Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
23-002234-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling met fietspomp. Beroep op noodweer verworpen. Niet aannemelijk geworden dat er voorafgaand aan het op de camerabeelden zichtbare incident sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002234-18

datum uitspraak: 8 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer
13-070043-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1952,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

primair:

hij op of omstreeks 10 april 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde] meermalen (met kracht), met een fietspomp, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het (boven- en/of onder) lichaam en/of een/de arm(en) en/of be(en(en) en/of een/de hand(en), heeft geslagen en/of gezwaaid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 10 april 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde], meermalen (met kracht), met een fietspomp, althans een hard voorwerp, in/op/tegen het (boven- en/of onder-) lichaam en/of een/de (be(e)n(en) en/of een/de arm(en) en/of een/de hand(en) te slaan en/of te zwaaien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Omdat het hof komt tot een deels andere beslissing dan de politierechter (namelijk ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij), het de bewijsmiddelen in het arrest zal opnemen en een nadere overweging zal geven ten aanzien van het beroep op noodweer(exces), wordt het vonnis waarvan beroep – ten behoeve van de leesbaarheid – geheel vernietigd.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Bespreking van het beroep op noodweer

De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake was van noodweer. De verdachte is namelijk voorafgaand aan het op de camerabeelden zichtbare incident aangevallen door de aangever. Daarmee was sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich redelijkerwijs mocht verweren.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat er voorafgaand aan het op de camerabeelden zichtbare incident, zoals beschreven door verbalisant [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 17-18 van het dossier), sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever. Zo heeft de verdachte tijdens het politieverhoor enkel een blauwe plek laten zien aan verbalisant [verbalisant 2] (p. 25 van het dossier), dateert de door de verdachte overgelegde gezondheidsverklaring van de GGD pas van zes dagen na het incident, bieden de camerabeelden geen steun voor de door de raadsman en de verdachte geschetste gang van zaken en biedt het dossier ook overigens geen enkel aanknopingspunt dat sprake was van een situatie waartegen de verdachte zich diende te verdedigen.

Het hof zal dit verweer dan ook verwerpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

subsidiair:
hij op 10 april 2018 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] meermalen met een fietspomp tegen het lichaam te slaan.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

  1. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2018071117-1 van 10 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s 3-5.
    Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [benadeelde]:
    Op 10 april 2018 was ik op het Lambertus Zijlplein. Ik zag dat een man een fietspomp pakte. Hij heeft mij geslagen. Hij sloeg met de pomp op verschillende plekken. Hij raakte mij meerdere keren met de voet van de fietspomp, het houten stuk. Ik voelde tijdens de mishandeling veel pijn. Ik voelde de meeste pijn in mijn hand. De wond op mijn hand bleek in het ziekenhuis open te zijn tot de pees. Ik heb ook pijn in mijn been. Ik heb een bloeduitstorting op mijn linker onderbeen. Ik heb op mijn linkerarm ook bloeduitstortingen. Ik heb ook pijn in mijn armen en mijn ribben.

  2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018071117-6 van 10 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren
    [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], doorgenummerde pagina’s 11-13.
    Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van voornoemde verbalisanten:
    Op 10 april 2018 omstreeks 17.05 uur waren wij op het Lambertus Zijlplein te Amsterdam. Aldaar werden wij gewenkt door een man met een rood vest aan, die genaamd bleek te zijn [benadeelde]. Ik, verbalisant [verbalisant 4], zag dat hij mij een bebloede linkerhand liet zien. Ik hoorde hem zeggen: “Kijk dat is de dader, hij heeft mij geslagen met een fietspomp”. Ik zag dat hij wees naar een man die ongeveer twintig meter verder op het plein stond. De verdachte die hij aanwees, beschrijf ik als een man van ongeveer 60 jaar oud, met een turquoise gewaad. De verdachte gaf aan mij op te zijn [verdachte], geboren op [geboortedag] 1952 te Marokko. Ik hoorde portofonisch via het districtskanaal dat op de camerabeelden van het centraal cameratoezicht was te zien dat de verdachte de man met het rode vest meerdere malen had geslagen met een fietspomp.

  3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018071117-9 van 10 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina’s 17-18.
    Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van voornoemde verbalisant:
    Ik stelde een onderzoek in naar de beelden van het CTTR. Op de beelden van Cam-Wes_NWN_804 van 10 april 2018 zag ik het volgende. Om 17.04.20 uur zag ik een man in blauw lang gewaad in beeld lopen. Om 17.04.27 uur zag ik een man met rode jas en daaronder blauw lang gewaad lopen. Ik zag dat de man in het blauw een fietspomp pakte. Ik zag dat de man in het blauw een slaande beweging maakte naar het bovenlichaam van de man in het rood. Ik zag dat de man in het blauw de man in het rood driemaal raakte op het bovenlichaam terwijl de man in het rood dit trachtte te weren met zijn linkerhand. Ik zag dat de man in het blauw de man in het rood nog driemaal met de fietspomp sloeg terwijl de man in het rood op de grond lag. Om 17.05:45 zag ik dat de politie ter plaatse kwam en dat de man in het rood naar de politie loopt.

  4. Een geschrift, zijnde een Poliklinisch Medisch dossier Heelkunde van 10 april 2018, doorgenummerde pagina 6.
    Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
    Patiëntnaam: [benadeelde]
    Datum: 10-04-2018
    Ingevuld door: assistent [naam 1] en co-assistent [naam 2].
    Anamnese: vandaag gevochten met een man. Is meerdere keren geslagen met een fietspomp. Nu pijnklachten aan verwondingen: basaal van linker duim, linker onderarm, linker onderbeen en linker thorax.
    Conclusie: verwondingen op het linker onderbeen, linker onderarm en de basis van dig 1 wv hechtingen.

Het hiervoor vermelde bewijsmiddel 4 betreft een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering en is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake was van noodweerexces. Dit verweer kan niet slagen omdat het hof, zoals eerder in dit arrest overwogen, van oordeel is dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

Voorts is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling door het slachtoffer meerdere keren met een fietspomp te slaan. Zelfs toen het slachtoffer op de grond terecht was gekomen, bleef de verdachte op brute wijze op het slachtoffer inslaan. Dit heeft pijn en letsel veroorzaakt bij het slachtoffer. Het is aan het ingrijpen van de omstanders te danken dat de verwondingen van het slachtoffer niet nog zwaarder zijn. Niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor omstanders brengt een dergelijke gedraging gevoelens van onrust en onveiligheid mee, nu de mishandeling overdag en in het openbaar op een druk plein plaatsvond. Gelet op de ernst van het feit is een taakstraf passend.

In strafmatigende zin weegt het hof mee dat de verdachte op leeftijd is, gezondheidsklachten heeft en niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen.

Het hof acht de door de politierechter opgelegde taakstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof gaat er daarbij van uit dat de reclassering een type taakstraf zal kiezen die de verdachte kan volbrengen. De kans is groot dat de verdachte en het slachtoffer elkaar nogmaals tegen zullen komen, nu zij blijkens het dossier verbonden zijn aan dezelfde moskee. Het voorwaardelijke deel van de straf dient om de verdachte ervan te weerhouden nogmaals een dergelijke mishandeling te plegen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 877,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 627,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof acht het materiële deel van de vordering ter hoogte van € 27,00 volledig toewijsbaar, nu dit deel van de vordering in voldoende mate is onderbouwd.

Voorts heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat betekent dat hij op de voet van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Het hof begroot deze schade naar billijkheid op € 400,00.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de in het dictum te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK Fietspomp.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 427,00 (vierhonderdzevenentwintig euro) bestaande uit € 27,00 (zevenentwintig euro) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 427,00 (vierhonderdzevenentwintig euro) bestaande uit € 27,00 (zevenentwintig euro) materiële schade en

€ 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

10 april 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. H.A. van Eijk en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

8 september 2020.

De oudste en jongste raadsheer zijn verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]