Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2439

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
23-002078-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag en poging zware mishandeling. Slachtoffer door messteken om het leven gebracht. Geen sprake van een noodweersituatie, beroep op noodweer en noodweerexces verworpen. GS 9 jaar m.a. Vorderingen BNP deels toegewezen, affectieschade N-O.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0633
NJFS 2021/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002078-18

datum uitspraak: 8 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 15-870696-17 en 23-005163-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwolle (PPC).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht, alsmede van de standpunten van de advocaten van de benadeelde partijen, de familie [benadeelde 2] en [benadeelde 1] .

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde persoon meermalen (althans eenmaal) met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borstkas en/of in de buik en/of in de rug en/of in de arm(en) en/of in de/het be(e)n(en) en/of in de hand(en) te steken en/of te snijden;

2. primair
hij op of omstreeks 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 1] meermalen (althans eenmaal) met een mes, althans een scherp voorwerp, in het been heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair
hij op of omstreeks 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] meermalen (althans eenmaal) met een mes, althans een scherp, voorwerp in het been te steken en/of te snijden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op hoofdlijnen vinden in de overwegingen en de beslissingen van de rechtbank. Desalniettemin zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, omdat de verdediging in hoger beroep verweer heeft gevoerd en een beroep op noodweer(exces) heeft gedaan. Naar aanleiding van de pas in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaringen hanteert het hof ook een andere bewijsvoering.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnotities betoogd dat poging tot zware mishandeling niet bewezen kan worden, omdat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) bewust heeft gestoken of gesneden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [benadeelde 1] de verdachte bedreigde met een mes en dat de verdachte dat mes toen in een worsteling van hem heeft afgepakt. De verdachte heeft vervolgens alleen met het mes gezwaaid en hem niet bewust gestoken. Het letsel van [benadeelde 1] , zijnde een scheurwond en geen steekwond, past ook niet bij zijn verklaring dat hij gestoken is door de verdachte. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een noodweersituatie.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Het hof volgt de verklaring van [benadeelde 1] , dat de verdachte hem met een mes heeft gestoken en hem daarmee letsel heeft toegebracht. Zijn verklaring wordt ondersteund door de geneeskundige verklaring, waaruit volgt dat [benadeelde 1] een forse snijwond in zijn rechterbeen had, welke gehecht moest worden. Het hof verwerpt de andersluidende lezing van de verdachte over hetgeen is voorgevallen, hetgeen nog nader aan de orde komt bij de bespreking van het beroep op noodweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde persoon meermalen met een mes in de borstkas en in de buik en in de rug te steken;

2. primair
hij op 10 april 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde 1] met een mes in het been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van het arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage is aan het arrest gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Bespreking van het beroep op noodweer(exces)

( I) Feiten en omstandigheden

Het hof zal eerst een weergave geven van de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak en vervolgens ingaan op het verweer. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden, die verder ook niet ter discussie hebben gestaan.

Op 10 april 2017 omstreeks 01:00 uur treffen de verdachte, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) elkaar bij het [tankstation] tankstation te IJmuiden. [benadeelde 1] is met de auto meegereden met [slachtoffer] en [naam 1] is met de verdachte meegekomen. Zij treffen elkaar daar omdat [slachtoffer] de confrontatie wilde aangaan met [naam 1] , omdat [naam 1] de week ervoor zijn vriendin had aangesproken.

Omdat er camera’s hangen bij het tankstation, verplaatsen zij zich naar de Betelgeuzestraat. Eenmaal daar wordt duidelijk dat [slachtoffer] een vuurwapen heeft meegenomen. De verdachte zegt [slachtoffer] het wapen weg te doen, nu zij (het hof leest: de verdachte en [naam 1] ) ook zonder wapens zijn gekomen. [slachtoffer] loopt naar zijn auto, doet een autodeur open en weer dicht en loopt weer terug naar de anderen. [slachtoffer] loopt vervolgens naar [naam 1] en er vindt een discussie plaats, waarna [slachtoffer] [naam 1] een vuistslag en een trap geeft.

Over wat er daarna gebeurt lopen de lezingen uiteen. Wat vast staat is dat [slachtoffer] op 10 april 2017 om 01:47 uur dood en bebloed wordt aangetroffen op de achterbank van zijn Mercedes op de Boerhavelaan te Haarlem. Hij wordt aangetroffen naar aanleiding van de 112 melding van [benadeelde 1] , die hem daarheen heeft vervoerd. [slachtoffer] is overleden aan steekverwondingen in zijn borstkas. Hij heeft 12 steekletsels en 4 snijletsels in zijn lichaam. In de Mercedes van [slachtoffer] wordt onder de stuurkolom een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen. Op dit wapen wordt geen bloed aangetroffen. De verdachte is op 10 april 2017 via Brussel naar Turkije gereisd.

( II) Lezing van [benadeelde 1] (en [naam 1] )

Zowel [naam 1] als [benadeelde 1] hebben verklaard dat [slachtoffer] , op het moment dat hij terug kwam van zijn auto, de confrontatie is aangegaan met [naam 1] en hem toen een trap en een klap heeft gegeven, waarna [naam 1] buiten bewustzijn is geraakt.

[benadeelde 1] heeft – kort samengevat – als volgt verklaard over hetgeen daarna gebeurde.

De verdachte heeft vervolgens [slachtoffer] aangevallen met een mes. De verdachte en [slachtoffer] stonden face to face. Hij zag dat de verdachte meerdere vuist- of steekbewegingen maakte richting de zij van [slachtoffer] , terwijl hij [slachtoffer] met zijn linkerhand vasthield in de nek. [slachtoffer] vroeg om hulp, maar de verdachte bleef doorgaan met de steekbewegingen. [benadeelde 1] heeft geprobeerd in te grijpen door de verdachte van achter een trap te geven, maar de verdachte draaide zich om en haalde uit naar [benadeelde 1] . [benadeelde 1] voelde pijn in/rondom zijn knie en zag dat zijn broek was gescheurd. Hij is door de verdachte in zijn been gestoken en heeft letsel opgelopen bestaande uit een lichte snee in zijn rechter scheenbeen en een diep gat in zijn rechterbovenbeen. De verdachte ging vervolgens door met het steken van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] nog steeds om hulp riep. Op dat moment zag [benadeelde 1] het mes bij de verdachte. De verdachte heeft [slachtoffer] minimaal 10 keer gestoken, waarna hij [slachtoffer] heeft losgelaten en is weggerend, aldus [benadeelde 1] .

( III) Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren en het alternatieve scenario

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Zij heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ter onderbouwing van deze verweren zijn door en namens de verdachte – kort samengevat – de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

[slachtoffer] heeft [naam 1] een vuistslag en een trap gegeven en bleef vervolgens op hem inslaan. De verdachte zag zich genoodzaakt in te grijpen door tussen [naam 1] en [slachtoffer] te komen, maar toen hij dat wilde doen viel [benadeelde 1] hem aan met een mes. De verdachte raakte met [benadeelde 1] in gevecht om het mes, waarbij hij het mes wist te bemachtigen. [benadeelde 1] heeft de verdachte tijdens dit gevecht met het mes geraakt in zijn knie. Toen de verdachte het mes had bemachtigd heeft [slachtoffer] een pistool op het hoofd van de verdachte gezet. De verdachte hoorde een klik, was in paniek en dacht dat hij dood zou gaan. De verdachte sloot toen zijn ogen en is uit blinde paniek met het mes gaan zwaaien. Toen hij het pistool niet meer op zijn hoofd voelde, is hij weggerend.

Concluderend stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het handelen van de verdachte niet als aanvallend kan worden gekwalificeerd, doch alleen als verdedigend. Er werd evident levensbedreigend geweld gebruikt door [slachtoffer] , waaraan de verdachte zich niet kon onttrekken. Zowel het letsel van de verdachte als het letsel van [benadeelde 1] ondersteunen de verklaring van de verdachte dat hij met [benadeelde 1] in gevecht is geraakt teneinde het (door [benadeelde 1] meegenomen) mes te bemachtigen. De conclusie van de rechtbank dat [slachtoffer] tijdens het steekincident geen wapen in zijn hand had, kan niet in stand blijven, omdat zowel [benadeelde 1] als [naam 1] niet hebben gezien dat [slachtoffer] het wapen daadwerkelijk heeft weggelegd in zijn auto. Het feit dat er geen bloed op het naderhand in die auto gevonden wapen is aangetroffen sluit niet uit dat [slachtoffer] wel degelijk een wapen heeft gebruikt tijdens het steekincident, omdat [slachtoffer] het wapen met zijn niet bebloede rechterhand kan hebben teruggelegd. Tot slot voldoet het handelen van de verdachte aan de eisen van proportionaliteit, omdat er een pistool op het hoofd van de verdachte werd gezet. Dat het geen echt pistool was kon de verdachte niet weten.

Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat, mocht het hof overwegen dat het handelen van de verdachte wel disproportioneel was, de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt omdat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging.

( IV) Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie omdat de wederrechtelijke aanranding jegens [naam 1] voorbij was, aangezien hij na de klap en de trap bewusteloos op de grond lag en er voor de verdachte niet was te vrezen dat [slachtoffer] verder geweld zou toepassen tegen [naam 1] of tegen de verdachte. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer moet worden verworpen, omdat het handelen van de verdachte niet was ingegeven door de verdediging van [naam 1] of zichzelf, maar door woede, dan wel dat er een wederrechtelijke aanranding van [naam 1] bestond waartegen verdediging geboden was, maar dat het handelen van de verdachte de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

( V) Oordeel van het hof

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt daartoe als volgt.

In de onderhavige zaak ziet het hof zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens [naam 1] , waartegen verdediging door de verdachte noodzakelijk en geboden was. De verklaring van de verdachte, dat [slachtoffer] op [naam 1] bleef inslaan nadat [naam 1] out was gegaan, strookt niet met de lezingen van [naam 1] zelf en [benadeelde 1] , die hetzelfde verklaren over het door [slachtoffer] toegepaste geweld, namelijk dat het bleef bij het uitdelen van een klap en een trap. Bovendien strookt de verklaring van de verdachte niet met het letsel van [naam 1] . Als [slachtoffer] op [naam 1] was blijven inslaan had er naar het oordeel van het hof sprake moeten zijn van aanzienlijk meer letsel bij [naam 1] . De lezing van de verdachte is in dit opzicht dan ook op geen enkele wijze aannemelijk geworden en wordt als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Het hof is van oordeel dat er weliswaar sprake was van een wederrechtelijke aanranding jegens [naam 1] door [slachtoffer] , [slachtoffer] heeft immers geweld gebruikt jegens [naam 1] , maar deze aanranding was na de trap en de vuistslag van [slachtoffer] en het out gaan van [naam 1] geëindigd, zodat op het moment dat de verdachte, naar zijn zeggen, besloot in te grijpen er geen sprake meer was van een ogenblikkelijke aanranding van [naam 1] .

Ook de verklaring van de verdachte, dat [benadeelde 1] hem aanviel met een mes op het moment dat hij, de verdachte, [naam 1] te hulp wilde schieten, volgt het hof niet. In de eerste plaats reeds omdat hiervoor is overwogen dat er geen situatie bestond waarin de verdachte [naam 1] nog te hulp moest schieten. Voorts volgt het hof de verklaring van [benadeelde 1] dat de verdachte hem met een mes heeft gestoken en hem letsel heeft toegebracht op het moment dat hij [slachtoffer] wilde helpen, omdat deze verklaring wordt ondersteund door een geneeskundige verklaring waaruit volgt dat [benadeelde 1] een forse snijwond in zijn rechterbeen had die gehecht moest worden. Het hof concludeert dat de verdachte de persoon was die het mes trok. Het hof heeft deze overtuiging te meer nu [benadeelde 1] duidelijk beschrijft op welk moment hij het mes voor het eerst bij de verdachte zag en omdat ook andere onderdelen van de verklaring van [benadeelde 1] steun vinden in het dossier. Dit terwijl de lezing van de verdachte geen steun vindt in het dossier.

Het hof volgt in dit verband de conclusie van de rechtbank dat [slachtoffer] op het moment van het steekincident geen vuurwapen of iets daarop gelijkends in zijn hand heeft gehad. Zowel de verdachte als [benadeelde 1] én [naam 1] hebben verklaard dat [slachtoffer] , na de opdracht van de verdachte het wapen weg te doen, naar zijn auto is gelopen, zijn autodeur heeft geopend en toen weer terug is gekomen. Het wapen werd later door de politie aangetroffen onder de stuurkolom van de auto van [slachtoffer] . Op het wapen werd geen bloed aangetroffen. Het verweer van de raadsvrouw dat het mogelijk is dat [slachtoffer] het wapen met zijn niet bebloede rechterhand heeft teruggelegd in de auto na het steekincident, wordt verworpen omdat het volgens het hof uiterst onwaarschijnlijk is dat er geen bloed op het wapen zat als [slachtoffer] het vuurwapen in zijn hand had ten tijde van het steekincident, dat immers met zeer grof geweld van de verdachte gepaard ging, waarbij veel bloed vloeide.

Voorts merkt het hof nog op dat de verklaring van de verdachte, dat hij (blind en uit paniek) met het mes heeft gezwaaid, niet strookt met het letsel van [slachtoffer] . [slachtoffer] had 12 steekverwondingen en 4 snijletsels. Dit letsel past wel bij het doelgericht insteken op [slachtoffer] , maar niet bij het louter om zich heen zwaaien met een mes, waarbij [slachtoffer] zou zijn geraakt. Het letsel van [slachtoffer] komt overeen met de lezing van [benadeelde 1] , dat de verdachte [slachtoffer] met zijn linkerhand vasthield bij de nek en met zijn rechterhand en steek- of stootbewegingen maakte richting de linkerzij van [slachtoffer] .

Tot slot vindt het hof het niet voor de geloofwaardigheid van het verhaal van de verdachte pleiten dat hij direct na het gebeuren naar Turkije is gevlucht en pas na twee jaar, nadat hij wordt aangehouden en naar Nederland wordt overbracht, besluit zijn verhaal te vertellen. Dit doet afbreuk aan het door de verdachte gedane beroep op noodweer.

Nu het hof het in het kader van het noodweerverweer geschetste scenario van de verdachte – dat [slachtoffer] bleef inslaan op [naam 1] , dat [benadeelde 1] de verdachte heeft aangevallen met een mes en dat [slachtoffer] een pistool op het hoofd van de verdachte heeft gezet – niet aannemelijk vindt en heeft geconcludeerd dat er ook geen sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van [naam 1] , waartegen de verdachte hem mocht verdedigen noch dat [slachtoffer] een handeling heeft verricht die bij de verdachte in redelijkheid de vrees kon laten ontstaan dat [slachtoffer] met hem de confrontatie zou aangaan, leidt dit tot de conclusie dat geen sprake was van een noodweersituatie, waardoor de verdachte zich niet met succes op noodweer of noodweerexces kan beroepen. De verweren, strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte, worden dan ook verworpen.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging te betrekken het gegeven dat [slachtoffer] en [benadeelde 1] wapens hebben meegebracht en de verdachte en [naam 1] niet. Voorts verzoekt de raadsvrouw bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte beseft hoe veel leed de nabestaanden is aangedaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en een poging tot zware mishandeling. Hij heeft de 18-jarige [slachtoffer] vele malen en met grof geweld in zijn lichaam gestoken, waardoor [slachtoffer] zodanig gewond is geraakt dat hij daaraan is overleden. Door zijn handelen heeft de verdachte een onherstelbaar misdrijf gepleegd door aan een mens het meest elementaire recht, namelijk het recht op leven, te ontnemen. De verdachte heeft daarmee niet alleen het leven van [slachtoffer] vroegtijdig beëindigd, maar ook groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de familieleden en andere naasten van [slachtoffer] .

Voorts heeft hij [benadeelde 1] met een mes in zijn been gestoken en deze had daarbij zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. Dat dit niet is gebeurd is geenszins aan de verdachte te danken. Door zijn handelen heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van [benadeelde 1] gemaakt. Dat de gebeurtenissen ook een grote impact hebben gehad op [benadeelde 1] , blijkt wel uit zijn ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring. Zo verklaart hij dat het na het steekincident nog zeker drie jaar slecht met hem ging, dat hij de hulp van een psycholoog heeft ingeschakeld en dat hij zijn baan en bovenal zichzelf is kwijtgeraakt. Ook heeft hij nog moeite met slapen en doet zijn litteken soms nog steeds pijn.

De door de verdachte gepleegde misdrijven dragen een voor de rechtsorde bijzonder schokkend karakter en veroorzaken sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte heeft weinig blijk gegeven besef te hebben van de onomkeerbare gevolgen die zijn handelen heeft veroorzaakt. Hij heeft zich twee jaar schuil gehouden en ook daarna geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2020 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, ook rekening houdend met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 59.217,73, en is als volgt opgebouwd:

1. Materiële schade (€ 13.617,73);

- Autopoetsbedrijf [naam 2] € 302,50;

- Vliegtickets € 1575,28;

- [winkel] € 49,95;

- Advocaatkosten Turkije € 11.690,00;

2. Immateriële schadevergoeding bestaande uit shock- en/of affectieschade € 45.000,00;

3. Advocaatkosten Nederland € 600,00.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 14.477,75. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de affectieschade en heeft zich voor wat betreft de overige posten aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Met betrekking tot het verzoek tot schadevergoeding van de familie [benadeelde 2] heeft de verdediging aangevoerd zich aan het oordeel van het hof te refereren.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Materiële schade

Op grond van artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen nabestaanden in aanmerking komen voor schadevergoeding. In dit artikel wordt een limitatieve opsomming gegeven van personen die een vordering kunnen instellen en van hetgeen kan worden gevorderd. Kort gezegd kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen deze kosten vorderen. De gevorderde materiële schadevergoeding die ziet op deze kosten, de vliegtickets, is niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. Ook zal het hof de gevorderde schoonmaakkosten van de auto als niet betwist toewijzen. Ten aanzien van posten ‘ [winkel] ’ en ‘Advocaatkosten Turkije’, te weten een bedrag van € 11,739,95, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren omdat deze posten onvoldoende onderbouwd zijn. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.877,78 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering.

Immateriële schade

Het gevorderde bedrag is niet gespecificeerd ten aanzien van shockschade enerzijds en affectieschade anderzijds, hetgeen aan de hierna volgende beslissingen van het hof niet in de weg staat.

Shockschade

De benadeelde partij maakt deels aanspraak op vergoeding van immateriële schade, omdat sprake zou zijn van een aantasting in de persoon, als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van de onder artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders, indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van shockschade onderbouwd.

Het hof stelt vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht. De ouders van het slachtoffer zijn enkele uren nadat de politie het lichaam van hun overleden zoon, welk lichaam zwaar bebloed als gevolg van messteken op de achterbank van zijn auto lag, had aangetroffen op de hoogte gesteld van de gewelddadige dood van hun zoon. Uit het proces-verbaal blijkt dat de politie die morgen om ongeveer 08.30 uur hij de woning van de ouders heeft aangebeld en hen enige tijd later een foto heeft getoond van hun zoon welke genomen was op de plaats delict. Dit om het slachtoffer te kunnen identificeren. Door de politie is aan de ouders uitgelegd dat dit een schokkende foto was, maar dat er op dat moment geen andere mogelijkheid was om de identiteit van het slachtoffer vast te stellen. Uit het proces-verbaal blijkt eveneens dat de moeder hierop diverse keren flauw viel.

Deze confrontatie heeft bij de vader van het slachtoffer geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten een posttraumatisch stress syndroom en een depressieve stoornis. Dit psychiatrie erkend ziektebeeld is voldoende onderbouwd door een brief van de behandelend psychiater.

Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 12.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering zodat dat het restant van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Affectieschade

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste, wordt het volgende overwogen. Door de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht om vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Staatsblad 2018, 132), is de kring van tot schadevergoeding gerechtigden verruimd in die zin dat het voor de in artikel 6:107, tweede lid, BW en artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van slachtoffers mogelijk wordt om een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer. Artikel 51f, tweede lid, Sv is gewijzigd in die zin dat deze naasten zich in het strafproces kunnen voegen met de hier aan de orde zijnde vordering tot vergoeding van ‘affectieschade’. Ingevolge het overgangsrecht als bepaald in artikel 68 en 69 Overgangswet nieuw BW heeft deze verruiming slechts gevolgen ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden ná de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019.

Zoals het hof hierboven heeft vooropgesteld is vergoeding van affectieschade op grond van artikel 6:108 BW slechts mogelijk ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019. Nu [slachtoffer] is overleden op 10 april 2017 is vergoeding op deze grond niet mogelijk. Gelet daarop zal het hof de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van de affectieschade niet-ontvankelijk verklaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 33.448,00, en is als volgt opgebouwd:

1. Materiele schade (€11.948,00);

- Inkomstenderving € 11.468,00;

- Schade kleding en schoenen € 480,00;

2. Immateriële schade (€21.500,00);

- Steekwond been € 1.500,00;

- Shockschade € 20.000.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.980,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft de opgevoerde materiële schade op het standpunt gesteld dat de post kleding en schoenen kan worden toegewezen. Ten aanzien van de post inkomstenverderving heeft de advocaat-generaal gevorderd deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze post niet nader onderbouwd is. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van shockschade heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze gedeeltelijk toewijst, tot een bedrag van € 10.000,00, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ter zake van de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat dit onvoldoende onderbouwd is. Ten aanzien van de shockschade heeft zij verzocht deze vordering af te wijzen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Materiële schade

De vordering voor wat betreft het verlies aan inkomsten is onvoldoende onderbouwd omdat niet blijkt dat de schade daadwerkelijk is geleden als rechtstreeks gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte. Ten aanzien van dat deel van de vordering tot vergoeding van materiële schade zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 480,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Immateriële schade

Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 als gevolg van de toegebrachte steekwond komt het hof billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Het hof zal de vordering ten aanzien van dat onderdeel toewijzen.

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit hof zich aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Het hof oordeelt over dit onderdeel van de vordering als volgt. Nog afgezien van de vraag of [benadeelde 1] in voldoende nauwe relatie tot [slachtoffer] stond om aanspraak te kunnen maken op shockschade (zij waren slechts oppervlakkig bevriend, zo leidt het hof uit het dossier af), is het hof van oordeel dat [benadeelde 1] geen vergoeding van shockschade toekomt, omdat hij bewust is meegegaan met [slachtoffer] , wetende dat [slachtoffer] de confrontatie wilde zoeken met een andere persoon, en zich vervolgens niet heeft gedistantieerd toen de confrontatie gewelddadig dreigde te worden. Door de keuzes die [benadeelde 1] heeft gemaakt heeft hij zichzelf gebracht in een situatie die zo uit de hand kon lopen dat deze voor hem een trauma heeft opgeleverd. Het hof is van oordeel dat [benadeelde 1] onder die omstandigheden geen aanspraak kan maken op vergoeding van shockschade en zal de vordering ten aanzien van dat onderdeel afwijzen.

Het hof concludeert dat de vordering tot immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, tot de dag van de voldoening. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2016 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 59 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie een gevangenisstraf van hierna te melden duur gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.877,78 (dertienduizend achthonderdzevenenzeventig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 1.877,78 (duizend achthonderdzevenenzeventig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 600,00 (zeshonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.881,78 (dertienduizend achthonderdeenentachtig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 1.881,78 (duizend achthonderdeenentachtig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 104 (honderdvier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 april 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.980,00 (duizend negenhonderdtachtig euro) bestaande uit € 480,00 (vierhonderdtachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst af de gevorderde schade tot een bedrag van € 20.000 immateriële schade/shockschade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1, 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.980,00 (duizend negenhonderdtachtig euro) bestaande uit € 480,00 (vierhonderdtachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 29 (negenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 april 2017.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2016 met parketnummer 23-005163-15, te weten een jeugddetentie voor de duur van 59 dagen, een gevangenisstraf voor de duur van 59 (negenenvijftig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. M.J.A. Plaisier en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2020.

=========================================================================

[…]