Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2063

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
23-004551-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagvaarding in hoger beroep nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004551-18

datum uitspraak: 25 juni 2020

NIET VERSCHENEN

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-146100-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1980,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2020.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep

Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal betekeningsstukken van de dagvaarding in hoger beroep overgelegd aan het hof. Het hof heeft geconstateerd dat van de verdachte met ingang van 24 maart 2020 als BRP-adres is geregistreerd de [adres]. Bij de betekeningsstukken bevindt zich echter geen akte waaruit blijkt dat is geprobeerd de dagvaarding op voornoemd adres uit te reiken. Dit betekent dat het hof op grond van de beschikbare stukken niet in staat is vast te stellen dat de dagvaarding om in hoger beroep op de terechtzitting te verschijnen op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is uitgereikt. Nu de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, dient de dagvaarding op grond daarvan nietig te worden verklaard.

Beslissing

Het hof verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Fetter, mr. M. Jurgens en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2020.