Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2286

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
23-000792-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis met uitzondering van beslissingen op vorderingen benadeelde partij. Andere bewijsmotivering. Alternatief scenario.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000792-19

datum uitspraak: 17 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-252737-17 en 15-244073-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1945,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een gedeelte van de door de rechtbank gebruikte bewijsmotivering zal vervangen op na te noemen wijze.

Bewijsmotivering

Op pagina 4 van het vonnis wordt de zinsnede ‘Dit, in combinatie … alternatieve scenario verwerpt.’ geschrapt en vervangen door de volgende overweging:

Bovendien wordt het alternatief scenario zoals geschetst door de verdediging ontkracht door de verklaring van de aangever afgelegd bij de raadsheer-commissaris, inhoudende dat de verdachte mogelijk in 2015 een klusje bij de aangever thuis heeft gedaan, maar dat de verdachte geen sleutel van zijn woning had. De aangever heeft ontkend dat de verdachte wel eens met de brievenbusklep heeft geklepperd dan wel dat hij daarover een afspraak met de verdachte zou hebben gemaakt. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Het alternatief scenario wordt verworpen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (parketnummer eerste aanleg 15-252737-17)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.721,50, bestaande uit € 641,50 materiële en € 1.080,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in deze zaak bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De verdediging heeft echter weersproken dat de materiële schade € 641,50 bedraagt nu dit niet dan wel onvoldoende is onderbouwd. Gelet op het feit dat geen aankoopbonnen of bankafschriften zijn overgelegd die de waarde van de vernielde spullen kunnen aantonen, zal het hof de vordering daarom tot een bedrag van € 200 toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Het hof acht toewijzing van een bedrag van € 1.080 ter vergoeding van geleden immateriële schade redelijk, gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de gevolgen die het feit blijkens de schriftelijke onderbouwing van de vordering en het ter terechtzitting verhandelde voor de psychische toestand van de benadeelde partij heeft gehad.

Het hof zal in totaal een bedrag van € 1.280 toewijzen. Voor het overige kan de benadeelde partij thans niet in de vordering worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (parketnummer eerste aanleg 15-244073-18)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, nu noch uit de schriftelijke onderbouwing van de vordering, noch uit het verhandelde ter terechtzitting voldoende concrete gegevens naar voren zijn gekomen waaruit kan volgen dat bij de benadeelde partij als gevolg van het onderhavige feit psychische schade is ontstaan. Veeleer wijst de onderbouwing van de vordering erop dat de oorzaak van de nadelige effecten voor de benadeelde partij is gelegen in het in de zaak met parketnummer 15-252737-17 bewezenverklaarde. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (parketnummer eerste aanleg 15-252737-17)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.280,00 (duizend tweehonderdtachtig euro) bestaande uit € 200,00 (tweehonderd euro) materiële schade en € 1.080,00 (duizend tachtig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het in de zaak bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.280,00 (duizend tweehonderdtachtig euro) bestaande uit € 200,00 (tweehonderd euro) materiële schade en € 1.080,00 (duizend tachtig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 juli 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (parketnummer eerste aanleg 15-244073-18)

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. J. Piena en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 augustus 2020.

Mr. P.C. Verloop en mr. M.E. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]