Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2183

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
200.234.753/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid werknemer voor door werkgever geleden schade als gevolg van opzettelijk/bewust roekeloos handelen van werknemer in de uitoefening van haar werkzaamheden.

Art. 7:661 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.234.753/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 5007159/CV EXPL 16-3260

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2020

inzake

ECEM EUROPEAN MARKETING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.J.M.T. Keulaerds te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. L.H.F. Stuurop te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna ECEM en [geïntimeerde] genoemd.

ECEM is bij dagvaarding van 1 februari 2018 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 8 februari 2017 en 3 januari 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen ECEM als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

ECEM heeft bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties, geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor zover de vorderingen van ECEM daarbij zijn afgewezen en, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog - primair - [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan ECEM van een schadevergoeding ten bedrage van € 386.922,-, althans een in goede justitie door het hof te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, en - subsidiair - voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] jegens ECEM aansprakelijk is voor schade die zij ECEM heeft toegebracht door gedurende haar dienstverband met ECEM opzettelijk de inkoopprijzen van chemische producten te verhogen of hoog te houden, al dan niet door middel van het buitensluiten van goedkopere leveranciers, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van deze schade, op te maken bij staat, en zowel primair als subsidiair [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, met producties, geconcludeerd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in principaal appel, de bestreden vonnissen te bekrachtigen voor zover daarbij de vorderingen van ECEM zijn afgewezen,

in incidenteel appel de bestreden vonnissen te vernietigen voor zover de vorderingen van ECEM zijn toegewezen, gevorderd ECEM in haar vorderingen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren althans deze alsnog af te wijzen, de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] alsnog toe te toewijzen en voorts om,

in principaal en incidenteel appel, ECEM te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.

ECEM heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties, geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel en, in zoverre, tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] een akte uitlating, met een productie, genomen waarbij zij vordert ECEM te veroordelen tot betaling van de integrale proceskosten, tot dat moment begroot op € 71.555,54 inclusief btw.

ECEM heeft daarop een akte uitlating producties genomen en daarbij bezwaar gemaakt tegen de hiervoor genoemde vordering tot betaling van de integrale proceskosten omdat het volgens ECEM een eisvermeerdering betreft die te laat is ingesteld.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 7 juni 2019 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 8 februari 2017 (hierna ook wel: het tussenvonnis) onder 2 (2.1 tot en met 2.15) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, met dien verstande dat het hof mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2.

ECEM houdt zich bezig met de in- en verkoop van chemicaliën.

2.3.

[geïntimeerde] is per 1 mei 2010 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van ECEM in de functie van chemical trader. Zij was binnen ECEM verantwoordelijk voor de import van een aantal specifieke chemische producten uit China. [geïntimeerde] is universitair opgeleid tot chemical engineer, waardoor zij kennis heeft van chemische producten. [geïntimeerde] , oorspronkelijk afkomstig uit China, is bekend met de Chinese taal en cultuur.

2.4.

ECEM is in 2015 een onderzoek gestart naar het inkoopgedrag van [geïntimeerde] .

De aanleiding voor dat onderzoek was een bericht van een vroegere leverancier van ECEM, te weten [X] Biochemistry (verder: [X] ), dat [geïntimeerde] niet steeds de beste prijs probeerde te bedingen voor ECEM maar juist tegen kunstmatig hooggehouden prijzen inkocht. In een Skypegesprek tussen [A] (verder: [A] ) van ECEM en [B] (verder: [B] ) van [X] van 12 september 2015 vertelde [B] hem, samengevat, dat de reden dat ECEM geen zaken meer deed met [X] een andere was dan de prijs of kwaliteit, dat daar ‘funny reasons’ voor waren, [A] [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] ) daar maar naar moet vragen, en het goed zou zijn als ECEM haar inkopers op de Chinese markt van tijd tot tijd zou wisselen. [B] merkte verder op dat de prijzen van [X] lager lagen dan die van de leveranciers bij wie [geïntimeerde] het product ITACOAC voor ECEM inkocht.

Het onderzoek richtte zich op de inkoop van de producten ADH, DAAM, Glycine, ITACOAC, PBTC, PBTC-H en STO. Deze producten werden door [geïntimeerde] ingekocht bij de leveranciers Yangzhou (ADH), Shandong Head Shane (DAAM), Jinhou Huacheng (Glycine), Jinan Huaming Biochemistry en in mindere mate Qingdao Langyatai Group Co (ITACOAC), Hebei Longke (PBTC en PBTC-H) en Ying Yang Aroma Group (STO).

In het kader van genoemd onderzoek zijn in de periode van ongeveer mei 2015 tot oktober 2015 opnamen gemaakt van de zakelijke telefoongesprekken tussen [geïntimeerde] en leveranciers van producten van ECEM. ECEM heeft van deze gesprekken, die in het Chinees werden gevoerd, transcripties laten maken en deze transcripties naar het Nederlands laten vertalen door beëdigde vertalers.

2.5.

In het hiervoor aangehaalde Skypegesprek en in de verschillende transcripties wordt [geïntimeerde] aangeduid als ‘ [geïntimeerde] ’ of ‘ [geïntimeerde] ’. Met ‘ [K] ’ wordt directeur [A] van ECEM bedoeld en met ‘ [O] ’ wordt manager van ECEM, [C] aangeduid.

2.6.

Op 19 mei 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker [D] van leverancier Yide. De transcriptie van dit gesprek waarin [D] wordt aangeduid met ‘ [D] ’, bevat de volgende passage:

Y: Ik heb een vraag voor je. Op die bestelling voor het Midden Oosten lijkt de stuksprijs wel hoger te zijn. [geïntimeerde] : klopt, dat heb ik gedaan. [D] : Aha. [geïntimeerde] : Omdat de Poolse vrouw mij vroeg de prijs wat te verhogen, zodat zij meer kon krijgen. Snap je? Dus toen heb ik het verhoogd.”

2.7.

Op 24 juli 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker ‘X’ van leverancier Yunuo over een e-mail van een manager van ECEM. De transcriptie van dit gesprek bevat de volgende passages:

[geïntimeerde] : Als hij/zij met dit soort mails komt, kun je gewoon zeggen dat als hij/zij het ergens voor zo’n lage prijs kan krijgen, dat hij/zij het daar dan maar moet gaan kopen. (…) Dus hiermee bedoel ik te zeggen dat je gewoon helemaal niet hoeft te reageren op die emails.

X: Ok, ik snap het. De volgende keer zeg ik gewoon dat ik op zakenreis ben.

[geïntimeerde] : Nee joh, dat moet je helemaal niet zeggen! Je moet gewoon überhaupt niet reageren! Het heeft namelijk helemaal geen nut om dat soort dingen te zeggen. Zijn/haar doel is als volgt: als jij akkoord gaat met de prijs die hij/zij zegt, dan geeft hij/zij dat door aan de baas Gelangtai. Die zal vervolgens bij mij aankloppen om mij verder te laten onderhandelen om de prijs nog lager te krijgen. Dus je moet gewoon niet antwoorden.”

2.8.

Op 27 juli 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker [E] van leverancier Hebei Longke (PBTC en PBCT-H). De transcriptie van dit gesprek bevat de volgende passages:

“ [geïntimeerde] : Hoi [E] . Ik zou je iets willen vragen. Weet jij welke bedrijven in China dat product met hoge concentraties produceren? [E] : Bijna niemand, denk ik. Er is een bedrijf in Wujin dat dat produceert, geloof ik. [geïntimeerde] : Er is een bedrijf, denk ik, maar er zit iemand naast me, ze zijn gevestigd in een plaats met postcode 0519. [E] : Ja, dat is waarschijnlijk het bedrijf dat ik bedoel. [geïntimeerde] : Zij hebben ons een hele lage offerteprijs gegeven. (…) [E] : Lager dan onze normale prijs? [geïntimeerde] : Ja, veel lager. (...) [E] : Misschien moeten we onze prijs ook wat verlagen? [geïntimeerde] : Dat zou niet werken. Hier geloven ze immers dat alleen jullie bedrijf dat product produceert. Als jullie nu ook de prijs gaan verlagen, dan gaan ze hier denken dat jullie hen heel de tijd in de waan hebben gelaten. Zo denken Europeanen nu eenmaal. Zo zit hun cultuur in elkaar. (…) [geïntimeerde] : Maar ik zeg je dat je je prijs nu niet moet laten zakken. Men zal denken: “He, waarom laat je je prijs nu zakken? Een ander bedrijf laat zijn prijs zakken en jullie vervolgens ook!”. Vooral als je zaken doet met Europeanen moet je oppassen. Zij zullen zich snel… [E] : bedrogen voelen. [geïntimeerde] : Ja inderdaad. Dus laat je prijs niet zakken. Als mensen je product willen kopen, dan zullen ze het wel kopen, snap je? (…) [E] : Wat is die [O] toch aan het doen? Hij heeft de afgelopen dagen verscheidene keren contact met me opgenomen voor een offerte. [geïntimeerde] : Daar moet je niet op antwoorden. Als je echt wil antwoorden, verhoog dan de prijs een beetje. (…) Als je antwoordt, breng dan een hoge prijs uit. Ofwel antwoord je helemaal niet.

2.9.

Op 31 juli 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker [F] van leverancier Shandong Head Shane. De transcriptie van dit gesprek bevat de volgende passages:

[geïntimeerde] : Op 23 juni hebben zij een prijs van 7800 uitgebracht. Liangxi heeft een prijs van 7800 uitgebracht. Dat was op 23 juni. Welke dag zijn we nu? Vandaag is het 30 juli. Dat was dus meer dan een maand geleden. Meer dan een maand geleden hebben zij dus een prijs van 7800 gegeven. Voor 7800 kunnen wij dat ook doen. Wij hebben dus een lagere prijs uitgebracht. [F] : Het is wel in USD. [geïntimeerde] : Hun prijs is in USD. Onze prijs is in EUR. Wat is de wisselkoers tussen EUR en USD? [F] : 1,09. [geïntimeerde] : Wacht even. Ik zoek het onmiddellijk even op. (…) [geïntimeerde] : Dat kan niet. Ik mag Liangxi niet laten winnen. Wacht even. Ik kan hun laatste prijsopgave niet vinden. Hun laatste prijsopgave was 7400. Dit drijft me gek. Onze prijzen zijn in EUR. 7730 omgezet in USD is 8,4.”

2.10.

Op 3 augustus 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker [G] van leverancier Shandong Head Shane (verder: Shandong), leverancier product DAAM. De transcriptie van dit gesprek bevat de volgende passages:

[geïntimeerde] : We moeten een plan bedenken om hen weg te houden. Hoeveel is 7,25 EUR in CNY, nee in USD, bedoel ik? [G] : Laat me even kijken. Iets meer dan 7,9. [geïntimeerde] : Iets meer dan 7,9. Dat is nog altijd hoger dan hun prijs. Wacht even. (…) Maar met die prijs kunnen we hen nog altijd niet tegenhouden. Met 7,95 kunnen we hen niet stoppen. Ik wil hen buitensluiten (…). [geïntimeerde] : Het enige wat we nog kunnen proberen is om hen met behulp van zwart geld buiten te houden. Maar de kans dat dat lukt is klein, heel klein, weet je dat? Maar we moeten hen buitenhouden.”

2.11.

In een telefoongesprek van 7 augustus 2015 legt [geïntimeerde] aan een medewerker van Jianghai Environmental Protection Co. Ltd. (Jianghai) uit hoe het commissiesysteem werkt. Zij verklaart:

“Ik kan je bijvoorbeeld aan andere bedrijven voorstellen, met wie je dan kan samenwerken. Ik heb vroeger op deze manier ook andere mensen geholpen. Bijvoorbeeld: je kan de prijs verhogen. De prijs is bijvoorbeeld 10 yuan. Maar je verkoopt het product misschien voor 13 yuan. Die 3 yuan geeft het bedrijf dan jou, een soort van commissie, snap je? Zo kan je een kapitaal bij elkaar sparen. (…) Dus als je problemen hebt, moet je maar aan [geïntimeerde] denken en dan zal ik je proberen te helpen, ok? Er zijn verschillende manieren waarop ik je kan helpen. Het belangrijkste is niet om je bedrijfsresultaten te verbeteren. (…). Het belangrijkste is om een oplossing te zoeken voor je eigen problemen, snap je?"

2.12.

Op 31 augustus 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker [E] van de leverancier Hebei Longke. De transcriptie van dit gesprek bevat onder meer de volgende verklaring van [geïntimeerde] :

Wat ik je nog wil vertellen: de volgende keer dat je me nodig hebt, is het beter dat je me een bericht stuurt op WeChat, want ik wil de mensen hier niet laten weten hoe hecht onze relatie is, snap je?”

2.13.

Op 9 september 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker [E] van de leverancier Hebei Longke. De transcriptie van dit gesprek bevat de volgende passages:

[E] : Ik weet dat de prijzen van de concurrent ook heel laag zijn nu. [geïntimeerde] : En niet zomaar een beetje lager. Jullie prijs ligt wel 200 tot 300 USD hoger, besef je dat? Laat we ons daar nu maar niet te druk in maken. (…) [E] : (…) Dat product met hoge concentraties, dat is geen probleem, nee? [geïntimeerde] : Toch wel. Die prijs is ook te hoog. [E] : Ook te hoog. [geïntimeerde] : Jianghai verkoopt dat product ook. [E] : Maar ook van dat niveau? Ja, ook van dat niveau. De klant heeft me gezegd dat ze heel tevreden waren met de kwaliteit. (…) [E] : Het is ook niet omdat wij de prijs verlagen, dat jullie bedrijf dat ook gaat doen. [geïntimeerde] : Nee, inderdaad. Dus laat je prijs nog niet zakken. Als jij de prijs verlaagt, maar wij niet, dan koopt de klant het product nog altijd aan dezelfde prijs.”

2.14.

Op 15 september 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker [H] van leverancier Jizhou Huacheng. De transcriptie van dit gesprek bevat de volgende passages:

[geïntimeerde] : Het zit zo (…) De prijs die je me vorige keer gaf was al heel laag. Die kunnen we niet meer verhogen. Nu willen ze dat je die prijs nog laat zakken, dat was voor de CP9-pallets. De prijs die je ons gaf was 1660, klopt dat? [H] : Ja. [geïntimeerde] : Ze willen de prijs verlagen tot 1560. (…) [H] : Dat wil zeggen een prijsverlaging van 100 USD. Dat is teveel. Een tiental dollars kunnen we nog overwegen, [geïntimeerde] , maar 100 is teveel. [geïntimeerde] : Ja, maar ja, je hebt ook niet naar me geluisterd. Nu is het moeilijk om de situatie nog om te draaien. Ik heb je altijd al gezegd dat je de prijs niet mocht laten zakken. Maar van zodra dat nieuwtje je inbox bereikte, liet je de prijs plots heel veel zakken, van 1816 tot 1660, of tot 1685 was het, denk ik. Als je de prijs plots zoveel verlaagt, dan denken de mensen…We hebben juist een vergadering gehouden. Daarin werd gezegd dat de prijs tot 1560 moest dalen en dat ik dat met jou moest bespreken. (…) Het is nu moeilijk geworden om de prijs terug te doen stijgen.”

2.15.

In een telefoongesprek van 17 september 2017 met [I] , medewerker van een relatie van ECEM die het product SMAS verkoopt, heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende gezegd:

“Twee verkopers die zich bezighouden met dit product zijn bij ons bedrijf weggegaan en zijn bij onze concurrent aan de slag gegaan. Gisteravond hebben zij contact met mij opgenomen en vroegen ze naar jouw product. Ik heb hen gezegd dat het geen probleem zou zijn om met jullie samen te werken. (…) Je hoeft geen offerte op te stellen. (…) Die twee verkopers gaan contact met je opnemen, maar dit mag je absoluut aan niemand vertellen. (…) Gisteren hebben ze dan contact met mij opgenomen. Ik heb hen gezegd: "Geen enkel probleem. Ik zal morgenochtend opnieuw contact met haar opnemen en jullie haar e-mailadres geven wanneer ik 's avonds terug thuis ben". Maar dit mag je absoluut niet aan ons kantoor vertellen, want dan word ik zeker ontslagen.”

2.16.

Op 21 september 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met medewerker ‘ [J] ’ van leverancier Ying Yang Aroma Group, die het product STO levert. De transcriptie van dit gesprek bevat de volgende passages:

[geïntimeerde] : Ja. Aan het einde van volgend jaar zal de handel met ons bedrijf helemaal afgelopen zijn. Weet je waarom? Omdat er volgend jaar een van onze salesmensen vertrekt. (…) [J] : Echt waar? [geïntimeerde] : Ja. maar je hoeft je geen zorgen te maken. (…) [geïntimeerde] : Dus het maakt niet uit waar hij/zij heengaat, dat zal geen invloed hebben op jullie. Dus zal ik vanaf einde van dit jaar geleidelijk aan de nodige voorbereidingen treffen, en zeggen dat jullie zijn gestopt met de productie. We moeten de details gewoon goed regelen. (…) [geïntimeerde] : Ja, ja. Het belangrijkste is dat zodra hij/zij vertrekt, de klanten met hem/haar meegaan. (…) [geïntimeerde] : Als er iemand van hier een prijs opvraagt bij jou, en je geeft een prijs zal dat niets teweeg brengen. Weetje. [J] : Ah, ok. [geïntimeerde] : En even ter informatie voor jou: ze hanteren hier 18%. [J] : Ah, is dat zo. [geïntimeerde] : Ja. Dus dat is de reden dat ik zeg dat je niet kunt zakken, je kunt echt niet zakken. Daarom heb ik aan ons bedrijf verteld dat het probleem niet zit in de grondstoffen, maar in het feit of de fabriek nog wil produceren of niet. Ik zei: “Ze hebben nu maar één klant. Vroeger was er nog een grote klant, maar die fabriek is gesloten, ze zijn ermee gestopt. Nu zijn wij nog als enige over. Nu hebben ze nog maar één klant. Als we het niet in balans houden, dan zullen zij ook sluiten. Dus wij hoeven niet over de prijs te onderhandelen.” (…) [geïntimeerde] : Omdat we al weten wat hier de plannen zijn. En als hij/zij nou vertrekt, dan zullen er juist meer klanten komen. (…) [geïntimeerde] : En de prijs, ik hoop dat we volgend jaar dezelfde prijs kunnen houden. [J] : Euhh… dat moet wel zo ongeveer lukken. [geïntimeerde] : Ja, dezelfde prijs. Als de prijs maar niet zakt. Als de prijs omhoog moet is dat geen probleem, het mag alleen niet omlaag gaan. Dit heb ik namelijk ook tegen [K] gezegd, dat er niks aan de prijs te doen is. Hij wilde graag een mail naar jou sturen, omdat ik had gezegd dat jij de general manager bent (….)Dus als er mensen van hier naar je mailen of als je uit jezelf een mail stuurt hierheen, dan zeg je gewoon dat je bent (…) om contact te hebben, maar dat jullie het echt niet kunnen doen tegen die prijs. Dat het niet aan jullie zelf is of de productie kan doorgaan of niet. Dan zeg je dat wij de enige klant zijn, en dat jullie nog heel veel voorraad hebben. Daarmee geef je aan dat je op tijd kunt leveren wat ze hier willen, maar dat er aan de prijs niks gedaan kan worden.(…) [J] : ja, ok [geïntimeerde] : Zeg maar dat de voorraad nog toereikend is (…) maar dat je niets aan de prijs kunt doen.

2.17.

Op 9 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] een gesprek gevoerd met [L] , een medewerker van Yangzhou, leverancier van het product ADH. Blijkens de transcriptie van dit gesprek heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende gezegd:

“Ik stel het volgende voor. Ga eerst akkoord met die prijs van 7,15. Het beetje geld dat je kunt verdienen is mooi meegenomen. Het plan van het bedrijf hier is om de banden met jullie langzaamaan door te knippen en om enkel nog met dat bedrijf in Indië samen te werken. Aangezien we nu toch al weten dat dit gaat gebeuren, is het beter om nu nog wat geld aan hen te verdienen. (…) Schrijf dat hoewel jullie niet verplicht werden te sluiten, jullie productie wel aan banden werd gelegd en dat jullie geen grote hoeveelheden meer mogen produceren. Zeg hen dat vraag momenteel het aanbod overstijgt, dat jullie zelfs niet genoeg produceren om aan de vraag van de klanten te voldoen en dat dat de reden is waarom de prijs bijna altijd hoog is. Zeg hen dat de regering niet toestaat dat jullie meer produceren. Zeg hen dat de regering niet toestaat dat jullie meer produceren. (…) Zeg hem ook dat je na jullie telefoontje ook met je bazen hebt gesproken en dat er beslist is dat jullie niet lager dan 7,2 kunnen gaan. Zeg hem dat als hij akkoord gaat met die prijs, jullie kunnen samenwerken en dat als hij niet akkoord gaat, jullie de samenwerking moeten opgeven.”

2.18.

Verder heeft [geïntimeerde] tegen deze medewerker in hetzelfde gesprek het volgende gezegd:

“Als andere bedrijven met je willen samenwerken, mag je hen niet afwijzen, ok? Ons bedrijf is een bedrijf dat erg netjes te werk gaat. Zo kan ik het wel stellen. Dus als andere bedrijven met je willen samenwerken, ook bedrijven met wie je vroeger samenwerkte, dan moet je dat absoluut doen.”

[L] heeft daarop gezegd alleen met [geïntimeerde] samen te willen werken, waarop [geïntimeerde] als volgt reageerde:

“Nee! Je moet ook met anderen samenwerken. Als je al je vertrouwen in ons bedrijf stelt, ga je zeker failliet gaan. Ons bedrijf is echter geen betrouwbare zakenpartner, snap je?(…) Ik kan het alleen maar zo zeggen, want je weet wat er met telefoon hier op kantoor aan de hand is. (…) Dus ik kan niet openlijk spreken.”

2.19.

Op 9 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] een telefoongesprek gevoerd met [M] , medewerker van Qingdao Langyatai Group Co. Ltd. (verder: Qingadao). De inhoud van de Nederlandse vertaling van dat gesprek luidt als volgt, voor zover van belang:

“ [geïntimeerde] (…) dat (…) er een bedrijf is dat een hele lage prijs aangeboden heeft. Drie of vierhonderd onder hun prijs. Je moet snel contact met (…) opnemen. (…)

Zouden ze jullie twee bedrijven eruit gaan schoppen? En dan verder zaken doen met [het bedrijf] uit het Zuiden? (…) Zal toch niet.

[ [M] ] Nee, zal wel niet.

[ [geïntimeerde] ] Dan is het goed. Je moet zorgen dat je het goed regelt.

Dit moeten we echt in de kiem smoren. Er zijn maar twee, drie bedrijven in de hele wereld, we moeten ervoor zorgen dat het bij hen niet gaat lukken, bij het bedrijf uit het Zuiden. Daarom moeten jullie twee bedrijven uit het Noorden zorgen dat je goed blijft communiceren met [N] . Hij denkt misschien dat die lage prijs door jullie komt. Ik vermoed dat hij dat denkt. Deze situatie is nu ontstaan en daarom moeten jullie op een lijn blijven.(…) Ik kan nu niet vrijuit praten. (…) [O] en de zoon [van de baas] zitten me in de gaten te houden.Je kan beter jouw…. Overdag kunnen we niet WeChat niet op kantoor gebruiken.”

2.19.

Naar aanleiding van de uitkomsten van voornoemd onderzoek heeft ECEM [geïntimeerde] op 16 oktober 2015 op staande voet ontslagen. [geïntimeerde] heeft uiteindelijk berust in dat ontslag.

2.20.

ECEM heeft eind februari 2016/begin maart 2016 beslag doen leggen op [geïntimeerde] aandeel in een woning, op roerende zaken en bankrekeningen van [geïntimeerde] .

3 Beoordeling

3.1.

ECEM heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 803.097,- ter zake van schadevergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2016 en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. Volgens ECEM is uit het verrichte onderzoek gebleken dat [geïntimeerde] herhaaldelijk heeft samengespannen met leveranciers van ECEM om de door deze leveranciers aan ECEM in rekening te brengen prijzen van chemische producten hoog te houden dan wel te (doen) verhogen. Door dit opzettelijk handelen heeft ECEM teveel betaald voor producten, waardoor zij schade heeft geleden, aldus ECEM.

3.2.

[geïntimeerde] heeft daartegen verweer gevoerd en in reconventie gevorderd een drietal door ECEM gelegde conservatoire beslagen op te heffen met veroordeling van ECEM in de kosten van de procedure.

3.3.

Nadat de kantonrechter bij het tussenvonnis had geoordeeld, kort samengevat, dat [geïntimeerde] bij de inkoop van de producten Glycine, PBTC, PBTC-H, STO en DAAM inkoopprijzen had gemanipuleerd waarmee haar aansprakelijkheid voor de daaruit voortvloeiende schade was komen vast te staan, en vervolgens ECEM in de gelegenheid had gesteld een nadere onderbouwing en nieuwe begroting te geven van de gevorderde schade, heeft de kantonrechter bij vonnis van 3 januari 2018 (hierna: het eindvonnis) [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan ECEM van € 86.674,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2016 en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. Voor het overige is de vordering van ECEM afgewezen. Ook de tegenvordering van [geïntimeerde] is door de kantonrechter afgewezen. [geïntimeerde] is veroordeeld in de kosten van de procedure.

3.4.

Tegen een aantal beslissingen van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt ECEM in principaal appel met zes grieven op. [geïntimeerde] komt in incidenteel appel eveneens met zes grieven op tegen een aantal beslissingen van de kantonrechter.

3.5.

Met de grieven 1 tot en met 4 in principaal appel keert ECEM zich tegen de afwijzing van haar vorderingen tot schadevergoeding ter zake van de door [geïntimeerde] ingekochte producten ADH, IOCOAC en de gedeeltelijke afwijzing van de gevorderde schadevergoeding ter zake van het door [geïntimeerde] ingekochte product DAAM. Grief 5 in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering tot schadevergoeding van ECEM slechts tot een bedrag van € 86.674,- toewijsbaar is. Volgens ECEM is ten onrechte geen rekening gehouden met de schade die ECEM heeft geleden ter zake van de inkoop van de producten ITACOAC, ADH en DAAM (behoudens over een periode van twee maanden) en voor zover de vergoeding is gebaseerd op schade met betrekking tot de inkoop van de producten STO, PBTC, PBTC-H en DAAM (laatstgenoemde berekend over twee maanden) zijn ten onrechte bij de begroting van de schade zonder (nadere) motivering andere factoren dan de inkoopprijs van aanmerkelijke invloed geacht op de winstmarges van ECEM in de periode waarin [geïntimeerde] de inkoopprijzen heeft gemanipuleerd. Grief 6 in principaal appel richt zich tegen de beslissingen van de kantonrechter waarbij het gevorderde schadebedrag boven het toegewezen schadebedrag van € 86.674,- is afgewezen.

[geïntimeerde] komt met grief 1 in incidenteel appel, kort samengevat, op tegen de weigering van de kantonrechter om bij eindvonnis terug te komen van zijn bij tussenvonnis gegeven oordelen. De grieven 2 tot en met 6 in incidenteel appel richten zich, samengevat, tegen het oordeel dat [geïntimeerde] de betwisting van de schadeberekening van ECEM niet heeft onderbouwd en dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan het verweer van [geïntimeerde] dat haar handelen moet worden bezien binnen de Chinese cultuur. Voorts strekken deze grieven ten betoge dat ten onrechte is aangenomen dat [geïntimeerde] te hoge prijzen producten voor ECEM heeft ingekocht en voorts dat de gehanteerde methode van de schadeberekening onjuist is.

3.5.

Gelet op de samenhang tussen het principale en het incidentele appel zullen deze gezamenlijk worden besproken. Het hof overweegt als volgt.

3.6.

[geïntimeerde] heeft bij grief 1 in incidenteel appel, waarmee zij opkomt tegen de weigering van de kantonrechter om bij eindvonnis terug te komen van (eind)beslissingen in het tussenvonnis, geen belang. Voor zover nodig worden eventueel onjuiste (eind)beslissing bij tussenvonnis, voor zover daartegen is geappelleerd, in hoger beroep heroverwogen. Een inhoudelijke bespreking van deze grief kan daarom achterwege blijven.

3.7.

In dit geschil gaat het in de kern om de vraag of de vordering van ECEM om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van door ECEM beweerdelijk geleden schade dient te worden toegewezen. Het gaat om schade die ECEM stelt te hebben geleden ten gevolge van de inkoop door [geïntimeerde] tegen kunstmatige hoog gehouden prijzen van de producten ADH, DAAM, Glycine, ITACOAC, PBTC, PBTC-H en STO. Voor wat betreft DAAM, PBCT, PBCT-H en ITACOAC, meer specifiek, door goedkopere leveranciers van deze producten buiten de deur te houden.

ECEM heeft haar vordering gebaseerd op artikel 7:661 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge dat artikel is een werknemer alleen dan gehouden om door zijn werkgever geleden schade te vergoeden als de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid.

3.8.

De functie van [geïntimeerde] betrof die van inkoper van chemicaliën op de Chinese markt. De kerntaak van een inkoper is om, uitgaande van de aan de in te kopen producten gestelde kwaliteitseisen, zo goedkoop mogelijk in te kopen.

3.9.

Evenals de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit de onder de feiten opgenomen transcripties van de telefoongesprekken voldoende is gebleken dat [geïntimeerde] haar werkgever ECEM heeft benadeeld door er bij verschillende leveranciers, te weten Jizhou Huacheng (leverancier van Glycine), Hebei Longke (leverancier van PBTC en PBTC-H) en Ying Yang Aroma Group (leverancier van STO), op aan te dringen de prijzen die zij aan ECEM opgaven niet te verlagen en leveranciers heeft geïnstrueerd niet te antwoorden op berichten van haar leidinggevende(n) over de prijzen, dit om, zo blijkt uit de transcriptie van 24 juli 2015, te voorkomen dat zij, [geïntimeerde] , opdracht van ECEM zou krijgen om verder te onderhandelen over (verdere) verlaging van de prijs. Uit de transcripties van 31 juli 2015 en 3 augustus 2015 is voldoende gebleken dat [geïntimeerde] een potentiële leverancier van het product DAAM, te weten Wuxi Liangxi Fine, bewust buiten de deur heeft gehouden, terwijl zij wist dat deze leverancier tegen een lagere prijs kon leveren dan de leverancier waar zij in 2014 en 2015 bestelde, te weten Shandong Head Shane, terwijl er geen aanwijzingen waren dat het product van Wuxi Liangxi Fine niet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen voldeed. Uit vorenbedoelde transcripties blijkt tevens dat [geïntimeerde] met Shandong Head Shane zelfs een plan (inzet zwart geld) besprak om Wuxi Liangxi Fine buiten de deur te houden.

3.10.

[geïntimeerde] heeft met deze handelwijze niet alleen blijk gegeven van een gebrek aan loyaliteit maar ook heeft gehandeld in strijd met hetgeen van haar als inkoper had mogen worden verwacht en willens en wetens ECEM financieel benadeeld. Dat zij zich van haar onacceptabele handelen en de gevolgen daarvan voor ECEM bewust was blijkt onder meer uit het feit dat uit de transcripties volgt dat zij haar handelwijze verborgen wilde houden. Zo heeft zij tegen [P] , medewerker van Honors, leverancier van het product SMAS, op 17 september 2017 gezegd dat hij hierover met niemand mocht praten en, dat, als haar handelwijze bekend zou worden, zij zou worden ontslagen. Voorts merkte [geïntimeerde] , zo blijkt uit de transcriptie van 27 juli 2015, op ‘er zit iemand naast me’, suggererend dat zij niet vrij kon praten en op 31 augustus 2015 liet ze de medewerker [E] van Hebei Longke weten dat het beter is de volgende keer te communiceren via WeChat opdat anderen niets zouden opvangen van de inhoud van hun gesprek. Met deze uitlatingen in de veelheid aan telefoongesprekken, in onderlinge samenhang bezien, heeft [geïntimeerde] er blijk van gegeven dat zij opzettelijk de prijzen van leveranciers probeerde hoog te houden, prijsverlagingen probeerde tegen te houden en er alles aan deed om goedkopere leveranciers uit te sluiten.

3.11.

De verweer ter zake van [geïntimeerde] dat zij, voordat een bestelling werd geplaatst, altijd overleg had met de afdeling sales van ECEM, daarmee implicerend dat die afdeling van de prijzen op de hoogte was en daarmee steeds instemde, wordt verworpen. [geïntimeerde] heeft, zeker gelet op de betwisting door ECEM, geen, dan wel onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die deze stelling kunnen dragen. Maar ook als het zo zou zijn dat [geïntimeerde] voor het plaatsen van een bestelling altijd contact had met de afdeling sales en deze afdeling (impliciet) met de inkoopprijzen instemde, ontneemt dat niet het opzettelijke karakter aan haar benadelingshandelingen zoals hiervoor omschreven. Dat zou slechts anders zijn als [geïntimeerde] de afdeling sales volledige openheid van zaken had gegeven over de wijze waarop zij met leveranciers communiceerde en hoe de prijzen tot stand waren gekomen, namelijk door hen ‘behulpzaam’ te zijn bij de prijsstelling door deze hoog te houden, althans niet aan te sturen op verlaging, en (concurrerende) leveranciers buiten de deur te houden. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] de afdeling sales hierover heeft geïnformeerd. Ook het verweer van [geïntimeerde] dat in de gevallen dat goedkopere leveranciers buiten de deur werden gehouden de (mindere) kwaliteit van de producten de aanleiding was voor haar handelen wordt verworpen. Mede indachtig de betwisting hiervan door ECEM heeft [geïntimeerde] geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat een mindere kwaliteit reden was om bepaalde leveranciers buiten de deur te houden. Uit de transcripties van de gesprekken volgt niet dat de kwaliteit van de geleverde producten op enig moment, ook niet bij onderhandelingen over de tarieven, een aandachtspunt was, laat staan reden om leveranciers buiten de deur te houden. Indien dit daadwerkelijk het geval was, had het voor de hand had gelegen dat in de vele gesprekken die [geïntimeerde] hierover heeft gevoerd, dit aspect op enig moment aan de orde was gekomen. Ook het betoog van [geïntimeerde] dat haar handelen zijn rechtvaardiging vindt binnen de Chinese cultuur, slaagt niet. [geïntimeerde] had als inkoper voor ECEM de opdracht om producten die voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen tegen de meest aantrekkelijke voorwaarden in te kopen. Een zo laag mogelijke prijs is daar onderdeel van. Haar handelwijze heeft daar niet toe geleid en uit niets blijkt waarom de Chinese (handels)cultuur een andere opstelling van een inkoper, met als gevolg evidente benadeling van haar werkgever, vereist, verlangt of zelfs maar rechtvaardigt. Als dat al zo was had [geïntimeerde] , gelet op de evidente strijd die dat oplevert met hetgeen ECEM van haar als inkoper verlangde en mocht verlangen, dat met ECEM moeten bespreken. Gesteld noch gebleken is dat zij dat heeft gedaan.

Het hof verenigt zich dan ook met hetgeen de kantonrechter ter zake van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] in de rechtsoverwegingen 5.6 tot en met 5.11 van het tussenvonnis heeft overwogen.

3.12.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat ook voldoende is komen vast te staan dat [geïntimeerde] er bij Yangzhou op heeft aangedrongen de prijzen van het product ADH hoog te houden en zij [X] , leverancier van ITACOAC buiten de deur heeft gehouden terwijl deze leverancier lagere prijzen hanteerde dan die van de gecontracteerde leveranciers Jinan Huaming Biochemistry Co. Ltd (Hierna: Huaming) en Qingdao Langyatai Group Co. Ltd (hierna: Qingdao). Weliswaar heeft [geïntimeerde] aan [L] , medewerker van Yangzhou, gevraagd de prijzen te verlagen tot 7.150/MT maar uit de verdere transcripties van het gesprek van 9 oktober 2015 blijkt dat zij [L] vervolgens gedetailleerd heeft geïnstrueerd met welke argumenten hij de prijs vervolgens (weer) kon verhogen naar 7.200/MT. Daaruit volgt dat [geïntimeerde] ook hier niet streefde naar een voor ECEM zo laag mogelijke inkoopprijs, maar de prijs juist opzettelijk manipuleerde ten nadele van ECEM. Dit duidt op opzettelijk handelen van [geïntimeerde] . Haar opzet om ECEM te benadelen blijkt voorts uit het gesprek met dezelfde medewerker waarin [geïntimeerde] tegen die medewerker heeft gezegd dat hij zijn hoop niet alleen op ECEM moest richten, dat zijn bedrijf dan zeker failliet zou gaan, zij niet vrij kon praten op kantoor en hem een andere keer vanuit huis zou bellen.

Uit de transcriptie van het telefoongesprek van 9 oktober 2015 dat [geïntimeerde] voerde met een medewerker van Qingdao is verder gebleken dat [geïntimeerde] in ieder geval richting deze medewerker er blijk van gaf alles in het werk te stellen om een concurrerend bedrijf [X] , dat een (veel) lagere prijs aanbood, buiten de deur te houden. Zij heeft daarin aangegeven dat zij met Qingdao en een ander bedrijf uit het noorden ervoor moest zorgen dat ECEM geen zaken ging doen met [X] ten gunste van Qingdao en Huaming die hun producten tegen hogere inkoopprijzen aan ECEM leverden. Daarmee heeft [geïntimeerde] willens en wetens [X] buiten de deur gehouden. Dat de door [X] geleverde kwaliteit daarvan de reden was, is weliswaar door [geïntimeerde] gesteld maar niet onderbouwd of toegelicht en evenmin gebleken. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 in principaal appel slagen.

3.13.

Ook met betrekking tot de potentiële leverancier van het product DAAM, Wuxi Liangxi Fine (verder: Wuxi), is op grond van de stukken komen vast te staan dat [geïntimeerde] deze leverancier buiten de deur heeft gehouden terwijl die het product DAAM in 2014 en 2015 goedkoper kon leveren dan Shandong, de leverancier waar [geïntimeerde] het product ten behoeve van ECEM inkocht. Uit de telefoonnotities van [Q] , collega van [geïntimeerde] van 16 en 19 maart 2015, bezien in samenhang met de e-mail van Wuxi, volgt dat Wuxi tegen een lagere prijs kon leveren en [Q] die informatie aan [geïntimeerde] zou doorspelen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] drie dagen later een notitie in het systeem ingevoerd waarin is vermeld dat Wuxi moeilijk in Europa kon leveren en slechts tegen hoge prijzen. Deze inhoud van de notitie valt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet te rijmen met de informatie die [geïntimeerde] via [Q] had gekregen. Bovendien heeft [geïntimeerde] , naar ECEM onweersproken heeft gesteld, tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg een en ander erkend. Voorts blijkt de manipulatie van [geïntimeerde] met het doel Wuxi buiten de deur te houden uit de telefoontranscriptie van 7 augustus 2016. Dat zij samenspande met Shandong ten koste van Wuxi blijkt voorts uit de telefoontranscriptie van het gesprek van 2 september 2015 met de medewerker van Shandong. In dat gesprek heeft [geïntimeerde] onder meer gezegd: “We moeten in elk geval op alle vlakken winnen. We hebben al zoveel jaren samen inspanningen geleverd. Dat was ook niet altijd eenvoudig. Dus ik hoop echt dat jullie de vruchten ervan kunnen gaan plukken. Dat is mijn oprechte hoop.” Anders dan ECEM heeft gesteld is de uitspraak ‘al zoveel jaren samen inspanningen geleverd’ weliswaar een aanwijzing maar niet voldoende om te oordelen dat Wuxi ook in 2014 al actief door [geïntimeerde] buiten de deur werd gehouden. Concrete feiten en omstandigheden waaruit dat volgt zijn gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat het product DAAM niet bij Wuxi werd afgenomen en dat [geïntimeerde] in het gesprek van 7 augustus 2015 een medewerker van Shandong had geïnstrueerd informatie te zoeken om daarmee Wuxi in diskrediet te brengen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

3.14.

Naar het oordeel van het hof is uit de transcripties die in het geding zijn gebracht genoegzaam gebleken dat [geïntimeerde] de prijzen van de hiervoor genoemde producten in 2015 opzettelijk heeft gemanipuleerd door deze kunstmatig hoog te houden, al dan niet door goedkopere aanbieders buiten de deur te houden. Voor zover [geïntimeerde] heeft gesteld dat de transcripties niet volledig zijn, wordt die stelling als onvoldoende onderbouwd verworpen. Mr. Stuurop heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het er naar uitziet dat dat de schriftelijke weergave van de telefoongesprekken volledig is en ook overigens is niet gebleken van aanwijzingen voor het tegendeel. Door het manipuleren van de prijzen te nadele van ECEM zoals hiervoor overwogen, heeft [geïntimeerde] jegens ECEM gehandeld in strijd met artikel 7:661 BW. [geïntimeerde] is derhalve aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. De omvang van die schade wordt hierna beoordeeld.

Schadeberekening

3.15.

ECEM heeft haar vordering in hoger beroep beperkt tot de door haar over het jaar 2015 als gevolg van het handelen van [geïntimeerde] geleden schade. Daarbij heeft zij, nu volgens ECEM de inkoopprijs de bepalende factor voor de winstmarge is, een vergelijking gemaakt met het jaar 2014, in welk jaar de inkoopprijzen volgens [geïntimeerde] niet zijn gemanipuleerd. ECEM stelt dat zij de inkoopprijzen voor 2015 die zij, zonder manipulatie, had moeten betalen, noodzakelijkerwijs heeft geschat. Daarbij heeft ECEM de winstmarge over 2015 vergeleken met de winstmarge over 2014 en, ervan uitgaande dat over 2015 een vergelijkbare winstmarge gerealiseerd had moeten kunnen worden, de omvang van de door haar geleden schade over de door [geïntimeerde] ingekochte producten ADH, Glycine, ITACOAC, PBTC, PBTC-H en STO begroot. De schade ter zake van het product DAAM is door ECEM begroot over 2014 en 2015, waarbij als referentiejaar 2013 is genomen.

3.16.

ECEM heeft de schade die zij heeft geleden als gevolg van het handelen van [geïntimeerde] als volgt begroot: met betrekking tot PBTC en PBTC-H op € 21.000,- respectievelijk € 4.209,-; wat betreft Glycine op € 32.548,-; ten aanzien van STO op het in hoger beroep vermeerderde bedrag van € 107.343,-; en met betrekking tot ADH en ITACOAC op € 28.108,- respectievelijk € 16.444,-.

3.17.

Uitgangspunt is dat schade zo concreet mogelijk moet worden berekend en waar dat niet mogelijk is, deze zoveel mogelijk geschat moet worden.

Bij vaststelling van de schade heeft ECEM, stellende dat een concrete schadeberekening niet mogelijk is omdat niet kan worden vastgesteld welke inkoopprijzen zonder manipulatie tot stand zouden zijn gekomen, haar schadeberekening gebaseerd op een vergelijking van de winstmarges over de jaren 2014 en 2015 en daarbij gesteld dat de inkoopprijs de, voor de winstamrge, bepalende factor is.

3.18.

[geïntimeerde] heeft de juistheid van deze methode van schadeberekening betwist door te stellen dat niet enkel de inkoopprijs bepalend is voor de winstmarge maar dat daarop ook andere factoren van invloed zijn, zoals de verkoopprijzen en koersverschillen. Dat is, aldus [geïntimeerde] , reden om de gevorderde schade, indien enig bedrag toewijsbaar wordt geacht, te beperken. Weliswaar moet met [geïntimeerde] worden geoordeeld dat niet uitsluitend de inkoopprijzen bepalend zijn voor de winstmarge, maar [geïntimeerde] heeft niet, althans onvoldoende, concreet onderbouwd of toegelicht welke specifieke andere omstandigheden een drukkend effect op de winst hebben gehad. Door dit na te laten heeft zij de door ECEM gehanteerde schadeberekening onvoldoende gemotiveerd betwist en wordt haar verweer ter zake gepasseerd. Overigens merkt het hof op dat de ‘andere omstandigheden’ zoals de verkoopprijzen en koersverschillen ook een verhogend effect op de winst kunnen hebben gehad.

3.19.

De slotsom is dat de grieven in principaal appel geheel of gedeeltelijk slagen en dat de grieven in incidenteel appel falen. De in hoger beroep vermeerderde vordering van ECEM is toewijsbaar tot een bedrag van in totaal € 338.455,-. [geïntimeerde] zal tot betaling van voornoemd bedrag worden veroordeeld.

3.20.

[geïntimeerde] heeft geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot andere beslissingen leiden.

3.21.

De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd en de vorderingen van ECEM zullen worden toegewezen als na te melden. [geïntimeerde] zal, nu zij in eerste aanleg reeds is veroordeeld in de kosten van de procedure, thans als de in het ongelijk te stellen partij (uitsluitend) worden veroordeeld in de kosten in hoger beroep. Voor zover ECEM (ook) veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg heeft gevorderd wordt die vordering afgewezen bij gebrek aan belang.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en in incidenteel appel:

vernietigt het vonnis van 8 februari 2017;

vernietigt het vonnis van 3 januari 2018 doch uitsluitend voor zover daarbij de vordering van ECEM is toegewezen tot het bedrag van € 86.674,-, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] aan ECEM te betalen een bedrag van € 338.455,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2016 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis van 3 januari 2018 voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van ECEM begroot op € 5.351,- aan verschotten en € 4.833,-(€ 3.222,- in het principale appel, € 1.611,- in het incidentele appel) voor salaris;

verklaart bovenstaande betalings- en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E. [J] . de Groot, M.L.D. Akkaya en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.