Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2213

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
23-002379-18.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lijk Geestmerambacht. Het hof spreekt de verdachten vrij van art. 151 Sr nu niet is komen vast te staan dat zij het oogmerk hadden om het overlijden van het slachtoffer dan wel de doodsoorzaak te verhullen; de bedoeling van het wegnemen, verplaatsen en vervoeren van het lijk was te voorkomen dat het lichaam in een woning (de gebruikersplek van de verdachten) werd gevonden. Veroordeling wegens art. 150 Sr tot deels voorwaardelijke gevangenisstraffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002379-18

datum uitspraak: 7 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-860258-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

brp-adres: [adres 1]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 11 december 2015 te Alkmaar en/of Koedijk en/of Langedijk en/of recreatiegebied Geestmerambacht en/of (elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer], te verhelen het lijk van die [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader(s)

- het lijk van die [slachtoffer] in een woning opgetild en/of een deken/doek over/om het lijk van die [slachtoffer] gedaan en/of

- ( vervolgens) het (middels een deken/doek bedekte en/of gewikkelde) lijk van die [slachtoffer] een woning uit gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] over de gang van het flatgebouw, alwaar genoemde woning zich bevindt, gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer], via een trappenhuis, van de eerste verdieping naar de begane vloer gedragen en/of getild en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] het flatgebouw uit getild en/of gedragen en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] in een (gereedstaand(e)) bus/voertuig getild en/of gedragen en/of gelegd en/of

- ( vervolgens) voornoemd lijk (enige kilometers) in een bus/voertuig vervoerd en/of

- ( vervolgens) dat lijk in recreatiegebied Geestermerambacht, althans in de omgeving daarvan, neergelegd/gedumpt en/of achtergelaten;

Subsidiair:
hij op of omstreeks 11 december 2015 te Alkmaar en/of Koedijk en/of Langedijk en/of recreatiegebied Geestmerambacht en/of (elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een lijk, te weten het overleden lichaam van [slachtoffer], heeft weggenomen en/of (vervolgens) dat weggenomen lijk heeft verplaatst en/of vervoerd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader(s)

- het lijk van die [slachtoffer] in een woning opgetild en/of een deken/doek over/om het lijk van die [slachtoffer] gedaan en/of

- ( vervolgens) het (middels een deken/doek bedekte en/of gewikkelde) lijk van die [slachtoffer] een woning uit gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] over de gang van het flatgebouw, alwaar genoemde woning zich bevindt, gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer], via een trappenhuis, van de eerste verdieping naar de begane vloer gedragen en/of getild en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] het flatgebouw uit getild en/of gedragen en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] in een (gereedstaand(e)) bus/voertuig getild en/of gedragen en/of gelegd en/of

- ( vervolgens) voornoemd lijk (enige kilometers) in een bus/voertuig vervoerd en/of

- ( vervolgens) dat lijk in recreatiegebied Geestermerambacht, althans in de omgeving daarvan, neergelegd/gedumpt en/of achtergelaten;

2.
hij op of omstreeks 11 december 2015 te Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bedrijfsbus (merk Hyundai met kenteken [kenteken 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen bedrijfsbus onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door met een wederrechtelijk weggenomen autosleutel de bedrijfsbus te starten en daarmee vervolgens weg te rijden;

3. primair:
hij op of omstreeks 11 december 2015 te Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een tuin behorende bij een woning gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen een snorfiets (merk Kymco met kenteken [kenteken 2]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich die weg te nemen snorfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door voornoemde sleutel uit een woning wederrechtelijk weg te nemen en vervolgens met voornoemde sleutel de snorfiets te starten en daarmee weg te rijden;

Subsidiair:
hij op of omstreeks 11 december 2015 te Alkmaar en/of (elders in) Nederland, een goed te weten een snorfiets (merk Kymco met kenteken [kenteken 2]) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overweging ten aanzien van feit 1

Vaststelling van feiten

Het hof ontleent aan de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden.

Het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) is in de nacht van 11 december 2015 als gevolg van een overdosis verdovende middelen overleden in de woning van zijn neef aan de [adres 3]. De medeverdachte [medeverdachte 1], die eveneens in de woning verbleef, heeft na het ontwaken geconstateerd dat [slachtoffer] was overleden. Rond 08:45 uur is de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de woning aangekomen. [medeverdachte 1] heeft hem toen verteld dat [slachtoffer] niet meer leefde. Omstreeks 09:00 uur is ook de verdachte bij de woning gearriveerd en is hij eveneens van het overlijden van [slachtoffer] op de hoogte gebracht. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vervolgens, na onderling overleg, het lichaam van [slachtoffer] in een deken gewikkeld en omstreeks 09:30 uur met zijn drieën uit de woning op de eerste verdieping van het appartementencomplex gedragen tot in het trappenhuis. Daar hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] het lichaam via het trappenhuis naar de begane vloer gedragen en/of gesleept. De medeverdachte [medeverdachte 1] was daarvan getuige. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] hebben het lichaam vervolgens neergelegd in de bedrijfsbus waarmee [slachtoffer] de avond daarvoor naar de woning was gekomen. De verdachte had deze bedrijfsbus met de in de woning door [slachtoffer] achtergelaten autosleutels naar de zij-ingang van het appartementencomplex gereden, teneinde het lichaam daar in de bus te leggen. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de gebruikte deken en een handdoek vervolgens teruggebracht naar de woning. De verdachte is met de bedrijfsbus weggereden en heeft het lichaam van [slachtoffer] op een fietspad in het recreatiegebied Geestmerambacht te Langedijk achtergelaten. Even later, om 10.14 uur, is de verdachte in de bus aangehouden.

De verdachte is met het idee gekomen om het lichaam uit de woning te verplaatsen en met de bedrijfsbus naar een andere plaats te vervoeren. De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn daarmee akkoord gegaan. De verdachte en de medeverdachten wilden het lichaam uit de woning hebben, omdat zij vreesden dat de neef van [slachtoffer] zijn woning, zijnde hun gebruikersplek, zou verliezen als daar door de politie een overleden persoon zou worden aangetroffen. De verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben daarbij gesproken over de mogelijkheid om het lichaam gevonden te laten worden in het Geestmerambacht.

Vrijspraak feit 1 primair

Standpunt van het Openbaar Ministerie feit 1 primair

De advocaat-generaal heeft de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde gevorderd. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het lichaam van [slachtoffer] verborgen (in een deken) en weggevoerd en weggemaakt vanaf de woning aan de [adres 3] tot aan het moment dat het lichaam op het fietspad in recreatiegebied Geestmerambacht is aangetroffen, met het oogmerk om het feit van het overlijden van [slachtoffer] en de oorzaak van zijn dood te verhelen. Ook met inachtneming van het feit dat het lichaam op het fietspad is achtergelaten met de bedoeling aldaar te worden gevonden, geldt dat het oogmerk was te verhullen waar [slachtoffer] was overleden en wat de doodsoorzaak was. Door niet de politie te bellen hebben de verdachte en zijn medeverdachten de bedoeling gehad het onderzoek naar en de oorzaak van zijn dood onmogelijk te maken dan wel te bemoeilijken, welk belang artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beschermt.

Standpunt van de verdediging feit 1 primair

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Daartoe is naar voren gebracht dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] weliswaar uit de woning heeft verplaatst, maar met de bedoeling om het lichaam op een andere plaats dan in de woning gevonden te laten worden. Dit blijkt wel uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, aangezien hij het lichaam op klaarlichte dag op een fietspad in een recreatiegebied heeft achtergelaten. Hij heeft daarbij dan ook niet gehandeld met het oogmerk om de oorzaak dan wel het feit van het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] te verhelen.

Oordeel van het hof feit 1 primair

Het primair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 151 Sr. Deze bepaling ziet op handelingen

– begraven, verbranden, vernietigen, verbergen, wegvoeren of wegmaken van een lijk – met het oogmerk het overlijden dan wel de oorzaak van het overlijden, te verhelen.

Het hof is op grond van eerder genoemde, aan de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben gehandeld met het oogmerk om het overlijden zelf dan wel de oorzaak daarvan te verhullen als bedoeld in artikel 151 Sr. De verdachte en zijn medeverdachten hebben blijkens hun verklaringen het overleden lichaam van [slachtoffer] immers uit de woning weggenomen en verplaatst naar het Geestmerambacht, omdat zij

- uit angst de woning aan de [adres 3] als gebruikersruimte te verliezen - niet wilden dat de dood van [slachtoffer] aan de woning kon worden gerelateerd. Het lichaam moest daarom op een andere plek dan in de woning gevonden worden. Het was daarbij niet de bedoeling om te verhullen dát [slachtoffer] was overleden en evenmin wat de oorzaak daarvan was; de bedoeling was te doen voorkomen dat hij op een andere plaats was overleden. Aangezien een dergelijk doel – in weerwil van de stelling van de advocaat-generaal – buiten het toepassingsbereik van artikel 151 Sr valt, dient de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair

Het hof leidt uit de te bezigen bewijsmiddelen af dat de verdachte en diens medeverdachten, door het lichaam van [slachtoffer] uit de woning weg te nemen en het aldus weggenomen lichaam te verplaatsen, via de gang en het trappenhuis naar de bedrijfsbus, en vervolgens te vervoeren naar Geestmerambacht alwaar het lichaam op een fietspad is achtergelaten, zich schuldig hebben gemaakt aan het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde.

Vrijspraak feit 2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard, overeenkomstig de motivering van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe is naar voren gebracht dat de verdachte nimmer de intentie heeft gehad zich het bedrijfsbusje wederrechtelijk toe te eigenen; hij wilde deze enkel tijdelijk gebruiken met het doel het overleden lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] naar het Geestmerambacht te vervoeren en zou het busje daarna weer terugbrengen. De verdachte heeft met het wegnemen van het busje dan ook niet gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Oordeel van het hof

In de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan geen enkel concreet aanknopingspunt worden gevonden dat de verdachte zelf betrokken was bij het wegnemen van de bedrijfsbus van [naam 1] op het parkeerterrein “[parkeerterrein]” in de nacht van 10 december 2015 op 11 december 2015. Wel leidt het hof uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden af dat de verdachte deze bedrijfsbus, waarmee [slachtoffer] naar de woning was gekomen, na diens overlijden heeft meegenomen met de bedoeling daarin zijn lichaam te vervoeren. Naar het oordeel van het hof kan – uitsluitend – op grond van deze feiten en omstandigheden niet worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de bedrijfsbus had. Overig concreet bewijs hiervoor ontbreekt. Het enkele feit dat de verdachte, zoals hierna onder feit 3 bewezen wordt verklaard, in de bus de door hem eerder die ochtend ontvreemde scooter had geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel.

De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Bewijsoverweging feit 3

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 3 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard, overeenkomstig de motivering van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde. De verdachte ontkent de scooter te hebben gestolen en ontkent tevens deze in de bedrijfsbus te hebben gelegd. Ook past hij niet in het signalement dat door de getuige [getuige] wordt gegeven van de man die bij het appartementencomplex bij een witte scooter stond.

Oordeel van het hof

Het hof komt tot een bewezenverklaring van de onder feit 3 primair ten laste gelegde diefstal. De scooter is op 11 december 2015 tussen 8.00 uur en 8.15 uur gestolen met de eveneens op dat tijdstip ontvreemde sleutels uit (de tuin van) de woning aan de [adres 2]. Een half uur later, rond 8.45 uur, ziet de getuige [getuige] een persoon met een witte scooter en een grote zwarte koffer bij de hoofdingang van de [adres 3] staan. Om 9.00 uur is de verdachte met een grote donkere rolkoffer te zien bij de woning [adres 3], op de eerste verdieping. Om 9.30 uur wordt het lichaam van [slachtoffer] naar de door de verdachte tevoren klaar gezette bedrijfsbus geladen; de witte scooter staat dan al in de bus.

Het hof acht op grond van voornoemd samenstel van feiten en omstandigheden en het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het bij de verdachte aantreffen van de scooter bewezen dat de verdachte de scooter heeft gestolen. De enkele omstandigheid dat het door de getuige [getuige] gegeven signalement niet geheel overeenkomt met dat van de verdachte doet aan het voorgaande niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 11 december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een lijk, te weten het overleden lichaam van [slachtoffer], heeft weggenomen en vervolgens dat weggenomen lijk heeft verplaatst en vervoerd, immers hebben hij, verdachte en diens mededaders het lijk van die [slachtoffer] in een woning opgetild en een deken over het lijk van die [slachtoffer] gedaan en het (middels een deken bedekte) lijk van die [slachtoffer] een woning uit gedragen en over de gang van het flatgebouw, alwaar genoemde woning zich bevindt, gedragen en via een trappenhuis, van de eerste verdieping naar de begane vloer gedragen en/of gesleept en het flatgebouw uit gedragen en/of gesleept en in een gereedstaande bus getild en gelegd en enige kilometers in een bus vervoerd en in recreatiegebied Geestermerambacht neergelegd en achtergelaten;

3.
primair.
hij op 11 december 2015 te Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuin behorende bij een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een snorfiets (merk Kymco met kenteken [kenteken 2]), toebehorende aan [naam 2], waarbij verdachte die snorfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door voornoemde sleutel uit een woning wederrechtelijk weg te nemen en vervolgens met voornoemde sleutel de snorfiets te starten en daarmee weg te rijden.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en het onder 3 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een lijk wegnemen en opzettelijk en wederrechtelijk een weggenomen lijk verplaatsen en vervoeren.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en het onder 3 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte van het in eerste aanleg onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De advocaat-generaal heeft daarbij gewezen op de persoonlijke problematiek van de verdachte en de lange duur van de procedure.

De verdediging heeft verzocht om, in plaats van de in eerste aanleg opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven, wegens psychische problematiek onder behandeling bij de GGZ is en een woning heeft. Indien hem een onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd, zal deze continuïteit niet kunnen worden gewaarborgd. Ook acht de verdediging een taakstraf niet haalbaar in verband met zijn psychische toestand.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met anderen het overleden lichaam van [slachtoffer] uit de woning van diens neef weggenomen en, na het lichaam enkele kilometers te hebben vervoerd in de bedrijfsbus waarmee [slachtoffer] was gekomen, op een fietspad in het Geestmerambacht achtergelaten, dit om ervoor te zorgen dat het overlijden niet in verband kon worden gebracht met de woning, uit angst deze woning als gebruikersplek kwijt te raken. In het geheel van het wegnemen, verplaatsen en vervoeren van het lichaam heeft de verdachte een initiërende en sturende rol gehad. Op zijn voorstel is het lichaam uit de woning verwijderd en hij heeft de bedrijfsbus klaargezet om het lichaam daar in te leggen. Het is bovendien de verdachte geweest die het lichaam van [slachtoffer] vervolgens in de bedrijfsbus heeft vervoerd en op een fietspad in het recreatiegebied Geestmerambacht heeft neergelegd en achtergelaten.

Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het stoffelijk overschot van [slachtoffer]. Het handelen van de verdachte en zijn mededaders heeft daarenboven een grote impact gehad op de nabestaanden, aan wie hierdoor extra verdriet is aangedaan Verder heeft het hof rekening gehouden met het feit dat diverse personen getuige zijn geweest van voornoemde verplaatsing dan wel het aantreffen van het lichaam, hetgeen een schokkende ervaring moet zijn geweest.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal van een snorfiets door middel van een valse sleutel. Hij heeft door zo te handelen het eigendomsrecht van een ander geschonden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 juli 2020 is hij veelvuldig ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het eerste feit, in beginsel niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf .

Het hof houdt er echter in het voordeel van de verdachte rekening mee dat inmiddels een behandelingstraject bij de GGZ is ingezet.

Alles afwegende wordt een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren in beginsel passend en geboden geacht.

Hiermede wordt enerzijds beoogd de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen, terwijl daarmee anderzijds wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in twee instanties is geschonden, zonder dat deze vertragingen aan de verdachte zijn te wijten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de termijn voor de berechting in eerste aanleg met ruim 6 maanden is overschreden, alsmede dat de termijn voor de berechting in hoger beroep met 1 maand is overschreden.

Het hof zal de overschrijding van deze termijnen verdisconteren in de strafmaat en in plaats van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van de hiervoor vermelde duur, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 150 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 80 (tachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van

mr. S. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

7 augustus 2020.

Mr. H.S.G. Verhoeff, mr. F.M.D. Aardema en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]