Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2381

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
23-002240-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake diefstal in vereniging met braak in opslagboxen. Het verweer ten aanzien van de onbetrouwbaarheid van de herkenningen wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002240-19

datum uitspraak: 1 september 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-700263-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 2 november 2015 tot en met 3 november 2015 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit boxruimte (genummerd [nummer]) van de firma [bedrijf] (gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen rookwaar (sigaren van het merk Balmoral) en/of displays en/of presentatiemateriaal (met een gezamelijk waarde van 32.662,30 Euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] (te Duizel, gemeente Eersel), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.
hij in of omstreeks de periode van 24 november 2015 tot en met 25 november 2015 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een opslagbox (van [benadeelde 2] gevestigd aan de [adres 3]) heeft weggenomen 100, althans een of meer paar schoenen (merk Nike) en/of twee dozen en/of twee zakken met herenkleding (merk Adamus) en/of 20, althans een of meer stuks dameskleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen schoenen en/of kleding onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en bovendien een andere straf oplegt.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide tenlastegelegde bedrijfsinbraken op de volgende gronden. De herkenning van de verdachte door de verbalisanten op de (stills van de) camerabeelden vormt het enige bewijs dat de verdachte een van de daders zou zijn. Deze herkenningen zijn evenwel onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te worden gebezigd, aangezien ze zijn gebaseerd op onvoldoende onderscheidende kenmerken. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde kan bovendien sprake zijn van vooroordelen, omdat de verdachte een bekende is van de politie, de desbetreffende herkenning voorafgegaan werd door de herkenning van de verdachte in een recentere zaak en de desbetreffende verbalisant dus niet volstrekt onbevangen naar de stills van de camerabeelden heeft gekeken in deze zaak (feit 2) en sprake kan zijn van confirmation bias. Dat klemt temeer nu de stills, met name van de bedrijfsinbraak die onder 2 is tenlastegelegd, van mindere kwaliteit zijn waardoor het onderscheiden van gezichtskenmerken bemoeilijkt is.

Het hof overweegt als volgt.

Op 2 november 2015 is een diefstal gepleegd in een bedrijfspand van firma [bedrijf], waarbij de boxruimte die door [benadeelde 1] werd gehuurd, is opengebroken en de inhoud van de boxruimte is weggenomen. Op 23 november 2015 is een diefstal gepleegd in een bedrijfspand van [benadeelde 2], waarbij de door [benadeelde 3] gehuerde boxruimte is opengebroken en de inhoud van de boxruimte is weggenomen. Van beide inbraken zijn camerabeelden beschikbaar, afkomstig van beveiligingscamera’s. Zowel de bewegende beelden als stills van die beelden maken deel uit van het dossier.

Naar aanleiding van de onder 1 tenlastegelegde inbraak hebben vier verbalisanten een proces-verbaal opgemaakt waarin zij elk voor zich hebben gerelateerd de verdachte te herkennen als een van de daders. Zij hebben naar het oordeel van het hof in voldoende mate gespecificeerd waaraan zij de verdachte herkenden en zij zijn allen in hun werkzaamheden meermalen in contact geweest met de verdachte voordat zij de beelden/stills zagen.

Het hof acht de zich in het dossier bevindende camerabeelden en de stills van goede kwaliteit; deze zijn dan ook voldoende duidelijk om de daarop waarneembare personen te herkennen. Het hof heeft ook overigens geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de verbalisanten, die zij ambtshalve kenden.

Naar aanleiding van de onder 2 tenlastegelegde inbraak hebben twee verbalisanten een proces-verbaal opgemaakt waarin zij elk voor zich hebben gerelateerd de verdachte te herkennen als een van de daders.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte herkend aan zijn gezichtsuitdrukking en de vorm van zijn gezicht. Verbalisant [verbalisant 2] heeft gesteld de verdachte voor 100% te herkennen. Beide verbalisanten zijn in hun werkzaamheden meermalen in contact geweest met de verdachte voordat zij de beelden/stills.

Het hof acht deze, zich in het dossier bevindende camerabeelden en stills, van weliswaar iets mindere kwaliteit dan die welke op feit 1 zien, maar nog steeds van ruim voldoende kwaliteit; deze zijn dan ook voldoende duidelijk om de daarop waarneembare personen te herkennen. Het hof heeft ook overigens geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de verbalisanten, die zij ambtshalve kenden.

Gelet op het voorgaande acht het hof de herkenningen voldoende betrouwbaar en zal het deze gebruiken voor het bewijs. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 2 november 2015 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit boxruimte (genummerd [nummer]) van de firma [bedrijf], gelegen aan de [adres 2], heeft weggenomen rookwaar en displays en presentatiemateriaal met een gezamenlijke waarde van 32.662,30 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] te Duizel, gemeente Eersel, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

2.
hij op 23 november 2015 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een opslagbox van [benadeelde 2], gevestigd aan de [adres 3] heeft weggenomen 100 schoenen (merk Nike) en twee dozen en twee zakken met herenkleding (merk Adamus) en 20 stuks dameskleding, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met vier anderen een inbraak gepleegd in een (aan [benadeelde 1] verhuurde) verhuurde opslagbox in een bedrijfsruimte van [bedrijf]. Zij hebben zich de toegang tot die bedrijfsruimte verschaft door, zonder daartoe gerechtigd te zijn, gebruik te maken van een code. Om toegang tot de opslagbox te krijgen, hebben de verdachte en zijn mededaders het slot van de roldeur van de opslagbox verbroken. Daaruit is een handelsvoorraad met aanzienlijke waarde gestolen.

Binnen (slechts) drie weken na de inbraak bij [bedrijf], heeft de verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan inbraak in vereniging, dit keer in een verhuurde opslagbox in een bedrijfsruimte van [benadeelde 2]. De verdachte en zijn mededaders hebben zich de toegang tot die bedrijfsruimte verschaft door gebruik te maken van een kort tevoren aan een (derde) huurder verstrekte toegangspas. Vervolgens hebben zij met geweld de deur van de opslagbox geforceerd en hebben zij uit die box een grote (handels)hoeveelheid merkkleding en -schoenen weggenomen.

Door het — kennelijk uit louter financieel gewin — plegen van deze bedrijfsinbraken heeft de verdachte laten zien geheel onverschillig te zijn voor de schade die hij daarmee aan de huurders van de opslagboxen en aan de eigenaren van de verhuurbedrijven heeft berokkend. Deze gedupeerden zijn niet alleen aangetast in hun vermogensrechten, ook hebben zij overlast en hinder ervaren van de nasleep van deze feiten.

Met betrekking tot de persoon van verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat de verdachte, blijkens de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 augustus 2020, ten tijde van het plegen van de feiten eerder al meermalen onherroepelijk was veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, onder andere tot vrijheidsbenemende straffen. Ook volgt uit de Justitiële Documentatie dat de verdachte na de onderhavige feiten, begin 2019, eveneens (onherroepelijk) is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf ter zake van diefstal in vereniging gepleegd op 28 november 2018.

De aard en de ernst van de feiten, de grote waarde van de gestolen goederen en de aangerichte schade, almede het recidiveren door verdachte, brengen zonder meer mee dat alleen oplegging van een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf als sanctie in aanmerking komt. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft het hof tevens acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd.

Op grond van het voorgaande acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden gerechtvaardigd. De na te noemen, door de raadsman gememoreerde, overschrijding van de redelijke termijn leidt evenwel tot strafvermindering.

De verdachte is op 18 maart 2016 in verzekering gesteld, op welke datum de op de redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang nam. Op 7 juni 2019 heeft de rechtbank vonnis gewezen. De verdachte heeft op 12 juni 2019 hoger beroep ingesteld. Op 18 augustus 2020 heeft het hof het hoger beroep behandeld en op thans wijst het hof (op 1 september 2020) arrest.

Het hof stelt op grond hiervan vast dat in eerste aanleg de redelijke termijn (die twee jaar bedroeg, omdat de verdachte niet in voorlopige hechtenis zat) met één jaar en bijna drie maanden is overschreden. Ter compensatie daarvan zal het hof een deel (vier maanden) van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen.

Het hof ziet geen grond een (nog) lagere en/of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Oplegging van een taakstraf, zoals (subsidiair) is bepleit door de raadsman, acht het hof niet passend in het licht van de ernst van de feiten en de documentatie van de verdachte.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.662,30 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van deze vordering aansluiting moet worden gezocht bij de overwegingen en de beslissing van de rechtbank.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het bedrag van de vordering gebaseerd is op de zogenoemde banderolwaarde, inclusief BTW en accijns, terwijl de benadeelde partij een bedrijf is dat BTW kan aftrekken/terugvragen en op basis van de stukken de werkelijk geleden schade niet kan worden vastgesteld, zodat de benadeelde partij, conform de beslissing in eerste aanleg, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof overweegt als volgt:

Gelet op het verweer van de verdediging en de onvoldoende transparante onderbouwing van de vordering zijn aanvullende stukken nodig om het daadwerkelijke schadebedrag te kunnen vaststellen. Aanhouding van de behandeling van de strafzaak ter opheldering van de vragen over de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, waarbij het hof opmerkt dat het op de weg van de benadeelde partij had gelegen in de overwegingen van de rechtbank aanleiding te zien de vordering in hoger beroep nader te onderbouwen of ter terechtzitting in hoger beroep een nadere toelichting te geven.

Gelet hierop kan de benadeelde partij in de vordering niet worden ontvangen en kan zij deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade van € 20.234,05 (de kosten van de gestolen kleding en schoenen van

€ 22.234,05 (inclusief BTW) minus de verzekeringsvergoeding van € 2.000). Daarnaast is een bedrag van € 500 gevorderd aan “immateriële schade”, dat feitelijk ziet op materiële schade ter zake van – kortgezegd – het opruimen van de opslagbox. Tevens is vergoeding van wettelijke rente gevorderd.

Ter terechtzitting in eerste aanleg is namens de benadeelde partij medegedeeld dat de BTW inmiddels van de belastingdienst was terugontvangen, zodat kan worden aangenomen dat de vordering zich daarover niet meer uitstrekte.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.345,46 voor materiële schade, bestande uit de inkoopkosten voor de kleding en schoenen (exclusief BTW), welk bedrag is vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering (het hof begrijpt: exclusief de BTW).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering op dezelfde wijze wordt toegewezen als in eerste aanleg is gedaan en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de verdachte niet is voor de schadeveroorzakende gebeurtenis. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is, omdat de facturen niet duidelijk zijn wegens het ontbreken van een adressering op de Italiaanse nota en het ontbreken van betaalbewijzen ten aanzien van twee facturen, terwijl de in de facturen genoemde aantallen goederen niet overeen komen met de aantallen gestolen goederen in de aangifte. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht, gelet op de beperkte financiële middelen van de verdachte, de bij de schadevergoedingsmaatregel behorende gijzeling (symbolisch) te bepalen op één dag.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals reeds is overwogen, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte het misdrijf heeft begaan. Hij heeft daarmee onrechtmatig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en is jegens de benadeelde partij gehouden tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de raadsman acht het hof voldoende vaststaan dat de in de facturen genoemde goederen zijn ontvreemd door de verdachten en zijn mededaders. Om die reden zal het bedrag worden toegewezen tot een bedrag van

€ 16.345,46, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele toegewezen bedrag.

Het hof van oordeel dat de vordering voor het overige (de € 500) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof acht geen termen aanwezig de duur van de maximaal te bepalen gijzeling te matigen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.053,91 ter zake van materiële schade (de kosten van een roldeur inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 871,00 (het gevorderde bedrag van € 1.053,91 minus de BTW van € 182,91). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel (inclusief BTW) wordt toegewezen en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schadeveroorzakende gebeurtenis. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, omdat niet inzichtelijk is gemaakt wat de fiscale gevolgen zijn van de schade voor de benadeelde partij. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht, gelet op de beperkte financiële middelen van de verdachte, de bij de schadevergoedingsmaatregel behorende gijzeling (symbolisch) te bepalen op één dag.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals reeds is overwogen, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte het misdrijf heeft begaan. Hij heeft daarmee onrechtmatig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en is hij jegens de benadeelde partij gehouden tot vergoeding van de daaruit.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, anders dan de raadsman heeft betoogd, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 871,00 tot welk bedrag de vordering zal worden toegewezen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de gevorderde BTW geen vaststaande schade is in verband met de mogelijkheid die (terug) te ontvangen van de belastingdienst.

De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele toegewezen bedrag. Het bedrag zal – als gevorderd – worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof acht geen termen aanwezig de duur van de maximaal te bepalen gijzeling te matigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 16.345,46 (zestienduizend driehonderdvijfenveertig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.345,46 (zestienduizend driehonderdvijfenveertig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 116 (honderdzestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 november 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 871,00 (achthonderdeenenzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 871,00 (achthonderdeenenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 februari 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

1 september 2020.