Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1956

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
23-002208-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verkrachting omdat er geen steunbewijs is voor penetratie, een voor bewezenverklaring van verkrachting essentieel aspect.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002208-19

datum uitspraak: 9 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-201493-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1949,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met 31 december 1995 te Lisserbroek, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of de penis van die [slachtoffer] heeft afgetrokken en/of heeft betast en/of zich door die [slachtoffer] heeft laten aftrekken en/of zijn, verdachte’s penis, door die [slachtoffer] heeft laten betasten en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- de vader was van die [slachtoffer] en derhalve een natuurlijk overwicht had op die [slachtoffer], en/of

- reeds voordat de hier genoemde handelingen gebeurden, jarenlang ontuchtige handelingen heeft gepleegd met die [slachtoffer], en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat dit hun geheim was en/of dat die [slachtoffer] dit niet tegen zijn moeder mocht vertellen en/of dat hij, verdachte, anders naar de gevangenis zou moeten, en/of

- doorging met de penetratie ook als die [slachtoffer] aangaf dat het erg veel pijn deed, en/of

- die [slachtoffer] zeer stevig vastpakte en/of vast hield waardoor die [slachtoffer] geen kant op kon, en/of

- de afgesloten badkamerdeur (in welke badkamer die [slachtoffer] zich bevond) met een schroevendraaier open maakte en/of (aldus) voor die [slachtoffer] (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen.

De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Vrijspraak

Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte zijn kinderen, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), en diens zus en twee broers, in hun jeugd seksueel heeft misbruikt, vanaf ongeveer 1979. Alle kinderen hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat in de ouderlijke woning te Lisserbroek door de verdachte seksuele handelingen met hen zijn verricht tussen de leeftijd van 6 en 16 jaar. De verdachte heeft het seksueel misbruik van zijn kinderen in zijn verklaringen bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd. Het misbruik begon bij alle kinderen met doktertje spelen en ging over in het ondergaan of doen verrichten van seksuele handelingen. De verdachte vertelde de kinderen dat het hun geheim was en dat zij het niet tegen hun moeder mochten zeggen. Het misbruik kwam binnen de familie in 1995 aan het licht. Hiervan is toentertijd geen aangifte gedaan. Eerst in 2017 is bij de politie door een informatief gesprek met [slachtoffer] bekend geworden wat zich destijds in het gezin heeft voorgedaan. Daarbij heeft [slachtoffer] verklaard dat de seksuele handelingen zich bij hem hebben uitgestrekt tot verkrachting.

Bij wet van 7 juli 1994 is art. 71 Sr in die zin aangepast, dat de verjaringstermijn bij (onder meer) het misdrijf van art. 242 Sr (verkrachting), gepleegd ten aanzien van een minderjarige, pas begint te lopen op de dag na die waarop deze persoon achttien jaren is geworden. Vanaf 1 april 2013 geldt dat het recht tot strafvordering ten aanzien van verkrachting niet meer kan verjaren. Vóór die tijd gold een verjaringstermijn van twintig jaren. Strafvervolging zou in deze zaak dus alleen tot een veroordeling kunnen leiden, indien een bewezenverklaring van verkrachting mogelijk is. De andere seksuele handelingen waren ten tijde van de aangifte al verjaard.

Op 4 mei 2017 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting door de verdachte, gepleegd toen [slachtoffer] in de leeftijd van ongeveer 11 tot 16 jaar was. Dit feit is de verdachte ten laste gelegd.

Bij het hof ligt daarom uitsluitend ter beoordeling voor of verkrachting van [slachtoffer] bewezen kan worden verklaard.

Gezien de ontkennende verklaring van de verdachte dient de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate te worden ondersteund door ander bewijsmateriaal om aan de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen voldoen. Het hof moet daarom de vraag beantwoorden of, naast de verklaring van [slachtoffer], voldoende overig (steun)bewijs voorhanden is in het dossier. De verdachte, die seksueel misbruik van zijn kinderen heeft erkend, ontkent dat hij seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer] en stelt dat geen sprake is geweest van verkrachting. Van de door [slachtoffer] genoemde verkrachting(en) is niemand anders getuige geweest. De verklaringen van de andere kinderen komen voor een groot deel overeen met die van [slachtoffer], met name waar het gaat om de plek in de woning waar het misbruik heeft plaatsgevonden, dat de moeder steeds afwezig was ten tijde van het misbruik en dat er vaak een beloning werd gegeven in ruil voor zwijgen. Verdachte heeft dit ook erkend. In de verklaringen van de andere kinderen is echter geen sprake van verkrachting; alleen [slachtoffer] verklaart door de verdachte gepenetreerd te zijn. Nu juist dit, voor een bewezenverklaring van verkrachting essentiële aspect geen steun vindt in de verklaringen van de andere kinderen, en ook overigens niet in het dossier, is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof ziet aanleiding om, gelet op hetgeen door de verdachte zelf is verklaard, op te merken dat de verdachte zijn kinderen heeft beroofd van een veilig thuis, en hen heeft belemmerd in een ongestoorde psychische en lichamelijke ontwikkeling, door hun lichamelijke integriteit op jonge leeftijd grovelijk aan te tasten. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat kinderen in hun vader mogen hebben en van de afhankelijkheid van zijn (zeer jonge) kinderen, door zijn lustgevoelens voorop te stellen. [slachtoffer] is, evenals zijn zus en broers, getekend door het seksueel misbruik in zijn jeugd en hij zal naar verwachting nog lang geconfronteerd worden met de psychische schade die de verdachte bij hem heeft aangericht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.885,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens en D. Damman, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juni 2020.