Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2423

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
23-000536-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaine Schiphol - toewijzing vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000536-19

datum uitspraak: 22 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-010492-19 tegen

[verdachte] (hierna te noemen: de verdachte respectievelijk de veroordeelde),

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1990,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2020.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de onderstaande bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv:

1. De (bekennende) verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2020.

2. Een proces-verbaal met mutatienummer PL27RP/19-003748 van 17 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 1 en 2).

3. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen met mutatienummer PL27RP/19-003748 van 20 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 34-36).

4. Een deskundigenverslag, te weten een rapport van het Douane Laboratorium van 23 januari 2019 met laboratoriumnummer 742 X 19, opgemaakt door [naam] MSc, wetenschappelijk medewerker (los in het dossier opgenomen).

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest en tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft het hof verzocht voor wat betreft de strafoplegging niet af te wijken van het vonnis in eerste aanleg.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan invoer van 49 bolletjes met daarin ruim 350 gram van een stof met daarin cocaïne. De verspreiding van en handel in harddrugs en – in het verlengde daarvan – het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust in de samenleving teweeg en leiden veelal (direct en indirect) tot diverse vormen van criminaliteit.

Het hof heeft gelet op de straffen die terzake van smokkel van soortgelijke hoeveelheden aan harddrugs plegen te worden uitgesproken. Die straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor de invoer van hoeveelheden van 200 tot 500 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie tot zes maanden genoemd. De in deze zaak door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van vijf maanden loopt daarmee in de pas.

Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 mei 2020 blijkt dat de verdachte in 2015 voor een zeer ernstig misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ruim zeven jaren. Dit spreekt sterk in zijn nadeel. Tegen die achtergrond acht het hof, anders dan de politierechter en de raadsman, een taakstraf in deze zaak geen passende strafsoort. In de recente veroordeling van de verdachte tot 9 maanden gevangenisstraf, waarmee het hof in het verlengde van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening houdt, wordt aanleiding gezien de verdachte geen hogere straf te geven dan de genoemde vrijheidsstraf van vijf maanden. Het hof acht de door de verdachte geschetste positieve ontwikkelingen in zijn leven, waaronder het behalen van een Mbo-diploma en zijn vaderschap, in het licht van genoemd strafblad van onvoldoende gewicht om een lagere straf te rechtvaardigen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De veroordeelde is door het gerechtshof Den Haag bij onder parketnummer 22-001795-13 gewezen arrest van 18 juni 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en twee maanden, met aftrek van voorarrest. Deze uitspraak is onherroepelijk. De veroordeelde is krachtens een besluit van 26 oktober 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder (onder meer) de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per 8 november 2016. De proeftijd besloeg een periode van 872 dagen.

Naar aanleiding van het in de voorliggende zaak tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie op 28 januari 2019 een schriftelijke vordering ingediend, strekkend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een gedeelte van 180 dagen. De rechtbank heeft de vordering voor een gedeelte van 150 dagen toegewezen.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is ook in hoger beroep aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op de vordering dezelfde beslissing moet worden genomen als de rechtbank heeft gedaan.

De verdediging heeft het hof verzocht om in plaats van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, een taakstraf te gelasten. De doelen die met het verlenen van de voorwaardelijke invrijheidstelling werden beoogd zijn immers behaald nu de verdachte een Mbo-opleiding heeft afgerond, goede perspectieven op een baan heeft en een gezin wil opbouwen. Daarnaast wil hij graag aanwezig zijn bij de verstrooiing van de as van zijn onlangs overleden grootmoeder.

Het hof overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat de verdachte gedurende de proeftijd de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Voor de geloofwaardigheid en de effectiviteit van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is van groot belang dat aan de overtreding van de gestelde voorwaarden gevolgen worden verbonden. Dat dient ook hier te gebeuren. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal moeten worden bepaald welke reactie op de overtreding van de voorwaarden passend is. Mede in aanmerking genomen de ernst van het thans bewezenverklaarde strafbare feit acht het hof in deze zaak – met de advocaat-generaal – een gedeeltelijke herroeping, groot vijf maanden, van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op zijn plaats. Het hof heeft daarbij ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte betrokken die door de verdediging naar voren zijn gebracht. Zij vormen de reden waarom het hof niet tot herroeping van een groter gedeelte van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal overgaan. Voor het in plaats van het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling gelasten van een taakstraf, zoals door de raadsman wordt voorgestaan, ontbreekt een wettelijke basis. Overigens zou het hof ook indien die wettelijke basis wel zou hebben bestaan, niet voor die optie hebben gekozen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2015 onder parketnummer 22-001795-12 opgelegde vrijheidsstraf niet ten uitvoer is gelegd alsnog voor een deel wordt ondergaan, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.R.O. Mooy en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 juni 2020.