Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2413

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
200.277.039/01 en 200.277.039/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2020:78
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Belangen dochter en vader bij contact (co-ouderschap) en belangen dochter bij bestendiging situatie in Nederland wegen zwaarder dan belangen vrouw bij verhuizing naar Japan. Geen vervangende toestemming aan de vrouw voor verhuizing met de dochter. Geen ‘nihilstelling’ omgang in strijd met waarheid om urgentieverklaring te bespoedigen. Kinderalimenatie en partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2021/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummers: 200.277.039/01 en 200.277.039/02

Zaaknummers rechtbank: C/13/659751/FA RK 18-8430 en C/13/676753/FA RK 19-7756

Beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2020 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag.

Als (overige) belanghebbende is aangemerkt:

- de minderjarige [dochter] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in]

2016 te [geboorteplaats] .

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag (locatie: Amsterdam),

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 15 januari 2020 en 26 februari 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

Zaaknummer 200.277.039/01

2.1

De vrouw is op 15 april 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van

15 januari 2020 en 26 februari 2020.

2.2

De man heeft op 26 mei 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een pleitnota van de zijde van de vrouw van 30 juni 2020 met bijlagen (producties 1 t/m 11), ingekomen op 1 juli 2020;

- een tweetal journaalberichten van de zijde van de man van 2 juli 2020 met bijlagen (producties 7 t/m 15 en 16 t/m 19), ingekomen op 3 juli 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 juli 2020 met bijlagen (producties 12 en 13), ingekomen op 9 juli 2020.

Zaaknummer 200.277.039/02

2.4

De vrouw heeft op 18 mei 2020 een verzoekschrift voorlopige voorziening ingevolge artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) alsmede provisionele voorziening ingevolge artikel 223 Rv ingediend.

2.5

De man heeft op 5 juni 2020 een verweerschrift ingediend.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 13 juli 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Voor de vrouw is mevrouw I. Hansen opgetreden als tolk in de Japanse taal;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat. Voor de man is mevrouw I.J.M. Huigens opgetreden als tolk in de Engelse taal;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2016 te [plaats A] . Het huwelijk is op 25 maart 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van

15 januari 2020 in de registers van de burgerlijke stand.

Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige] . Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 10 april 2019 zijn voorlopige voorzieningen getroffen en is voor zover hier van belang:

- bepaald dat [de minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

- bepaald als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) dat de man [de minderjarige] elke zaterdagmorgen ophaalt bij de vrouw en haar op maandagmorgen weer terugbrengt bij de vrouw en de man haar daarnaast elke woensdag van 17.00 uur tot 18.00 uur bij zich heeft, waarbij de man [de minderjarige] eveneens ophaalt en thuisbrengt bij de vrouw;

- bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking € 284,- per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [de minderjarige] .

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 19 juli 2019 is - voor zover hier van belang - aan de vrouw toestemming verleend om in de periode van vrijdag 19 juli 2019 tot en met zondag

25 augustus 2019 voor een periode van drie weken met [de minderjarige] naar Japan te reizen en daar te verblijven.

3.4

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

Zaaknummer 200.277.039/01

4.1

Bij de bestreden beschikking van 15 januari 2020 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking € 187,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. De vrouw had de rechtbank verzocht een kinderalimentatie vast te stellen van € 368,- per maand. De man had verzocht om een kinderalimentatie van € 124,- per maand te bepalen. De behandeling van de verzoeken betreffende de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor verhuizing naar Japan zijn aangehouden en de zaak is daartoe verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Bij de bestreden beschikking van 26 februari 2020 is vervolgens, nadat partijen hieromtrent over en weer verzoeken hadden gedaan, bepaald:

- dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

- dat de zorgregeling als volgt zal zijn:

 [de minderjarige] is bij de man van maandag 9.00 uur tot woensdag 12.00 uur en bij de vrouw

van woensdag 12.00 uur tot vrijdag 19.00 uur;

 [de minderjarige] is het ene weekend van vrijdag 19.00 uur tot maandag 9.00 uur bij de vrouw

en het andere weekend bij de man;

- dat [de minderjarige] op de navolgende dagen tijdens de vakanties bij de man dan wel bij de vrouw zal zijn:

 voorjaarsvakantie: even jaren man 1e helft en vrouw 2e helft en oneven jaren vrouw 1e

helft en man 2e helft;

  • -

    meivakantie: 1e week man en 2e week vrouw;

  • -

    zomervakantie: even jaren eerste drie weken man en tweede drie weken vrouw en

oneven jaren andersom;

 herfstvakantie: even jaren vrouw 1e helft en man 2e helft en oneven jaren man 1e helft

en vrouw 2e helft;

 kerstvakantie: even jaren 1e week inclusief kerstdagen man en 2e week inclusief oud en

nieuw vrouw en in de oneven jaren andersom;

- dat [de minderjarige] op de navolgende dagen bij de man dan wel bij de vrouw zal zijn:

 verjaardag man en Vaderdag bij de man en verjaardag vrouw en Moederdag bij de

vrouw;

  • -

    verjaardag [de minderjarige] even jaren man, oneven jaren vrouw;

  • -

    drie speciale dagen in het leven van de man of de vrouw en/of hun familie.

De verzoeken van de vrouw tot - kort samengevat - vervangende toestemming voor verhuizing naar Japan per 1 juli 2020 en vervangende toestemming om [de minderjarige] vanaf 1 juli 2020 in Japan naar school te laten gaan, de inhoud van het ouderschapsplan als integraal onderdeel van de te wijzen beschikking op te nemen en (subsidiair) de beslissingen aangaande de hoofdverblijfplaats en de zorg- en vakantieregeling aan te houden teneinde partijen de gelegenheid te bieden in cross border mediation te gaan, zijn afgewezen.

4.2

De vrouw verzoekt thans in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikkingen:

- primair: haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar Japan te verhuizen en [de minderjarige] daar naar school te laten gaan;

subsidiair: de onbegeleide omgang van de man met [de minderjarige] stop te zetten dan wel een regeling vast te stellen waarbij het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vrouw is en zij om het weekend bij de man is en verder elke maandagochtend van 9.00 uur tot woensdagmiddag 12.00 uur, met een vakantieregeling waarbij de vrouw in staat gesteld wordt om in de zomer zes weken met [de minderjarige] naar Japan te reizen;

- de kinderalimentatie vast te stellen op € 408,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

- de partneralimentatie vast te stellen op € 192,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw.

4.3

De man verzoekt de door de vrouw in haar beroepschrift gedane verzoeken af te wijzen.

Zaaknummer 200.277.039/02

4.4

De vrouw verzoekt als voorlopige voorziening hangende de procedure van het hoger beroep:

- [de minderjarige] vanaf 15 juli 2020 met de vrouw naar Japan te laten verhuizen;

- de kinderalimentatie vast te stellen op € 408,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

- de partneralimentatie vast te stellen op € 192,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw.

4.5

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel haar verzoeken af te wijzen en te bepalen dat de vrouw de door de man in deze gemaakte advocaatkosten en de griffierechten aan de man dient te betalen en deze te begroten op

€ 5.000,- , dan wel de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

Zaaknummer 200.277.039/01

5.1

Primair ligt ter beoordeling aan het hof voor het verzoek van de vrouw om haar vervangende

toestemming te verlenen voor een verhuizing met [de minderjarige] naar Japan en om [de minderjarige] daar naar school te laten gaan. Subsidiair liggen ter beoordeling aan het hof voor de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de zorg- en vakantieregeling, de kinderalimentatie en de partneralimentatie.

Het hof zal allereerst het primaire verzoek van de vrouw behandelen.

5.2

De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing met [de minderjarige] naar Japan heeft afgewezen en voert daartoe het volgende aan. Het is wel degelijk noodzakelijk en in het belang van [de minderjarige] om naar Japan te verhuizen. Zowel beide ouders als [de minderjarige] zelf spreken geen Nederlands en er is geen sprake van een stabiele situatie van partijen in Nederland. Het enige dat partijen bindt aan Nederland is dat de man hier zijn geld verdient. De vrouw heeft geen netwerk in Nederland, hetgeen het voor haar – tezamen met haar leeftijd en de taalbarrière - lastig maakt om hier een goed betaalde baan te vinden. Momenteel kan de vrouw vanwege de Corona crisis maar 10 tot 16 uren per week werken, in een Japans restaurant. In Japan heeft de vrouw haar familie, een netwerk en betere carrière- en financiële mogelijkheden. De man heeft gezien zijn leeftijd en werkervaring een reële kans om een carrière op te bouwen in Japan. Bovendien heeft het bedrijf waar hij nu voor werkt ook een vestiging in Japan. Mocht de vrouw toestemming krijgen om met [de minderjarige] naar Japan te verhuizen en de man besluit in Nederland te blijven, dan zal de vrouw het contact tussen de man en [de minderjarige] (door middel van Skype en in de vakanties) zoveel mogelijk stimuleren.

Tot slot stelt de vrouw dat zij financieel niet in staat is om nog langer huisvesting voor [de minderjarige] en haarzelf in [plaats A] te betalen. Zij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, maar die aanvraag is afgewezen. Ook is het haar tot op heden niet gelukt om huisvesting te vinden buiten [plaats A] , aldus de vrouw.

5.3

De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar Japan te verhuizen, dient te worden afgewezen. Hij voert daartoe het volgende aan. [de minderjarige] woont al haar hele leven in Nederland en gaat

thans naar de basisschool in [plaats A] . De man is sinds de geboorte van [de minderjarige] een stabiele en constante factor in haar leven en sinds de bestreden beschikking van 26 februari 2020 is er sprake van een co-ouderschap. Een verhuizing van de vrouw met [de minderjarige] naar Japan zou het contact dat de man nu met [de minderjarige] heeft drastisch verminderen, hetgeen traumatisch voor [de minderjarige] zou zijn, gezien haar leeftijd en de belangrijke hechtingsfase waarin ze zich bevindt, terwijl er geen enkele vorm van compensatie kan worden geboden gelet op de reisafstand en het tijdsverschil tussen Nederland en Japan. De vrouw heeft daarnaast niet aangetoond dat er bij haar sprake is van een psychische, medische of financiële noodzaak om met [de minderjarige] naar Japan te verhuizen. Er zijn diverse geschikte banen voor de vrouw te vinden in [plaats A] ; zij spreekt naast Japans vloeiend Engels en heeft 24 jaar werkervaring. De man betwist eveneens dat de vrouw niet in staat zou zijn om betaalbare huisvesting te vinden voor [de minderjarige] en haarzelf, in of in de omgeving van [plaats A] . De man wijst erop dat de vrouw tot twee keer toe een geschikte en betaalbare woning heeft verlaten om een duurdere huurwoning te betrekken. Verder voert de man aan dat de verhuizing naar Japan niet is voorbereid of doordacht. De vrouw heeft nog geen huis of baan in Japan. Tot slot betwist de man dat hij makkelijk aan werk zou kunnen komen in Japan. Hij beschikt niet over de juiste kwalificaties en hij spreekt niet of nauwelijks Japans. Het bedrijf waarvoor hij nu werkt, heeft geen vestiging in Japan, aldus de man.

5.4

De raad heeft ter zitting in hoger beroep het hof geadviseerd om het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met [de minderjarige] naar Japan af te wijzen. De raad heeft daarbij onder meer het volgende verklaard. Beide ouders willen het beste voor [de minderjarige] . De afgelopen jaren zijn voor [de minderjarige] erg onrustig en onvoorspelbaar geweest. Rust, stabiliteit en voorspelbaarheid zijn nu prioriteit voor [de minderjarige] . Beide ouders zijn betrokken en [de minderjarige] heeft met beide ouders een band opgebouwd. Er is geen helder beeld hoe de situatie in Japan er voor haar uit zou zien. Een verhuizing naar Japan is, ook gelet op het co-ouderschap van ouders, nu niet in haar belang. Ten aanzien van de vakantieregeling merkt de raad op dat er al langere tijd een zorgregeling is waarbij [de minderjarige] gewend is om met beide ouders regelmatig

contact te hebben. Gelet hierop, en gelet op haar leeftijd, acht de raad een verblijf van (maximaal) vier weken achtereen bij één ouder het meest in haar belang. In vier weken is ook een reis naar Japan mogelijk, aldus de raad.

Het hof overweegt als volgt.

Vervangende toestemming verhuizing

5.5

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.6

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste rechtspraak volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Bij de afweging van de belangen van [de minderjarige] en haar ouders dient het hof alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen.

5.7

Uit de stukken alsmede het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

De vrouw heeft de Japanse nationaliteit en de man heeft de Italiaanse nationaliteit. Zij spreken niet of nauwelijks Nederlands en communiceren met elkaar in het Engels. [de minderjarige] spreekt Japans met de vrouw en Italiaans met de man.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij in Japan een opleiding aan een ‘Business School’ heeft gevolgd en daarna heeft gewerkt als manager voor Sony Pictures en in de financiële dienstverlening. Zij heeft Japan ongeveer veertien jaar geleden verlaten in verband met haar werk. Partijen hebben elkaar in 2012 in Singapore ontmoet en zijn in 2013 vanuit Singapore naar Nederland gekomen, omdat de man hier had gestudeerd, gemakkelijk een verblijfsvergunning kon krijgen en mede daardoor stabieler en beter betaald werk kon vinden. Hij heeft een vaste aanstelling bij [bedrijf] [in] 2016 is [de minderjarige] geboren en vlak daarna zijn partijen getrouwd. De vrouw heeft vanaf de zomer van 2017 ongeveer een jaar lang twee avonden per week in de keuken van een Japans restaurant gewerkt. Eind 2018 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan. In die periode escaleerden de geschillen tussen hen en is Veilig Thuis betrokken geraakt. Inmiddels is Samen Doen ingeschakeld, waarvan partijen een keer per maand ouderbegeleiding krijgen. [de minderjarige] laat op school zeer schuchter gedrag zien; zij durft bijvoorbeeld nog niet te praten. Zij ontvangt daarvoor speltherapie. De vrouw is na de scheiding drie keer verhuisd. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij in haar huidige woning kan blijven (als zij de huur kan blijven betalen). De man is na de scheiding twee keer verhuisd.

In april 2019 is bij voorlopige voorziening bepaald dat de man [de minderjarige] elke zaterdagmorgen ophaalt bij de vrouw en haar op maandagmorgen weer terugbrengt naar de vrouw en de man [de minderjarige] daarnaast elke woensdag van 17.00 uur tot 18.00 uur bij zich heeft. Bij de bestreden beschikking van 26 februari 2020 is vervolgens co-ouderschap bepaald, waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft van maandag 9.00 uur tot woensdag 12.00 uur alsmede om het weekend van vrijdag 19.00 uur tot maandag 9.00 uur. Partijen hebben deze beschikking tot op heden nageleefd.

5.8

Gebleken is dat beide ouders liefdevolle opvoeders en verzorgers zijn voor [de minderjarige] die ieder de helft van de zorg voor [de minderjarige] op zich nemen. [de minderjarige] is haar hele leven al woonachtig in Nederland, gaat hier naar de basisschool en raakt hier steeds meer geworteld. [de minderjarige] is, op een aantal maanden na, haar hele leven gewend aan intensief contact met beide ouders. Het hof overweegt dat contact met beide ouders, zeker gezien haar nog jonge leeftijd, belangrijk is voor haar ontwikkeling. Een verhuizing van de vrouw met [de minderjarige] naar Japan betekent onvermijdelijk een drastische vermindering van het contact tussen de man en [de minderjarige] en een enorme achteruitgang voor wat betreft zijn mogelijkheden tot betrokkenheid bij haar dagelijkse leven. Een dergelijke verschraling van het contact acht het hof niet in het belang van [de minderjarige] en evenmin in dat van de man. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de man door de taalbarrière niet gemakkelijk in Japan aan werk kan komen. Het opgeven van

zijn vaste baan in Nederland voor een ongewis economisch bestaan in Japan, is niet in zijn belang. Als de man in Nederland achterblijft, is de door de vrouw voorgestelde compensatie,

door middel van het zoveel mogelijk stimuleren van het contact tussen de man en [de minderjarige] naar het oordeel van het hof, gelet op de huidige co-ouderschapsregeling, de jonge leeftijd en meertaligheid van [de minderjarige] , de afstand Japan-Nederland en het tijdsverschil tussen beide landen geen gelijkwaardig alternatief. Daar komt bij dat [de minderjarige] veel onrust rond de scheiding van haar ouders heeft ervaren, zoals de verhuizingen van beiden en de spanningen tussen hen in die periode. Met de raad is het hof daarom van oordeel dat rust, stabiliteit en voorspelbaarheid voorop moeten staan. Een verhuizing naar Japan zal dit doorbreken en is ook daarom niet in haar belang.

5.9

Dat neemt niet weg dat genoemde belangen van [de minderjarige] en de man wellicht zouden moeten wijken voor het belang van de vrouw, indien een verhuizing van de vrouw met [de minderjarige] naar Japan noodzakelijk is. Dat is naar het oordeel van het hof echter onvoldoende gebleken. Het hof overweegt in dit kader dat de vrouw heeft gesteld dat zij zich na de scheiding van de man ongelukkig voelt in Nederland. Invoelbaar is dat zij zich meer thuis zou kunnen voelen in Japan, nu dat haar vaderland is en zij daar dichterbij haar familie zal zijn. De vrouw heeft echter naar het oordeel van het hof, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het voor haar in Japan in economisch opzicht veel makkelijker zal zijn haar leven vorm te geven dan hier in Nederland. Gebleken is dat de vrouw sinds kort 10 à 16 uren per week werkt bij een Japans restaurant. Dit doet afbreuk aan haar argument dat het noodzakelijk is om te verhuizen naar Japan met [de minderjarige] omdat zij hier geen betaalde baan zou kunnen vinden. Evenmin is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat de vrouw haar huidige woning moet verlaten en dat zij vervolgens geen betaalbare huisvesting kan vinden in [plaats A] of omgeving, althans dat dit in Japan eenvoudiger voor haar zal zijn. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw heeft aangevoerd zich in [plaats B] of omgeving te willen vestigen; evenals [plaats A] en omgeving een zeer dichtbevolkte en dure regio. Alles overziende heeft de vrouw naar het oordeel van het hof haar plannen, mede in het licht van de gedetailleerde en concrete betwistingen door de man van haar mogelijkheden om in Japan werk en betaalbare zelfstandige huisvesting te vinden, onvoldoende doordacht en onvoldoende concreet gemaakt. Voor zover de vrouw haar stellingen dat zij om medische redenen genoodzaakt is naar Japan te verhuizen heeft gehandhaafd, is het hof van oordeel dat zij ook deze, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. De producties die de vrouw in dit kader heeft overgelegd laten zien dat het medische problemen betreft waarvoor ook in Nederland behandelmogelijkheden zijn die door de ziektekostenverzekering hier te lande vergoed kunnen worden.

5.10

Dit alles in overweging nemende is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw bij verhuizing naar Japan met [de minderjarige] minder zwaar weegt dan het belang van [de minderjarige] en de man om voldoende contact met elkaar te hebben en het belang van [de minderjarige] om in Nederland te blijven. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar Japan te verhuizen en [de minderjarige] daar op school te plaatsen dan ook afwijzen en dit gedeelte van de bestreden beschikking bekrachtigen. Een nader onderzoek van de raad acht het hof niet nodig; met de stukken in het geding en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof voldoende voorgelicht en door de raad geadviseerd om een beslissing te nemen.

Zorg- en vakantieregeling

5.11

Nu het primaire verzoek van de vrouw is afgewezen, liggen voorts aan het hof voor de subsidiaire verzoeken van de vrouw met betrekking tot de zorg- en vakantieregeling.

5.12

De vrouw stelt dat zij slechts in aanmerking komt voor een urgentieverklaring voor een huurwoning in [plaats A] wanneer zij alleen, met uitsluiting van de man, in een rechterlijke beslissing de volledige zorg over [de minderjarige] krijgt toegewezen. De vrouw verzoekt dan ook om geen zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] , vast te stellen (‘nihilstelling’), waarbij zij toezegt in het belang van [de minderjarige] wel mee te zullen werken aan de uitvoering van de bestaande feitelijke omgang tussen [de minderjarige] en de man.

Ten aanzien van de vakantieregeling verzoekt de vrouw te bepalen dat Sarurako in de zomervakantie zes weken aaneengesloten bij haar verblijft zodat zij in staat wordt gesteld om gedurende een langere tijd met [de minderjarige] naar Japan op vakantie te kunnen gaan.

5.13

De man verweert zich tegen vastlegging van een zorgregeling die op papier minimaal is, maar in werkelijkheid een co-ouderschap behelst, louter voor verkrijging van een urgentieverklaring. Mocht het al zo zijn dat de vrouw een urgentieverklaring krijgt door het ontbreken van een zorgregeling, hetgeen de man betwist, dan is de vrouw er volgens de man nog niet van verzekerd dat zij met een dergelijke verklaring ook daadwerkelijk een woning toegewezen krijgt. Bovendien vreest hij dat de vrouw hem zal houden aan een schriftelijk vastgestelde minimale regeling.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw met betrekking tot de vakantieregeling stelt de man zich op het standpunt dat vier weken aaneengesloten verblijf van [de minderjarige] bij de vrouw in de zomervakantie redelijk is. Zo is ook hij in staat om met [de minderjarige] op vakantie te gaan in de zomer.

5.14

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:253a, lid 1 BW dient de rechter in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid, onder a, van deze bepaling kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0002656/2020-01-01), een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben. Bij zijn beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van het kind staat daarbij voorop en dient een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

5.15

Het hof overweegt dat de vrouw op grond van artikel 1:253a BW weliswaar verzoekt om geen zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] te bepalen, maar dat zij zowel in haar hoger

beroepschrift als ter zitting in hoger beroep ter onderbouwing van haar verzoek aangeeft de omgang tussen de man en [de minderjarige] feitelijk in stand te willen houden en genoemd verzoek slechts doet teneinde een urgentieverklaring van de gemeente te verkrijgen voor een woning. Nog los van het feit dat het hof niet meewerkt aan een constructie die strijdig is met de waarheid, is naar het oordeel van het hof door de vrouw op deze wijze onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een geschil over de gezamenlijke uitoefening van het gezag van partijen waarin de rechter op grond van artikel 1:253a BW een beslissing dient te nemen als hem in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.

Bij hoger beroepschrift heeft de vrouw meer subsidiair verzocht om een zorgregeling gelijk aan die is opgelegd bij de bestreden beschikking van 26 februari 2020. Voor zover de vrouw ter zitting in hoger beroep nog heeft beoogd te verzoeken dat de huidige zorgregeling wordt uitgebreid in die zin dat [de minderjarige] iedere vrijdagavond bij de vrouw zal verblijven, overweegt het hof dat uit de stukken in het dossier alsmede het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [de minderjarige] goed gedijt bij de huidige co-ouderschapregeling zodat er geen aanleiding is om hierin een wijziging aan te brengen.

5.16

Ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de vakantieregeling overweegt het hof dat een verblijf van [de minderjarige] bij de vrouw gedurende vier aaneengesloten weken in de zomervakantie zal worden toegewezen, gelet op de invoelbare wens van de vrouw om de mogelijkheid te hebben in deze periode gedurende langere tijd met [de minderjarige] haar familie in Japan op te zoeken en aangezien niet gebleken is dat dit ingaat tegen de belangen van

[de minderjarige] .

Een periode van zes weken aaneengesloten verblijf bij de vrouw, zoals verzocht door de vrouw, is niet in het belang van [de minderjarige] , nu zij ook de mogelijkheid moet hebben om in de zomervakantie gedurende een onafgebroken periode tijd met de man door te brengen.

5.17

Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof het subsidiaire verzoek van de vrouw om geen zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] vast te stellen, afwijzen en de bestreden beschikking voor zover het de reguliere zorgregeling betreft, bekrachtigen. Ten aanzien van de vakantieregeling zal het hof bepalen dat [de minderjarige] in de zomervakantie vier weken aaneengesloten bij de vrouw verblijft en twee weken aaneengesloten bij de man. De vrouw verzoekt in hoger beroep verder om vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar. Nu de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] in de bestreden beschikking reeds bij de vrouw is bepaald en hierover in hoger beroep geen geschil bestaat, zal het hof dit verzoek bij gebrek aan belang niet verder bespreken.

Kinderalimentatie

Ontvankelijkheid

5.18

De man stelt dat de vrouw niet in hoger beroep kan komen van de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de kinderalimentatie – kortgezegd – omdat partijen het in eerste aanleg eens waren over de hoogte van de kinderalimentatie. Er is volgens de man sprake van een ‘gedekt verweer’ ingevolge artikel 348 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

Het hof gaat aan deze stelling van de man voorbij, wat er ook zij van de juistheid daarvan, omdat aan het begrip ‘gedekt verweer’ in het hoger beroep in een verzoekschriftenprocedure geen betekenis toekomt. De vrouw is naar het oordeel van het hof ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie.

Ingangsdatum

5.19

De rechtbank heeft 15 januari 2020 als ingangsdatum voor de door de man te betalen bijdrage bepaald. Deze datum staat in hoger beroep niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

Behoefte

5.20

Niet in geschil is dat de behoefte van [de minderjarige] op laatstgenoemde datum € 530,- per maand bedraagt.

Draagkracht man

5.21

Partijen verschillen van mening over de draagkracht van de man.

5.22

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

5.23

De man is werkzaam als Manager Quality Assurance voor [bedrijf] . Hij stelt ter zitting in hoger beroep dat zijn netto besteedbaar inkomen € 2.700,- per maand is bij een dienstverband van 100%, maar dat het redelijk is om van een dienstverband van 90 % en een netto besteedbaar inkomen van € 2.511,-per maand uit te gaan omdat hij graag meer tijd wil besteden aan [de minderjarige] en daarom in de toekomst 90% wil gaan werken.

Aangezien het hier een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft, zal het hof voorbijgaan aan deze stelling en uitgaan van het huidige dienstverband van de man van 100% en een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 2.700,- per maand, welk inkomen niet is betwist door de vrouw. Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op zijn onderhoudsverplichting, de man zijn verdiencapaciteit maximaal dient te benutten.

5.24

Het hof zal de draagkracht conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen vaststellen aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 975,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.660,- per maand. Deze

benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 975,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Het hof ziet in tegenstelling tot de rechtbank geen aanleiding om in het kader van de bepaling van de kinderalimentatie het forfaitaire bedrag aan woonlasten in de formule aan te passen gelet op de plaatselijke woningmarkt. Er wordt slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken van de forfaitaire bedragen in de formule. Het feit dat de man woonachtig is in [plaats A] is op zichzelf onvoldoende reden voor een dergelijke afwijking. Evenmin ziet het hof aanleiding om rekening te houden met de door de man opgevoerde autokosten van € 274,- en reiskosten in verband met het halen en brengen van [de minderjarige] van € 52,-. Het hof overweegt hieromtrent dat de autokosten, die worden betwist door de vrouw, niet voorgaan op de onderhoudsverplichting van de man jegens [de minderjarige] . Ten aanzien van de reiskosten overweegt het hof dat die door de man zijn verzocht omdat hij in het verleden een aantal malen per week naar [plaats C] moest rijden, waar de vrouw met [de minderjarige] naartoe was verhuisd. Inmiddels zijn de vrouw en [de minderjarige] woonachtig in

[plaats A] , waardoor de man deze reiskosten niet meer heeft. Het hof zal zowel de autokosten als de reiskosten niet meenemen in de berekening van de draagkracht.

Met de door de man opgevoerde schuld van € 203,- per maand zal het hof geen rekening houden aangezien dit een schuld betreft die voortvloeit uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen waarin is bepaald dat de man deze schuld in tien maandelijkse termijnen van € 203,- aan de vrouw zal voldoen en derhalve niet in het kader van de draagkrachtberekening voor rekening van de vrouw dient te komen.

Tot slot zal het hof geen rekening houden met de door de man opgevoerde advocaatkosten van € 150,- per maand, nu dit evenmin kosten zijn die voorgaan op de onderhoudsverplichting van

de man jegens [de minderjarige] .

Al het voorgaande leidt tot een beschikbare draagkracht van € 640,- per maand.

5.25

De draagkracht van de vrouw is niet in geschil. Het hof zal daarom uitgaan van het door de rechtbank bepaalde bedrag aan draagkracht van € 25,- per maand.

Zorgkorting

5.26

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgkorting 35% bedraagt.

5.27

De behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 530,-. De draagkracht van de ouders bedraagt in totaal (640 + 25 =) € 665,- per maand. De draagkracht van de ouders tezamen is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Het hof verdeelt, alvorens over te gaan tot vergelijking van de draagkracht, de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige naar rato van de behoefte van [de minderjarige] .

5.28

Uit de draagkrachtvergelijking volgt dat het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] 640/665 x 530 = (afgerond) € 510,- per maand bedraagt. Het aandeel van de vrouw in de kosten van [de minderjarige] bedraagt 25/665 x 530 = (afgerond) € 20,- per maand.

5.29

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de

man aan de vrouw dient te betalen aan kinderalimentatie omdat de ouders voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Onder 5.26 is overwogen dat de zorgkorting 35% bedraagt. Daarmee komt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] op 510 – 186 = € 324,- per maand.

Het hof zal de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dan ook op € 324,- per maand bepalen met ingang van 15 januari 2020.

Partneralimentatie

Ontvankelijkheid

5.30

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw in hoger beroep geen (nieuw) verzoek kan doen tot het vaststellen van partneralimentatie – kortgezegd – omdat de vrouw haar eerdere verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie ter zitting in eerste aanleg van 13 december 2019 heeft ingetrokken en partijen het erover eens waren dat de man geen draagkracht heeft voor partneralimentatie. Er is volgens de man sprake van een ‘gedekt verweer’ ingevolge artikel 348 Rv.

Het hof stelt voorop dat een nevenvoorziening in het kader van een echtscheidingsprocedure als bedoeld in artikel 827 Rv - zoals hier aan de orde is - door zowel de verzoeker als door verweerder voor het eerst in hoger beroep kan worden verzocht. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de vrouw thans in hoger beroep – daargelaten de intrekking van het eerder door haar gedane verzoek in eerste aanleg – opnieuw een verzoek kan doen tot het vaststellen van partneralimentatie.

Ten aanzien van de stelling van de man dat sprake zou zijn van een ‘gedekt verweer’ ingevolge artikel 348 Rv overweegt het hof dat, wat er ook zij van de juistheid van die stelling, hieraan wordt voorbijgegaan omdat aan het begrip ‘gedekt verweer’ in het hoger beroep in een verzoekschriftenprocedure geen betekenis toekomt.

De vrouw is naar het oordeel van het hof dan ook ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van de partneralimentatie.

Behoeftigheid en behoefte

5.31

De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof alle door de man in eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen en verweren in zijn oordeel moet betrekken. De man heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg d.d. 4 juli 2019 betoogd dat de vrouw haar behoeftigheid noch haar behoefte heeft aangetoond en daarmee niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

Het hof volgt de man niet in zijn redenering en overweegt dat vast staat dat de vrouw ten tijde van het huwelijk een minimaal inkomen uit arbeid ontving en na de scheiding was aangewezen op een (aanvullende) uitkering op grond van de Participatiewet. De man was tijdens het huwelijk de kostwinner. Gelet hierop heeft de vrouw behoefte aan een onderhoudsbijdrage van de man. Ten aanzien van de vraag hoe groot de (aanvullende) behoefte aan een bijdrage is, overweegt het hof als volgt. Het netto besteedbaar gezinsinkomen kan in 2018, het laatste jaar dat partijen feitelijk samenleefden, worden vastgesteld op € 3.832,-. Dit volgt uit overweging 2.5.8 van de bestreden beschikking waartegen geen grieven zijn gericht. Volgens deze overweging was de behoefte van [de minderjarige] in 2018 € 506,- per maand. Met toepassing van de hofnorm bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw: 60% van € 3.832,- minus € 506,- = € 1.996,- netto per maand. De vrouw heeft slechts zeer geringe en niet

verifieerbare informatie verschaft over haar huidige verdiencapaciteit. Daarom gaat het hof uit van de door de man gestelde verdiencapaciteit van € 1.500,- netto per maand. In dat geval resteert nog een aanvullende behoefte aan partneralimentatie van circa € 500,- netto per maand.

5.32

De man stelt in hoger beroep dat hij geen draagkracht heeft voor partneralimentatie.

Ter bepaling van de draagkracht van de man om een bedrag aan partneralimentatie te voldoen, gaat het hof uit van de navolgende gegevens.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man thans in totaal € 1.339,- per maand aan huur betaalt. Dit bedrag is opgebouwd uit € 939,- kale huur, € 175,- stofferingskosten, € 75,- VVE-kosten en € 150,- voor gas, water en licht. De man heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het redelijk is om het bedrag van € 150,- aan gas, water en licht niet mee te nemen. Dit

bedrag zal het hof ook buiten beschouwing laten. Het hof zal voor het overige rekening houden met de woonlast voor zover deze in het gebruikelijke rekensysteem de onredelijke woonlast niet overstijgt. De man betaalt een premie voor een zorgverzekering van € 136,- per maand. Het verplicht eigen risico bedraagt € 32,- per maand. Ten aanzien van de door de man opgevoerde autokosten, reiskosten, huwelijkse schuld en advocaatkosten overweegt het hof, onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.24, dat deze niet zullen worden meegenomen bij het bepalen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie.

Op grond van voornoemde financiële gegevens resteert bij de man, na betaling van een bijdrage voor [de minderjarige] van € 324,- per maand, draagkracht om een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen van € 180,- per maand.

Zaaknummer 200.277.039/02

5.33

Nu bij deze beschikking een einduitspraak in de hoofdzaak wordt gegeven, is daarmee het belang van de vrouw bij een beslissing op haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de vervangende toestemming tot verhuizing met [de minderjarige] naar Japan alsmede ten aanzien van het vaststellen van kinderalimentatie en partneralimentatie komen te vervallen. Het hof zal de verzoeken van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen afwijzen. Het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in de kosten van dat geding zal eveneens worden afgewezen nu partijen voormalig echtgenoten zijn en niet is gebleken van onrechtmatig procederen van de zijde van de vrouw.

6 Beslissing

Het hof:

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer 200.277.039/01:

vernietigt de beschikking waarvan beroep van 26 februari 2020 voor zover het betreft de zorgregeling in de zomervakantie en, in zoverre opnieuw rechtdoende,

bepaalt de zorgregeling in zomervakantie aldus dat [de minderjarige] van die vakantieperiode vier aaneengesloten weken bij de vrouw verblijft en twee aaneengesloten weken bij de man;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep van 26 februari 2020 voor het overige;

vernietigt de beschikking waarvan beroep van 15 januari 2020 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende,

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 15 januari 2020 op € 324,- (zegge: DRIEHONDERD VIERENTWINTIG EURO) per maand, voor toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden als uitkering tot haar levensonderhoud € 180,- (HONDERD TACHTIG euro) per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer 200.277.039/02:

wijst de verzoeken van de vrouw en het daarmee samenhangende verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.G.H. Beckers, M.T. Hoogland en C.E. Buitendijk, bijgestaan door mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 25 augustus 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.