter niet toe dat van navordering dient te worden afgezien, nu belanghebbende deze vergissing redelijkerwijze kon ontdekken. Het ontbreken van de handtekening van de exporteur in vak 12 was immers (ook) voor belanghebbende eenvoudig vast te stellen, zodat de tweede voorwaarde voor het afzien van navordering niet is vervuld.

5.7.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Alsdan is de conclusie dat de bestreden utb terecht aan belanghebbende uitgereikt.

Slotsom

5.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, M.J. Leijdekker en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan, als griffier. De beslissing is op 15 september 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.