Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2380

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
23-002319-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal in vereniging met braak in opslagbox.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002319-19

datum uitspraak: 1 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-700268-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 23 november 2015 tot en met 25 november 2015 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een opslagbox (van [benadeelde 1] gevestigd aan de [adres 2]) heeft weggenomen 100, althans een of meer paar schoenen (merk Nike) en/of twee dozen en/of twee zakken met herenkleding (merk Adamus) en/of 20, althans een of meer stuks dameskleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen schoenen en/of kleding onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 november 2015 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een opslagbox van [benadeelde 1], gevestigd aan de [adres 2] heeft weggenomen 100 schoenen (merk Nike) en twee dozen en twee zakken met herenkleding (merk Adamus) en 20 stuks dameskleding, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, opgenomen in een aan dit arrest gehechte bijlage.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd. Ook de raadsman heeft bepleit dat een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met twee anderen een inbraak gepleegd in een verhuurde opslagbox in een bedrijfsruimte. Zij hebben zich de toegang tot die bedrijfsruimte verschaft door gebruik te maken van een kort tevoren aan de huurder van een andere box verstrekte toegangspas. Vervolgens hebben zij de deur van de opslagbox geforceerd en uit die box een grote hoeveelheid merkkleding en -schoenen van aanzienlijke waarde weggenomen. Dit was de handelsvoorraad van de huurder van de box. Door het plegen van deze bedrijfsinbraak, kennelijk louter uit financieel gewin, hebben de verdachte en zijn mededaders getoond geheel onverschillig te zijn voor de schade die zij daarmee aan de huurder van de opslagbox en de eigenaar van het verhuurbedrijf hebben berokkend. Deze gedupeerden zijn niet alleen aangetast in hun vermogensrechten, ook hebben zij overlast en hinder ervaren van het feit.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 augustus 2020, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Gelet daarop en gezien de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, is de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in beginsel gerechtvaardigd. Toch zal het hof daarvan afwijken om de volgende redenen.

Het hof weegt in het voordeel van de verdachte mee het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheid dat hij na het onderhavige feit niet opnieuw in verband met vermogensdelicten met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht en heeft hij, zij het enigszins terughoudend, verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Hij heeft inmiddels een eigen woonplek en hij wordt – op vrijwillige basis – begeleid door een hulpverlener van Stichting Humanitas.

Het opleggen van een in beginsel passend te achten (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen, hetgeen niet in zijn belang noch dat van de maatschappij is.

Het hof acht, alles afwegende, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden, het tijdsverloop het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade van € 20.234,05 (de kosten van de gestolen kleding en schoenen van

€ 22.234,05 (inclusief BTW) minus de verzekeringsvergoeding van € 2.000). Daarnaast is een bedrag van € 500 gevorderd aan “immateriële schade”, dat feitelijk ziet op materiële schade ter zake van – kortgezegd – het opruimen van de opslagbox. Tevens is vergoeding van wettelijke rente gevorderd.

Ter terechtzitting in eerste aanleg is namens de benadeelde partij medegedeeld dat de BTW inmiddels van de belastingdienst was terugontvangen, zodat kan worden aangenomen dat de vordering zich daarover niet meer uitstrekte.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.345,46 voor materiële schade, bestande uit de inkoopkosten voor de kleding en schoenen (exclusief BTW), welk bedrag is vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering (het hof begrijpt: exclusief de BTW).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering op dezelfde wijze wordt toegewezen als in eerste aanleg is gedaan en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 16.345,46, tot welk bedrag de vordering zal worden toegewezen. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de gestelde kleinere rol van de verdachte bij de inbraak – wat daar ook van zij – en diens draagkracht, ziet het hof geen grond het toe te wijzen bedrag te matigen.

De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele toegewezen bedrag. Het bedrag zal – als gevorderd – worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof van oordeel dat de vordering voor het overige (de € 500) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. In de financiële situatie van de verdachte ziet het hof geen grond de duur van de maximaal te bepalen gijzeling op een lager aantal dagen te bepalen dan hieronder vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.053,91 ter zake van materiële schade (de kosten van een roldeur inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 871,00 (het gevorderde bedrag van € 1.053,91 minus de BTW van € 182,91). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel (inclusief BTW) wordt toegewezen en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 871,00 tot welk bedrag de vordering zal worden toegewezen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de gevorderde BTW geen vaststaande schade is in verband met de mogelijkheid die (terug) te ontvangen van de belastingdienst.

In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de gestelde kleinere rol van de verdachte bij de inbraak – wat daar ook van zij – en diens draagkracht, ziet het hof geen grond het toe te wijzen bedrag te matigen.

De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele toegewezen bedrag. Het bedrag zal – als gevorderd – worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. In de financiële situatie van de verdachte ziet het hof geen grond de duur van de maximaal te bepalen gijzeling op een lager aantal dagen te bepalen dan hieronder vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 16.345,46 (zestienduizend driehonderdvijfenveertig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige (€ 500) niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.345,46 (zestienduizend driehonderdvijfenveertig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 116 (honderdzestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 november 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 871,00 (achthonderdeenenzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 871,00 (achthonderdeenenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 februari 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

1 september 2020.