Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2110

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
200.252.847/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag of het ter beschikking hebben van een leaseauto als arbeidsvoorwaarde moet worden aangemerkt, kan niet voor alle 24 in de procedure betrokken werknemers gezamenlijk worden beantwoord. Het ter beschikking hebben van een leaseauto is een arbeidsvoorwaarde (geworden) voor die werknemers met wie dat uitdrukkelijk is overeengekomen alsmede voor diegenen die langer dan 10 jaar een leaseauto ter beschikking hebben gehad omdat de steeds voor 5 jaar aangegane leaseovereenkomst dan tenminste tweemaal is verlengd, zodat de werknemers er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat zij in beginsel de resterende tijd van hun arbeidsovereenkomst recht zouden hebben op een leaseauto.

Voor die werknemers met wie een wijzigingsbeding is overeengekomen leidt de belangafweging van artikel 7:613 BW er in het onderhavige geval niet toe dat het belang van de werknemers bij voortzetting van het gebruik van de leaseauto naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0970
JAR 2020/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.252.847/01

zaaknummers rechtbank Amsterdam : 6527166 CV EXPL 17-28833

6524412 CV EXPL 17-28610

6524468 CV EXPL 17-28606

6536136 CV EXPL 17-29253

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2020

inzake

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. C. Nekeman te Amsterdam,

tegen

1 [X] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonend te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4],

wonend te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde sub 5],

wonend te [woonplaats] ,

6. [geïntimeerde sub 6],

wonend te Boxtel,

7. [geïntimeerde sub 7],

wonend te [woonplaats] ,

8. [geïntimeerde sub 8],

wonend te [woonplaats] ,

9. [geïntimeerde sub 9],

wonend te [woonplaats] ,

10. [geïntimeerde sub 10],

wonend te [woonplaats] ,

11. [geïntimeerde sub 11],

wonend te [woonplaats] ,

12. [geïntimeerde sub 12],

wonend te [woonplaats] ,

13. [geïntimeerde sub 13],

wonend te [woonplaats] ,

14. [geïntimeerde sub 14]

wonend te Renswoude,

15. [geïntimeerde sub 15],

wonend te [woonplaats] ,

16. [geïntimeerde sub 16],

wonend te [woonplaats] ,

17. [geïntimeerde sub 17],

wonend te [woonplaats] ,

18. [geïntimeerde sub 18],

wonend te [woonplaats] ,

19. [geïntimeerde sub 19],

wonend te [woonplaats] ,

20. [geïntimeerde sub 20],

wonend te [woonplaats] ,

21. [geïntimeerde sub 21],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat mr. S. Bocu te Tilburg,

en

22 [geïntimeerde sub 22] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. R.H.G. Evers te Leusden,

en

23 [geïntimeerde sub 23] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. J.J. Knol te Amsterdam,

en

24 [geïntimeerde sub 24] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.T. Chinnoe te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna Rabobank genoemd. Alle geïntimeerden samen worden de Werknemers genoemd. Geïntimeerden afzonderlijk worden aangeduid met hun achternaam. Geïntimeerden onder 1 tot en met 21 gezamenlijk worden [X] c.s. genoemd.

Rabobank is bij dagvaardingen van 4 januari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 18 oktober 2018, onder bovenvermelde zaaknummers gewezen in de gevoegde zaken tussen onder anderen [X] c.s., [geïntimeerde sub 22] , [geïntimeerde sub 23] en [geïntimeerde sub 24] als eisers en Rabobank als gedaagde (hierna: het vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens houdende akte vermeerdering c.q. wijziging van eis zijdens [X] c.s., met producties;

- memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde sub 22] , met producties,

- memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde sub 23] , met producties,

- memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde sub 24] , met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 december 2019 doen bepleiten, Rabobank door mr. Nekeman voornoemd, [X] c.s. door mr. Bocu voornoemd en door mr. C. Uluman, advocaat te Apeldoorn, [geïntimeerde sub 22] door mr. Evers voornoemd, [geïntimeerde sub 23] door mr. Knol voornoemd en [geïntimeerde sub 24] door mr. R.A. Uhlenbusch, advocaat te Utrecht. Afgezien van mr. Evers hebben alle advocaten gebruik gemaakt van pleitnotities, die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Rabobank heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, naar het hof op grond van de appeldagvaarding begrijpt, de vorderingen van de Werknemers alsnog zal afwijzen, met beslissing, uitvoerbaar bij voorraad, over de proceskosten, inclusief de nakosten. [X] c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en toewijzing van de vorderingen waarmee zij in hoger beroep hun eis hebben vermeerderd, zijnde het verbinden van een dwangsom op de veroordeling tot nakoming, veroordeling van Rabobank tot betaling van een bedrag van € 952,= per geïntimeerde voor buitengerechtelijke kosten en veroordeling van Rabobank tot betaling van € 500,= per maand aan schadevergoeding aan de geïntimeerden die hun leaseauto hebben moeten inleveren, met beslissing over de proceskosten, met wettelijke rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. [geïntimeerde sub 22] , [geïntimeerde sub 23] en [geïntimeerde sub 24] hebben ieder geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Alle partijen behalve [geïntimeerde sub 23] hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.15 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Zij luiden als volgt.

2.1

Per 1 januari 2016 zijn Rabobank en de toen nog zelfstandige lokale Rabobanken gefuseerd tot één Rabobank. Alle werknemers van de lokale banken zijn per die datum in dienst getreden van Rabobank.

2.2

De Werknemers zijn allen voor onbepaalde tijd in dienst van Rabobank. Zij werken op de kantoren Rijn en Heuvelrug, Eindhoven-Veldhoven en Emmen-Coevorden.

2.3

De arbeidsovereenkomst van een aantal van de Werknemers bevat een eenzijdig

wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW.

2.4

Rabobank heeft iedere Werknemer een leaseauto toegekend, die zij ook privé mogen gebruiken. De periode dat eisers inmiddels over een leaseauto van Rabobank

beschikken varieert van drie tot ruim dertig jaar.

2.5

Tussen Rabobank en iedere Werknemer is een berijdersovereenkomst voor - doorgaans - 5 jaar gesloten. Daarin is onder meer bepaald:

Er vindt geen automatische vervanging plaats als de looptijd van het leasecontract is verstreken.

2.6

In een aantal berijdersovereenkomsten is dit aangevuld met:

Op basis van de criteria die op dat moment gelden beoordeelt de manager bij iedere aanvraag opnieuw of de medewerker in aanmerking komt voor een leaseauto.

2.7

Als de looptijd van een leasecontract was verstreken, vulden de Werknemers een aanvraagformulier in en kregen zij opnieuw een leaseauto toegekend.

2.8

De lokale banken hadden een verschillend beleid ten aanzien van het toekennen van leaseauto’s. Rabobank adviseert de lokale banken de centrale Autoleaseregeling Rabobank (hierna: de Autoleaseregeling) toe te passen. Die bepaalt het volgende:

Artikel 3. Voorwaarden voor toekenning

Een medewerker kan op grond van zakelijk autogebruik of door de arbeidsvoorwaarden die voor zijn functiegroep gelden, in aanmerking komen voor een leaseauto. Er vindt geen automatische vervanging plaats als de looptijd van het leasecontract is verstreken.

A. Toekenning op grond van zakelijk autogebruik

Voor nieuw toe te kennen auto ‘s geldt het volgende:

1. Vanaf 20.000 zakelijke kilometers per jaar (...)

2. Minder dan 20.000 zakelijke kilometers per jaar

Als een medewerker minder dan 20.000 zakelijke kilometers per jaar rijdt of gaat rijden, heeft de manager desondanks de mogelijkheid om in specifieke gevallen toch een leaseauto te verstrekken. (...)

B. Arbeidsvoorwaardelijke toekenning uit hoofde van de functiegroep

Een medewerker kan op grond van een voor zijn functiegroep geldende arbeidsvoorwaardelijke regeling in aanmerking komen voor een leaseauto. Dit is ongeacht of de medewerker voor een leaseauto op grond van zakelijk autogebruik in aanmerking zou komen.

* Bij lokale banken: alle vakdirecteuren

* Senior Kader

* Executive Kader

2.9

De kantoren Rijn en Heuvelrug. Eindhoven-Veldhoven en Emmen-Coevorden

hebben besloten de Autoleaseregeling toe te passen. In totaal passen 62 van de

86 lokale kantoren de Autoleaseregeling toe.

2.10.

De Autoleaseregeling is op 25 januari 2016 aan de orde geweest in het overleg

tussen het bestuur en de ondernemingsraad van Rabobank Emmen-Coevorden.

In het verslag van dat overleg staat:

De directievoorzitter geeft aan dat de directie in het eerste kwartaal van 2015 heeft besloten geen afwijkingen meer toe te staan in de arbeidsvoorwaarden. De OR merkt op, om de directie te behoeden voor verrassingen, dat m.b.t. de lease met de betreffende medewerkers individuele afspraken zijn gemaakt en hier dus niet zomaar van afgeweken kan worden.

2.11

De gezamenlijke ondernemingsraden van Rabobank Rijn en Heuvelrug en

Rabobank Kromme Rijnstreek (ook wel Platform OR genoemd) hebben op 29 september 2016 desgevraagd advies uitgebracht over het strikt hanteren van

de toekenningsgronden in nieuwe situaties en de voorgestelde overgangsregeling voor de bestaande leaserijders. In dat advies staat:

Naar de mening van de OR is het logisch om aan te sluiten bij het centraal geadviseerde leasebeleid. Dit is ook passend bij de kostenbesparing die wordt ingezet binnen de gehele organisatie.

Een effect van deze wijziging is dat een aantal medewerkers hier (wellicht aanzienlijke) nadelige financiële gevolgen van zullen ondervinden. De geboden tegemoetkoming compenseert tijdelijk en gedeeltelijk. De OR heeft geen inzage in de juridische haalbaarheid van het nieuwe leasebeleid. Dit heeft betrekking op individuele arbeidsovereenkomsten en is een zaak tussen werkgever en de individuele werknemers. De OR adviseert positief (...).

2.12

Op verzoek van Rabobank Eindhoven-Veldhoven heeft haar ondernemingsraad

op 29 december 2016 ingestemd met het toepassen van de Autoleaseregeling

vanaf 1 januari 2018, met een overgangsregeling voor de bestaande leaserijders.

2.13

Rabobank heeft de Werknemers geïnformeerd dat zij hun leaseauto moesten inleveren omdat zij minder dan 20.000 zakelijke kilometers per jaar reden en geen recht hadden op arbeidsvoorwaardelijke toekenning uit hoofde van hun functiegroep.

2.14

De Werknemers hebben hiermee niet ingestemd.

2.15

De uiteindelijk aan alle Werknemers aangeboden overgangsregeling houdt in dat

zij nog twee jaar gebruik mochten maken van hun leaseauto of aanspraak konden kunnen maken op financiële compensatie tot het einde van die twee jaar.

3 Beoordeling

3.1

Het vonnis is gewezen op vordering van 29 eisers in vier gevoegde procedures. De appeldagvaardingen betrekken 25 van de oorspronkelijke eisers in het geding in appel. De oorspronkelijke eisers (in de procedure met zaaknummer CV 17-28833) [A] , [B] , [C] en [D] zijn niet in hoger beroep gedagvaard. Het hoger beroep tegen [E] is bij de memorie van grieven ingetrokken.

3.2

In dit geding stellen de Werknemers zich op het standpunt dat de terbeschikkingstelling van een leaseauto voor rekening van Rabobank een arbeidsvoorwaarde is, die Rabobank niet rechtsgeldig eenzijdig kan wijzigen omdat zij daarbij niet een voldoende zwaarwegend belang heeft. Zij hebben verklaringen voor recht gevorderd van die strekking en daarnaast, samengevat, veroordeling van Rabobank om aan de Werknemers (primair) ook na afloop van hun lopende of recent geëindigde leasecontract een leaseauto ter beschikking te stellen tegen dezelfde prijs en van dezelfde categorie of (subsidiair) een billijke en structurele financiële vergoeding te betalen.

3.3

In het bestreden vonnis is de kantonrechter met toepassing van de zogenoemde Haviltex-maatstaf tot de slotsom gekomen dat de terbeschikkingstelling van een leaseauto aan de Werknemers is te beschouwen als een arbeidsvoorwaarde. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat de door Rabobank aangevoerde redenen voor de beëindiging van de terbeschikkingstelling (noodzaak van kostenreductie, wens tot harmonisatie van het leasebeleid in de verschillende bankvestigingen, duurzaamheid en veranderende arbeidspatronen) niet zwaarwichtig zijn in de zin van artikel 7:613 BW, zodat Werknemers van wie de arbeidsovereenkomst een wijzigingsbeding bevat, met het beëindigen van de terbeschikkingstelling niet hoeven in te stemmen en Werknemers van wie de arbeidsovereenkomst niet een wijzigingenbeding bevat dus ook niet. De primaire vorderingen van de Werknemers zijn toegewezen. [geïntimeerde sub 23] en [geïntimeerde sub 22] hadden tevens gevorderd dat aan de veroordeling tot terbeschikkingstelling een dwangsom werd verbonden, welke vordering eveneens is toegewezen.

3.4

In hoger beroep hebben [X] c.s. hun eis vermeerderd en gevorderd dat Rabobank tevens wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,= per persoon per maand zolang de leaseauto niet ter beschikking wordt gesteld en tot vergoeding van € 952,-- per persoon ter zake van buitengerechtelijke kosten en dat aan de veroordeling tot nakoming van de verplichting een leaseauto ter beschikking te stellen een dwangsom wordt verbonden.

3.5

Met grief 1 bestrijdt Rabobank het oordeel van de kantonrechter dat de terbeschikkingstelling van een leaseauto aan de Werknemers is te kwalificeren als een arbeidsvoorwaarde omdat (i) de terbeschikkingstelling van een leaseauto in sommige sollicitatiegesprekken aan de orde is geweest, (ii) de Werknemers gedurende hun (langdurige) dienstverband de beschikking hebben gehad over een leaseauto die zij (iii) ook privé mochten gebruiken en (iv) het gebruik van de leaseauto niet afhankelijk was gesteld van het aantal zakelijk gereden kilometers. Grief 2 strekt ten betoge dat de kantonrechter in het vonnis niet is ingegaan op het betoog van Rabobank dat een leaseauto slechts voor vijf jaar aan de Werknemers werd toegekend zodat Werknemers in ieder geval geen automatisch recht hadden op terbeschikkingstelling van een leaseauto na ommekomst van die termijn. Rabobank heeft, zo voert zij aan, aan de Werknemers een leaseauto ter beschikking gesteld uit hoofde van hun functie voor het afleggen van zakelijke kilometers. De auto werd uitsluitend ter beschikking gesteld om de functie naar behoren te kunnen verrichten. Die terbeschikkingstelling was niet afhankelijk van het aantal gereden zakelijke kilometers maar van de functie van betrokkene. De Werknemers kregen de beschikking over een leaseauto uit overwegingen van reis- en tijdsefficiency en kosten. De auto werd steeds maar voor vijf jaar ter beschikking gesteld, hetgeen ook uitdrukkelijk was bepaald in de Autoleaseregeling en in de individuele leasecontracten. Als een werknemer na afloop van de vijf jaar waarvoor de leaseovereenkomst werd gesloten niet meer aan de voorwaarden van de Autoleaseregeling en de lokale aanvullingen daarop voldeed, had hij geen recht op nieuwe auto. De terbeschikkingstelling werd dus niet automatisch verlengd. De meeste Werknemers hebben die vijfjaarlijkse toets meegemaakt. Zij hebben er dus niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zij altijd en onvoorwaardelijk een leaseauto zouden krijgen. Het recht op terbeschikkingstelling van een leaseauto is niet opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomsten - daarin wordt slechts verwezen naar de Autoleaseregeling of de lokale regelingen - en is evenmin geregeld in de toepasselijke Rabobank cao, aldus Rabobank.

3.6

Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat de vraag of het ter beschikking hebben van een leaseauto als een arbeidsvoorwaarde moet worden aangemerkt niet voor alle Werknemers gezamenlijk kan worden beantwoord. Het feit dat de Werknemers gedurende enige tijd een leaseauto ter beschikking hebben gehad, die zij ook privé mochten gebruiken, betekent op zichzelf nog niet dat het ter beschikking hebben van die leaseauto als arbeidsvoorwaarde moet worden gekwalificeerd. Een leaseauto werd, zoals Rabobank ook heeft aangevoerd, in eerste instantie slechts voor vijf jaar toegekend in die gevallen dat daaromtrent niet bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst of op enig later moment expliciete afspraken waren gemaakt, zoals bij een aantal van de Werknemers het geval is geweest. Het ter beschikking hebben van een leaseauto is echter wel een arbeidsvoorwaarde (geworden) voor diegenen van de Werknemers, met wie het ter beschikking hebben van een leaseauto bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst of bij een wijziging van functie uitdrukkelijk is overeengekomen, alsmede voor diegenen die langer dan tien jaar een leaseauto ter beschikking hebben gehad omdat de steeds voor vijf jaar aangegane leaseovereenkomst dan tenminste tweemaal is verlengd. De desbetreffende werknemers mochten na twee verlengingen, waarbij, naar zij hebben gesteld en Rabobank niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, nooit met hen is besproken of zij op grond van de Autoleaseregeling nog voor een leaseauto in aanmerking kwamen - maar die verlenging dus vanuit hen beschouwd “automatisch” plaatsvond - gerechtvaardigd erop vertrouwen dat zij in beginsel (zolang zich niet de situatie voordoet dat van de desbetreffende werknemer kan worden gevergd dat deze akkoord gaat met beëindiging van de terbeschikkingstelling ) gedurende de resterende tijd van de arbeidsovereenkomst recht zouden hebben op een leaseauto. Onderzocht zal moeten worden voor wie van de Werknemers het ter beschikking hebben van een leaseauto een arbeidsvoorwaarde is (geworden) en voor wie niet.

3.7

Als producties bij de dagvaardingen in eerste aanleg hebben de Werknemers onder meer van ieder van hen een aantal op hun aanstellingen en/of functiewijziging(en) betrekking hebben de stukken in het geding gebracht. Uit die stukken blijkt dat aan een aantal Werknemers het ter beschikking hebben van een leaseauto uitdrukkelijk is toegezegd:

[geïntimeerde sub 4]

beschikt blijkens zijn stellingen sinds 29 december 2014 over een leaseauto. Kennelijk is [geïntimeerde sub 4] met ingang van 1 september 2015 bij een andere Rabobank gaan werken. Bij de stukken bevindt zich de op 7 augustus 2015 getekende arbeidsovereenkomst en een vervoersovereenkomst van diezelfde datum (productie 2.6 bij de inleidende dagvaarding van [X] c.s.). In laatstgenoemde overeenkomst is vastgelegd dat [geïntimeerde sub 4] vanaf 1 september 2015 in aanmerking komt voor een leaseauto. Die toekenning is niet voor bepaalde tijd. De overeenkomst kan worden gewijzigd wanneer de standplaats, de woonplaats en/of het (zakelijk) reispatroon wijzigt, door, samengevat, het gaan verrichten van andere werkzaamheden of de keuze voor een ander vervoermiddel. Gesteld noch gebleken is dat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan.

[geïntimeerde sub 12]

In de aanstellingsbrief van 14 mei 1998 - productie 2.16 bij inleidende dagvaarding [X] c.s. - staat: Auto: U komt in aanmerking voor een lease-auto tot f 43.000 (…). heeft sinds 14 mei 1998 de beschikking over een leaseauto.

[geïntimeerde sub 19]

In de als productie 2.24 bij de inleidende dagvaarding [X] c.s. in het geding gebrachte brief (waarvan de aanhef niet te lezen is, maar waarvan Rabobank niet heeft betwist dat deze aan [geïntimeerde sub 19] is verzonden), waarbij aan [geïntimeerde sub 19] de benoeming in een nieuwe functie met ingang van 1 december 2013 wordt bevestigd staat: Leaseauto In deze functie heb je binnen het huidige beleid recht op een leaseauto. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde sub 19] inmiddels van functie is veranderd.

[geïntimeerde sub 21]

In een e-mail van 26 januari 2012 - productie 2.22 bij de inleidende dagvaarding [X] c.s. -, waarin de afspraken met betrekking tot de indiensttreding van [geïntimeerde sub 21] bij Rabobank wordt bevestigd staat: Arbeidsvoorwaardelijk heb je recht op een dienstauto.

[geïntimeerde sub 22]

Artikel 5 lid 2 van de arbeidsovereenkomst van 23 juli 2008 tussen [geïntimeerde sub 22] en de Rabobank - productie 2 bij de inleidende dagvaarding van [geïntimeerde sub 22] - luidt: De medewerker kan – gezien zijn functie – aanspraak maken op een door de werkgever beschikbaar gestelde auto, waarbij de kosten (..) voor rekening van de werkgever komen. Ook ten aanzien van [geïntimeerde sub 22] is niets gesteld of gebleken over een functiewijziging.

[geïntimeerde sub 23]

is in dienst bij Rabobank sedeert 1 augustus 2011. Hij stelt dat hij het ter beschikking hebben van een leaseauto heeft bedongen bij zijn sollicitatie. Bij de door hem bij de inleidende dagvaarding in het geding gebrachte stukken bevindt zich onder 3A een op 12 oktober 2011 getekende Vervoersovereenkomst, waarin Van [geïntimeerde sub 23] een leaseauto is toegekend. Die toekenning is niet voor bepaalde tijd. De overeenkomst kan worden gewijzigd wanneer de standplaats, de woonplaats en/of het (zakelijk) reispatroon wijzigt, door, samengevat, het gaan verrichten van andere werkzaamheden of de keuze voor een ander vervoermiddel. Gesteld noch gebleken is dat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan.

Voor deze zes Werknemers is het hebben van een leaseauto dus een arbeidsvoorwaarde omdat het ter beschikking krijgen van een auto uitdrukkelijk is overeengekomen.

3.8

In de inleidende dagvaardingen is vermeld met ingang van welke datum aan de respectieve Werknemers een leaseauto ter beschikking is gesteld. Rabobank heeft de daar genoemde data niet betwist. Dat betekent dat [X] (sinds 1 april 2001), [geïntimeerde sub 3] (sinds 30 januari 2001), [geïntimeerde sub 5] (sinds 1 december 2006), [geïntimeerde sub 7] (sinds 1 december 1989), [geïntimeerde sub 8] (sinds eind jaren ‘80), [geïntimeerde sub 10] (sinds 1 juli 1998), [geïntimeerde sub 11] (sinds 1 februari 2006), [geïntimeerde sub 13] (sinds 2001), [geïntimeerde sub 15] (sinds 1 januari 1998), [geïntimeerde sub 16] (sinds 2001) en [geïntimeerde sub 18] (sinds 1 september 1999) gedurende meer dan tien jaar een leaseauto hebben gehad en tenminste twee verlengingen van het leasecontract hebben meegemaakt. Het ter beschikking hebben van een leaseauto moet ook voor hen als arbeidsvoorwaarde worden beschouwd zodat zij in beginsel recht hebben op voortzetting van het ter beschikking hebben van een leaseauto.

3.9

Met betrekking tot de overige zeven Werknemers geldt het volgende:

[geïntimeerde sub 2]

beschikt sinds de aanvang van de arbeidsovereenkomst met Rabobank op 1 december 2008 over een leaseauto. Noch in de arbeidsovereenkomst, noch in enig ander stuk (anders dan de stukken met betrekking tot een specifieke leaseauto) zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerde sub 2] recht heeft op een leaseauto. [geïntimeerde sub 2] heeft gesteld dat zij bij haar sollicitatie een leaseauto heeft bedongen maar heeft die stelling onvoldoende onderbouwd en geen specifiek bewijsaanbod gedaan, zodat daaraan voorbijgegaan wordt. Uitgangspunt is daarom dat het ter beschikking hebben van een leaseauto langer dan de vijf jaar waarvoor de leaseovereenkomst is aangegaan niet expliciet is overeengekomen. Rabobank heeft [geïntimeerde sub 2] op enig moment te kennen gegeven dat de (naar aangenomen mag worden tweede) leaseovereenkomst niet zou worden verlengd. [geïntimeerde sub 2] heeft dus niet langer dan tien jaar de beschikking gehad over een leaseauto. Zij heeft geen recht op voorzetting van het gebruik daarvan. Haar vorderingen worden alsnog afgewezen.

[geïntimeerde sub 6]

is sinds 4 oktober 1984 in dienst van Rabobank en heeft per 1 november 2012 de beschikking gekregen over een leaseauto. Dat is korter dan tien jaar geleden. Noch in de arbeidsovereenkomst, noch in enig ander stuk (anders dan de stukken met betrekking tot een specifieke leaseauto) zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerde sub 6] de beschikking zou krijgen over een leaseauto. Uit de stellingen van [geïntimeerde sub 6] blijkt ook niet dat partijen op enig moment de terbeschikkingstelling van een leaseauto voor een langere periode dan de periode waarvoor de leaseovereenkomst is aangegaan, zijn overeengekomen. Het recht van [geïntimeerde sub 6] op een leaseauto is geëindigd in maart 2018. Haar vorderingen worden alsnog afgewezen.

[geïntimeerde sub 9]

is sinds 1 juni 2012 werkzaam bij de Rabobank en heeft sedertdien de beschikking over een leaseauto. Noch in de arbeidsovereenkomst, noch in enig ander stuk (anders dan de stukken met betrekking op een specifieke leaseauto) zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerde sub 9] de beschikking zou krijgen over een leaseauto. Uitgangspunt is daarom dat het ter beschikking hebben van een leaseauto langer dan de vijf jaar waarvoor de leaseovereenkomst is aangegaan niet expliciet is overeengekomen. [geïntimeerde sub 9] heeft geen recht op voorzetting van het gebruik daarvan na mei 2019, toen de lopende leaseovereenkomst eindigde. Zijn vorderingen worden alsnog afgewezen.

[geïntimeerde sub 14]

is bij Rabobank in dienst sinds 1 mei 2011, derhalve korter dan tien jaar. Ook voor hem geldt dat het recht een leaseauto te gebruiken uitsluitend is vastgelegd in de op de aan hem ter beschikking gestelde leaseauto betrekking hebbende stukken. Zijn recht op het ter beschikking hebben van een leaseauto is geëindigd op 22 juni 2020, op welke datum de laatste leaseovereenkomst eindigde. Zijn vorderingen worden eveneens afgewezen.

[geïntimeerde sub 17]

is bij Rabobank in dienst sedert 1 mei 2012 en beschikt sinds 1 september 2013 over een leaseauto. Voor hem geldt hetzelfde als hiervoor voor [geïntimeerde sub 14] is overwogen. De leaseovereenkomst voor de hem ter beschikking staande auto is op 28 juni 2020 geëindigd. Zijn vorderingen worden afgewezen.

[geïntimeerde sub 20]

is in dienst bij Rabobank sinds 2 september 1991. Hij beschikte sinds 5 oktober 2007 over een leaseauto, die hij op 14 juli 2017 heeft ingeleverd nadat Rabobank te kennen had gegeven dat hij niet voor een nieuwe leaseauto in aanmerking zou komen. Ook voor [geïntimeerde sub 20] geldt dat hij niet langer dan tien jaar de beschikking had over een leaseauto. De vorderingen van [geïntimeerde sub 20] worden daarom afgewezen.

[geïntimeerde sub 24]

is in dienst bij Rabobank sinds 1 september 2008. Hij stelt dat hij bij zijn indiensttreding is overeengekomen dat hij de beschikking over een leaseauto zou krijgen maar heeft die stelling niet onderbouwd en geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Bij brief van 20 december 2016 heeft Rabobank [geïntimeerde sub 24] bericht dat hij na afloop van de tweede leaseovereenkomst geen nieuwe leaseauto zou krijgen. Hij heeft dus niet langer dan tien jaar de beschikking gehad over een leaseauto. Zijn vorderingen worden afgewezen.

Grief 1 slaagt gedeeltelijk. Grief 2 faalt.

3.10

Nu is vastgesteld dat het ter beschikking hebben van een leaseauto voor een aantal Werknemers een arbeidsvoorwaarde is, moet de vraag worden beantwoord of Rabobank gerechtigd was die arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen. Grief 3 klaagt erover dat de kantonrechter een onjuiste, althans onvoldoende gemotiveerde, maatstaf heeft gehanteerd. Grief 4 strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat Rabobank geen zwaarwichtig belang heeft bij het niet langer ter beschikking stellen van een leaseauto aan een aantal van haar werknemers.

3.11

In een aantal gevallen is in de arbeidsovereenkomst van de Werknemers een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen als bedoeld in artikel 7:613 BW. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen (onder 3.5) dat van een dergelijk beding door de werkgever slechts gebruik gemaakt mag worden als hij bij een wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat daardoor wordt geschaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarvoor moet wijken. De kantonrechter heeft vervolgens overwogen dat Rabobank geen zwaarwichtig belang heeft bij de wijziging en de belangen van de werknemers op geen enkele wijze meegewogen, aldus Rabobank. Zij meent dat de kantonrechter aldus niet de goede maatstaf heeft gehanteerd omdat het bij de vraag of een werkgever van zijn wijzigingsbevoegdheid gebruik mag maken niet erom gaat of die werkgever een zwaarwichtig belang heeft bij de wijziging, maar beoordeeld moet worden of het belang van de werkgever bij de wijziging zodanig is dat het belang van de werknemer bij behoud van de arbeidsvoorwaarde daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

3.12

Het betoog van Rabobank dat bij de beantwoording van de vraag of een werkgever met succes een beroep kan doen op zijn recht een arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen, ingevolge het bepaalde in artikel 7:613 BW een belangenafweging in de door Rabobank bepleite zin dient plaats te vinden, is op zichzelf juist. Dat betekent, zoals uit het hiernavolgende zal blijken, evenwel niet dat Rabobank gerechtigd was de arbeidsvoorwaarde van de Werknemers, op grond waarvan zij recht op een leaseauto hadden, eenzijdig te wijzigen.

3.13

Rabobank heeft als haar in aanmerking te nemen belangen bij de wijziging in de eerste plaats genoemd de strengere kapitaaleisen waaraan zij moet voldoen in welk kader zij ingrijpende kostenbesparende maatregelen heeft moeten nemen, die hebben geleid tot een totale kostenbesparing van € 740 miljoen, waaraan voor € 17 miljoen wordt bijgedragen door het afschaffen een leaseauto voor een groot aantal werknemers. Rabobank wijst erop dat de ondernemingsraden van Rabobank Rijn en Heuvelrug en Rabobank Eindhoven-Veldhoven respectievelijk positief heeft geadviseerd en heeft ingestemd met de lokale aanvullingen op de Leaseregeling op grond waarvan een aantal Werknemers een leaseauto ter beschikking hadden. Rabobank stelt dat van de Werknemers mag worden verwacht dat zij een steentje bijdragen en bewilligen in een versobering van hun arbeidsvoorwaarden. Rabobank voert verder aan dat zij haar werknemers aanmoedigt zo min mogelijk onderweg te zijn, hetgeen mogelijk is omdat de klantencontactmomenten verschuiven van persoonlijk contact naar contact via internet. Zo werkt zij mee aan een vermindering van de CO2-uitstoot. Tenslotte stelt Rabobank dat zij in het kader van haar nieuwe organisatiestructuur belang heeft bij harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden. Het hof overweegt als volgt.

3.14

Het belang van de Werknemers bij voortzetting van het gebruik van de leaseauto is, zoals zij ook hebben aangevoerd, gelegen in het feit dat zij de auto niet alleen zakelijk gebruiken maar daar ook gebruik van kunnen maken voor hun woon-werkverkeer en er ongelimiteerd privé gebruik van mogen maken, hetgeen voor hen een niet onaanzienlijk voordeel oplevert ook indien in aanmerking wordt genomen dat van de Werknemers een financiële bijdrage wordt gevraagd. Als productie 26 bij memorie van antwoord zijdens [X] c.s. zijn twee berekeningen overgelegd waaruit blijkt dat dat nadeel voor de desbetreffende werknemers respectievelijk € 419,32 en
€ 495,80 netto per maand bedraagt. Rabobank heeft de juistheid van die berekeningen niet bestreden en evenmin betwist dat het nadeel respectievelijk 12 en 15 procent van het nettoloon van die werknemers is.

3.15

Naar het oordeel van het hof hoeft dat belang van de Werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet te wijken voor de door Rabobank gestelde belangen. Rabobank heeft weliswaar aangevoerd dat zij op grond van strengere regelgeving kosten reducerende maatregelen heeft moeten nemen maar zij heeft niet onderbouwd dat en waarom het besparen op de kosten tot het door haar genoemde bedrag van € 740 miljoen noodzakelijk was en dat het in het kader van de kostenbesparende maatregelen noodzakelijk was om (ook) op de onderhavige kosten van leaseauto’s te besparen nu zij met de onderhavige maatregel maar een relatief laag bedrag (€ 17 miljoen) bespaart. Rabobank heeft bovendien niet uitgelegd waarom zij wel wil bezuinigen op de leasecontracten van de Werknemers maar hogere functionarissen hun leaseauto laat houden, zoals de Werknemers hebben aangevoerd. Het feit dat de ondernemingsraden van twee vestigingen waar een aantal Werknemers werkzaam is, met de wijzigingen hebben ingestemd en het feit dat Rabobank streeft naar harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden, zijn in aanmerking te nemen belangen van de Rabobank die evenwel in het kader van de onderhavige belangenafweging onvoldoende gewicht in de schaal leggen.

De conclusie is dat Rabobank niet gerechtigd is de onderhavige arbeidsvoorwaarde van de Werknemers met wie een wijzigingsbeding is overeengekomen te wijzigen. De grieven 3 en 4 kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

3.16

Grief 5 klaagt erover dat de kantonrechter heeft overwogen dat de werknemers met wie geen wijzigingsbeding is overeengekomen de voorgestelde wijziging in hun arbeidsvoorwaarde met betrekking tot de leaseauto niet behoeven te accepteren als de Werknemers voor wie wel een (eenzijdig) wijzigingsbeding geldt dat niet hoeven. Rabobank stelt dat de in dat geval te hanteren maatstaf van artikel 7:611 BW een andere is. Onderzocht moet worden of de eisen van goed werknemerschap meebrengen dat van de Werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gevergd kan worden dat zij het voorstel van Rabobank hen niet langer in aanmerking te laten komen voor een leaseauto accepteren.

3.17

Aan Rabobank kan worden toegegeven dat de in het kader van artikel 7:611 BW te hanteren maatstaf een andere is dan de hiervoor besproken maatstaf die gehanteerd moet worden in het kader van artikel 7:613 BW. Anders dan Rabobank blijkbaar meent kan van de Werknemers evenwel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verwacht worden dat zij het onderhavige wijzigingsvoorstel aanvaarden, nu Rabobank daarbij, zoals uit het hiervoor overwogene volgt, niet een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de Werknemers dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Grief 5 faalt.

3.18

Bij de behandeling van grief 6 die zich richt tegen de toewijzing van de vorderingen van de Werknemers zoals weergegeven onder II tot en met V van het dictum van het bestreden vonnis heeft Rabobank na het hiervoor overwogene geen belang.

3.19

De kantonrechter heeft in bij het bestreden vonnis de vorderingen van [geïntimeerde sub 23] , [geïntimeerde sub 22] en [geïntimeerde sub 24] Rabobank te veroordelen aan ieder van hen een bedrag van € 952,-- te betalen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. In hoger beroep hebben [X] c.s. hun eis vermeerderd en (onder meer) gevorderd Rabobank te veroordelen ieder van hen hetzelfde bedrag ter zake van buitengerechtelijke incassokosten te betalen. Grief 7 betoogt dat er voor het toewijzen van enig bedrag ter zake van buitengerechtelijke incassokosten geen grondslag was. De werknemers hebben geen schade geleden en zij hebben hun kosten niet gespecificeerd en gemotiveerd zodat niet kan worden beoordeeld of een redelijk deel van de kosten voor vergoeding in aanmerking komt. Eventuele kosten zijn bovendien gemaakt ter voorbereiding van de procedure.

3.20

Deze grief slaagt. [geïntimeerde sub 23] , [geïntimeerde sub 22] en [geïntimeerde sub 24] hebben tegenover de uitdrukkelijke betwisting in hoger beroep door Rabobank van hun stelling dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben laten verrichten onvoldoende aangetoond dat er wel werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van deze procedure. [X] c.s. hebben in de inleidende dagvaarding niet meer gesteld dan dat hun gemachtigde Rabobank heeft aangeschreven en kosten heeft gemaakt. Ook zij hebben hun vordering derhalve onvoldoende onderbouwd. De desbetreffende vorderingen worden (alsnog) afgewezen.

3.21

Grief 8 stelt de kostenveroordeling aan de orde. Rabobank stelt dat zij ten onrechte in de kosten van de procedure in eerste aanleg is veroordeeld, vermeerderd met nakosten. Deze grief slaagt voor zover de vorderingen van de Werknemers alsnog worden afgewezen. Die Werknemers zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure van Rabobank in eerste aanleg.

3.22

Grief 9 richt zich tegen het feit dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Rabobank is ten gevolge daarvan immers genoodzaakt de Werknemers een auto ter beschikking te stellen, waardoor Rabobank hoge kosten moet maken. Gezien het principiële karakter van deze zaak had de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaring achterwege moeten laten. Ook deze grief faalt. Niet alleen heeft Rabobank, zoals de Werknemers ook hebben aangevoerd, in eerste aanleg geen specifiek verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, maar bovendien kon de kantonrechter de onderhavige veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren nu uit de wet of de aard van de zaak het tegendeel niet voortvloeide.

3.23

[X] c.s. hebben in hoger beroep hun eis vermeerderd en gevorderd aan de veroordeling van Rabobank hen een leaseauto ter beschikking te stellen een dwangsom te verbinden. Zij stellen dat alleen Rabobank Rijn en Heuvelrug de veroordeling de Werknemers een leaseauto ter beschikking te stellen is nagekomen. Deze vordering is toewijsbaar met dien verstande dat het hof aanleiding ziet de dwangsom te beperken tot € 250,-- per dag met een maximum van € 15.000,-- bruto overeenkomstig de veroordeling ten gunste van [geïntimeerde sub 23] , [geïntimeerde sub 22] en [geïntimeerde sub 24] in het dictum van het bestreden vonnis onder V.

3.24

[X] c.s. hebben hun eis in hoger beroep tenslotte ook vermeerderd met de vordering Rabobank te veroordelen ieder van hen € 500,-- per maand te betalen als compensatie voor het niet langer ter beschikking stellen van een leaseauto. Rabobank heeft zich tegen toewijzing van de vordering verzet. Zij stelt dat zij het bestreden vonnis correct nakomt en de Werknemers overeenkomstig het vonnis een leaseauto ter beschikking stelt. Deze vordering is niet toewijsbaar omdat [X] c.s. hun belang daarbij onvoldoende hebben onderbouwd. Op grond van het bestreden vonnis is Rabobank immers gehouden de Werknemers voor wie het ter beschikking hebben van een auto een arbeidsvoorwaarde is, een auto ter beschikking te stellen. Bovendien wordt hun vordering aan de veroordeling een dwangsom te verbinden, zoals hiervoor werd overwogen, toegewezen.

3.25

De conclusie is dat de grief 7 slaagt en de grieven 1 en 8 gedeeltelijk. De overige grieven falen voor zover het de hiervoor onder 3.7 en 3.8 genoemde Werknemers betreft en slagen voor zover het de onder 3.9 genoemde Werknemers betreft.

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd voor de onder 3.7 en 3.8 genoemde Werknemers, behoudens op het punt van de toegewezen incassokosten, die alsnog zullen worden afgewezen, waarbij ten aanzien van die werknemers ten laste van Rabobank een door het hof ambtshalve gemaximeerde dwangsom zal worden opgelegd, voor zover dat nog niet is geschied in het bestreden vonnis onder V.

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor de onder 3.9 genoemde Werknemers. Hun vorderingen worden alsnog afgewezen.

3.26

Als de in het ongelijk gestelde partij worden de Werknemers genoemd onder 3.9 veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in appel, met dien verstande dat het hof aanleiding ziet in het geding tussen Rabobank en [X] c.s. de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren, omdat een aantal van de Werknemers die worden aangeduid met [X] c.s. in het ongelijk wordt gesteld en een aantal in het gelijk. Rabobank wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in appel aan de zijde van [geïntimeerde sub 22] en [geïntimeerde sub 23] .

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vorderingen van [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 6] , [geïntimeerde sub 9] , [geïntimeerde sub 14] , [geïntimeerde sub 17] , [geïntimeerde sub 20] en [geïntimeerde sub 24] zijn toegewezen, voor zover Rabobank jegens hen in de proceskosten is veroordeeld en voor zover Rabobank daarbij onder VI is veroordeeld buitengerechtelijke incassokosten te betalen

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 6] , [geïntimeerde sub 9] , [geïntimeerde sub 14] , [geïntimeerde sub 17] , [geïntimeerde sub 20] en [geïntimeerde sub 24] alsnog af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vorderingen van [X] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] , [geïntimeerde sub 7] , [geïntimeerde sub 8] , [geïntimeerde sub 10] , [geïntimeerde sub 11] , [geïntimeerde sub 12] , [geïntimeerde sub 13] , [geïntimeerde sub 15] , [geïntimeerde sub 16] , [geïntimeerde sub 18] , [geïntimeerde sub 19] , [geïntimeerde sub 21] , [geïntimeerde sub 22] en [geïntimeerde sub 23] zijn toegewezen en Rabobank jegens hen in de gedingkosten is veroordeeld, met uitzondering van de in het dictum onder VI toegewezen buitengerechtelijke incassokosten;

in zoverre opnieuw rechtdoende en rechtdoende op de ter zake in hoger beroep voor het eerst ingestelde vorderingen:

wijst de vorderingen Rabobank te veroordelen aan ieder van de Werknemers een bedrag van € 952,-- te betalen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten af;

bepaalt dat Rabobank aan [X] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] , [geïntimeerde sub 7] , [geïntimeerde sub 8] , [geïntimeerde sub 10] , [geïntimeerde sub 11] , [geïntimeerde sub 12] , [geïntimeerde sub 13] , [geïntimeerde sub 15] , [geïntimeerde sub 16] , [geïntimeerde sub 18] , [geïntimeerde sub 19] en [geïntimeerde sub 21] een dwangsom van € 250,-- bruto per dag met een maximum van € 15.000,-- bruto is verschuldigd voor iedere dag dat Rabobank de veroordeling onder IV van het bestreden vonnis niet nakomt vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest;

veroordeelt [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 6] , [geïntimeerde sub 9] , [geïntimeerde sub 14] , [geïntimeerde sub 17] , [geïntimeerde sub 20] en [geïntimeerde sub 24] in de kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Rabobank begroot op (door ieder van hen te betalen) € 400,-- aan salaris gemachtigde;

compenseert de proceskosten in hoger beroep voor zover het geding werd gevoerd tussen Rabobank enerzijds en [X] c.s. anderzijds;

veroordeelt Rabobank in de kosten van het geding in hoger beroep van [geïntimeerde sub 22] en [geïntimeerde sub 23] tot op heden begroot op (voor ieder van hen) € 324,-- voor verschotten en
€ 3.222,-- voor salaris;

veroordeelt [geïntimeerde sub 24] in de kosten van het geding in hoger beroep van Rabobank tot op heden begroot op € 30,-- voor verschotten (het door Rabobank betaalde griffierecht gedeeld door 24) en € 500,-- voor salaris (drie punten tarief VI gedeeld door 24);

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, J.C.W. Rang en A.M.A. Verscheure en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2020.