Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2445

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
200.263.033/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht; toereikende volmacht; vervangende schadevergoeding toegewezen.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:2888.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 6, p. 310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.263.033/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 6349574 CV EXPL 17-8751

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2020

inzake

[appellant] , handelend onder de naam [X] Interieur,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. T.P. Schut te Amsterdam,

tegen:

1
1. [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerden,
advocaat: mw. mr. J.M. Geerdes te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] dan wel [X] Interieur, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk aangeduid als [geïntimeerden]

[appellant] is bij dagvaarding van 12 juni 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 13 maart 2019 en (naar het hof begrijpt) het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 4 juli 2018, in deze zaak onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.

Bij arrest van 6 augustus 2019 heeft het hof een comparitie van partijen gelast die op 21 oktober 2019 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die comparitie maakt deel uit van het dossier. Een minnelijke regeling is tussen partijen tijdens de comparitie niet tot stand gekomen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten, inclusief nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

3.1.1

[appellant] exploiteert een bedrijf onder de naam [X] Interieur.

3.1.2

Op 19 oktober 2016 hebben [geïntimeerden] op werkspot.nl een opdracht geplaatst voor het verrichten van werkzaamheden aan een vloer. Op 18 november 2016 hebben zij op werkspot.nl een tweede opdracht geplaatst voor het slopen van een deel van een oude vloer en het leveren van nieuw visgraat parket en het verrichten van werkzaamheden daaraan. Voor deze levering/werkzaamheden zijn twee offertes aan [geïntimeerden] uitgebracht ad respectievelijk € 1.312,50 en € 2.340,-- met daarop vermeld de naam, het adres en het Kamer van Koophandel-nummer van [X] Interieur. Op de eerste offerte staat het e-mailadres [emailadres] vermeld, op de tweede offerte het e-mailadres [emailadres] De tweede offerte verving de eerste offerte. De tweede offerte is de offerte op basis waarvan de werkzaamheden zijn aangevangen door [A] (hierna: [A] ) die de opdracht daartoe telefonisch had aangenomen.

3.1.3

Op 5 april 2017 hebben [geïntimeerden] (iets meer dan) het bedrag van de tweede

offerte, namelijk € 2.356,25, contant aan [A] voldaan.

3.1.4

De werkzaamheden, uitgevoerd door [A] , zijn gestart op 5 april 2017. [geïntimeerden] waren niet tevreden over de verrichte werkzaamheden. Zij hebben op 11 april 2017 via I-message een lijst met klachten aan [A] gestuurd en daarbij meegedeeld dat zij [A] op 12 april 2017 om 17.00 uur verwachtten om te spreken over een constructieve oplossing. Op 12 april 2017 om 15.14 uur heeft [A] daarop als volgt gereageerd:

Ik ga het niet redden om er te zijn ik loop uit op mijn werk of ik plan een volle dag hier voor in of ik stort een gedeelte geld terug voor het plaatsen van de plinten en strippen ik red het niet vandaag voor de plinten die je aangeeft zoals jij dat ziet moet ik het voor een dag inplannen en niet overhaast sorry laat me maar weten wat jullie willen. Een rechtzaak aanspannen heb geen zin want dat bedrijf is niet van mij want ik ben uit elkaar met dat bedrijf en aangezien ik het werk gedaan heb en in de nog met dat

bedrijf samenwerkte en al 5 maanden niet meer heb het toch geen zin om dat te doen ik wil het gewoon oplossen maar dan een hele dag.

3.1.5

Vervolgens is [A] op 14 april 2017 langsgekomen. [A] heeft toegezegd op 19 april 2017 aanwezig te zijn om de openstaande punten op te lossen. Hij heeft dat echter niet gedaan en heeft (via I-message) aan [geïntimeerden] meegedeeld dat het hem beter leek dat iemand anders het werk zou afmaken. In de discussie die daarop volgde, heeft [A] meerdere keren meegedeeld dat hij niet van [X] Interieur is en dat hij e-mails aan [X] Interieur ook niet kan lezen, omdat hij daar niet meer werkt.

3.1.6

Nadat [geïntimeerden] op 9 mei 2017 een e-mail hadden gestuurd naar [X]

Interieur, is [appellant] (samen met ene [B] , de partner van zijn boekhouder) op 10 mei 2017 bij [geïntimeerden] langsgekomen om de vloer te bekijken. Op 13 mei 2017 is [B] nogmaals langs geweest om de problemen nader in kaart te brengen.

3.1.7

Bij brief van zijn gemachtigde van 22 mei 2017 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] meegedeeld dat niet hij, maar [A] contractspartij van [geïntimeerden] is geweest, dat [A] nooit in dienst is geweest van [X] Interieur en ook anderszins niet gemachtigd was deze onderneming te vertegenwoordigen. [geïntimeerden] dienen derhalve [A] aansprakelijk te stellen, aldus [appellant] .

3.1.8

Bij brief van 24 mei 2017 hebben [geïntimeerden] [X] Interieur (‘t.a.v. [A] en/of [appellant] ’) in gebreke gesteld. Zij hebben [X] Interieur gesommeerd de in die brief vermelde, niet afgeronde en niet naar tevredenheid verrichte werkzaamheden alsnog binnen veertien dagen (goed) uit te voeren.

3.1.9

Bij brief van hun gemachtigde van 3 juli 2017 hebben [geïntimeerden] aan [X] Interieur meegedeeld dat, nu hij in verzuim is met het herstel van de vloer, [geïntimeerden] aanspraak maken op een vervangende schadevergoeding ter grootte van de herstelkosten ad € 2.398,50.

3.2

In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] op de voet van artikel 6:87 BW, gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 2.398,50, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede de proceskosten. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat [appellant] op 10 mei 2017 mededelingen heeft gedaan waaruit bleek dat hij (in eerste instantie) een samenwerking met [A] was aangegaan en/of dat [A] namens [X] Interieur handelde en mocht handelen. Vervolgens hebben [geïntimeerden] (uitsluitend) [geïntimeerde sub 2] als getuige laten horen en heeft [appellant] heeft afgezien van contra-enquête. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerden] in hun bewijsopdracht zijn geslaagd en de vordering van [geïntimeerden] toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.3

Daartoe heeft de kantonrechter overwogen, samengevat, dat uit de verklaring van [geïntimeerde sub 2] volgt dat [appellant] haar heeft verteld dat hij aanvankelijk met [A] samenwerkte omdat hij zelf geen verstand had van (houten) vloeren, maar dat de samenwerking is gestopt omdat ze ruzie kregen en deze verklaring steun vindt in de rest van het bewijs, zoals het bericht van [A] van 12 april 2017 (productie 3 bij dagvaarding) dat hij aanvankelijk wel met [X] Interieur samenwerkte, maar later niet meer. Voorts heeft [appellant] niet ontkend dat hij [B] had meegenomen naar het gesprek op 10 mei 2017 en is evenmin gebleken dat [X] Interieur wel zelf de expertise had om (houten) vloeren te leggen, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat [B] - die niet voor [X] Interieur werkt - is meegekomen naar het gesprek op 10 mei 2017 omdat hij expertise in vloeren had terwijl [X] Interieur dat zelf niet had. Daarmee staat ook voldoende vast dat [A] , in elk geval aanvankelijk, voor [X] Interieur werkte, omdat ook hij expertise op dat gebied had, terwijl die uitleg tevens verklaart waarom [X] Interieur op werkspot.nl vooral meldt dat hij expertise op het gebied van (houten) vloeren heeft, terwijl [appellant] daar zelf dus geen verstand van heeft, aldus de kantonrechter.

[geïntimeerden] hebben in ieder geval voldoende bewezen dat [X] Interieur wist dat [A] namens hem optrad, hetgeen wordt bevestigd door hun stelling dat er op werkspot.nl voor elk contact met een klant betaald moet worden. [geïntimeerden] hebben dan ook mogen aannemen dat sprake was van een toereikende volmacht van [X] Interieur aan [A] om namens [X] Interieur op te treden. Dit mede gelet op het feit dat [A] bij het aanvaarden van de opdracht en de bevestiging door middel van de officiële offerte ook gebruik maakte van de gegevens, het werkspotaccount en het briefpapier van [X] Interieur, aldus nog steeds de kantonrechter.

3.4

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op met zes grieven, die het hof hierna gezamenlijk zal behandelen.

3.5

[appellant] voert aan dat [geïntimeerden] niet in de hun opgedragen bewijslast zijn geslaagd door het horen van slechts een (partij)getuige, dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] geen verstand zou hebben van het leggen van houten vloeren en hij op de hoogte was van de opdracht althans moet hebben gemerkt dat [A] namens hem optrad. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte aangenomen dat er ten tijde van het

van de overeenkomst een samenwerking tussen partijen is geweest en is hij daarmee voorbijgegaan aan wat de getuige over een drietal offertes heeft verklaard, nu daaruit blijkt dat de overeenkomst gesloten dan wel de opdracht verstrekt is op of na (de offerte van) 18 november 2016, nadat partijen uit elkaar waren. Tot slot bestrijdt [appellant] ook de hoogte van het toegewezen bedrag van € 2.398,50, omdat volgens [appellant] de kosten die gemoeid zouden zijn met het afmaken van de klus neerkomen op een bedrag van ongeveer € 750,00.

3.6

Centraal in deze procedure staat de vraag of [geïntimeerden] ervan uit mochten gaan dat zij zaken deden met [X] Interieur en hebben mogen aannemen dat sprake was van een toereikende volmacht van [X] Interieur aan [A] om namens [X] Interieur op te treden. Daarbij is van belang het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW, inhoudend dat indien een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan worden gedaan.

3.7

Het hof beantwoordt de vraag of [geïntimeerden] redelijkerwijze hebben mogen aannemen dat sprake was van een toereikende volmacht van [X] Interieur aan [A] bevestigend. Zoals [geïntimeerden] hebben aangevoerd en [X] Interieur in hoger beroep niet heeft betwist, moet er op werkspot.nl voor elk contact met een klant betaald worden en heeft [A] bij het aanvaarden van de opdracht en de bevestiging door middel van de officiële offerte ook gebruik gemaakt van de gegevens (KvK- en bankrekeningnummer), het e-mail account, het werkspotaccount en het briefpapier van [X] Interieur. Uit het feit dat [A] toegang heeft gehad tot het e-mail account, het (betaalde) werkspotaccount en het briefpapier van [X] Interieur kan – mede in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd – niet anders worden afgeleid dan dat [A] daartoe toegang heeft gehad doordat [X] Interieur hem die toegang ter beschikking heeft gesteld. Dat [appellant] van elk (feitelijk) gebruik door [A] van deze communicatiemiddelen, waaronder het Werkspotaccount, niet op de hoogte zou zijn geweest, zoals [appellant] stelt, doet hier niet aan af. Op grond van de in rov. 6.3 van het eindvonnis genoemde stukken, waaronder de ondersteunende verklaring van [geïntimeerde sub 2] , sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de kantonrechter (in rov. 6.3 van het eindvonnis) en diens conclusie dat voldoende vast staat dat [A] , in elk geval aanvankelijk, voor [X] Interieur werkte omdat hij expertise op het gebied van houten vloeren had waar [X] Interieur die expertise zelf miste. Verder is relevant dat [appellant] in mei 2017 zelf nog bij [geïntimeerden] langs is geweest om de vloer te bekijken, wat niet begrijpelijk zou zijn als [appellant] ervan uit ging dat hij geen partij was bij de overeenkomst omdat [A] onbevoegd namens [X] Interieur de overeenkomst met [geïntimeerden] was aangegaan. Het argument van [appellant] , inhoudende dat [A] de opdracht van [geïntimeerden] onbevoegd had aangenomen op een moment, op of na 18 november 2016, gelegen nadat [appellant] de samenwerking met [A] had beëindigd, snijdt geen hout nu [appellant] zelf na die datum de vloer is gaan bekijken en bespreken bij [geïntimeerden] Gelet op deze eigen gedraging van [appellant] en in het licht van de overige hierboven genoemde omstandigheden deelt het hof de conclusie van de kantonrechter (in rov. 6.4 van het eindvonnis) dat [geïntimeerden] in redelijkheid hebben mogen aannemen dat sprake was van een toereikende volmacht van [X] Interieur.

Van de zijde van [appellant] zijn in hoger beroep geen stukken overgelegd of stellingen betrokken die tot een ander oordeel nopen.

Met zijn zesde grief komt [appellant] op tegen de hoogte van de toegewezen schadevergoeding. Het hof overweegt dat [geïntimeerden] hun vordering tot vervangende schadevergoeding hebben onderbouwd met een offerte van [C] van 30 juni 2017, waarin verschillende werkzaamheden zijn benoemd en begroot, uitkomend op een totaalbedrag van € 2.398,50. [appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de hoogte van de (deel)bedragen niet deugt of waarom sommige van deze werkzaamheden niet nodig zouden zijn geweest. Deze grief faalt daarom.

3.8

De conclusie is dat de grieven falen en de vordering van [geïntimeerden] terecht is toegewezen, zodat het vonnis zal worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt als niet ter zake dienend gepasseerd, nu hij geen stellingen heeft geponeerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

3.9

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 324,-- aan verschotten en € 1.518,-- voor salaris advocaat en op € 157,-- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 82,-- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in geval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.H.M ten Dam, E.M. Polak en N.J. Huurdeman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.