Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1942

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
23-001591-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugwijzing Hoge Raad. Openlijke geweldpleging. Verdachte komt geen beroep op noodweer toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001591-19

datum uitspraak: 25 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 16 april 2019 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer

13-097553-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Procesgang

De politierechter heeft de verdachte voor het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 13 maart 2018 het vonnis bevestigd, met uitzondering van de straf.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij voornoemd arrest het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 9 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Ceintuurbaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het (met een bierfles) slaan en/of stompen van voornoemde [slachtoffer] en/of uit het sprayen met pepperspray in het gezicht van voornoemde [slachtoffer];

subsidiair
hij op of omstreeks 9 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (met een bierfles) te slaan en/of te stompen en/of door voornoemde [slachtoffer] met pepperspray in het gezicht te sprayen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewijsverweer

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de aangever heeft geslagen nu de verdachte dit ontkent en geen van de getuigen de verdachte heeft zien slaan, terwijl de aangever heeft verklaard dat hij slechts heeft gevoeld – en niet gezien – dat hij door een tweede persoon werd geslagen. Voorts heeft de raadsman vraagtekens geplaats bij de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van de aangever omdat hij zonder tolk is gehoord en niet heeft verklaard over het geweld dat hij zelf heeft gebruikt. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van het in vereniging plegen van geweld of het medeplegen daarvan.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

De aangever heeft kort na het voorval – in samengevatte vorm – het volgende verklaard:

De aangever was op 9 mei 2015 als schoonmaker aan het werk op het terras van een café in Amsterdam. Op enig moment kwamen twee mannen, waarvan één (hierna: man 1) een bank van het terras verschoof. De aangever sprak man 1 daar op aan, waarna deze op korte afstand van de aangever ging staan, met een bierfles boven zijn hoofd alsof hij de aangever wilde slaan. Om zich te beschermen, hield de aangever zijn handen voor zijn hoofd. Op dat moment sprayde de andere man de aangever in het gezicht. Door de pijn dook de aangever in elkaar, waarop hij door beide mannen op zijn rug werd gestompt; dit voelde en – waar het man 1 betreft – zag hij.

De verdachte heeft bevestigd dat hij heeft met een bierfles tegenover de aangever heeft gestaan alsof hij hem daarmee wilde slaan en dat een man die hij kent als ‘Rasta’ de aangever met spray in het gezicht heeft gespoten. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte man 1 betreft.

Op de dag van het voorval heeft ook getuige [getuige] een verklaring afgelegd, inhoudende dat zij had gezien dat de aangever van twee kanten werd belaagd door twee mannen, dat deze op de aangever afliepen en dat de aangever geen kant op kon. Op 6 november 2017 heeft [getuige] tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat twee mannen dreigend op de aangever afliepen en dat zij de politie belde omdat de aangever bedreigd werd.

Twee verbalisanten, die naar aanleiding van een melding – kennelijk de melding van getuige [getuige] –, inhoudende dat een schoonmaker werd aangevallen door twee dronken mannen, ter plaatse kwamen, zagen twee mannen staan. Eén van hen had een bezem in zijn hand en de ander (naar later bleek: de verdachte) liep met gebalde vuisten op de man met de bezem af.

De verklaringen van [getuige] en de bevindingen van de verbalisanten bieden in zoverre steun aan de verklaring van de aangever, dat daaruit volgt dat de verdachte en zijn metgezel de agressoren waren. Voorts kan worden geconcludeerd dat beiden een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het geweld en dat zij daarbij nauw en bewust hebben samengewerkt. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van de aangever en acht dan ook op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, bewezen dat de verdachte en de medeverdachte openlijk in vereniging geweld hebben gepleegd tegen de aangever. De omstandigheid dat alleen de aangever het slaan heeft waargenomen, doet aan die conclusie niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 9 mei 2015 te Amsterdam met een ander op de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het stompen van [slachtoffer] en het sprayen in het gezicht van [slachtoffer].

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, en om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, op de grond dat de aangever met het geweld is begonnen door de verdachte te slaan met een bezem en de verdachte zich daartegen heeft verweerd binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof verwijst naar de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden en overweegt dat daaruit volgt dat de verdachte en zijn mededader de agressoren waren en dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een (ogenblikkelijke wederrechtelijke) aanranding door de aangever waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Zij hebben het slachtoffer gestompt en in zijn gezicht gesprayd terwijl hij aan het werk was. Aldus handelend hebben zij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hebben zij hem lichamelijk letsel toegebracht. Dit rekent het hof de verdachte aan. Voorts heeft het geweld plaatsgevonden op het terras van een café, een voor publiek toegankelijke plaats, zodat het voor omstanders waarneembaar was. Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaken, maar ook bij degenen die er ongewild getuigen van zijn.

In beginsel acht het hof een aanmerkelijk hogere straf dan in eerste aanleg is opgelegd, passend en geboden. Toch zal het hof volstaan met oplegging van een taakstraf voor de duur van 30 uren. De redenen daarvoor zijn gelegen in het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde (ruim vijf jaren) en de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2020 na dit voorval niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake van misdrijven.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 868,07, bestaande uit € 418,07 aan materiële schade en € 450,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het (niet betwiste) bedrag van € 95,57 (eigen risico). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering, voor zover het de materiële schade betreft, afgewezen, nu niet is gebleken dat die schade

(€ 322,50 ter zake van fysiotherapie) daadwerkelijk is geleden.

Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 250,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend. Voor het overige gaat toekenning van de gevorderde vergoeding van immateriële schade de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat dat deel van de vordering zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Nu het vastgestelde schadebedrag ziet op strafbare feiten die door twee personen zijn gepleegd, zal het hof bepalen dat de verdachte en de mededader hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. Dit houdt in dat de verdachte en de mededader ieder voor zich aansprakelijk zijn voor het gehele schadebedrag totdat dit is voldaan en dat indien de één betaalt de ander van die betalingsverplichting zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 345,57 (driehonderdvijfenveertig euro en zevenenvijftig cent), bestaande uit € 95,57 (vijfennegentig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade en

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 345,57 (driehonderdvijfenveertig euro en zevenenvijftig cent), bestaande uit € 95,57 (vijfennegentig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalings-verplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 augustus 2015

en van de immateriële schade op 9 mei 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van

S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

25 juni 2020.

Mr. Quaedvlieg en mr. Cox zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.