Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2373

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
23-001699-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

3 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging voor poging doodslag en diefstal met geweld in vereniging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001699-19

datum uitspraak: 26 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 april 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-030136-18 (zaak A) en 15‑151330-18 (zaak B) tegen

[Verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1972,

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2020 en 12 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd

in zaak A dat:

primair

hij op of omstreeks 12 februari 2018 te Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde 1] meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, heeft gestoken in de hals en/of maagstreek en/of (linker)schouder, althans in het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 12 februari 2018 te Den Helder, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [benadeelde 1] meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, heeft gestoken in de hals en/of maagstreek en/of (linker)schouder, althans in het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 12 februari 2018 te Den Helder, althans in Nederland [benadeelde 1] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde 1] meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, te steken in de hals en/of maagstreek en/of (linker)schouder, althans in het lichaam;

en in zaak B dat:

primair
hij op of omstreeks 28juli 2018 te Den Helder, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een woning (gelegen aan de [adres 1] ) weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich en/of zijn mededader(s) daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat geld en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, de deur van voornoemde woning heeft/hebben ingetrapt, althans vernield en/of vervolgens die woning is/zijn binnengegaan en/of genoemde woning heeft/hebben doorzocht en welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij en/of zijn mededader(s)

- tegen die [benadeelde 2] meermalen heeft/hebben geroepen ‘ik moet geld’, althans woorden van gelijke strekking en/of

- die [benadeelde 2] heeft/hebben vastgegrepen en/of bovenop die [benadeelde 2] is/zijn gaan zitten en/of

- die [benadeelde 2] meermalen met zijn/hun, verdachtes vuist(en) althans hand(en) heeft/hebben geslagen in diens gezicht, althans tegen diens lichaam en/of

- die [benadeelde 2] meermalen tegen zijn ribben en/of in zijn gezicht heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- die [benadeelde 2] een laken/kleed, althans iets (van textiel) in zijn mond heeft/hebben gestopt waardoor die [benadeelde 2] geen lucht (meer) kreeg en/of

- een klemtang en/of pincet en/of ander voorwerp op de ballen van die [benadeelde 2] heeft/hebben gezet en/of vervolgens in die klemtang en/of pincet en/of ander voorwerp heeft/hebben geknepen en/of daarbij de huid heeft/hebben gescheurd en/of waarbij de huid van de balzak is gescheurd en/of

- die [benadeelde 2] naar de keuken en/of de slaapkamer heeft/hebben gesleept

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 28 juli 2018 te Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- tegen die [benadeelde 2] meermalen heeft/hebben geroepen ‘ik moet geld’, althans woorden van gelijke strekking en/of

- die [benadeelde 2] heeft/hebben vastgegrepen en/of bovenop die [benadeelde 2] is/zijn gaan zitten en/of

- die [benadeelde 2] meermalen met zijn/hun, vuist(en), althans hand(en), heeft/hebben geslagen in diens gezicht, althans tegen diens lichaam en/of

- die [benadeelde 2] meermalen tegen zijn ribben en/of in zijn gezicht heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- die [benadeelde 2] een laken/kleed, althans iets (van textiel) in zijn mond heeft/hebben gestopt waardoor die

[benadeelde 2] geen lucht (meer) kreeg en/of

- een klemtangen/of pincet en/of ander voorwerp op de ballen/balzak van die [benadeelde 2] heeft/hebben gezet en/of vervolgens in die klemtang en/of pincet en/of ander voorwerp heeft/hebben geknepen en/of daarbij de huid heeft/hebben gescheurd en/of waarbij de huid van de balzak is gescheurd en/of

- die [benadeelde 2] naar de keuken en/of de slaapkamer heeft/hebben gesleept

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 juli 2018 te Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten schrammen, schaafwond en blauwe plekken in de hals, blauwe plekken in het gelaat, een scheurwond aan de balzakhuid, heeft toegebracht, door

- die [benadeelde 2] vast te hebben gegrepen en/of bovenop die [benadeelde 2] te gaan zitten en/of

- die [benadeelde 2] meermalen met zijn/hun, verdachtes vuist(en), althans hand(en) te hebben geslagen in diens gezicht, althans tegen diens lichaam en/of

- die [benadeelde 2] meermalen tegen zijn ribben en/of in zijn gezicht te hebben geschopt en/of te hebben getrapt en/of

- die [benadeelde 2] een laken/kleed althans iets (van textiel) in zijn mond te hebben gestopt waardoor die [benadeelde 2] geen lucht (meer) kreeg en/of

- een klemtang en/of pincet en/of ander voorwerp op de ballen/balzak van die [benadeelde 2] te hebben gezet en/of vervolgens in die klemtang en/of pincet en/of ander voorwerp te hebben geknepen en/of daarbij de huid van de balzak heeft/hebben gescheurd en/of waarbij de huid van de balzak is gescheurd en/of

- die [benadeelde 2] naar de keuken en/of de slaapkamer te hebben gesleept;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 28 juli 2018 te Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde 2] heeft mishandeld, door

- die [benadeelde 2] vast te hebben gegrepen en/of bovenop die [benadeelde 2] te gaan zitten en/of

- die [benadeelde 2] meermalen met zijn/hun, verdachtes vuist(en), althans hand(en) te hebben geslagen in diens gezicht, althans tegen diens lichaam en/of

- die [benadeelde 2] meermalen tegen zijn ribben en/of in zijn gezicht te hebben geschopt en/of te hebben getrapt en/of

- die [benadeelde 2] een laken/kleed althans iets (van textiel) in zijn mond te hebben gestopt waardoor die [benadeelde 2] geen lucht (meer) kreeg en/of

- een klemtang en/of pincet en/of ander voorwerp op de ballen/balzak van die [benadeelde 2] te hebben gezet en/of vervolgens in die klemtang en/of pincet en/of ander voorwerp te hebben geknepen en/of daarbij de huid van de balzak heeft/hebben gescheurd en/of waarbij de huid van de balzak is gescheurd en/of

- die [benadeelde 2] naar de keuken en/of de slaapkamer te hebben gesleept;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – op grondslag van een in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging – tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A primair en in zaak B primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

in zaak A primair
op 12 februari 2018 te Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, [benadeelde 1] met een mes heeft gestoken in de hals en maagstreek en linkerschouder, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in zaak B primair
op 28 juli 2018 te Den Helder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een woning gelegen aan de [adres 1] weg te nemen geld, toebehorende aan [benadeelde 2] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld tegen genoemde [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, met zijn mededader

- die woning is binnengegaan en heeft doorzocht en

- tegen die [benadeelde 2] meermalen heeft groepen ‘ik moet geld’, althans woorden van gelijke strekking, en

- [benadeelde 2] heeft vastgegrepen en bovenop [benadeelde 2] is gaan zitten en

- [benadeelde 2] heeft geslagen tegens diens lichaam en

- [benadeelde 2] heeft geschopt en

- een klemtang op de ballen van [benadeelde 2] heeft gezet en vervolgens in die klemtang heeft geknepen (waarbij de huid van de balzak is gescheurd),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


Hetgeen in zaak A en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de na te noemen bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het in zaak A primair bewezenverklaarde

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2018028088-15 van 13 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s D8-1 tot en met D8-4.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 13 februari 2018 [het hof begrijpt: 12 februari 2018] was ik omstreeks 21.29 uur ter plaatse in de [straat] te Den Helder na een melding van een conflict. Voor de centrale toegang van het pand zag ik een man staan die ik direct herkende als de mij ambtshalve bekende [naam 1] . Ik hoorde dat [naam 1] meteen naar ons riep: “ [benadeelde 1] is neergestoken door [Verdachte] . [benadeelde 1] loopt daar.” Ik zag dat [naam 1] mij een man aan wees ter hoogte van de [winkel] winkel aan de [straat] , ongeveer 50 meter verderop. Ik zag dat deze man met een fiets aan de hand wegliep. Ik herkende de man als de mij ambtshalve bekende [benadeelde 1] . Ik zag dat [benadeelde 1] bebloede handen had en ik zag bebloede wond in zijn nek. Ik zag dat het T-shirt van [benadeelde 1] aan de linkerkant doordrenkt was van het bloed. Ik heb [benadeelde 1] onderzocht op verwondingen. Ik zag dat [benadeelde 1] bloed in zijn hals had aan de linkerzijde, ik zag een snee en van ongeveer 2 centimeter en een kleine verwonding naast deze snee. De snee in zijn hals bloedde. Ik zag dat het T-shirt dat [benadeelde 1] onder zijn leren jas droeg aan de linkerzijde doorweekt was van het bloed. Ik heb zijn shirt omhoog gedaan en ik zag een steekwond van ongeveer 3 centimeter aan de linkerzijkant van zijn lichaam ongeveer 15 centimeter onder zijn oksel, ik zag dat er langzaam bloed uit deze wond sijpelde. Ik heb [benadeelde 1] gevraagd wat er was gebeurd. [benadeelde 1] verklaarde mij het volgende: “Ik ben door [Verdachte] gestoken. Hij greep met zijn hand in zijn jas als of hij iets wilde pakken. [Verdachte] pakte een mes en hij stak mij een paar keer.”
Ik zag dat de deur van [adres 2] openging. Ik zag dat een vrouw uit het [adres 2] naar buiten kwam en naar beneden keek. Ik herkende deze vrouw als de mij ambtshalve bekende [naam 2] . Ik heb [naam 2] aangeroepen en gevraagd hoeveel personen er in haar woning waren. Ik hoorde dat [naam 2] riep: “Alleen [Verdachte] is in de woonkamer en mijn hond is boven op de slaapkamer.” Na overleg is besloten om naar boven te gaan om [Verdachte] aan te houden en de woning te betreden. Nadat hij was aangehouden, heb de woning aan de [adres 2] betreden.

In de woonkamer viel het direct op dat er net moest zijn schoongemaakt. Ik zag dat er op de deurpost van de woonkamer aan kant van de woonkamer bloedspetters zaten, de vloer was zichtbaar net gedweild dan wel schoongemaakt. Op de tafel zag ik een schaaltje met hierop enkele bekers of bakjes, op één van deze bakjes zag ik bloed.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2018028088 van 29 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s G1-5 tot en met G1-15.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 maart 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [naam 2]:

Erwin heeft tegen mij gezegd hij [ [benadeelde 1] vijf keer had gestoken en dat hij het lekker vond om te steken met het mes dat hij gepakt had.

3. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1100-2018028088-1 van 26 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s Z-20 tot en met Z-24.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 februari 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [benadeelde 1], geboren op [geboortedag 2] 1974:

Ik doe aangifte van poging doodslag, gepleegd op 12 februari 2018 om 21.26 uur op de [adres 2] te Den Helder. [Verdachte] trok zich terug in de keuken en toen moet er iets tussen zijn oren zijn gebeurd. Hij deed een shawl voor zijn neus en mond, als een hooligan. Ook deed hij een hoed op en jas aan. [naam 2] en haar schoonzoon waren in gesprek met [naam 1] . Voor mijn gevoel klopte het niet, dus ik wilde weg. Ik had mijn kleding bij de open haard liggen, dus stond op en achteruit om die te pakken. Ik wilde zicht op [Verdachte] houden. [Verdachte] deed een paar stappen op mij af en stak meteen, onderhands, met zijn rechterhand. Ik voelde het lemmet naar binnen gaan. Hij raakte mij als eerste net boven mijn milt. Ik deed beide handen naar voren. De tweede stekende beweging richting mijn buik heb ik kunnen afweren met mijn pink, die daarbij door het mes is geschampt. Dit begon dus daar waar ik achteruit lopend mijn kleding bij de open haard wilde pakken. Ik kreeg de kans niet om mijn spullen te pakken want hij liep continue op mij af. Ik heb daarbij continue herhaald: “Stop nou Er, je hebt al gewonnen, ik bloed, je hebt me al”. Dat had geen effect. Ik hield mijn armen voor mijn bovenlichaam. Toen is hij onder mijn dekking door naar mijn oksel toegegaan. Ter hoogte van de open haard kreeg ik de volgende drie steken van [Verdachte] , twee keer in de oksel en één keer precies op de spier zelf, onderhands, naar boven toe gericht. Van de eerste steek tot aan de steken bij de open haard waren de anderen nog aan het praten. Tijdens het achteruit lopen naar de voordeur om te vluchten riep ik: “ [naam 1] , ik lek”. [naam 1] zat toen nog op de bank volgens mij. Daarna kwam er een derde steekserie. Daar stak [Verdachte] mij nog drie keer, maar nu in mijn nek, net langs mijn halsslagader, maar wel in mijn keel. Ik heb tussen de eerste en de tweede steekserie een stanleymesje getrokken om afstand te creëren tussen ons, maar dat lukte niet, want hij nam constant het initiatief door naar mij toe te komen. Ik ben niet met dat mes op hem afgelopen. Bij de derde steekserie heb ik dat mesje op de grond laten vallen, omdat [Verdachte] zei: “Gooi je mes weg”. Toen begon de angst echt toe te slaan. Daarna kwam [naam 1] ertussen. Als hij er niet was tussen gekomen, dan had ik hier zeker niet gezeten. [naam 1] heeft ervoor gezorgd dat de haldeur open kon. Ik ben naar de hal gegaan en heb hem geïnstrueerd mijn kleding te pakken. [Verdachte] bleef staan op de plek waar hij mij drie keer in de keel had gestoken. De steekbewegingen waren geen prikkende bewegingen. [Verdachte] haalde elke keer vol uit. Hij stak mij vanaf zijn heup naar voren/boven toe en ook recht naar voren toe met gestrekte arm.

4. Een geschrift, zijnde een letselverklaring, van 16 maart 2018, opgemaakt door [naam 3] , als chirurg verbonden aan Noordwest Ziekenhuisgroep te Alkmaar, betreffende [benadeelde 1] , los in het dossier opgenomen.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Patiënt [benadeelde 1] , geboren op [geboortedag 2] -1974, werd op 12-02-2018 in de avond gepresenteerd op onze spoedeisende eerste hulp na een steekpartij, waarbij in de ambulance sprake was van spuitend bloedend letsel van de linker thorax wand, waarop een drukverband en compressie was aangelegd. Er was sprake van uitwendig en inwendig bloedverlies. Er waren aanwijzingen voor inwendig bloedend letsel, waarvoor acute operatieve behandeling noodzakelijk was. Qua verwondingen was er sprake van (i) twee snij- of steekwondjes onder de kin, (ii) een steekwond in de linker flank met slagaderlijke bloeding en (iii) een steekwond in de linkerschouder met aanwijzingen van actieve bloeding.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2018028088-31 van 20 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s G2-7 tot en met G2-13.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 februari 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [naam 1]:

Ik belde [benadeelde 1] op en zei dat ik naar [naam 2] ging. Hij zei dat hij dan wel mee zou komen. Toen [benadeelde 1] en ik bij [naam 2] aankwamen, deed [Verdachte] open. [naam 4] was er ook. Het was gezellig. Ik was met [naam 2] in gesprek. Ik heb gezien dat [Verdachte] mijn zwart-witte shawl pakte en deze om zijn mond wikkelde en gek begon te doen. Ik zat op de bank. Ik zag [benadeelde 1] achteruitlopen. Ik hoorde [benadeelde 1] zeggen: “Stop, je hebt me al, ik ben lek”. Toen zag ik [Verdachte] [benadeelde 1] drie keer steken. De afstand tussen beiden was op dat moment ongeveer 60 centimeter. Alles ging onderhands. Ik zag dat hij [het hof begrijpt: [benadeelde 1] ] tussen zijn ribben, in zijn oksel en in zijn nek werd geraakt. [benadeelde 1] probeerde [zich] te verweren. Hij had een wond op zijn hand. [benadeelde 1] liep achteruit richting de voordeur. [Verdachte] bleef steken, dus ben ik opgestaan en ben ik er tussen gaan staan. Daardoor kon ik [benadeelde 1] naar buiten werken. Hij zei: “Pak mijn vest en jas”. Dat heb ik gedaan. Ik ben toen naar buiten gegaan met [benadeelde 1] .

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1100-2018028088-16 van 13 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , met doorgenummerde pagina’s B-11 tot en met B-17.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 februari 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

U vraagt mij wat er gisterenavond is gebeurd. Ik was bij [naam 2] thuis op de [adres 2] . [naam 1] wilde langskomen. In overleg hebben we besloten dat [naam 1] langs zou komen. [naam 1] kwam langs en had [benadeelde 1] meegenomen. [naam 4] , de schoonzoon van [naam 2] , zat ook in de kamer. Op een gegeven moment sta ik achter bij het raam. Ik heb een aardappelschilmesje gepakt. Ik heb blindelings gestoken. Ik had op dat moment een aardappelschilmesje in mijn hand.

Het hiervoor onder 4 vermelde bewijsmiddel, een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het in zaak B primair bewezenverklaarde

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2018145856-1 van 28 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , met doorgenummerde pagina’s 156-159.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 juli 2018 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van aangever [benadeelde 2], geboren op [geboortedag 3] 1956:

Ik was vandaag [het hof begrijpt: op 28 juli 2018] om ongeveer 12.30 of 13.00 uur thuis op het adres [adres 1] te Den Helder. Ik lag in mijn onderbroek op bed en had mijn ogen dicht. Opeens hoorde ik iemand roepen: “Ik moet geld”. Toen ik opkeek herkende ik [naam 5] . Ik voelde dat [naam 5] mij vastgreep en boven [op] mij op bed kwam zitten. Terwijl hij bovenop mij zat, bleef hij om geld vragen. Ik zei dat ik dat dat niet had. Ik voelde dat [naam 5] mij met zijn vuist begon te slaan, op mijn hals, mijn nek en overval waar hij mij kon slaan. Dit deed pijn. Ik probeerde de vuistslagen te ontwijken, maar dat ging niet. Ik heb gevochten voor wat ik waard was. Ik heb hard geschreeuwd: “Help, ik heb echt geen geld”. [naam 5] bleef maar slaan, heel vaak. Ik heb de longen uit mijn lijf geschreeuwd. Ze waren met zijn tweeën. Die andere jongen had heel lang blond haar. Ik hoorde dat die spullen van mij overhoop haalde en in de woonkamer dingen omgooide; ik hoorde dingen vallen. Die andere jongen schopte mij vervolgens meerdere malen in mijn ribben en in mijn gezicht. Toen heeft die jongen met het lange haar een klemtang op mijn ballen gezet en mij tot bloedens toe geknepen. Ik was zo bang dat ik vervolgens via de balkondeur naar beneden ben gesprongen. Ik kwam ongeveer 3 meter lager op de grond terecht en ben naar de buren gevlucht.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever met documentcode 2018.0805.2179.1450 van 5 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 8] , doorgenummerde pagina’s 170-172.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 augustus 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [benadeelde 2]:

Ik hoorde [naam 5] roepen: ‘ [benadeelde 2] , ik ben het, [naam 5] ’. Ik lag nog op bed. Daarna hoorde ik heel veel gerommel en ineens stonden zij boven. [naam 5] ging gelijk op mij staan, terwijl ik nog op bed lag. Hij deed zijn knie in mijn nek. Elke keer als zij om geld vroegen, en ik had geen geld, dan trapte [Verdachte] hard in mijn ribben en op andere plaatsen op mijn lichaam. Ik weet dat hij [Verdachte] heet, omdat [naam 5] hem op een gegeven moment riep.

3. Een geschrift, zijnde een letselrapportage, van 29 juli 2018, opgemaakt door [naam 6] , als forensisch arts verbonden aan GGD Hollands Noorden, betreffende [benadeelde 2] , doorgenummerde pagina’s 165-166.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[benadeelde 2] , geboren op [geboortedag 3] 1956, is door forensisch arts [naam 6] gezien in het kader van een letselonderzoek. Bij het onderzoek is onder andere gebruik gemaakt van het medisch dossier en lichamelijk onderzoek. De SEH-Gemini ZH [het hof begrijpt: de afdeling spoedeisende hulp van het betreffende ziekenhuis] heeft gediagnosticeerd dat bij [benadeelde 2] sprake was van trauma capitis, ribcontusie(s) rechts, huidwonden en blauwe plekken. Als uitwendige letsels zijn waarneembaar streepvormige schrammen in de hals, een schaafwond aan de linkerzijde van de hals, vingertop-vormige blauwe plekken aan de rechterzijde van de hals, blauwe plekken in het gelaat, een scheurwond van de balzakhuid en ontvellingen op het linker onderbeen en de linker voet.

4. Een geschrift, zijnde een medische verklaring, van 15 januari 2019, opgemaakt door [naam 7] , Forensisch Arts (KNMG), als coördinator forensische geneeskunde verbonden aan GGD Hollands Noorden (los in het dossier opgenomen).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de antwoorden van forensisch arts [naam 6] op aan hem gestelde vragen:

Ik kan mij de wond aan het scrotum, opgelopen op 28 juli 2018, herinneren. Het betrof een scheurwond van 1 à 2 centimeter groot, lineair, maar in een bijna 90 graden geknikte lijn. De wond werd niet omlijst door andere letselverschijnselen zoals bloeduitstortingen of roodheid aan de omringende balzak of daar omheen. Een tot verscheuring trekken aan de huid van de balzak kan als waarschijnlijke verklaring worden gezien.

5. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer PL1100-2018145856-34 van 15 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , doorgenummerde pagina’s 181-186.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisanten:

Op 29 juli 2018 werd door ons, verbalisanten, als forensisch onderzoekers een onderzoek verricht in een woning aan de [adres 1] te Den Helder. Tijdens het onderzoek werd het volgende door ons bevonden en waargenomen. Wij zagen in het woongedeelte een ladekast staan. Wij zagen meerdere laden liggen die uit de ladekast waren gehaald. In de slaapkamer, die vanuit de keuken te bereiken was, zagen wij eveneens meerdere laden liggen die uit een ladekast waren gehaald.

6. Een proces-verbaal van 14 februari 2019, opgemaakt door mr. [verbalisant 11] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, los in het dossier opgenomen.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 februari 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [naam 5] :

Op 28 juli [het hof begrijpt: 2018] stond ik met [Verdachte] op de dijk. Ik wilde naar [benadeelde 2] . [benadeelde 2] werd niet wakker. Nadat ik hard op de deur heb gebonsd, liep ik naar boven toe. [Verdachte] was bij mij. [benadeelde 2] begon stennis te maken. Ik drukte hem [het hof begrijpt: [benadeelde 2] ] op zijn bed en ging op hem zitten. Ik zei: “Wat moet jij nou?”. Ik gaf hem een tik met mijn rechterhand en zei: “Je moet mij niet piepelen. Doe normaal”. Hij ging schreeuwen. Ik had toen nog niet door dat [Verdachte] met een tang in de weer was. Dat zag ik pas toen ik opkeek en zag dat [Verdachte] een rode tang bij zich had. De tweede keer dat hij schreeuwde, zag ik dat [Verdachte] de tang op de ballen van [benadeelde 2] had gezet. Ik zag bloed uit de onderbroek komen.

7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met documentcode 20170814.0920.52816 van 14 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 12] en [verbalisant 8] , met doorgenummerde pagina’s 123-127.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 augustus 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Op een gegeven moment kwam ik [naam 5] tegen. We gingen een stukje lopen. We kwamen aan bij een woning van iemand die ik niet ken. [naam 5] riep iets omhoog. Wij kwamen in die woning. [benadeelde 2] woont op [adres 1] . Die jongen zat op het einde van het bed. [naam 5] en de jongen kregen ruzie over geld. Er werd geschreeuwd. Ik zag dat zij met elkaar worstelden [over] de breedte van het bed. [naam 5] zat bovenop [benadeelde 2] . [naam 5] heeft [benadeelde 2] een paar beuken gegeven. Ik zag dat [benadeelde 2] bij z’n strot werd gegrepen en werd geslagen.

8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2019.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik kwam [naam 5] . Hij vroeg of ik meeging. Ik ben meegegaan naar het adres. [naam 5] klopte aan, maar er werd niet gereageerd. Hij schreeuwde naar boven en toen ging de deur open. Samen met [naam 5] ben ik naar boven gegaan. [benadeelde 2] zat op het bed. Hij had een boxershort aan. Ik ging op een stoel zitten. [naam 5] begon over geld. [benadeelde 2] en [naam 5] kregen woorden, waarna [naam 5] bovenop hem is gaan zitten. [naam 5] had hem bij zijn nek vast en had hem hard geslagen. Dat waren drie of vier serieuze klappen.

De hiervoor onder 3 en 4 vermelde bewijsmiddelen, geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het in zaak B tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van hetgeen hem in zaak B wordt verweten, waaronder van de primair tenlastegelegde diefstal met geweld in vereniging jegens de aangever [benadeelde 2] . Daartoe is aangevoerd dat de verdachte op die diefstal geen opzet heeft gehad; hij is slechts met de medeverdachte [naam 5] meegegaan omdat deze iets met [benadeelde 2] moest regelen. Verder bestond er tussen [naam 5] en de verdachte geen nauwe en bewuste samenwerking en is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet vast te stellen dat de woning van [benadeelde 2] door de verdachte is doorzocht. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet aantoonbaar is dat de verdachte het incident geweldshandelingen heeft verricht en dat de verklaringen van [naam 5] daaromtrent ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn, zodat deze van het bewust moeten worden uitgesloten.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 28 juli 2018 met [naam 5] naar de woning van [benadeelde 2] is gegaan, dat [naam 5] daar geld van [benadeelde 2] heeft geëist en dat [naam 5] zijn eis kracht bij heeft gezet door hem vast te grijpen, bovenop hem te gaan zitten en hem met de vuist te slaan. Zoals uit de verklaring van [benadeelde 2] en de bevindingen van de forensisch onderzoekers kan worden afgeleid, heeft de verdachte vervolgens de woning van [benadeelde 2] , kennelijk op zoek naar geld, doorzocht. Daarna heeft hij [benadeelde 2] geschopt en hem een klemtang op diens testikels gezet en daarin tot bloedens toe geknepen. Anders dan de raadsvrouw ziet het hof geen grond om de tot het bewijs gebezigde inhoud van de verklaring van [naam 5] als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig te bestempelen; voor bewijsuitsluiting bestaat dus geen aanleiding. Die grond ziet het hof ook niet in het gegeven dat (in de woning van [benadeelde 2] ) geen klemtang is aangetroffen. Dat [naam 5] wisselend heeft verklaard over de vraag of hij bloed op de onderbroek van [benadeelde 2] heeft zien zitten doet niet af aan diens consistente lezing over de geweldshandelingen van de verdachte die hij heeft waargenomen. Verder volgt uit de door de verdachte afgelegde verklaringen dat het hem duidelijk was dat [naam 5] en [benadeelde 2] ruzie hadden om geld en dat [naam 5] [benadeelde 2] in verband daarmee ‘bij zijn strot’ greep, bovenop hem zat en hem hard sloeg. Door vervolgens de woning te doorzoeken en, terwijl [benadeelde 2] om geld gevraagd bleef worden, zelf fors geweld op [benadeelde 2] toe te passen, is de verdachte (in ieder geval stilzwijgend) een op het afhandig maken van geld gerichte samenwerking met [naam 5] aangegaan.

De tot vrijspraak strekkende verweren worden in alle onderdelen verworpen.

Beroep op noodweer(exces) met betrekking tot het in zaak A tenlastegelegde

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich met zijn handelwijze heeft verdedigd tegen de aangever [benadeelde 1] en - even later ook - [naam 1] , die hem, ieder bewapend met een mes, tegemoet traden en waarbij [benadeelde 1] ook nog stekende bewegingen maakte. De raadsvrouw heeft zich in het verlengde daarvan op het standpunt gesteld dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en, subsidiair, een geslaagd beroep op noodweerexces kan doen. Daarbij heeft zij gesteld dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [naam 1] niet betrouwbaar genoeg zijn om het door hen gestelde scenario, inhoudende dat de verdachte de agressor is geweest, te kunnen dragen. Aan een en ander is de conclusie verbonden dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de raadsvrouw acht het hof de verklaringen van [benadeelde 1] en [naam 1] betrouwbaar (reden waarom deze tot het bewijs zijn gebezigd). Zij hebben los van elkaar en direct na het incident aan de politie verteld wat er zich in de woning heeft afgespeeld. Hun lezingen komen daarbij op hoofdlijnen en essentiële onderdelen overeen. Voorts sluiten hun verklaringen naadloos aan bij de bij [benadeelde 1] geconstateerde verwondingen, waaronder de (afweer)verwondingen aan diens linkerhand die te zien zijn op de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken foto’s. Nu het hof uitgaat van de verklaringen van [benadeelde 1] en [naam 1] , acht het het daarmee onverenigbare scenario van de verdachte niet aannemelijk. Voor dat laatste oordeel zijn echter nog meer goede redenen te geven. Zo vindt de lezing van de verdachte geen enkele weerklank in de verklaring van [naam 4] ( [naam 4] ) [naam 4] , die zich ten tijde van het incident ook in de woonkamer bevond, en zijn er bij de verdachte geen letsels vastgesteld die zouden kunnen passen bij de maaiende bewegingen die met een mes in zijn richting zouden zijn gemaakt. [naam 2] heeft weliswaar verklaard dat zij vanuit de hal heeft gezien dat [benadeelde 1] in de woonkamer zijn arm een beweging van boven naar beneden heeft gemaakt, maar daaraan heeft zij toegevoegd dat zij niemand heeft zien steken. Daarnaast heeft zij kennelijk niet waargenomen hoe het incident is begonnen. Haar verklaring kan de verdachte dus ook niet baten. Nu de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer en noodweerexces niet aannemelijk is geworden, faalt het beroep op deze strafuitsluitingsgronden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A primair en in zaak B primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in zaak B primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en heeft daarnaast gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de verdachte een lichtere straf op te leggen dan de rechtbank en hem een kans te geven door hem, anders dan de rechtbank, de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van het bewezen verklaarde feit en omstandigheden waaronder het is begaan

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Tijdens een gezellig samenzijn met zijn vriendin en twee kennissen, heeft de verdachte één van hen zonder kenbare aanleiding aangevallen met een mes. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer meerdere keren geraakt in de hals, de schouder en de flank, ten gevolge waarvan deze onder andere een slagaderlijke bloeding heeft opgelopen en acuut geopereerd moest worden. Dat de verwondingen die door de verdachte zijn veroorzaakt het slachtoffer niet fataal zijn geworden is geenszins aan de verdachte te danken. Het slachtoffer wordt nog geregeld geconfronteerd met de fysieke gevolgen van het steekincident, terwijl hij ook met serieuze psychische klachten is komen te kampen en zich daarvoor geruime tijd onder medicamenteuze en psychologische behandeling heeft moeten stellen.

Voorts heeft de verdachte samen met een ander zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. De verdachte en zijn medeverdachte hebben een man van wie de medeverdachte geld wilde hebben in diens woning op weerzinwekkende wijze toegetakeld, onder andere door hem tot bloedens toe met een klemtang in zijn testikels te knijpen. Veelzeggend is dat het slachtoffer, uit angst en in een poging om aan verder geweld te ontsnappen, op een onbewaakt moment naar het balkon is gesneld en vervolgens ongeveer drie meter naar beneden is gesprongen. Ook dit slachtoffer heeft aan hetgeen hem is aangedaan fysieke ongemakken overgehouden en ook hij heeft zich onder behandeling van de geestelijke gezondheidszorg gesteld.

Sterk in het nadeel van de verdachte weegt dat hij blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 augustus 2020, veelvuldig eerder onherroepelijk tot gevangenisstraffen is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

Op grond van het bovenstaande zou het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minstens zes jaren gerechtvaardigd achten, indien deze feiten volledig aan de verdachte zouden kunnen worden toegerekend.

Gedragskundige rapportages en de gevolgtrekkingen van het hof

Er is in het Pieter Baan Centrum onderzoek gedaan naar de persoon van de verdachte door psychiater [naam 8] en klinisch psycholoog [naam 9] . De deskundigen hebben daaromtrent op 29 maart 2019 een rapport uitgebracht. De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. Desondanks hebben de gedragsdeskundigen – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende kunnen rapporteren en adviseren.

(i) De verdachte is behept met een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde persoonlijkheidstrekken. Deze wordt onder andere gekenmerkt door agressieregulatie- en autoriteitsproblemen, het niet dulden van tegenspraak, impulsiviteit, achterdocht en een beperkt ontwikkelde gewetensfunctie. Hij heeft een structureel kwetsbare persoonlijkheidsorganisatie, waarbij hij gemakkelijk spanningen opbouwt en die snel omzet in achterdocht en agressie, terwijl tegelijkertijd het vermogen tot zelfsturen of het vermogen om deze te inhiberen of controleren (verder) afneemt. Daarnaast is er bij de verdachte sprake van ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een stoornis in het gebruik van diverse middelen (alcohol, amfetaminen en benzodiazepinen). De verslavingsproblematiek, waarvan ontremming een van de uitingen is, is in het geval van de verdachte extra riskant, omdat hij vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek al neigt naar ontremming, vervreemding en impulsiviteit en agressiviteit.

(ii) Genoemde stoornissen zijn al zeer lang bestaand en waren zeker aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Hoewel vanwege de weigerachtige opstelling van de verdachte geen van de ten laste gelegde feiten gedragskundig uitvoerig met hem kon worden besproken, achten de deskundigen het waarschijnlijk dat de stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte als volgt hebben beïnvloed.

Ten tijde van het in zaak A ten laste gelegde werd de verdachte geconfronteerd met spanningen waarvan hij niet of nauwelijks weet had en waarop hij mede door zijn middelengebruik weinig grip had. Daarbij zijn vervreemdingsgevoelens, spanning, achterdocht en agressie in elkaar overgelopen. Deze konden niet of slechts beperkt worden geremd door een gewetensfunctie of enig anticiperen op de gevolgen het handelen van de verdachte. Daarom wordt geadviseerd de verdachte het in zaak A tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Het in zaak B ten laste gelegde doet meer instrumenteel aan, omdat het verwerven van geld mogelijk een belangrijk motief voor het handelen van de verdachte is geweest. Waarschijnlijk is echter wel dat gebrekkige realiteitstoetsing onder verhoogde spanning, vervloeiing van spanning en agressie, mogelijk versterkt door middelengebruik of de craving daarnaar, factoren zijn geweest die daarbij hebben meegespeeld. Geadviseerd wordt de verdachte voor dit feit (op zijn minst) licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

(iii) De kans dat de verdachte zonder adequaat behandeld te zijn opnieuw een geweldsdelict begaat wordt (op grond van klinische indrukken en risicotaxatie-instrumenten) als hoog ingeschat.

(iv) Gezien de aard en ernst van de bovenbeschreven pathologie en het daarmee samenhangende hoge recidiverisico wordt geadviseerd aan de verdachte TBS met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Mede door het beperkte probleembesef en de afwezigheid van inzicht in zijn problematiek en onderliggende dynamiek is het volgens de deskundigen niet mogelijk de verdachte te behandelen onder voorwaarden.

De onder i) en ii) genoemde conclusies van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen. Daarom maakt het hof die tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vast staat dat er bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en voorts dat aannemelijk is dat deze in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de totstandkoming van zijn gewelddadige handelwijze. Het hof rekent de verdachte het in zaak A bewezen geachte feit dus in verminderde mate toe en het in zaak B tenlastegelegde in licht verminderde mate. Dit heeft een matigend effect op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Het hof is verder van oordeel dat de verdachte afgestraft en onbehandeld een té groot gevaar vormt voor de samenleving. Daartoe is vooral redengevend hetgeen onder i) en iii) is opgenomen. Het recidivegevaar wordt verder onderstreept door het recidivepatroon zoals dat uit genoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie naar voren komt.

Gebleken is dat de verdachte in het verleden langdurig en door diverse instanties is behandeld en begeleid, al dan niet in het kader van de bijzondere voorwaarden die zijn gesteld bij de reeks aan voorwaardelijke straffen die hem in de loop der jaren zijn opgelegd. Die behandelingen en begeleiding zijn altijd ambulant van karakter geweest, vooral omdat de verdachte klinische behandeling altijd heeft afgehouden. Vastgesteld moet echter worden dat die ambulante trajecten tot op heden niet hebben gezorgd voor een breuk in het patroon van geweldsdelicten. Daarbij heeft een rol gespeeld dat de verdachte zich herhaaldelijk niet aan gestelde voorwaarden heeft gehouden of kunnen houden, hij zijn problematiek ontkent en bagatelliseert, een antagonistische houding tegen zijn hulpverleners heeft en een intrinsieke motivatie om zich te laten behandelen lijkt te ontbreken.

Het hof is in het licht van het voorgaande van oordeel dat het, teneinde het recidivegevaar dat de verdachte in zich bergt tot maatschappelijk verantwoorde proporties terug te brengen, noodzakelijk is dat hij langdurig klinisch wordt behandeld in een forensisch psychiatrische setting en wel op grond van een TBS-maatregel. Voorts is het hof van oordeel dat de modaliteit van TBS met voorwaarden in dit geval onvoldoende waarborgen biedt. De omstandigheid dat de verdachte zich tegenover de reclassering en ter terechtzitting in hoger beroep bereid heeft getoond zich thans wel aan gestelde voorwaarden te committeren, acht het hof (met psychiater [naam 8] die hierover ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord en psycholoog [naam 9] die hierover op 19 juni 2020 een briefrapport heeft opgemaakt), onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het hof wil best uitgaan van de goede wil van de verdachte op het moment dat hij zich bereid verklaart om zich aan voorwaarden te houden, maar het hof acht het gevaar voor nieuwe geweldsdelicten te groot en te acuut op het moment dat de verdachte – zoals eerder – niet in staat zal blijken zich ook echt langdurig aan voorwaarden te houden. Het hof zal de TBS-maatregel dan ook niet, zoals door de raadsvrouw verzocht, opleggen onder het stellen van voorwaarden, maar daarbij bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Het hof stelt samenvattend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van TBS en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De maatregel zal worden opgelegd wegens een poging tot doodslag en een poging tot diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.

Slotoverwegingen

Het hof acht, alles overziend, en ermee rekening houdend dat de bewezen feiten de verdachte slechts in (licht) verminderde mate worden toegerekend, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De lichtere straf waarom de raadsvrouw heeft verzocht zou stellig voorbij gaan aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Daarnaast zal de verdachte als gezegd de maatregel van TBS met dwangverpleging worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich terzake van het in zaak A tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.240,91. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig de rechtbank toe te wijzen en daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd, waarbij de duur van de gijzeling dient te worden beperkt tot een dag.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden met een omvang van € 890,91. Zijdens de verdachte is dit deel van de vordering niet gemotiveerd betwist, terwijl dat het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij die niet gemotiveerd zijn weersproken, in het bijzonder niet met betrekking tot het optreden van dergelijke schade en de causale relatie met het in zaak A bewezenverklaarde. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid schatten op € 2.350,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:

- de (agressieve, angstaanjagende en ingrijpende) aard van het handelen van de verdachte;

- de inbreuk die daarbij op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;

- de (deels) levensgevaarlijke verwondingen die daarbij zijn toegebracht, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was;

- de weerslag die de lichamelijke gevolgen van het incident op het dagelijks leven van de benadeelde partij hebben gehad en nog altijd hebben;

- de psychische problemen, in de vorm van PTSS, waarmee de benadeelde partij is komen te kampen en waarvoor hij zich onder medicamenteuze en psychologische behandeling heeft moeten stellen en

- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Daarbij zal, zoals gevorderd, de maximale duur van de daaraan te koppelen gijzeling op een dag worden gesteld, omdat de verdiencapaciteit van de verdachte gelet op de op te leggen TBS-maatregel voorlopig buitengewoon beperkt zal zijn.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg terzake van het in zaak B tenlastegelegde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft bij brief van 30 september 2019 te kennen gegeven dat de benadeelde partij zijn vordering om hem moverende redenen intrekt. Daarom heeft het hof over die vordering in hoger beroep niet langer te oordelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde, met uitzondering van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, van welke bepaling de thans geldende tekst wordt toegepast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15‑151330-18 primair en in de zaak met parketnummer 15-030136-18 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-151330-18 primair en in de zaak met parketnummer 15‑030136-18 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-030136-18 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.240,91 (drieduizend tweehonderdveertig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 890,91 (achthonderdnegentig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 2.350,00 (tweeduizend driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-030136-18 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.240,91 (drieduizend tweehonderdveertig euro en eenennegentig cent) bestaande uit

€ 890,91 (achthonderdnegentig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 2.350,00 (tweeduizend driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade voor een bedrag van € 471,75 op 12 februari 2018, voor een bedrag van € 60,00 op 14 februari 2018 en voor een bedrag van € 359,16 op 22 mei 2018.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 februari 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. F.M.D. Aardema en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. J.G.W.M. Lut, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 augustus 2020.

=========================================================================

[…]