Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2212

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
23-002378-18.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lijk Geestmerambacht. Het hof spreekt de verdachten vrij van art. 151 Sr nu niet is komen vast te staan dat zij het oogmerk hadden om het overlijden van het slachtoffer dan wel de doodsoorzaak te verhullen; de bedoeling van het wegnemen, verplaatsen en vervoeren van het lijk was te voorkomen dat het lichaam in een woning (de gebruikersplek van de verdachten) werd gevonden. Veroordeling wegens art. 150 Sr tot deels voorwaardelijke gevangenisstraffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002378-18

datum uitspraak: 7 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 juni 2018 in de strafzaak onder de parketnummers

15-860260-15 en 15-800051-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair:
hij op of omstreeks 11 december 2015 te Alkmaar en/of Koedijk en/of Langedijk en/of recreatiegebied Geestmerambacht en/of (elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer], te verhelen het lijk van die [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader(s)

- het lijk van die [slachtoffer] in een woning opgetild en/of een deken/doek over/om het lijk van die [slachtoffer] gedaan en/of

- ( vervolgens) het (middels een deken/doek bedekte en/of gewikkelde) lijk van die [slachtoffer] een woning uit gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] over de gang van het flatgebouw, alwaar genoemde woning zich bevindt, gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer], via een trappenhuis, van de eerste verdieping naar de begane vloer gedragen en/of getild en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] het flatgebouw uit getild en/of gedragen en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] in een (gereedstaand(e)) bus/voertuig getild en/of gedragen en/of gelegd en/of

- ( vervolgens) voornoemd lijk (enige kilometers) in een bus/voertuig vervoerd en/of

- ( vervolgens) dat lijk in recreatiegebied Geestermerambacht, althans in de omgeving daarvan, neergelegd/gedumpt en/of achtergelaten;

Subsidiair:
hij op of omstreeks 11 december 2015 te Alkmaar en/of Koedijk en/of Langedijk en/of recreatiegebied Geestmerambacht en/of (elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een lijk, te weten het overleden lichaam van [slachtoffer], heeft weggenomen en/of (vervolgens) dat weggenomen lijk heeft verplaatst en/of vervoerd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader(s)

- het lijk van die [slachtoffer] in een woning opgetild en/of een deken/doek over/om het lijk van die [slachtoffer] gedaan en/of

- ( vervolgens) het (middels een deken/doek bedekte en/of gewikkelde) lijk van die [slachtoffer] een woning uit gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] over de gang van het flatgebouw, alwaar genoemde woning zich bevindt, gedragen en/of getild en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer], via een trappenhuis, van de eerste verdieping naar de begane vloer gedragen en/of getild en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] het flatgebouw uit getild en/of gedragen en/of gesleept en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] in een (gereedstaand(e)) bus/voertuig getild en/of gedragen en/of gelegd en/of

- ( vervolgens) voornoemd lijk (enige kilometers) in een bus/voertuig vervoerd en/of

- ( vervolgens) dat lijk in recreatiegebied Geestermerambacht, althans in de omgeving daarvan, neergelegd/gedumpt en/of achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

Vaststelling van feiten

Het hof ontleent aan de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden.

Het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) is in de nacht van 11 december 2015 als gevolg van een overdosis verdovende middelen overleden in de woning van zijn neef aan de [adres 2]. De medeverdachte [medeverdachte 1], die eveneens in de woning verbleef, heeft na het ontwaken geconstateerd dat [slachtoffer] was overleden. Rond 08:45 uur is de verdachte bij de woning aangekomen. [medeverdachte 1] heeft hem toen verteld dat [slachtoffer] niet meer leefde. Omstreeks 09:00 uur is ook de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de woning gearriveerd en is hij eveneens van het overlijden van [slachtoffer] op de hoogte gebracht. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vervolgens, na onderling overleg, het lichaam van [slachtoffer] in een deken gewikkeld en omstreeks 09:30 uur met zijn drieën uit de woning op de eerste verdieping van het appartementencomplex gedragen tot in het trappenhuis. Daar hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] het lichaam via het trappenhuis naar de begane vloer gedragen en/of gesleept. De medeverdachte [medeverdachte 1] was daarvan getuige. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] hebben het lichaam vervolgens neergelegd in de bedrijfsbus waarmee [slachtoffer] de avond daarvoor naar de woning was gekomen. De medeverdachte [medeverdachte 2] had deze bedrijfsbus met de in de woning door [slachtoffer] achtergelaten autosleutels naar de zij-ingang van het appartementencomplex gereden, teneinde het lichaam daar in de bus te leggen. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de gebruikte deken en een handdoek vervolgens teruggebracht naar de woning. De medeverdachte [medeverdachte 2] is met de bedrijfsbus weggereden en heeft het lichaam van [slachtoffer] op een fietspad in het recreatiegebied Geestmerambacht te Langedijk achtergelaten.

De medeverdachte [medeverdachte 2] is met het idee gekomen om het lichaam uit de woning te verplaatsen en met de bedrijfsbus naar een andere plaats te vervoeren. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn daarmee akkoord gegaan. De verdachte en de medeverdachten wilden het lichaam uit de woning hebben, omdat zij vreesden dat de neef van [slachtoffer] zijn woning, zijnde hun gebruikersplek, zou verliezen als daar door de politie een overleden persoon zou worden aangetroffen. De verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben daarbij gesproken over de mogelijkheid om het lichaam gevonden te laten worden in het Geestmerambacht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie primair ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gevorderd. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het lichaam van [slachtoffer] verborgen (in een deken) en weggevoerd en weggemaakt vanaf de woning aan de [adres 2] tot aan het moment dat het lichaam op het fietspad in recreatiegebied Geestmerambacht is aangetroffen, met het oogmerk om het feit van het overlijden van [slachtoffer] en de oorzaak van zijn dood te verhelen. Ook met inachtneming van het feit dat het lichaam op het fietspad is achtergelaten met de bedoeling aldaar te worden gevonden geldt dat het oogmerk was te verhullen waar [slachtoffer] was overleden en wat zijn doodsoorzaak was. Door niet de politie te bellen hebben de verdachte en zijn medeverdachten de bedoeling gehad het onderzoek naar en de oorzaak van zijn dood onmogelijk te maken dan wel te bemoeilijken, welk belang artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beschermt.

Standpunt van de verdediging primair ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daartoe is naar voren gebracht dat de verdachte het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] weliswaar uit de woning heeft verplaatst, maar dat dit is geschied met de bedoeling om het lichaam op een andere plaats dan in de woning gevonden te laten worden. Dit blijkt wel uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten, aangezien het lichaam op klaarlichte dag op een fietspad in een recreatiegebied is achtergelaten. Hij heeft daarbij dan ook niet gehandeld met het in artikel 151 Sr vereiste oogmerk om de oorzaak dan wel het feit van het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] te verhelen.

Oordeel van het hof primair ten laste gelegde

Het primair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 151 Sr. Deze bepaling ziet op handelingen

– begraven, verbranden, vernietigen, verbergen, wegvoeren of wegmaken van een lijk – die de oorzaak van het overlijden en van het overlijden, verhelen.

Het hof is op grond van eerder genoemde, aan de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben gehandeld met het oogmerk om het overlijden zelf dan wel de oorzaak daarvan te verhullen als bedoeld in artikel 151 Sr. De verdachte en zijn medeverdachten hebben blijkens hun verklaringen het overleden lichaam van [slachtoffer] immers uit de woning weggenomen en verplaatst naar het Geestmerambacht, omdat zij – uit angst de woning aan de Willem Kalfslaan als gebruikersruimte te verliezen – niet wilden dat de dood van [slachtoffer] aan de woning kon worden gerelateerd. Het lichaam moest daarom op een andere plek dan in de woning gevonden worden. Het was daarbij niet de bedoeling om te verhullen dát [slachtoffer] was overleden en evenmin wat de oorzaak daarvan was; de bedoeling was te doen voorkomen dat hij op een andere plaats was overleden. Aangezien een dergelijk doel – in weerwil van de stelling van de advocaat-generaal – buiten het toepassingsbereik van artikel 151 Sr valt, dient de verdachte van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring subsidiair

Anders dan bepleit door de raadsman, is het hof op grond van de te bezigen bewijsmiddelen van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde (medeplegen) wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

Er was sprake van een gezamenlijk plan en de verdachte leverde een wezenlijke bijdrage aan de uitvoeringshandelingen. Voor medeplegen is niet vereist dat de verdachte alle verweten handelingen, waaronder het vervoeren van het lichaam in de bus, zelf verricht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 11 december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een lijk, te weten het overleden lichaam van [slachtoffer], heeft weggenomen en vervolgens dat weggenomen lijk heeft verplaatst en vervoerd, immers hebben hij, verdachte, en diens mededaders het lijk van die [slachtoffer] in een woning opgetild en een deken over het lijk van die [slachtoffer] gedaan en het (middels een deken bedekte) lijk van die [slachtoffer] een woning uit gedragen en over de gang van het flatgebouw, alwaar genoemde woning zich bevindt, gedragen en via een trappenhuis, van de eerste verdieping naar de begane vloer gedragen en/of gesleept en het flatgebouw uit gedragen en/of gesleept en in een gereedstaande bus getild en gelegd en enige kilometers in een bus vervoerd en in recreatiegebied Geestermerambacht neergelegd en achtergelaten.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een lijk wegnemen en opzettelijk en wederrechtelijk een weggenomen lijk verplaatsen en vervoeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte van het in eerste aanleg primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen, met aftrek van voorarrest alsmede tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering na voorwaardelijke veroordeling, als nader in het vonnis is omschreven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan

2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft bij eventuele bewezenverklaring primair verzocht om een geheel voorwaardelijke (het hof begrijpt: gevangenis)straf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overstijgt gelet op de beperkte rol van de verdachte en gelet op het feit dat er sinds het feit een kentering in zijn leven heeft plaatsgevonden. De verdachte is inmiddels drugsvrij. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om geen onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met anderen het overleden lichaam van [slachtoffer] uit de woning van diens neef weggenomen en in een bedrijfsbus neergelegd, waarna één van de mededaders naar het Geestmerambacht is gereden om het lichaam daar op het fietspad achter te laten, dit om ervoor te zorgen dat de dood van [slachtoffer] niet in verband kon worden gebracht met de woning, uit angst deze woning als gebruikersplek kwijt te raken. In het geheel van het wegnemen, verplaatsen en vervoeren van het lichaam heeft de verdachte een substantiële rol gehad. Hij heeft het lichaam samen met zijn mededaders uit de woning weggenomen en vervolgens in een klaargezette bedrijfsbus geplaatst, waarna het door één van de mededaders is vervoerd naar het Geestmerambacht.

Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het stoffelijk overschot van [slachtoffer]. Het handelen van de verdachte en zijn mededaders heeft daarenboven een grote impact gehad op de nabestaanden van [slachtoffer], aan wie hierdoor extra verdriet is aangedaan. Verder heeft het hof rekening gehouden met het feit dat diverse personen getuige zijn geweest van voornoemde verplaatsing dan wel het aantreffen van het lichaam, hetgeen een schokkende ervaring moet zijn geweest.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 juli 2020 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het feit, in beginsel niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.

Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat zijn leven inmiddels een andere wending heeft genomen en hij is opgenomen in een zorgboerderij.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Hiermede wordt enerzijds beoogd de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen, terwijl daarmee anderzijds wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in twee instanties is geschonden, zonder dat deze vertragingen aan de verdachte zijn te wijten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de termijn voor de berechting in eerste aanleg met ruim 6 maanden is overschreden, alsmede dat de termijn voor de berechting in hoger beroep met 1 maand is overschreden.

Het hof zal de overschrijding van deze termijnen verdisconteren in de strafmaat en in plaats van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van de hiervoor vermelde duur, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 20 oktober 2014 met parketnummer

15-800051-14, is de verdachte – voor zover hier van belang – veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de vordering tot tenuitvoerlegging niet meer aan de orde is in hoger beroep, nu het openbaar ministerie in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering.

De raadsman van de verdachte heeft ter zake geen standpunt ingenomen.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de officier van justitie in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering niet aan de behandeling daarvan in hoger beroep in de weg staat. Deze vordering is daarom in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof zal het Openbaar Ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging van de hiervoor vermelde voorwaardelijk opgelegde straf niet-ontvankelijk verklaren, aangezien blijkens voormeld uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 juli 2020 de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar bij beslissing van 14 januari 2016 in de zaak met parketnummer 15/800051-14 reeds de tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gelast en voorts blijkt dat die straf vervolgens in de periode van

20 februari 2016 tot en met 20 maart 2016 is geëxecuteerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63 en 150 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 80 (tachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 15-800051-14.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van

mr. S. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

7 augustus 2020.

Mr. H.S.G. Verhoeff, mr. F.M.D. Aardema en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]