Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2347

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
200.267.135/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:8030
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geldigheid vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/133
EB 2020/93
RN 2021/4
FJR 2021/33.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

(familie- en jeugdrecht, team III)

zaaknummer : 200.267.135/01

zaaknummer rechtbank : C/15/270248 / HA ZA 18-98

arrest van de meervoudige familiekamer van 18 augustus 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

allen niet verschenen,

en

4. [geïntimeerde sub 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde sub 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

6. [geïntimeerde sub 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.J.P. Schipper te Alkmaar,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna [appellante] genoemd, geïntimeerden sub 1 tot en met 3 ieder voor zich [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] en geïntimeerden sub 4 tot en met 6 ieder voor zich [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] of gezamenlijk [geïntimeerden]

[appellante] is bij dagvaarding van 6 juni 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (naar het hof uit de stelling van partijen begrijpt is abusievelijk Haarlem vermeld) (hierna: de rechtbank) van 13 maart 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en geïntimeerden sub 1 tot en met 6 als gedaagden in conventie en [geïntimeerden] tevens als eisers in reconventie.

Tegen [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] is verstek verleend.

Vervolgens heeft [appellante] (na verleend uitstel) een memorie van grieven met bijlagen ingediend en hebben [geïntimeerden] een memorie van antwoord met bijlage ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

voor recht zal verklaren dat [appellante] en [erflater] [in] 2010 zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;

subsidiair:

de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden, zoals op 12 juli 1999 tot stand gekomen tussen [appellante] en [erflater] , zal vernietigen op grond van dwaling ex artikel 6:228 BW, althans op grond van rechtsdwaling;

meer subsidiair:

de in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden van [appellante] en [erflater] van 12 juli 1999 opgenomen regel omtrent de beperking van gemeenschap van goederen doordat activa en passiva daarvan zijn uitgesloten buiten toepassing zal laten, althans deze overeenkomst aldus zal wijzigen dat partijen met deze overeenkomst niet zijn afgeweken van de algehele gemeenschap van goederen bij het aangaan van hun huwelijk op 6 augustus 2010;

meer meer subsidiair:

zal bepalen dat [appellante] en de erfgenamen van [erflater] inzake de door het overlijden van [erflater] ontbonden huwelijk met elkaar dienen af te rekenen als ware zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd;

kosten rechtens.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

Op 17 januari 2016 is te [plaats] overleden [erflater] (hierna: erflater). Erflater was in eerste echt gehuwd met [eerste echtgenote] . Dit huwelijk is op 1 november 1993 ontbonden door echtscheiding. Uit dit huwelijk zijn geboren [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] .

2.3

[geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zijn kinderen uit een eerder huwelijk van [appellante] . [geïntimeerde sub 1] is een kind van erflater en [appellante] .

2.4

Erflater en [appellante] hebben bij notariële akte van 12 juli 1999 huwelijkse voorwaarden gemaakt. In de huwelijkse voorwaarden staat onder andere - voor zover van belang - vermeld:

“De comparanten verklaarden terzake van hun voorgenomen huwelijk de navolgende huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt:

REGIEM

Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal een beperkte gemeenschap van goederen bestaan, welke gemeenschap van goederen zal omvatten alle baten en lasten van de echtgenoten, echter met uitzondering van de navolgende:

a. baten

(…)

2. aandelen (…) in het kapitaal van (…) vennootschappen (…) of andere bewijzen van deelneming in vennootschappen (…)

lasten

(…).”

De huwelijkse voorwaarden zijn niet ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

2.5

Op 6 augustus 2010 zijn erflater en [appellante] in het huwelijk getreden.

2.6

Erflater heeft bij e-mail van 2 mei 2011 onder andere het volgende aan zijn toenmalige advocaat geschreven:

“(…) 2. Overdracht aandelen AyP

Verleden jaar zijn mijn partner en ik getrouwd in gemeenschap van goederen. Wij hebben in 1999 (…) een akte houdende huwelijkse voorwaarden laten opstellen en ondertekend. Deze akte bepaald dat er mijn vrouw en ik voor ons voorgenomen huwelijk een – beperkte gemeenschap van goederen – afsluiten. Hierin blijven de zaken die wij beiden inbrengen ons eigendom. Met het afsluiten van ons huwelijk vorig jaar is deze akte dus in werking getreden.

Er zijn 2 zaken waar ik over wil praten

1. de notaris heeft mij medegedeeld dat de akte nog niet is ingeschreven bij de rechtbank, dat kon pas na het huwelijk gebeuren, hetgeen naar zijn zeggen inhoudt dat de akte wel rechtsgeldig is tussen mijn vrouw en mij, maar niet richting derden. Met andere woorden een eventueel faillissement van mij zou problemen voor mijn vrouw kunnen geven, en andersom. Nu zit een faillissement er totaal niet in, maar ik wil toch even overleggen hoe nu te handelen.

2. Ik dacht dat met het huwelijk (gemeenschap van goederen) ook 50% van de aandelen in AyP zouden overgaan naar mijn vrouw. Dat zou na mijn eventueel overlijden wat meer zekerheid voor mijn vrouw geven, en minder successierechten afdracht tot gevolg hebben. Maar ik heb niet aan de akte gedacht, waardoor naar mijn idee de aandelen overdracht naar mijn vrouw dus niet heeft plaatsgevonden. (…)”

2.7

Erflater heeft bij testament van 29 mei 2013 [appellante] en alle 6 kinderen ( [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] ) tezamen en voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd.

2.8

Op 21 april 2016 heeft mr. J.G.B. Lagendijk, notaris te Heerhugowaard, een verklaring van erfrecht afgegeven, waarin onder andere het volgende is opgenomen:

“De overledene was ten tijde van zijn overlijden (…) gehuwd met (….) [appellante] (…). Het huwelijk was gesloten op huwelijkse voorwaarden bij akte verleden op twaalf juli negentienhonderd negenennegentig voor mr. H.B. Post, destijds notaris gevestigd te Heerhugowaard. (…)”

2.9

In de Herziene Verklaring van Erfrecht van 13 april 2017 staat onder andere vermeld:

“De overledene was ten tijde van zijn overlijden (…) gehuwd met (….) [appellante] (…). Bij akte van twaalf juli negentienhonderd negenennegentig zijn er huwelijkse voorwaarden verleden voor mr. H.B. Post, destijds notaris gevestigd te Heerhugowaard. Het huwelijk is gesloten op zes augustus tweeduizend tien. (…)”

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [appellante] primair gevorderd een verklaring voor recht dat zij en erflater in 2010 zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, subsidiair dat tussen [appellante] en de erfgenamen ter zake van de ontbinding van het huwelijk afgerekend dient te worden alsof [appellante] en erflater in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd.

3.2

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellante] afgewezen en in conventie en in reconventie de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. [geïntimeerden] hebben gedurende de procedure hun reconventionele vordering verminderd tot nihil, althans ingetrokken. Deze vordering behoefde daarom geen bespreking meer.

Aan de afwijzing van de vorderingen van [appellante] heeft de rechtbank - samengevat - ten grondslag gelegd dat de huwelijksvoltrekking in 2010 de inwerkingtreding van de huwelijkse voorwaarden op grond van het bepaalde in lid 2 van artikel 1:117 BW tot gevolg had en dat als partijen dit niet hadden gewild, zij de huwelijkse voorwaarden hadden kunnen en ook hadden moeten wijzigen. Dit is niet gebeurd. De rechtbank heeft het beroep op het tijdsverloop tussen het maken van de huwelijkse voorwaarden en de huwelijksvoltrekking, het beroep op het niet-inschrijven van de huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister, alsmede het beroep op het ontbreken van de wil gepasseerd en geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellante] en erflater zich, zoals [appellante] stelt, het bestaan van de eerder opgestelde huwelijkse voorwaarden niet meer hebben gerealiseerd, niet eraan afdoet dat de rechtsgeldig opgemaakte voorwaarden door het huwelijk van kracht zijn geworden. Ook het subsidiaire beroep van [appellante] dat zij en erflater tijdens het huwelijk hebben geleefd als ware zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en dat daarom de huwelijkse voorwaarden niet van toepassing zijn, heeft de rechtbank niet gehonoreerd, reeds omdat [appellante] volgens de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die de conclusie kunnen wettigen dat zij en erflater zich tijdens hun huwelijk contrair aan de huwelijkse voorwaarden hebben gedragen. Naast het gestelde over het contraire gedrag zijn, zo overweegt de rechtbank voorts, geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om de huwelijkse voorwaarden toe te passen.

3.3

[appellante] komt met twee grieven op tegen de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Met haar derde grief heeft [appellante] de gronden van haar vordering aangevuld met een beroep op (rechts)dwaling en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Toepasselijkheid huwelijkse voorwaarden

3.4

De eerste twee grieven richten zich tegen de oordelen van de rechtbank dat de stelling dat erflater en [appellante] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd geen stand kan houden, dat de wil van partijen was gericht op het aangaan van de huwelijkse voorwaarden zoals neergelegd in de notariële akte, dat de huwelijksvoltrekking de inwerkingtreding van de voorwaarden tot gevolg had en dat als partijen dat niet hadden gewild, zij de huwelijkse voorwaarden hadden kunnen en moeten wijzigen.

[appellante] licht haar grieven als volgt toe. De huwelijkse voorwaarden zijn niet geldig indien deze zijn aangegaan zonder dat een voorgenomen huwelijk binnen afzienbare tijd plaats vindt en/of partijen daarvan hebben afgezien. Daarvan is volgens [appellante] in dezen sprake. Zij en erflater hebben in 1999 weliswaar het voornemen gehad te huwen, maar zij hebben daarvan afgezien en een huwelijk heeft vervolgens niet plaatsgevonden. Alleen indien zij na het aangaan van de huwelijkse voorwaarden daadwerkelijk uitvoering hadden gegeven aan het daarin genoemde voornemen om in het huwelijk te treden, zouden de betreffende huwelijkse voorwaarden geldig zijn. De beslissing om alsnog - na 11 jaar - in het huwelijk te treden, is niet gebaseerd geweest op het voornemen zoals in de overeenkomst van 1999 is vermeld. Artikel 1:114 BW mist derhalve toepassing, evenals het bepaalde in artikel 1:117 lid 2 BW ten aanzien van het in 2010 gesloten huwelijk. De gezamenlijke wil bij het aangaan van het huwelijk was gericht op het huwen conform het wettelijk stelsel. Volgens [appellante] hebben de bepalingen uit de huwelijkse voorwaarden uit 1999 daarom geen werking gehad voor wat betreft de vermogensrechtelijke gevolgen bij het aangaan van het huwelijk in augustus 2010; zij zijn mitsdien in gemeenschap van goederen getrouwd.

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd.

3.5

Het hof overweegt als volgt. Onder huwelijkse voorwaarden (als bedoeld in artikel 1:114 BW) dient te worden verstaan iedere regeling tussen echtgenoten waarbij wordt afgeweken van de vermogensrechtelijke regels die zonder deze regeling tussen de echtgenoten zouden bestaan, of waarbij een overeengekomen afwijking ongedaan wordt gemaakt (HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004). Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt (artikel 1:114 BW). Zij moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan (1:115 BW). Uitgezonderd van dit vormvereiste zijn onder andere het echtscheidingsconvenant, houdende een regeling van de onderlinge vermogensrechtelijke betrekkingen met het oog op een door hen voorgenomen echtscheiding (HR 26 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6480), en regelingen die een nadere uitwerking en concretisering vormen van een al in de huwelijkse voorwaarden vervat verrekenbeding (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3103).

Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen (artikel 1:117 lid 2 BW). De wet geeft geen termijn waarbinnen vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden door een huwelijk moeten zijn gevolgd. Ook hoeft voor het maken van huwelijkse voorwaarden niet sprake te zijn van een concreet voorgenomen huwelijk. Een dergelijke eis wordt niet gesteld. Artikel 1:114 BW spreekt weliswaar van ‘aanstaande echtgenoten’, maar nu deze woorden destijds (in artikel 194 (oud) BW) waren bedoeld om aan te geven dat staande het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden konden worden gemaakt en tegenwoordig de mogelijkheid bestaat om huwelijkse voorwaarden zowel vóór als tijdens het huwelijk te maken, in welk verband de wetsbepaling is gewijzigd in ‘aanstaande echtgenoten en echtgenoten’, volgt uit (de ontstaansgeschiedenis van) deze woorden niet dat van een concreet voorgenomen huwelijk sprake moet zijn. Denkbaar is dat huwelijkse voorwaarden hun geldigheid kunnen verliezen indien door tijdsverloop of andere omstandigheden het huwelijk dat partijen (uiteindelijk) aangaan niet het huwelijk is dat zij beoogden te sluiten toen zij de huwelijkse voorwaarden maakten en hun wil niet langer strookt met hetgeen zij eerder hebben afgesproken. De stelplicht en de bewijslast van het verliezen van de geldigheid van de huwelijkse voorwaarden rust op degene die zich daarop beroept.

3.6

De tussen [appellante] en erflater in 1999 gemaakte huwelijkse voorwaarden zijn door hun huwelijk in 2010 in werking getreden. Het tijdsverloop tussen het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en het huwelijk maakt dat niet anders nu de wet, zoals gezegd, geen termijn kent waarbinnen vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden door een huwelijk moeten zijn gevolgd. Voor het oordeel dat de huwelijkse voorwaarden in werking zijn getreden is verder van belang dat in de huwelijkse voorwaarden niet over een concreet voorgenomen huwelijk wordt gesproken, zodat daaruit niet volgt dat van een concreet voorgenomen huwelijk is afgezien, en dat ook overigens niet van een dergelijk concreet voorgenomen huwelijk is gebleken. [appellante] heeft weliswaar gesteld dat zij en erflater op het moment dat de huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt feitelijk voornemens waren in het huwelijk te treden, maar [geïntimeerden] hebben dit weersproken en [appellante] heeft haar stelling niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. De stelling van [appellante] dat de artikelen 1:114 en 1:117 lid 2 BW toepassing missen ten aanzien van - althans geen werking hebben gehad voor wat betreft - het in 2010 gesloten huwelijk omdat het voornemen om te huwen destijds in 1999 niet is uitgevoerd, kan dan ook niet slagen.

3.7

[appellante] heeft voorts, zo begrijpt het hof, gesteld dat de huwelijkse voorwaarden voor het aangaan van het huwelijk hun geldigheid hadden verloren. Daartoe heeft zij in de eerste plaats aangevoerd dat het huwelijk dat zij en erflater in 1999 beoogden te sluiten, niet het huwelijk is dat zij in 2010 zijn aangegaan en dat de wil van erflater en [appellante] in 2010 niet op het huwen onder huwelijkse voorwaarden was gericht. Volgens [appellante] was het voornemen in 1999 om te trouwen mede ingegeven door de op dat moment bestaande feiten en omstandigheden, zoals hun gezinssamenstelling en activiteiten, waaronder de onderneming van erflater. In 2010 bevonden [appellante] en erflater zich in een andere levensfase dan toen zij de huwelijkse voorwaarden maakten. Erflater heeft op enig moment zijn onderneming gestaakt en zijn bedrijfsactiviteiten verkocht, zodat niet langer sprake was van een ondernemingsrisico. Voor hen stond toen primair de wederzijdse zorg voor elkaar, hetgeen aanleiding was om in 2010 te huwen. [appellante] en erflater namen hierbij, zo stelt [appellante] , in aanmerking dat zij in gemeenschap van goederen zouden huwen, zodat het vermogen van erflater, waaronder begrepen het - vanwege de verkoop van de ondernemingsactiviteiten aanwezige - vermogen in de vennootschap van erflater, voor de helft aan [appellante] zou toekomen. [appellante] en erflater hadden bij het aangaan van het huwelijk niet de wil dat de in 1999 gemaakte huwelijkse voorwaarden hun vermogensrechtelijke verhouding zouden omvatten. Zij hebben afgezien van de aan deze overeenkomst verbonden gevolgen. Hun gezamenlijke wil was, aldus [appellante] , gericht op het huwen conform het wettelijk stelsel, zodat de huwelijkse voorwaarden geen effect hebben gehad en zij - overeenkomstig hun wil en bedoeling - zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Dat ook erflater ten tijde van het huwelijk in 2010 de wil had om in gemeenschap van goederen te trouwen, blijkt volgens [appellante] uit het (hiervoor in 2.6 weergegeven) bericht van erflater aan zijn toenmalige advocaat.

3.8

Ook dit betoog van [appellante] faalt. Voor zover [appellante] stelt dat partijen in 2010 de gemeenschappelijke bedoeling hadden in afwijking van de eerder gemaakte huwelijkse voorwaarden in gemeenschap van goederen te huwen, kan deze enkele bedoeling niet zonder meer de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden vervangen. Een gemeenschappelijke partijbedoeling als hier aan de orde, die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen echtgenoten inhoudt waarbij deze de vermogensrechtelijke betrekkingen die tussen hen als echtgenoten zullen bestaan, regelen in afwijking van hetgeen tussen hen zonder die overeenkomst zou gelden, dient immers ook zelf te worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarde in de zin van artikel 1:114 BW die op straffe van nietigheid bij notariële akte moeten worden aangegaan. Deze notariële tussenkomst strekt mede tot bescherming van de partijen bij de op te stellen akte van huwelijkse voorwaarden (vgl. HR 27 juni 2003, nr. R 02/057, NJ 2003, 524); daarom kan van conversie in een enkel tussen partijen geldende regeling geen sprake zijn (HR 2 mei 1986, nr. 12589, NJ 1987, 353) (vergelijk voormelde uitspraak van de Hoge Raad van 18 juni 2004).

3.9

Daarnaast is het hof van oordeel dat - mede in het licht van de betwisting daarvan door [geïntimeerden] - geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld voor de conclusie dat het huwelijk dat [appellante] en erflater uiteindelijk zijn aangaan, niet het huwelijk is dat zij beoogden te sluiten toen zij de huwelijkse voorwaarden maakten.

Zoals hiervoor is overwogen, is allereerst niet gebleken dat eerder - in of omstreeks 1999 - van een concreet voorgenomen huwelijk sprake was. Daarnaast geldt dat niet is komen vast te staan dat de situatie van [appellante] en erflater ten tijde van hun huwelijk in 2010 zo wezenlijk anders was, dat om die reden niet kan worden gezegd dat dit huwelijk niet het huwelijk is dat zij bij het maken van de huwelijkse voorwaarden hadden beoogd. [geïntimeerden] hebben weersproken dat de bedrijfsactiviteiten van de onderneming van erflater na 1999 zijn verkocht en aangevoerd dat de onderneming ook daarna nog inkomsten had. Tevens hebben zij erop gewezen dat de door [appellante] gestelde onderlinge zorgplicht ook met het aangaan van de huwelijkse voorwaarden bestond en werd uitgevoerd. Gelet op dit verweer, en nu [appellante] voor het overige geen concrete omstandigheden heeft aangevoerd die haar stelling staven, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij en erflater in of omstreeks 2010 in zodanig andere omstandigheden verkeerden dat om die reden het huwelijk dat zij toen zijn aangaan niet het huwelijk is dat zij beoogden te sluiten toen zij in 1999 de huwelijkse voorwaarden overeen kwamen.

3.10

Voorts geldt dat geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die het oordeel rechtvaardigen dat de wil van [appellante] en erflater ten tijde van het huwelijk in 2010 niet langer strookte met hetgeen zij eerder, in 1999, in de huwelijkse voorwaarden hadden afgesproken. Zoals [appellante] zelf heeft gesteld, hebben zij en erflater ten tijde van het sluiten van het huwelijk geen overleg gevoerd over de aan dat huwelijk verbonden vermogensrechtelijke gevolgen. Ook hebben zij de toepasselijkheid van de huwelijkse voorwaarden niet herroepen. Haar enkele, door [geïntimeerden] betwiste, stelling dat [appellante] en erflater ten tijde van het huwelijk de huwelijkse voorwaarden “buiten beschouwing hebben gelaten”, heeft [appellante] niet nader onderbouwd. [appellante] heeft daarnaast evenmin feiten of omstandigheden gesteld waaruit valt af te leiden dat erflater bij het aangaan van het huwelijk in 2010 de wil had om te huwen in gemeenschap van goederen of waaruit haar eigen wil ten tijde van het huwelijk blijkt. Het door [appellante] overgelegde (hiervoor in 2.5 aangehaalde) e-mailbericht van erflater aan zijn toenmalige advocaat leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel erflater in dit bericht schrijft dat hij en [appellante] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat partijen in 2010 ook inderdaad de intentie hadden om in gemeenschap van goederen te huwen. De tekst van dit bericht is niet eenduidig en, naar het hof begrijpt, niet afkomstig van een op juridisch vlak onderlegd persoon. Hoewel over trouwen in gemeenschap van goederen wordt gesproken, wordt direct daarna gezegd dat met het sluiten van het huwelijk de huwelijkse voorwaarden in werking zijn getreden. [appellante] heeft verder niets gesteld en uit de stukken van het dossier is ook niets gebleken over de achtergrond van dit bericht van erflater, noch over wat aan dit bericht is voorafgegaan of wat op dit bericht (bijvoorbeeld aan nadere afspraken en anders dan dat de huwelijkse voorwaarden nadien niet zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers) is gevolgd, terwijl uit dit bericht juist volgt dat erflater wil overleggen over het wel of niet inschrijven van de akte bij de rechtbank en over de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden voor de aandelen. Uit deze mail kan dan ook geen eenduidige wil van erflater en niets over de wil van [appellante] worden afgeleid. Het hof volgt [appellante] dan ook niet in de conclusie die zij aan die mail verbindt. Dat [appellante] , zoals zij heeft gesteld, niet bij enig overleg na het sluiten van het huwelijk over het huwelijksvermogensregime betrokken is geweest en dat de betrokken toenmalige advocaat niet meer over informatie beschikt, doet aan haar stelplicht niet af.

3.11

[appellante] heeft in eerste aanleg aangeboden te bewijzen dat erflater en [appellante] niet zijn gehuwd indachtig de huwelijkse voorwaarden. Voor zover het hof hierover nog moet oordelen, zal het hof dit bewijsaanbod passeren. [geïntimeerden] hebben de stellingen van [appellante] erop ziende dat zij en erflater niet gehuwd zijn indachtig de huwelijkse voorwaarden gemotiveerd weersproken. Daartegenover heeft [appellante] , zoals ook uit al het voorgaande volgt, haar stellingen niet, althans zo weinig feitelijk onderbouwd en toegelicht, dat zij niet zal worden toegelaten tot bewijslevering.

3.12

De eerste twee grieven van [appellante] falen. De huwelijkse voorwaarden zijn tussen [appellante] en erflater vanaf hun huwelijk in 2010 van toepassing.

(Rechts)dwaling en beperkende werking redelijkheid en billijkheid

3.13

Met haar derde grief beroept [appellante] zich in de eerste plaats op dwaling. Volgens [appellante] zijn zij en erflater bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden uitgegaan van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken over de toepasselijkheid van de huwelijkse voorwaarden op een 11 jaar later gesloten huwelijk en hebben zij gedwaald ten aanzien van de gevolgen daarvan. Dit beroep van [appellante] op dwaling kan niet slagen, reeds omdat zij haar, door [geïntimeerden] weersproken, stelling niet heeft onderbouwd. Zij heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de huwelijkse voorwaarden in 1999 tot stand zijn gekomen onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken en evenmin dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Ditzelfde geldt voor haar stelling dat van rechtsdwaling sprake is. Dat bij [appellante] en/of erflater ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden geen of onvoldoende bekendheid met de juiste juridische beoordeling van de huwelijkse voorwaarden bestond, is, nu [appellante] haar stelling in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden heeft onderbouwd, niet gebleken.

3.14

Voor wat betreft het beroep van [appellante] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, geldt tot slot als volgt. Een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel is niet toepasselijk voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (vgl. onder meer HR 25 november 1988, NJ 1989, 529, en HR 29 september 1995, NJ 1996, 88). Volgens [appellante] brengen de omstandigheden dat van het aanvankelijk voorgenomen huwelijk is afgezien en dat vervolgens na meer dan tien jaar alsnog een huwelijk is gesloten waarbij de partijen bij dat huwelijk nooit voor ogen hebben gehad dat zij anders dan in gemeenschap van goederen zouden trouwen, mee dat de huwelijkse voorwaarden, meer in het bijzonder de daarin opgenomen regeling met betrekking tot de beperkte gemeenschap, niet van toepassing zijn. Dit zou in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Nu echter, zoals hiervoor is overwogen, niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanvankelijk voorgenomen huwelijk waarvan is afgezien, en evenmin dat [appellante] en erflater bij het sluiten van hun huwelijk in 2010 niet de wil hadden om onder making van huwelijkse voorwaarden te huwen, kan dit betoog reeds om die redenen niet slagen. Dit geldt te meer omdat erflater, zoals volgt uit de onder 2.6 vermelde e-mail, (ook) ervan uitgaat dat tussen partijen een beperkte gemeenschap geldt en daarover vragen heeft. Voorts geldt dat, mede gelet op dit e-mailbericht, ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat [appellante] en erflater zich tijdens hun huwelijk contrair aan de huwelijkse voorwaarden hebben gedragen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is daartoe onvoldoende dat sprake was van een gezamenlijke bankrekening en dat [appellante] en erflater nooit overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden onderling hebben afgerekend. (Ander) gedrag van [appellante] en erflater, waaruit volgt dat zij ervan zijn uitgegaan dat zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd, is overigens niet gesteld of gebleken. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat sprake is van zodanige omstandigheden, dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, indien de krachtens de huwelijkse voorwaarden tussen [appellante] en erflater geldende regeling ter zake van de beperkte gemeenschap, ook inderdaad in het onderhavige geval van toepassing is. Ook het beroep van [appellante] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid treft derhalve geen doel.

3.15

[appellante] heeft in dit verband tot slot nog gesteld dat de omstandigheid dat de huwelijkse voorwaarden niet zijn ingeschreven en daardoor niet jegens derden werken, ertoe dient te leiden dat ook in de onderlinge verhouding tussen [appellante] en erflater een gemeenschap van goederen bestaat, althans dat (naar het hof begrijpt: in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater) dienovereenkomstig dient te worden afgerekend. Deze stelling faalt eveneens. Zoals eerder gezegd, beginnen voor het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden te werken vanaf het tijdstip van het huwelijk. Daardoor hebben de huwelijkse voorwaarden interne werking. Reeds om die reden gaat voormelde stelling niet op.

Slotsom

3.16

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3.17

Het hof ziet in de aard van de procedure en de relatie van partijen aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.A.M. Tijhuis, A.R. Sturhoofd en C.M.J. Peters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.