Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2417

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
23-004289-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Drugskoerier MDMA. Ook poging uitvoer ketamine. Art. 1 Geneesmiddelenwet. Dat onaannemelijk is dat deze partij ketamine gebruikt zou gaan worden om een geneesmiddel te maken, doet in algemene zin niet af aan de bestemming daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004289-19

datum uitspraak: 8 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 november 2019 in de strafzaak onder parketnummer
15-175837-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Argentinië) op [geboortedag] 1964,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 juli 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 onder 5 Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende (3,4-)MDMA, zijnde (3,4-)MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2 primair.
hij op of omstreeks 22 juli 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 4,8 kilogram ketamine, in elk geval een werkzame stof, heeft bereid en/of ingevoerd en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of verhandeld;

2 subsidiair.
hij op of omstreeks 22 juli 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om zonder registratie ongeveer 4,8 kilogram, althans een hoeveelheid (van een stof bevattende) ketamine, in elk geval een werkzame stof, te bereiden en/of in te voeren en/of af te leveren en/of uit te voeren dan wel anderszins buiten het grondgebied van Nederland te brengen en/of te verhandelen (zakelijk weergegeven): zich, voorzien van (een) vliegticket(s) en/of instapkaart(en) (voor een vlucht naar Madrid en/of Miami) en/of met in de door hem meegevoerde bagage die ketamine/stof naar/op de luchthaven Schiphol heeft begeven en/of zich (aldaar) naar de incheckbalie voor die vlucht heeft begeven, althans in de nabijheid van die balie stond (te wachten), teneinde de bagage in te kunnen checken voor die vlucht(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en straf komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 2 primair

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte van zowel het onder 1 als 2 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het hof zal de verweren hierna afzonderlijk bespreken.

Feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van uitvoer van de MDMA, nu deze verdovende middelen het grondgebied van Nederland feitelijk niet hebben verlaten, noch daadwerkelijk door de verdachte ter vervoer zijn aangeboden aan de luchtvaartmaatschappij.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte is op 22 juli 2019 door opsporingsambtenaren van de Belastingdienst aangetroffen in vertrekterminal 1 van de luchthaven Schiphol. Hij was op dat moment voornemens om zijn koffer, waarin de verdovende middelen later zijn aangetroffen, in te checken voor een vlucht naar Madrid. Hij was zelf, blijkens de instapkaarten die hij in zijn bezit had, al ingecheckt voor de vluchten naar Madrid en vervolgens Miami. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij met zijn koffer in de rij stond voor het ‘self service bagage afgiftepunt’ en dat het zijn bedoeling was om die koffer in Miami af te leveren. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte de MDMA – in aanmerking genomen de ruime begripsomschrijving die is neergelegd in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet – buiten het grondgebied van Nederland gebracht.

Feit 2 subsidiair

Met betrekking tot het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de ketamine, die is aangetroffen in de koffer van de verdachte, geen ‘werkzame stof’ is in de zin van de Geneesmiddelenwet, omdat niet aannemelijk is dat deze ketamine bestemd was om als geneesmiddel te worden gebruikt.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Onder ‘werkzame stof’ dient ingevolge artikel 1 onder x.1. van de Geneesmiddelwet, voor zover hier van belang, te worden verstaan een substantie die bestemd is om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een geneesmiddel en dat bijgevolg een werkzaam bestanddeel van dat geneesmiddel wordt dat bestemd is om een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, teneinde fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, onderscheidenlijk een medische diagnose te stellen. In de reguliere geneeskunde worden geneesmiddelen met ketamine gebruikt als verdovingsmiddel bij korte pijnlijke chirurgische ingrepen. In zoverre is, anders dan de raadsman heeft betoogd, ketamine dus een stof die is ‘bestemd om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een geneesmiddel’ en bijgevolg een werkzaam bestanddeel van dat geneesmiddel wordt, zoals bedoeld in artikel 1 onder x.1. van de Geneesmiddelenwet. Dat het onaannemelijk is dat de onder de verdachte inbeslaggenomen ketamine gebruikt zou gaan worden bij de vervaardiging van een geneesmiddel, doet in algemene zin aan de bestemming van deze stof niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 22 juli 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende (3,4-)MDMA buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

2 subsidiair.
hij op 22 juli 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om zonder registratie ongeveer 4,8 kilogram van een stof bevattende ketamine uit te voeren zich, voorzien van instapkaarten voor vluchten naar Madrid en Miami met in de door hem meegevoerde bagage die stof, op de luchthaven Schiphol heeft begeven en zich aldaar naar de incheckbalie voor die vlucht heeft begeven teneinde de bagage in te kunnen checken voor die vluchten.

Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 33 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van ruim 3,5 kilo MDMA en aan een poging tot uitvoer (zonder registratie) van ruim 4,5 kilo ketamine. Verdovende middelen zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast is het gebruik ervan, onder andere door de daarmee gepaard gaande criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. In dit geval zou de MDMA door de verdachte aan iemand in Miami moeten worden afgeleverd; deze was dus blijkbaar bestemd voor de verdere verspreiding en handel aldaar. De verspreiding van en handel in verdovende middelen gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, met overlast voor de maatschappij en geweld tegen onschuldige personen tot gevolg. Door zijn handelwijze heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het internationale netwerk van handel in verdovende middelen. De verdachte zou voorts ketamine in Miami afleveren, met als schadelijke gevolg het ongecontroleerde gebruik van een aanzienlijke hoeveelheid van een stof die bestemd is om – onder strikte voorwaarden – als geneesmiddel te worden gebruikt.

Gelet op de ernst van deze feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals gebleken ter terechtzitting in hoger beroep, ziet het hof geen aanleiding tot strafvermindering. Evenmin ziet het hof hierin reden om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden. Deze straf is hoger dan die in eerste aanleg is opgelegd. De reden daarvan is dat de verdachte in hoger beroep eveneens voor het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld.

Beslag

De hierna te noemen inbeslaggenomen goederen behoren toe aan de verdachte. Het hof zal de teruggave van deze goederen aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 45 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 STK Telefoontoestel (vlgnr 4);

  • -

    1 STK Simkaart van zaktelefoon (vlgnr 9);

  • -

    1 STK Simkaart van zaktelefoon (vlgnr 10);

  • -

    1 STK Simkaart van zaktelefoon (vlgnr 11);

  • -

    1 STK Simkaart van zaktelefoon;

  • -

    Geldbedrag, zijnde € 432,50.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. P.F.E. Geerlings en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
8 september 2020.

De voorzitter en de oudste raadsheer zijn verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]