Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1951

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
23-003162-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen smaad door plaatsen seks-/naaktafbeeldingen van slachtoffer op Instagramaccounts. Voorwaardelijke taakstraf vanwege geringere rol verdachte, haar inzicht in laakbaarheid handelen en oprechte berouw en het tijdsverloop sinds het feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003162-17

datum uitspraak: 30 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-069204-17 tegen

[Verdachte] ,

geboren te Haarlem op [Geboortedatum] 1996,

adres: [Adres] Hoofddorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2020.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [Slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van (een) bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een of meer malen een Instagram account aan te (laten) maken en middels die accounts een of meer foto's en/of filmpjes van die [Slachtoffer] te plaatsen/tonen waarop die [Slachtoffer] geheel of ten dele ontkleed is en/of in al dan niet compromitterende/sexueel getinte/gerichte houding/aktie te zien is;

subsidiair

[Medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [Slachtoffer] heeft aangerand

door tenlastelegging van (een) bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een of meer malen een Instagram account aan te (laten) maken en middels die accounts een of meer foto's en/of filmpjes van die [Slachtoffer] te plaatsen/tonen waarop die [Slachtoffer] geheel of ten dele ontkleed is en/of in al dan niet compromitterende/sexueel getinte/gerichte houding/aktie te zien is,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 10 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

- haar instagram account (zo lang als nodig) open te stellen zodat er (voor het slachtoffer bekende) volgers benaderd konden worden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan op de voet van artikel 378a Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat (i) geen sprake is van smaad, omdat niet als bestanddeel is opgenomen welk bepaald feit door de verdachte ten laste zou zijn gelegd met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven, (ii) geen geloof dient te worden gehecht aan de verklaring van medeverdachte [Medeverdachte] en (iii) de handelingen die de verdachte heeft verricht niet kunnen worden gekwalificeerd als medeplichtigheid aan het door [Medeverdachte] gepleegde strafbare feit.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat voor een bewezenverklaring van smaad als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) – voor zover hier van belang – is vereist dat iemands eer of goede naam wordt aangetast door middel van tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Daarvan is sprake, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst.

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat in de onderhavige zaak drie Instagram-accounts zijn aangemaakt waarop foto’s en filmpjes van de aangeefster [Slachtoffer] zijn geplaatst, waarop zij (gedeeltelijk) naakt te zien is en/of seksuele handelingen verricht. Bij het betreffende beeldmateriaal is de naam van de aangeefster vermeld en wordt verwezen naar haar persoonlijke Instagram account. Tevens is daarbij de tekst geplaatst: “Dit meisje is bekeerd tot de Islam, maar gedraagt zich zo? Dit is respectloos!!”.

Het hof is van oordeel dat de op de Instagram-accounts geplaatste afbeeldingen van seksuele gedragingen van het slachtoffer kunnen worden aangemerkt als voldoende geconcretiseerde gedragingen en daarmee als ‘bepaalde feiten’ als bedoeld in artikel 261 Sr (vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1556), zodat – anders dan door de raadsvrouw is bepleit – in deze zaak sprake is van “tenlastelegging van bepaalde feiten”.

Door het plaatsen van voorgenoemde foto’s en filmpjes van de aangeefster op Instagram, is naar het oordeel van het hof onmiskenbaar de reputatie van de aangeefster in het maatschappelijk verkeer publiekelijk aangetast. Het daarbij plaatsen van een tekst die betrekking heeft op de (kennelijke) geloofsovertuiging van de aangeefster, maakt die aantasting des te groter.

Voorts dient het hof de vraag te beantwoorden of, en zo ja welk aandeel de verdachte heeft gehad in het plaatsen van genoemde foto’s en filmpjes op Instagram. Uit de verklaringen van de verdachte ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in hoger beroep volgt, kort gezegd, dat zij de medeverdachte [Medeverdachte] heeft geholpen bij het aanmaken van de betreffende Instagram-accounts in die zin dat zij haar eigen Instagram-profiel heeft opengesteld, zodat [Medeverdachte] haar contactpersonen als volgers kon aanmaken in de Instagram-accounts waarop de foto’s en filmpjes van de aangeefster werden geplaatst. Voorts volgt uit de verklaringen van de verdachte dat het idee deze nep-accounts aan te maken en daarop de betreffende foto’s en filmpjes te plaatsen in een gesprek tussen haar en [Medeverdachte] ‘ter sprake’ is gekomen, zij door [Medeverdachte] van begin af aan op de hoogte werd gehouden van de vorderingen c.q. de uitvoering van het idee en zij (de verdachte) zichzelf ook volger heeft gemaakt van de betreffende Instagram-accounts. Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een gezamenlijk bedacht plan, waaraan de verdachte en [Medeverdachte] in nauwe en bewuste samenwerking uitvoering hebben gegeven. Daarmee acht het hof het primair ten laste gelegde medeplegen bewezen. Het enkele feit dat de uitvoerende rol van de verdachte geringer was dan die van [Medeverdachte] maakt dit niet anders. Het hof acht de bewezenverklaarde bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Het onder (iii) weergegeven verweer behoeft bij deze stand van zaken geen (nadere) bespreking.

Het zwaartepunt van de door het hof gehanteerde bewijsconstructie ligt in de aangifte van [Slachtoffer] en de verklaring(en) van de verdachte ten overstaan van de politie. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat zij bij de politie naar waarheid had verklaard. De verklaringen van [Medeverdachte] worden door het hof slechts in beperkte mate voor het bewijs gebruikt en vinden in zoverre steun in de verklaringen van de aangeefster en de verdachte. De verdediging heeft geen belang bij verdere bespreking van het onder (ii) weergegeven verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


primair

zij in de periode van 10 augustus 2016 tot en met 16 augustus 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk de eer en de goede naam van [Slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door meermalen een Instagram-account aan te maken en op die accounts foto's en filmpjes van die [Slachtoffer] te plaatsen waarop die [Slachtoffer] geheel of ten dele ontkleed en in seksueel getinte actie te zien is.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van smaad.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg (primair) bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft het hof, kort gezegd, verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede de impact die het incident en het verloop van de terechtzitting in eerste aanleg op haar hebben gehad. In dat verband heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat de verdachte een jonge vrouw zonder strafblad is, zij een baan heeft en een veroordeling in de onderhavige zaak nadelige gevolgen zal kunnen hebben voor haar carrière. Ten slotte heeft de raadsvrouw bepleit dat, gelet op de beperkte rol van de verdachte (ten opzichte van de medeverdachte) in het tenlastegelegde, oplegging van een lagere straf aan de verdachte is gerechtvaardigd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan smaad door Instagram-accounts aan te maken, hierop naaktfoto’s en seksueel getinte filmpjes te plaatsen van een meisje aan wie zij een hekel had, daarbij haar naam te vermelden en de tekst te plaatsen dat zij in het licht van haar geloof respectloos is, alsmede actief volgers aan deze accounts te koppelen. Door aldus te handelen heeft de verdachte de eer en goede naam van het slachtoffer geschaad. Een dergelijke aanranding van iemands reputatie heeft doorgaans grote negatieve impact op diens persoonlijke levenssfeer. Deze zaak vormt hierop geen uitzondering, zo blijkt onder meer uit de door de aangeefster gegeven toelichting op het door haar ingediende verzoek om schadevergoeding. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten langdurig de nadelige (psychische) gevolgen daarvan kunnen ondervinden, mede vanwege het feit dat zaken die op internet worden geplaatst daar altijd opnieuw kunnen opduiken omdat onduidelijk is wie er nog steeds de beschikking over heeft.

Hoewel de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtofferde de oplegging van een onvoorwaardelijke straf rechtvaardigen, ziet het hof in de omstandigheid dat de verdachte er ter terechtzitting in hoger beroep op authentiek overkomende wijze blijk van heeft gegeven dat zij de laakbaarheid van haar handelen inziet en oprecht berouw heeft getoond, alsmede in het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde, aanleiding de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm te gieten.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 100.500,00, bestaande uit een bedrag van € 500,00 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 100.000,00 als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep bereid verklaard de gevorderde € 100,00 ter vergoeding van schade aan de benadeelde partij te betalen.

Het hof overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid schatten op € 100,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en intensiteit van de normschending, de gevolgen hiervan voor de benadeelde partij, en op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 augustus 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juni 2020.

mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]