Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2230

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
23-003624-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak zware mishandeling. Bewezenverklaring (met uitwerking bewijsmiddelen) van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, door met de onderkant van de hand een duw in het gezicht te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003624-19

datum uitspraak: 11 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-229085-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

28 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 15 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere (af)gebroken en/of loszittende tand(en) en/of een gescheurde (onder)lip en/of een gescheurd kaakbot en/of een hersenschudding en/of een gekneusde rib, heeft toegebracht door voornoemde [benadeelde] een of meermalen, (met gebalde vuist) in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of stompen en/of duwen;

subsidiair:


hij op of omstreeks 15 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde [benadeelde] een of meermalen, (met gebalde vuist) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 15 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] een of meermalen (met gebalde vuist) in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of stompen en/of duwen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten (een) of meerdere (af)gebroken tand(en) en/of een gescheurde (onder)lip en/of een gescheurd kaakbot en/of een hersenschudding en/of een gekneusde rib voor die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad, althans waardoor die [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer met zijn vuist in het gezicht heeft gestompt en voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer met zijn vuist heeft geslagen en voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hierover dat op basis van het dossier niet met een voor bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke zin, het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Daarbij speelt een rol dat het hof niet bewezen acht dat de verdachte het slachtoffer met de vuist heeft geslagen, waarover hierna meer.

Bewijsoverweging

Op grond van de stukken in het dossier kan niet overtuigend bewezen worden dat de verdachte het slachtoffer een vuistslag tegen haar gezicht gegeven heeft. Wel kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer met de onderkant van zijn hand een duw heeft gegeven tegen het gezicht. Dat deze duw tegen het gezicht van aangeefster is geweest, kan worden afgeleid uit de verklaring van de aangeefster, uit de getuigenverklaring van [getuige 1] tegenover de politie en uit het door de aangeefster opgelopen letsel. Dat deze duw voorts hard is geweest, valt af te leiden uit de verklaring van getuige [getuige 1] , die door de politie liet optekenen dat het leek alsof de verdachte het slachtoffer een vuistslag gaf. Door deze duw, ten gevolge waarvan het slachtoffer op de grond is gevallen, heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Blijkens de letselverklaring heeft zij aanzienlijke schade aan haar gebit en meerdere verwondingen aan haar gezicht en lichaam. Ten aanzien van de gebitschade is medisch ingrijpen noodzakelijk geweest en is ter terechtzitting vast komen te staan dat de schade aan het gebit ook thans nog niet verholpen is.

Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het mishandelen van het slachtoffer door haar een duw te geven in haar gezicht, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, als meer subsidiair ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 15 november 2018 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] in het gezicht te duwen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere afgebroken tanden, een gescheurde onderlip, een gescheurd kaakbot, een hersenschudding en een gekneusde rib voor [benadeelde] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

U vraagt mij hoe ik die mevrouw, die is gevallen, heb geduwd. Ik maakte met de onderkant van mijn hand een voorwaartse beweging, ik doe dat voor.

2. De eigen waarneming van het hof gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2020. Deze eigen waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De verdachte stoot met snelheid de onderkant van zijn rechter hand, waarvan de vingers naar binnen gebogen zijn en met de handpalm van zich af gericht, horizontaal naar voren, ter hoogte van zijn eigen schouders.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2018233549-1 van 15 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 3-4). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 november 2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde] :

Op donderdag 15 november 2018 te Amsterdam voelde ik een harde klap tegen mijn mond. Ik voelde direct een hevige pijn aan mijn mond en ik viel achterover op de grond. Ik voelde dat mijn rechter voortand was afgebroken en mijn linker voortand los zat.

4. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2018233549-5 van 15 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 15 en 16). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 november 2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1] :

Ik zag dat hij naar haar uithaalde. Het leek er op dat hij haar een vuistslag tegen haar gezicht gaf. Ik zag dat de vrouw meteen op de grond viel. Ik zag dat de mond van de vrouw flink bloedde.

5. Een proces-verbaal 29 augustus 2019, opgemaakt door mr. M.B. de Boer, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 augustus tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] :

Ik zag dat die jongen richting dat meisje liep, het was hetzelfde meisje als ik eerder met hem achter die auto had zien staan. Ik weet niet meer of hij haar duwde of een klap gaf, maar ik zag haar heel snel met haar gezicht naar de grond gaan. Daarmee bedoel ik dat zij rechtop stond en toen letterlijk omviel.

6. Een proces-verbaal 15 augustus 2019, opgemaakt door mr. M.B. de Boer, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 augustus tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 2] :

Ik weet sowieso dat de taxichauffeur met zijn hand uithaalde naar het gezicht van [benadeelde] (het hof begrijpt: aangeefster [benadeelde] ). Ik weet niet meer met welke hand hij uithaalde en ik weet ook niet meer of dat met de vlakke hand of met de vuist was.

7. Een letselverklaring van GGD Amsterdam Forensische Geneeskunde, opgemaakt door [naam 1] , forensisch arts, betreffende [benadeelde] . Deze letselverklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Mevrouw heeft nog hoofdpijn en geregeld misselijkheid. Zij heeft veel pijn aan de mond en kan niet kauwen. Zij kan alleen vloeibaar voedsel eten. Er is nog pijn aan de ribbenkast rechts in de flank. De neuroloog stelde een hersenschudding vast. Het geheugenverlies van de periode rondom het gebeuren past daar bij.

Er is mevrouw tevens verteld dat er sprake zou zijn van een breuk in de bovenkaak. De bloeduitstorting die nog zichtbaar is in het tandvlees zou daarbij kunnen passen. Er zijn twee voortanden afgebroken, die herstellen niet meer vanzelf. Waarschijnlijk is wel restauratie mogelijk, maar dat zijn dan niet langer de eigen tanden. De derde voortand staat los. Het is nog onzeker of die behouden kan blijven.

Letselbeschrijvingen

Hoofd:

Op de buitenzijde van het midden van de onderlip is een met korstvorming genezende huidbeschadiging zichtbaar, doorlopend naar het slijmvlies aan de binnenzijde van de lip en circa 1 centimeter in doorsnede. Aan de buitenzijde is een zwarte hechtdraad zichtbaar, aan de binnenzijde een gelig wondbeslag. Het betreft hier een scheurwond.

In de bovenkaak is tussen de middelste boven snijtanden een paarsblauwe verkleuring zichtbaar van het tandvlees. Dat betreft een bloeduitstorting.

De eerste rechter voorsnijtand gerekend vanaf het midden is overdwars afgebroken. De eerste linker voorsnijtand gerekend vanaf het midden lijkt lager te staan dan normaal. Van de tweede linker voorsnijtand gerekend vanaf het midden is de binnenste hoek afgebroken. Over de voortanden is een tijdelijke metalen steunbeugel aangebracht, met een tandlijm gefixeerd op de zes voortanden. Het betreft hier afgebroken tanden, een los geraakte tand en een bloeduitstorting passend bij dieper gelegen letsel in de bovenkaak.

Borst:

Op de rechterzijde van de borstkas is ter plaatse van drie ribben een volgens mevrouw bij lichte druk pijnlijke plek. De huid ter plaatse vertoont geen kleurverandering of huidbeschadiging. Het betreft hier een kneuzing.

[benadeelde] vertelde bij de letsels een toedracht, te weten geduwd worden, vallen en meermalen geslagen worden op het hoofd. Deze door mevrouw gemelde toedracht kan een goed passende verklaring vormen voor de letsels bij mevrouw.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Tot op heden is de schade aan haar gebit nog niet verholpen en wachten haar nog meerdere tandheelkundige en orthodontische behandelingen. Blijkens de door haar moeder ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring voelt het slachtoffer zich niet meer veilig in drukke ruimtes en durft zij niet alleen te zijn. Zij ervaart nog elke dag pijn door het letsel en zij is door de hoge tandartskosten financieel in de problemen geraakt.

Het hof komt weliswaar tot een minder zware kwalificatie dan de politierechter, maar rekent het de verdachte zeer aan dat hij - terwijl hij aan het werk was als taxichauffeur - naar aanleiding van een nachtelijke woordenwisseling, ontstaan door een onbeduidend misverstand, dermate agressief gedrag heeft vertoond dat hij voornoemd letsel bij deze jonge vrouw heeft kunnen veroorzaken. Deze mate van zinloze agressie kan niet worden getolereerd, zeker niet van een taxichauffeur van wie bij uitstek een zekere mate van zelfbeheersing mag worden verwacht. Dergelijk gedrag heeft niet alleen verstrekkende geestelijke en lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer zelf, maar draagt tevens bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Gelet op het voorgaande en alles afwegende acht het hof een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In de omstandigheid dat deze veroordeling mogelijk gevolgen kan hebben voor het verkrijgen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ziet het hof geen aanleiding om een andere of lagere straf op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.177,22, waarvan € 7.927,22 materiele schade betreft en € 3.250,- immaterieel geleden schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.927,22. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Voor wat betreft de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezenverklaarde. De vordering is wat betreft de immateriële schade voldoende onderbouwd. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor volledige toewijzing en de verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de gestelde materiele schade overweegt het hof als volgt.

De benadeelde partij heeft vergoeding van de door haar materieel geleden schade gevorderd. De vordering bestaat uit de posten: betaalde tandartskosten, toekomstige tandartskosten, kosten voor de broek die beschadigd is geraakt door het incident en gemaakte reiskosten ten behoeve van bezoeken aan Slachtofferhulp, de tandarts en de psycholoog. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden zoals genoemd in de posten betaalde tandartskosten, broek en reiskosten. Voor wat betreft de toekomstige tandartskosten is het hof eveneens van oordeel dat deze op de voet van artikel 6:105 Burgerlijk Wetboek geheel toewijsbaar zijn, nu deze post voldoende is onderbouwd door de begroting van de kosten en de toelichting daarop van de tandarts [naam 2] (als bijlage 4 gevoegd bij de vordering) en de toelichting daarop door de medewerker(s) van slachtofferhulp namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep. Daar komt bij dat deze post onvoldoende gemotiveerd is betwist door de verdediging.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 11.177,22 (elfduizend honderdzevenenzeventig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 7.927,22 (zevenduizend negenhonderdzevenentwintig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 3.250,00 (drieduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.177,22 (elfduizend honderdzevenenzeventig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 7.927,22 (zevenduizend negenhonderdzevenentwintig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 3.250,00 (drieduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 november 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. H.A. van Eijk en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van

mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 augustus 2020.

=========================================================================

[… ]