Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2311

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
23-001425-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het aanwezig hebben van een hennepplantage en de diefstal van stroom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001425-19

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-017647-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Overwegingen ten aanzien van het tenlastegelegde

Gezien de dagvaarding in eerste aanleg bestaat de tenlastelegging uit feit 1 primair en subsidiair en feit 2. In de aantekening van het mondeling vonnis, pagina 5, zijn onder ‘De tenlastelegging’ alleen vermeld de feiten 1 en 2. De overwegingen en beslissingen van de politierechter hebben enkel betrekking op het onder 1 primair tenlastegelegde. In het extract van de aantekening mondeling vonnis staat als beslissing vermeld, dat de politierechter het onder 1 primair en 2 bewezen acht.

Het hof is van oordeel dat in de tekst van de aantekening mondeling vonnis (pagina 5) per abuis het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet is opgenomen en dat de politierechter zijn beslissing heeft gebaseerd op de volledige tenlastelegging.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 19 oktober 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 155, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Subsidiar:

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 19 oktober 2017 te Amsterdam met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres 2])

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 155, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 19 oktober 2017

te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;


2.
hij op of omstreeks 19 oktober 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom (minimaal 7.440 kWh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnota het hof verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. Zij heeft daartoe aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte niet wist van de hennepplantage en de diefstal van de elektriciteit in de woning waar hij verbleef en dat deze hennepplanten zich evenmin in zijn machtssfeer bevonden.

Bewijsoverwegingen

Redengevende feiten en omstandigheden

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is het volgende naar voren gekomen.

Op 19 oktober 2017 is de verdachte aangehouden in een woning aan de [adres 2] te Amsterdam. In die woning heeft de politie het volgende aangetroffen: een woonkamer met daarin een groeitent van twee bij twee meter met daarin apparatuur en daarnaast negen vuilniszakken met aarde en 120 plantenbakken, een keuken met daarin een grote CO2 tank van waaruit een slang via een gat in de muur naar een aangrenzende ruimte liep en tevens een koolstoffilter waaraan een buis was bevestigd die ook via een gat in de muur naar de aangrenzende ruimte werd geleid. In de aangrenzende afgesloten ruimte (met de sleutel naast de deur) werden 155 hennepplanten aangetroffen van ongeveer een meter hoog. Verder bevond zich in de woning een opslagruimte op de verdieping naast de slaapkamer van de verdachte met daarin aan de hennepkweek gerelateerde zaken. In de gang bevond zich de meterkast; de kap die de stoppen afdekt, was verwijderd en op de grond werden twee verbroken zegels aangetroffen. Alle aansluitingen waren hierdoor zichtbaar. Ook was zichtbaar dat er bedrading illegaal was aangesloten voor de elektriciteitsmeter.1

Liander heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit.2 De fraudespecialist zag dat in de meterkast een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt die de hennepplantage voorzag van elektriciteit.

De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij door de week drie á vier dagen in de woning sliep; zijn slaapkamer lag op de bovenste etage. De woning was van zijn moeder, die meestal in Suriname verbleef. Als zijn moeder in Nederland was, verbleef ze bij zijn oma.3 Later heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij het koolstoffilter in de keuken heeft gezien met de (slang van de) waterleiding. In de woonkamer heeft hij de zwarte tent gezien. De verdachte had een sleutel van de woning; hij weet niet of anderen ook een sleutel hadden en hij heeft daar niemand anders gezien.4

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte bevestigd dat hij in de woonkamer de tent heeft zien staan en dat hij ‘iets’ heeft gezien in de keuken. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij ook gebruik maakte van de keuken.

Overwegingen van het hof

Gelet op de boven omschreven feiten en omstandigheden acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte niet wist dat zich in de woning, waar hij verbleef, een hennepplantage bevond. Nu de verdachte over een sleutel beschikte, door de week als enige in de woning verbleef, vrij toegang had tot de verschillende ruimtes en daar ook gebruik van maakte, hij heeft gezien dat zich in de keuken en de woonkamer opmerkelijke, mogelijk met hennep in verband te brengen zaken bevonden en de sleutel van de ruimte waarin de planten zijn aangetroffen naast de deur van die ruimte lag, is het hof van oordeel dat de hennepplantage in die woning zich in zijn beschikkingsmacht bevond. De omstandigheid dat de verdachte de woning niet zelf huurde en dat hij niet op dat adres stond ingeschreven, doet daar niet aan af. Datzelfde geldt voor de mogelijkheid dat anderen gebruik hebben gemaakt van de woning.

Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte de hennepplantage voorhanden heeft gehad zoals tenlastegelegd onder 1 primair.

In het verlengde van het bovenstaande heeft de verdachte ook gezien dat de elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage illegaal werd afgenomen. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte de stroom heeft weggenomen zoals tenlastegelegd onder 2.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair.
hij op 19 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [adres 2], een hoeveelheid van 155 hennepplanten;

2.
hij op 19 oktober 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan Liander N.V.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen onder het kopje ‘Redengevende feiten en omstandigheden’.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte; hij is een first offender, hij is vanwege een depressie gedwongen geweest zijn studie te staken en het gaat om oude feiten. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte een lagere taakstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan, in geheel voorwaardelijke vorm.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in een tussenwoning in Amsterdam een hennepplantage van 155 planten aanwezig gehad en hij heeft ten behoeve daarvan illegaal elektriciteit afgenomen. De verdachte heeft gebruik gemaakt van de woning, wist van de hennepplantage en heeft zodoende zonder meer een in potentie (brand) gevaarlijke situatie in stand gelaten. Het hof rekent dit de verdachte aan en is van oordeel dat een straf zoals voorgesteld door de raadsvrouw geen recht doet aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. A.P.M. van Rijn en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

20 augustus 2020.

Mr. E. van Die en mr. H.A. van Eijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij met nummer PL1300-2017221318-1 van 19 oktober 2017 met bijlagen, opgesteld door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 32 tot en met 81.

2 Een geschrift, te weten een aangifte door Liander N.V. van 24 oktober 2017 met nummer 2017-221318, met bijlagen, dossierpagina 3 tot en met 30.

3 Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2017221318-7 van 19 oktober 2017, opgesteld door de verbalisant [verbalisant 3], dossierpagina 82 tot en met 85.

4 Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2017221318-8 van 20 oktober 2017, opgesteld door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], dossierpagina 86 tot en met 89.