Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1878

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
18/00745 & 18/00746
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Bevoegdheid opleggen naheffingsaanslag en doen van uitspraak op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1840
Viditax (FutD), 16-07-2020
FutD 2020-2137
V-N 2020/44.18.18
NTFR 2020/2398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 18/00745 en 18/00746

30 juni 2020

uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AMS 17/5890 en 17/5903 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Met dagtekening 3 december 2016 is aan [leasebedrijf] een

naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.1.2.

Met dagtekening 23 december 2016 is aan [leasebedrijf] een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar van

1 september 2017 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 15 november 2018 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen bij faxbericht op 24 december 2018 en zijn nader gemotiveerd bij faxbericht, ingekomen bij het Hof op 5 februari 2019. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen, waarvan afschriften zijn verstrekt aan de wederpartij. De heffingsambtenaar heeft hier (deels) op gereageerd, waarvan een afschrift is verstrekt aan belanghebbende.

1.6.

Beide partijen hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:56 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het Hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.1.

Op 30 november 2016 om 18.04 stond de auto met het kenteken [kenteken] stil op een fiscale parkeerplaats ter hoogte van het [adres] te Amsterdam. Belanghebbende was toen de feitelijk bestuurder van die auto. Belanghebbende had op dat tijdstip geen parkeerbelasting betaald.

2.2.

Op 20 december 2016 om 12.59 stond de auto met het kenteken [kenteken] stil op een fiscale parkeerplaats ter hoogte van de [adres] te Amsterdam. Belanghebbende was toen de feitelijk bestuurder van die auto. Belanghebbende had op dat tijdstip geen parkeerbelasting betaald.

2.3.

In het hoger beroep met kenmerknummer 18/00745 is een verslag opgemaakt van de hoorzitting die heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017 om 13:00 uur. In dit verslag is het volgende opgenomen:

“Telefonisch horen 23 mei 2017:

Gemachtigde stelt dat er geen stukken zijn ontvangen. Gemachtigde refereert naar Artikel 7:4 van de AWB: Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Gemachtigde geeft aan dat het in strijd is met de wet. Tevens geeft gemachtigde aan dat de beslistermijn is opgeschort en geeft hij hiermee aan het er niet mee eens te zijn. Tot slot geeft de gemachtigde aan dat zijn cliënt niet geparkeerd stond, en er geen tweede controle is geweest en dat deze handelswijze is niet zorgvuldig is geweest.”

2.4.

In de uitspraak op bezwaar in het hoger beroep met kenmerknummer 18/00746 is onder meer het volgende opgenomen:

Hoorzitting

Bij brief van 28 april 2017 bent u wederom uitgenodigd om op 23 mei 2017 om 15.00 tijdens een telefonische hoorzitting uw standpunten mondeling toe te lichten. (…)

Tijdens de telefonische hoorzitting benadrukte de gemachtigde van bezwaarde de gronden van het bezwaarschrift.

Uw argumenten

U stelt dat u in uw belangen bent geschaad, omdat u de stukken niet op grond van artikel 7:4 Awb heeft ontvangen. Het besluit dient daarom vernietigd te worden. Inhoudelijk stelt u dat er geen bewijs is geleverd dat de tijdsregistraties juist zijn. Verder stelt u dat uit de foto’s blijkt dat het voertuig enige tijd langs de kant van de weg heeft stilgestaan, maar dat er geen sprake was van parkeren. Het voertuig kon immers daar stil staan om te laden of te lossen. Het is aan de heffingsambtenaar om te bewijzen dat er sprake was van parkeren. (…)

De overwegingen

(…) Gebleken is dat de plaats waar het voertuig stil stond een reguliere fiscale plaats is, waarvoor geen parkeerverbod geldt. Tijdens de controle van uw voertuig heeft de controleur geen personen zien in- of uitstappen en geen onmiddellijke laad- of losbewegingen waargenomen. Het beroep op laden en lossen is niet nader onderbouwd. Nu het voertuig gedurende een aaneengesloten periode heeft stil gestaan op een reguliere fiscale plaats, is er sprake van parkeren waarvoor parkeerbelasting was verschuldigd. Door niet onmiddellijk bij aanvang van het parkeren een parkeerrecht aan te schaffen, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Ten aanzien van uw verzoek om de zaakstukken, merk ik het volgende op. Bij brief van 28 april 2017 bent u erop gewezen dat u de stukken drie dagen voor de hoorzitting kan komen inzien. Indien de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen en een bezwaarde hierop is aangewezen en derhalve daarvan kennis had kunnen nemen, is een bestuursorgaan er niet toe gehouden om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan een bezwaarde toe te sturen (ABRvS 15 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV5077).

Ten aanzien van uw stelling dat u te weinig tijd heeft gehad om de gronden aan te leveren, merk ik het volgende op. Bij brief van 28 april 2017 bent u er op gewezen dat u tot drie dagen voor de hoorzitting, en daarmee tot 20 mei 2017, stukken kunt indienen. U heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. (…)”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, zoals belanghebbende stelt maar de heffingsambtenaar bestrijdt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Bespreking van formele beroepsgronden (in beide zaken)

Bevoegdheid inspecteur Belastingen en rve-directeur Parkeren

1 .1. Eiser voert aan dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd door de inspecteur

Belastingen van de gemeente Amsterdam. De uitspraken op bezwaar zijn echter genomen

door de rve-directeur Parkeren [naam] . Volgens eiser zijn de naheffingsaanslagen en de

uitspraken op bezwaar aldus genomen door twee verschillende bestuursorganen. Dit is in

strijd met artikel 1:5, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 6:4, eerste lid, en artikel

7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat sprake is van een

bevoegdheidsgebrek, aldus eiser.

1.2.

De rechtbank verwerpt deze stelling om de volgende reden.

Uit het Benoemings- en aanwijzingsbesluit 2016 [voetnoot rechtbank: Gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente Amsterdam nr. 1880 van 7 januari 2016, zoals nadien gewijzigd] (hierna: het Aanwijzingsbesluit) blijkt dat Burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op 15 december 2015 – onder meer – hebben besloten om zowel de Inspecteur van de rve Belastingen als de rve-directeur Parkeren aan te wijzen als gemeenteambtenaar, belast met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen, waaronder de parkeerbelastingen[voetnoot rechtbank: Artikel 231, tweede lid, onder b en c, van de Gemeentewet]. Uit de tekst of de wetsgeschiedenis van artikel 231 van de Gemeentewet volgt niet dwingend dat er ingevolge dit artikel bij een gemeente sprake kan zijn van slechts één heffingsambtenaar voor de heffing en invordering van parkeerbelastingen, zoals eiser heeft gesteld. De rve-directeur Parkeren [naam] was dus (mede)bevoegd om te beslissen op eisers bezwaar tegen de naheffingsaanslagen van de inspecteur Belastingen.

1.3.

Uit het voorgaande volgt tevens dat degenen die een verweerschrift namens de

inspecteur/heffingsambtenaar hebben ingediend respectievelijk hem hebben

vertegenwoordigd ter zitting daartoe gemachtigd waren, blijkens de overgelegde

mandaatsbesluiten van de heffingsambtenaar.

Eisers stelling die dat betwist, wordt verworpen.

Bevoegdheid parkeercontroleurs

2.1.

Volgens eiser is niet gebleken dat de naheffingsaanslagen bevoegd zijn opgelegd

omdat niet duidelijk is geworden of de desbetreffende medewerkers wel in dienst zijn van

[parkeerbedrijf] . Verweerder heeft op de zitting weliswaar twee aanstellings-

besluiten tot onbezoldigd ambtenaar overgelegd, maar arbeidsovereenkomsten waaruit dit

blijkt, ontbreken.

2.2.

Ingevolge het Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie van de gemeente

Amsterdam (hierna: het Bevoegdhedenbesluit) [voetnoot rechtbank: Bijlage 4, onder II, onder 11, onder C van het Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie Amsterdam, gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente Amsterdam, nr. 7168 van 17 december 2014, zoals nadien gewijzigd] is aan de rve-directeur Parkeren de bevoegdheid tot het aanstellen van medewerkers van [parkeerbedrijf] gemandateerd, die werkzaamheden verrichten inzake de heffing en invordering van parkeerbelastingen, voorzover dit uit hun arbeidsovereenkomst blijkt of als zij de functie vervullen van teamleider parkeercontroleur of parkeercontroleur-A, als onbezoldigd ambtenaar in de zin van artikel 1.2 onder d van de NRGA (Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam).

Voorts is in het Bevoegdhedenbesluit aan de rve-directeur Parkeren in de hoedanigheid van

aangewezen heffingsambtenaar voor parkeerbelastingen de bevoegdheid gemandateerd om

ondermandaat te verlenen aan medewerkers werkzaam bij [parkeerbedrijf] om

overeenkomstig artikel 231, lid 2, onderdelen b en c, van de Gemeentewet, de daaruit

voortvloeiende of daarmee samenhangende rechtshandelingen te verrichten als ambtenaar

belast met de heffing en invordering van parkeerbelastingen voor de gemeente Amsterdam.

2.3.

Verweerder heeft aanstellingsbrieven van 15 april 2016 overgelegd, getekend door

rve-directeur Parkeren [naam] , over de aanstelling tot onbezoldigd gemeenteambtenaar van

twee ambtenaren met stamnummers [nummer] en [nummer] waarvan niet betwist is dat zij de hier in

geding zijnde naheffingsaanslagen aan eiser hebben opgelegd. Deze gemeenteambtenaren

zijn blijkens deze aanstellingsbrieven aangesteld in de functie van parkeercontroleur-A.

Daarmee waren deze parkeercontroleurs bevoegd om de onderhavige naheffingsaanslagen op

te leggen als heffingsambtenaar. Het Bevoegdhedenbesluit vereist niet dat deze personen

naast de aanstelling tot onbezoldigd gemeenteambtenaar in de functie van parkeercontroleur

A tevens op arbeidsovereenkomst werkzaam zijn voor [parkeerbedrijf] .

De stelling van eiser over het gemis van een arbeidsovereenkomst wordt reeds hierom

verworpen.

Schending inzagerecht?

3.1.

Eiser voert verder aan dat het inzagerecht van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb is

geschonden. Namens eiser is expliciet verzocht om verzending van de stukken. Het arrest

waar de heffingsambtenaar naar verwijst [voetnoot rechtbank: Zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5030] kan hem volgens eiser niet baten, omdat het arrest berust op een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke rechterlijke misslag betreft. In de rechtspraak zijn wél voorbeelden te vinden waarin schending van deze bepaling leidt tot een gegrondverklaring van het beroep. Subsidiair komt eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel toe, omdat is toegezegd dat de stukken zouden worden verzonden.

3.2.

Deze stellingen worden verworpen. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever

bewust een onderscheid heeft gemaakt tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de

bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de

beroepsfase is het bestuursorgaan verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan

de rechter) toe te zenden; in de bezwaarfase geldt terzake van diezelfde stukken op grond van

artikel 7:4 Awb enkel een (passief) inzagerecht [voetnoot rechtbank: ECLI:NL:GHAMS:2017:5030 en ECLI:NL:GHAMS:2018:2706].

3.3.

Eiser heeft gesteld dat het niet verstrekken van de gedingstukken in bezwaar een

schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is.

De rechtbank verwerpt deze stelling omdat genoemd artikel toepassing mist [voetnoot rechtbank: Vergelijk ECLI:NL:GHAMS:2018:4081 en de daarin genoemde jurisprudentie]. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op geschillen over belastingaanslagen.

3.4.

Eiser heeft zich nog beroepen op het vertrouwensbeginsel omdat tijdens de

hoorzitting van 23 mei 2017 door een medewerker van de heffingsambtenaar aan zijn

gemachtigde zou zijn toegezegd dat hem de stukken zouden worden toegezonden.

Volgens vaste rechtspraak is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat

er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan

door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen

worden ontleend. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval geen

sprake geweest van een dergelijke concrete, ondubbelzinnige toezegging, maar heeft de

betrokken medewerker volgens eiser slechts gezegd dat de verstrekking van gedingstukken

via een andere afdeling verloopt en zij hierdoor niet kan verklaren waarom de stukken nog

niet zijn verstrekt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen toezegging dat de stukken

worden verzonden.

3.5.

Dat eiser een onvoorwaardelijk verzoek zou hebben gedaan om tegen betaling een

afschrift van de ter inzage gelegde stukken te krijgen, en dat de heffingsambtenaar zou

hebben geweigerd om hieraan te voldoen, is niet gebleken. In het bezwaarschrift is een

voorwaardelijk verzoek gedaan tot toezending van de stukken, namelijk onder de

voorwaarde dat de heffingsambtenaar eerst een gemotiveerde opgave zou doen van de

kosten, voorzien van onder meer een inventarislijst van de aanwezige documenten, en dat de

uitvoering van dit verzoek moest worden aangehouden totdat de gemachtigde akkoord zou

zijn gegaan met deze kosten. Niet gebleken is dat aan die voorwaarde is voldaan en evenmin

dat na het ter inzage leggen van de stukken of op een ander moment door de gemachtigde

een onvoorwaardelijk verzoek is gedaan om tegen betaling afschriften van die stukken te

krijgen. Deze grief wordt daarom verworpen.

Verslag hoorzitting

4.1.

Volgens eiser is ten onrechte geen verslag van de hoorzitting gemaakt, waardoor

artikel 7:7 van de Awb is geschonden. Het arrest waar de heffingsambtenaar naar verwijst [voetnoot rechtbank: Zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:4313)] kan hem volgens eiser niet baten. In de uitspraak op bezwaar is alleen maar de zinsnede opgenomen dat de bezwaarde de gronden van bezwaar heeft benadrukt. Alleen in de zaak nummer AMS 17/5890 is een verslagje van de hoorzitting met het verweerschrift meegezonden. Dit geldt echter niet in de zaak met nummer AMS 17/5903.

4.2.

De rechtbank is in de zaak AMS 17/5890 van oordeel dat, in aanmerking genomen

hetgeen eisers gemachtigde in zijn beroepschrift schrijft over wat hij tijdens het telefonisch

horen verklaard heeft, te weten de gronden die ook in het bezwaarschrift waren genoemd, uit

de uitspraak op bezwaar in voldoende mate blijkt van hetgeen tijdens de hoorzitting is

verhandeld. Een afzonderlijk verslag toezenden was derhalve niet nodig.

In de zaak AMS 17/5903 heeft blijkens de uitspraak op bezwaar de gemachtigde van eiser

geen gebruik gemaakt van de telefonische hoorzitting, zodat om die reden geen verslag van

de hoorzitting is opgemaakt.

Deze stelling wordt verworpen.

Bespreking van de inhoudelijk beroepsgronden van eiser

Ten aanzien van AMS 17/5903

5.1.

Niet in geschil is dat de auto met kenteken [kenteken] op 30 november2016 om 18.04

uur stil stond op een fiscale parkeerplaats ter hoogte van het [adres] in Amsterdam,

dat eiser toen de feitelijk bestuurder was van deze auto en dat eiser op dat tijdstip geen

parkeerbelasting had betaald. Uitsluitend ter discussie staat of daar en toen sprake was van

parkeren in de zin van artikel 2, onder a van de Verordening Parkeerbelasting 2016 van de

gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening).

5.2.

Van parkeren in de zin van de Verordening is - kort gezegd - sprake als een auto een

aaneengesloten periode stil staat op een fiscale parkeerplek. Dit is alleen anders als één van

de genoemde uitzonderingen op deze hoofdregel zich voordoet. Het onmiddellijk laten in- en

uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, zijn

uitzonderingen als hiervoor bedoeld.

5.3.

De bewijslast dat sprake was van zo’n uitzondering rust op degene die zich op deze

uitzondering beroept [voetnoot rechtbank: ECLI:NL:GHAMS:2017:4313].

5.4.

Volgens eiser was géén sprake van parkeren. Eerst in beroep heeft eiser gesteld dat

hij bezig was met het laden en lossen van persoonlijke spullen, waaronder huisraad, in dozen

van enige omvang en gewicht, die op een praktische wijze alleen per auto te vervoeren zijn.

Hij heeft deze spullen vanuit zijn auto naar een woning gebracht.

5.5.

Volgens de Hoge Raad is sprake van ‘onmiddellijk laden en lossen’ als aan de

volgende criteria is voldaan: (1) het bij voortduring uitladen van zaken (2) onmiddellijk nadat

het voertuig tot stilstand is gebracht, (3) gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet

gaan om zaken van een zodanige omvang en gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere

wijze dan per auto kunnen worden gehaald of gebracht [voetnoot rechtbank: Uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:445)].

Naar het oordeel van dc rechtbank heeft eiser niet aan zijn bewijslast voldaan. Tegenover de

betwisting door de heffingsambtenaar, die met foto’s aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde

van de controle er geen laad- en losactiviteiten rond de auto waren, heeft eiser zijn stellingen

niet onderbouwd. Eiser heeft de gestelde losactiviteiten niet geconcretiseerd. Daar komt bij

dat het niet gaat om “zaken van enige omvang die op een praktische wijze alleen per auto te

vervoeren zijn”, zoals eiser stelt, maar om zaken die door omvang en gewicht niet of

bezwaarlijk op een andere wijze dan per auto kunnen worden gehaald en gebracht. Niet

gebleken is dat eisers niet nader gespecificeerde “dozen met persoonlijke spullen” aan dit

criterium voldoen.

Deze beroepsgrond wordt verworpen.

Ten aanzien van AMS 17/5890

6.1.

Eisers auto met kenteken [kenteken] stond op 20 december 2016 om 12.59 uur stil op

een fiscale parkeerplek ter hoogte van de [adres] in Amsterdam. Niet in geding is

dat eiser toen de feitelijk bestuurder was van deze auto en dat eiser voor dat moment geen

parkeerbelasting heeft betaald. Ook in deze zaak draait het om de vraag of daar en toen

sprake was van parkeren.

6.2.

Eiser betwist dit. Voor zover eiser zich kan herinneren, is hij omstreeks het tijdstip

van de controle achteruit een parkeervlak ingereden en is hij er weer uitgereden om te keren.

Waarschijnlijk heeft de controle plaatsgehad tijdens het keren van de auto. Daarna is hij naar

de Albert Heijn op het Stadionplein gereden om een passagier op te halen en is hij naar de

Stadionkade gereden om daar zijn auto te parkeren, waarna hij direct uitvoeringshandelingen

heeft verricht om parkeerbelasting te betalen. Op verweerder rust de bewijslast om het

tegendeel aan te tonen. Uit de foto’s van verweerder blijkt alleen dat de auto zich in een

parkeervak bevindt, maar niet dat de auto daar verlaten was. Eiser concludeert dan ook dat

ten tijde van de controle geen sprake was van parkeren, althans dat verweerder er slechts in

kan slagen aannemelijk te maken dat sprake was van stilstaan.

6.3.

De heffingsambtenaar is er naar het oordeel van de rechtbank door overlegging van

de foto’s tijdens de controle inderdaad in geslaagd om aannemelijk te maken dat de auto van

eiser ten tijde van de controle stilstond in het parkeervak, zijnde een fiscale parkeerplaats.

Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de belastingplicht terzake parkeren is daarmee in

beginsel voldaan, behoudens tegenbewijs. Eiser heeft dat niet geleverd, met name heeft hij

geen bewijs geleverd van de omstandigheid dat hij ten tijde van de controle met zijn auto aan

het verkeer deelnam, zoals hij kennelijk stelt.

6.4.

Aan parkeerders moet na aanvang van het parkeren enige tijd gegund worden om

onverwijld een kaartje te kopen, althans om betalingshandelingen te verrichten. Hetgeen

eiser heeft betoogd omtrent het exacte tijdsverloop tussen de controle, het opleggen van de

naheffingsaanslag en het moment van het aanschaffen van een parkeerrecht, de deugdelijke

werking van systemen met behulp van een autoritatieve tijdsbron en een niet nader

aangeduide ‘pardontijd van 10 minuten’ behoeft echter geen bespreking omdat uit zijn eigen

stellingen volgt dat hij in die periode niet uitsluitend bezig was met betalingshandelingen,

maar ook met het ophalen van een passagier bij de Albert Heijn. Voor zover eiser met de

‘pardontijd van 10 minuten’ doelt op de regeling dat geen naheffingsaanslag wordt opgelegd

binnen 10 minuten na het verstrijken van de geldigheidsduur van het betaalde parkeer

kaartje [voetnoot rechtbank: Artikel III van het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2016 en Parkeerverordening 2013, Gemeenteblad 18 december 2015, afd. 3B, nr 243, zoals nadien gewijzigd], is de conclusie dat die regeling niet van toepassing is bij de aanvang van het parkeren. Een parkeerrecht dat gekocht is 10 of 11 minuten na het opleggen van de naheffingsaanslag is dus - kort gezegd - te laat.

Dit betoog slaagt dus niet.

Conclusie (in beide zaken)

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslagen terecht zijn

opgelegd. De rechtbank zal de beroepen van eiser daarom ongegrond verklaren.

Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding voor een

proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.”

5 Beoordeling van het geschil

Formele beroepsgronden

5.1.

Belanghebbende beroept zich op diverse formele tekortkomingen. In de eerste plaats heeft belanghebbende aangevoerd dat de persoon die de uitspraken op bezwaar heeft gedaan daartoe niet bevoegd was. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende een complex betoog gehouden dat erop neerkomt dat de naheffingsaanslagen en de uitspraken op bezwaar zijn opgelegd c.q. gedaan door twee verschillende ambtenaren - te weten de inspecteur Belastingen van de gemeente Amsterdam (de naheffingsaanslagen) en de rve-directeur Parkeren [naam] (de uitspraken op bezwaar) -, dit terwijl in de Gemeentewet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene wet bestuursrecht geen ruimte wordt geboden voor gelijktijdige aanwijzing van meerdere zelfstandig naast elkaar functionerende ambtenaren als ‘heffingsambtenaar’ in de zin van artikel 231, lid 2, sub c, Gemeentewet.

Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling en onderschrijft de rechtsoverwegingen en de beslissing van de Rechtbank in dezen. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep (aanvullend) heeft aangevoerd, geeft het Hof geen aanleiding om anders te oordelen.

5.2.

In de tweede plaats heeft belanghebbende, samengevat, betoogd dat met de documenten die de heffingsambtenaar daartoe heeft overgelegd onvoldoende aannemelijk is geworden dat alle bij de oplegging van de naheffingsaanslagen betrokken ambtenaren bevoegd waren tot het verrichten van de daarmee verband houdende (controle)handelingen. De rechtbank zou dit tekort aan bewijs hebben miskend en aan deze beroepsgrond ten dele voorbij zijn gegaan.

Het Hof verwerpt ook deze stelling en onderschrijft wederom de rechtsoverwegingen en de beslissing van de rechtbank. Zo al sprake is van enig gebrek in de aanwijzing van bedoelde personen, dient aan dat gebrek voorbij te worden gegaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende daardoor is benadeeld.

Daarbij merkt het Hof op dat een benadeling in de zin van die bepaling zich niet voordoet in het geval dat de belanghebbende een voordeel ontgaat doordat, zou het aan het besluit klevende gebrek niet worden geheeld, door tijdsverloop niet opnieuw een aanslag kan worden opgelegd (zie Hoge Raad 6 november 2015, nr. 14/04967, ECL:Nl:HR:3224).

5.3.

In de derde plaats heeft belanghebbende betoogd dat het inzagerecht van artikel 7:4, lid 4, van de Awb is geschonden, doordat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om afschriften van de voorafgaande aan het horen ter inzage te leggen stukken, aan welk verzoek de heffingsambtenaar echter geen gehoor heeft gegeven en waartoe hij wel verplicht zou zijn geweest. Belanghebbende beroept zich voorts op het vertrouwensbeginsel, nu tijdens het horen in bezwaar door een medewerker van de heffingsambtenaar aan belanghebbende zou zijn toegezegd dat de betreffende stukken alsnog aan belanghebbende werden toegezonden.

Belanghebbendes betoog inzake het inzagerecht faalt om reden dat de wetgever bewust een onderscheid heeft willen maken tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de beroepsfase is het bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan de rechter) toe te zenden; in de bezwaarfase geldt ter zake van diezelfde stukken op grond van artikel 7:4 van de Awb enkel een (passief) inzagerecht (zie Hof Amsterdam, nr. 16/00472, ECLI:NL:GHAMS:2017:5030). Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Het Hof onderschrijft de overwegingen en de beslissing van de rechtbank in dezen en ziet in hetgeen belanghebbende in hoger beroep (aanvullend) heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen.

5.4.1.

Als laatste formele beroepsgrond heeft belanghebbende aangevoerd dat sprake is geweest van een schending van artikel 7:7 van de Awb doordat (i) er in het hoger beroep met kenmerknummer 18/00746 geen verslag van het horen is opgemaakt terwijl er – in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen – wel een hoorzitting is geweest, te weten op 23 mei 2018 om 15:00 uur, en (ii) er in het hoger beroep met kenmerknummer 18/00745 een verslag van de hoorzitting op 23 mei 2017 om 13:00 uur is opgemaakt, welk verslag onvolledig is.

5.4.2.

Het Hof overweegt dat tijdens de parlementaire behandeling over artikel 7:7 van de Awb het volgende is opgemerkt:

“Het zal van de omstandigheden van het geval en van het bestuursorgaan afhangen in welke vorm een verslag wordt gegoten en hoe uitgebreid het is. Zeer bepalend daarvoor is, in hoeverre op de hoorzitting nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen, die nog niet in de schriftelijke stukken aan de orde zijn geweest.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de plicht tot verslaglegging op verschillende wijzen vorm kan worden gegeven. Zo kan, in plaats van een afzonderlijk verslag, ook uit de beslissing op het bezwaar blijken van hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld.”

MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 151.

5.4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat in het hoger beroep met kenmerknummer 18/00746 een hoorzitting heeft plaatsgevonden, te weten in telefonische vorm (zie hiervoor onder 2.4.). De rechtbank is derhalve uitgegaan van een onjuist feitelijk kader. Dit leidt er evenwel niet toe dat deze hoger beroepsgrond slaagt. Het Hof is namelijk van oordeel dat, uitgaande van hetgeen door belanghebbende in beroep en in hoger beroep is aangevoerd over hetgeen er tijdens het horen zou zijn besproken (namelijk dat er een discussie is gevoerd over de tijdsregistratie en de controle, dat er is gesproken over een coulanceregeling en dat er een medewerker van de heffingsambtenaar aan belanghebbende excuses heeft gemaakt voor het niet verstrekken van de zaakstukken), uit de uitspraak op bezwaar in voldoende mate blijkt van “hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld”. In de uitspraak op bezwaar komen immers de tijdsregistratie en de controle aan de orde, zo ook belanghebbendes verzoek om een afschrift van de zaakstukken (zie 2.4.). Dat de mogelijkheid tot een coulanceregeling niet expliciet in de uitspraak op bezwaar staat, noch de gemaakte excuses door de medewerker van de heffingsambtenaar, acht het Hof van onvoldoende belang om op grond daarvan te oordelen dat een hoorverslag nodig was. Dit ontbreken, ervan uitgaande dat belanghebbende terecht stelt dat bedoelde onderwerpen tijdens het horen aan de orde zijn gekomen, leidt er niet toe dat er sprake is van een schending van artikel 7:7 van de Awb. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat met dit ontbreken geen benadeling van belanghebbende aannemelijk is geworden in de zin van artikel 6:22 van de Awb. Al zou wel sprake zijn geweest van een verslaglegging van de genoemde gespreksonderwerpen, meer in het bijzonder van de door de medewerker van de heffingsambtenaar gemaakte excuses, dan is op basis van die enkele informatie de door belanghebbende gestelde schending van het inzagerecht nog steeds niet aannemelijk geworden (vergelijk hiervoor ro. 5.3.) en op grond hiervan zal ook het beroep op het vertrouwensbeginsel nog steeds niet slagen (vergelijk ro. 3.4. van de rechtbankuitspraak).

5.4.4.

Ter zake van het hoger beroep met kenmerknummer 18/00745 is het Hof verder van oordeel dat het verslag dat is opgemaakt van het horen voldoet aan de daaraan in het kader van artikel 7:7 van de Awb in redelijkheid te stellen vereisten. In het verslag kan worden volstaan met een beknopte, zakelijke vermelding van hetgeen tijdens de hoorzitting met betrekking tot de zaak is betoogd. Het hoorverslag behoeft niet een woordelijke weergave in te houden van al hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd. Ook nu neemt het Hof hierbij in aanmerking dat geen benadeling van belanghebbende aannemelijk is geworden in de zin van artikel 6:22 van de Awb. Al zou wel sprake zijn geweest van een verslaglegging van de door belanghebbende gestelde gespreksonderwerpen (zie hiervoor onder 5.4.3.), dan is op basis van die informatie de door belanghebbende gestelde schending van het inzagerecht nog steeds niet aannemelijk geworden (vergelijk ro. 5.3.) en op grond hiervan zal het beroep op het vertrouwensbeginsel nog steeds niet slagen (vergelijk ro. 3.4. van de rechtbankuitspraak).

Ten aanzien van het belastbare feit

5.5.

Het Hof acht ter zake van zowel het hoger beroep met kenmerknummer 18/00745 als het hoger beroep met kenmerknummer 18/00746 het oordeel van de rechtbank dat het belastbare feit heeft plaatsgevonden, namelijk een ‘parkeren’ in de zin van de Verordening, en dat daarom de aanslagen terecht zijn opgelegd, rechtens juist en op goede gronden genomen. Het Hof ziet in wat belanghebbende in hoger beroep (aanvullend) heeft betoogd inzake de door hem gestelde uitzonderingen ((i) het onmiddellijk laden en lossen van zaken, en (ii) het verrichten van betalingshandelingen voor een parkeerkaartje), geen grond(en) om hiervan af te wijken.

5.6.

Daarbij merkt het Hof op dat hetgeen door belanghebbende aanvullend naar voren is gebracht inzake het tijdsverloop bij de aankoop van het parkeerkaartje in de zaak 18/00746, niet relevant is. Zoals de rechtbank terecht overweegt, is belanghebbende in deze tijdsspanne niet uitsluitend bezig geweest met het verrichten van betalingshandelingen. Uit het relaas van belanghebbende volgt dat er sprake was van een keren van de auto ter plaatse en het daarna rijden naar een andere parkeerplaats om een passagier op te halen. Pas nadat die passagier was ingestapt, is belanghebbende teruggekeerd naar de Stadionkade om de verschuldigde parkeerbelasting (alsnog) te betalen. Dit betalen heeft dus niet onverwijld plaatsgevonden.

Slotsom

5.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. N. Djebali, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan als griffier.

De beslissing is op 30 juni 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.