Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1844

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
28-07-2020
Zaaknummer
200.266.936/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Letselschade. Werkgeversaansprakelijkheid. Hoofdelijke aansprakelijkheid bij inlening (art. 7:658 lid 2 en 4 BW). Werknemer stelt zijn werkgever en de inlener aansprakelijk voor de gevolgen van een arbeidsongeval. Over de schadevergoeding wordt door de advocaten van de werknemer onderhandeld met de verzekeraar van de werkgever. Er wordt een vaststellingsovereenkomst gesloten. Enkele jaren later worden de werkgever en de inlener door de werknemer aangesproken tot betaling van een hogere schadevergoeding.

Hof: de verzekeraar van de werkgever is in dit geval opgetreden als een zogenaamde ‘regelend verzekeraar’ naar analogie van de Bedrijfsregeling schuldloze derde (bedrijfsregeling 7 van het Verbond van verzekeraars). De volledige schade van de benadeelde wordt daarbij niet afzonderlijk met elke betrokken partij geregeld, maar wordt vastgesteld in overleg en onderhandeling met de regelend verzekeraar. Met het oog op de regresvordering van de regelend verzekeraar binden de andere betrokken partijen zich aan de hoogte van de schadevergoeding zoals die door de regelend verzekeraar met de benadeelde wordt overeengekomen.

Als gevolg van de gekozen wijze van schadeafwikkeling is met de vaststellingsovereenkomst die de werknemer heeft gesloten de gehele schade als gevolg van het ongeval in minnelijk overleg tussen de betrokken partijen vastgesteld, althans is met de schadevergoeding die op grond daarvan is betaald zijn schade geheel vergoed. Dit betekent dat de werknemer thans van de inlener als hoofdelijke medeschuldenaar geen schadevergoeding meer kan vorderen. Bovendien kan op grond van de stellingen van de werknemer ten aanzien van de hoogte van zijn schade niet worden aangenomen dat zijn schade niet nog niet geheel zou zijn vergoed in het kader van de gesloten vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHSE 2020/0
PS-Updates.nl 2020-0601
JA 2020/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.266.936/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 7587308 CV EXPL 19-5637

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2020

inzake

AEB EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. B. Fluit te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. Baggerman te Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna AEB en [geïntimeerde] genoemd.

AEB is bij dagvaarding van 24 september 2019 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 30 juli 2019, onder het hierboven genoemde zaaknummer gewezen tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser. Bij vonnis van 17 september 2019 is door de kantonrechter bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen het tussenvonnis van 30 juli 2019.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

AEB heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden tussenvonnis zal vernietigen, in hoger beroep de zaak zelf zal afdoen en de vorderingen van [geïntimeerde] af zal wijzen, met veroordeling van hem in de kosten van het geding in beide instanties, vermeerderd met nakosten en rente en uitvoerbaar bij voorraad.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden tussenvonnis, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van AEB in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.13 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn – behoudens een in het tussenvonnis in rov. 1.8 genoemd percentage en een in rov. 1.12 genoemd bedrag, waarmee hierna rekening zal worden gehouden – in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1.

[geïntimeerde] is op 26 november 2007 bij de uitoefening van zijn werkzaamheden voor CSU Cleaning Services B.V. (hierna: CSU) een ongeval overkomen met een veegmachine. De veegmachine reed met twee wielen een afscheidingsmuur op, waardoor de wagen kantelde. [geïntimeerde] is onder de veegwagen terecht gekomen en heeft ernstig letsel opgelopen. Het ongeval vond plaats op het bedrijfsterrein van AEB te Amsterdam (toentertijd het Afval Energie Bedrijf, een onderdeel van de gemeente Amsterdam). [geïntimeerde] was door CSU bij AEB ingezet om schoonmaakwerkzaamheden te verrichten.

2.2.

Voor de door hem als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade heeft [geïntimeerde] CSU en AEB aansprakelijk gesteld. [geïntimeerde] werd bijgestaan door Beer advocaten in de persoon van mr. E. Pans en later door mr. A.J. Van.

2.3.

CSU was ten tijde van het ongeval voor haar aansprakelijkheid verzekerd bij Zurich Insurance Plc. (hierna: Zurich). AEB was verzekerd bij N.V. Verzekeringsbedrijf Groot Amsterdam (hierna: VGA).

2.4.

Zurich heeft voor de afwikkeling van de schade het expertisebureau GAB Robins Takkenberg, later genaamd Cunningham Lindsey (thans Sedgwick) ingeschakeld in de persoon van [X] en later [Y] (hierna: [X] , resp. [Y] ).

2.5.

In het kader van de schaderegeling is onder meer de volgende correspondentie tussen betrokkenen gewisseld:

  • -

    Brief van 13 mei 2008 van [A] van VGA aan mr. Pans:
    “Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw brieven van 6 februari en 17 april 2008. Deze brieven heb ik pas vorige week ontvangen. Ik behandel deze zaak onder dossiernummer (…). Zoals u weet, is de heer [X] van GAB Robins Takkenberg door de aansprakelijkheidsverzekeraar van CSU ingeschakeld. Van de heer [X] heb ik begrepen dat de verzekeraar van CSU de schaderegeling op zich heeft genomen en dat er zeer waarschijnlijk een regresactie wordt opgestart richting het Afvalenergiebedrijf. Ik wacht de berichten in het kader van de regresactie voorlopig af.”

  • -

    Brief van 14 mei 2008 van mr. Pans aan [A] van VGA:
    “Uw brief van 13 mei jongstleden heb ik in goede orde ontvangen. Ik ga ervan uit dat de heer [X] van GAB Robins Takkenberg de regelend verzekeraar vertegenwoordigt en zal mijn correspondentie in beginsel aan hem richten.”

  • -

    Brief van [X] aan mr. Pans van 15 mei 2008:
    “In aansluiting op de diverse telefoongesprekken en overige contacten meld ik u dat, in tegenstelling tot uw bericht van 7 mei jl., aansprakelijkheid niet wordt erkend. Wel wordt het recht op schadevergoeding van uw cliënt erkend, voor zover het letsel een direct gevolg is van het ongeval van 26 november 2007. Deze kanttekening maak ik omdat wellicht nog betalingen onder cessie dienen te geschieden (wellicht achteraf).”

  • -

    Brief van [X] aan mr. Pans van 22 mei 2008:
    “Ten aanzien van uw vraag naar de aansprakelijkheid kan ik u uitsluitend berichten dat de verzekeraar het recht op schadevergoeding erkent. In verband met mogelijk regres kan niet worden erkend dat er van (volledige) aansprakelijkheid sprake is. Het een en ander heeft voor uw cliënt echter geen consequenties voor zover letsel, klachten en beperkingen rechtstreeks voortvloeien uit het ongeval van 26 november 2007.”

  • -

    E-mail van 19 mei 2009 van [B] van Zurich aan [Y] en [C] van assurantiemakelaar Aon:
    “Bijgaand treffen jullie het advies van [D] aan (hof: de medisch adviseur van Zurich). Deze spreekt voor zich, hij heeft ernstige medische bezwaren tegen een eindregeling. Ik heb hem gistermiddag gebeld over deze kwestie en uitgelegd was de reden van mijn vraag is geweest. Het is hem duidelijk dat wij willen eindregelen en dat ik wil weten wat de ‘gevaren’ van een eindregeling in dit stadium eventueel zijn. Let wel, ik heb er dus niets op tegen dat we de kwestie afwikkelen, maar ik wil dat [Y] ( [Y] , hof) open en eerlijk met Beer Advocaten praat over de konsekewenties van een definitieve regeling. Beer Advocaten moet hun cliënt duidelijk maken dat hij, ondanks alle huidige onzekerheden, niet meer in de toekomst kan terugkomen op deze kwestie. Zurich wil niet later van dwaling of bedrog beticht worden, enerzijds omdat dat niet onze mentaliteit is, anderzijds omdat wij op dit moment feitelijk als zaakwaarnemer van de gemeente Amsterdam op treden (regreszaak). Ik wacht het resultaat van de bespreking met Beer Advocaten af.”

  • -

    Bij brief van 11 juni 2009 heeft [Y] het medisch advies van [D] aan mr. Van toegezonden:
    “Bijgaand treft u aan het medisch advies van de medisch adviseur van mijn opdrachtgever. Uit het advies blijkt dat hij ernstige bezwaren heeft tegen een eindregeling.”

  • -

    Bij brief van 8 juli 2009 heeft [Y] aan mr. Van enkele afspraken over de voortgang van het dossier bevestigd. In deze brief komt tevens aan de orde dat mr. Van de brief van [Y] van 11 juni 2009 aan [geïntimeerde] heeft gegeven:
    “Wij hebben op 29 juni jl. telefonisch contact gehad inzake de voortgang van dit dossier. U deelde mij mede dat uw cliënt niet akkoord gaat met het door mij gedane eindregelingsvoorstel. U hebt uw cliënt mijn brief van 11 juni 2009 meegegeven en u zult na de vakantie van uw cliënt en na ons beider vakantie de zaak met uw cliënt opnemen en mij medio augustus 2009 benaderen om te bekijken of deze zaak toch minnelijk geregeld kan worden.”

2.6.

Op 30 september 2009 heeft [geïntimeerde] met Zurich een vaststellingsovereenkomst gesloten. Bij de partijaanduiding van Zurich is vermeld dat zij handelt zowel voor zichzelf “alsook voor en namens haar verzekerde CSU”.

2.7.

In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat Zurich een bedrag van € 257.500 aan [geïntimeerde] betaalt. Dit bedrag wordt aangeduid als een lumpsum in de vorm van een uitkering ineens ter vergoeding van de door [geïntimeerde] te lijden en reeds geleden schade, hoe genaamd en van welke aard dan ook. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“Getroffene (hof: [geïntimeerde] ) verleent aan de Maatschappij (hof: Zurich), aan voornoemde verzekerden alsmede aan alle rechtsopvolgers van voornoemden, tegen betaling van voormeld totaalbedrag, volledige definitieve en voorbehoudsloze kwijting terzake van alle door getroffene als gevolg van het bovenvermeld voorval geleden en nog te lijden schade, hoe ook genaamd en van welke aard ook (…)”

2.8.

Zurich heeft de overeengekomen slotuitkering aan [geïntimeerde] betaald. Vervolgens heeft zij bij dagvaarding van 15 oktober 2010 een regresprocedure aangespannen tegen AEB om tussen haar en AEB de onderlinge bijdrageplicht vast te laten stellen. Deze zaak is geschikt, waarbij kort gezegd is overeengekomen dat ieder de schade voor 50% zal dragen.

2.9.

Bij brief van 31 januari 2013 heeft mr. Van namens [geïntimeerde] een stuitingsbrief gestuurd aan AEB. In antwoord daarop heeft VGA namens AEB bij brief van 5 februari 2013 aan mr. Van medegedeeld dat [geïntimeerde] geheel door Zurich als aansprakelijkheidsverzekeraar van CSU schadeloos is gesteld en dat de schade definitief is geregeld met de vaststellingsovereenkomst zoals die door Zurich en [geïntimeerde] is getekend.

2.10.

Bij brief van 30 september 2014 heeft [E] , handelend onder de naam Letsel Expert PS, zich namens [geïntimeerde] gewend tot VGA. Hij schrijft in deze brief onder andere dat [geïntimeerde] nog steeds klachten heeft en dat deze door chronische stoornissen erger zijn geworden. VGA wordt met deze brief gevraagd het dossier te willen herzien. Hetzelfde verzoek heeft [E] bij brief van 3 oktober 2014 namens [geïntimeerde] gericht aan Zurich.

2.11.

Op 1 april 2015 heeft VGA [E] geschreven dat de schade van zijn cliënt definitief is geregeld en hij geen vorderingsrecht meer heeft op AEB.

2.12.

Bij brief van 18 april 2016 heeft de huidige advocaat van [geïntimeerde] zich tot VGA gewend en zich op het standpunt gesteld [geïntimeerde] alleen een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met Zurich namens CSU en dat AEB daaraan geen rechten kan ontlenen. Met deze brief wordt aanspraak gemaakt op de schade die hoger is dan hetgeen reeds in het kader van de vaststellingsovereenkomst aan [geïntimeerde] is vergoed.

2.13.

Op 23 september 2016 heeft [geïntimeerde] een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek. Dit verzoek is door de kantonrechter te Amsterdam bij beschikking van 4 juli 2017 toegewezen en de kosten van de deskundige zijn begroot op € 6.000. Als deskundige is benoemd A.A.Th.M. Hagelaars-Rooijakkers van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (hierna: NRL). De deskundige heeft een rapportage opgesteld waarbij is uitgegaan van enkel door [geïntimeerde] gekozen uitgangspunten, waarmee AEB niet heeft ingestemd. Op verschillende manieren heeft de deskundige het verlies arbeidsvermogen en pensioenopbouw berekend. Uitgaande van schade tot 1 januari 2018 heeft de deskundige de schade van [geïntimeerde] berekend op € 326.220 wanneer geen rekening wordt gehouden met een door [geïntimeerde] aan te vragen vrijstelling voor pensioenpremie, of € 272.522 wanneer daarmee wel rekening wordt gehouden. De deskundige is daarbij uitgegaan van 1 januari 2018 als kapitalisatiedatum. Namens AEB is daartegen bezwaar gemaakt. Volgens AEB dient in ieder geval 1 januari 2010 als kapitalisatiedatum te worden gehanteerd, omdat die datum ook gebruikt is bij de berekeningen die hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst. Daarbij heeft AEB onder andere erop gewezen dat alleen als bij de berekeningen van dezelfde kapitalisatiedatum wordt uitgegaan deze met elkaar kunnen worden vergeleken. De deskundige heeft AEB in haar bezwaren niet gevolgd, maar is in die zin aan AEB tegemoet gekomen door ook een berekening te maken met 1 januari 2010 als kapitalisatiedatum. De schade wegens verlies arbeidsvermogen inclusief pensioenschade van [geïntimeerde] is daarvan uitgaande berekend op € 262.319 wanneer geen rekening wordt gehouden met een door [geïntimeerde] aan te vragen vrijstelling voor pensioenpremie, of € 219.631 wanneer daarmee wel rekening wordt gehouden. Bij alle genoemde bedragen is geen rekening gehouden met het door Zurich betaalde bedrag van € 257.500 dat nog in aftrek moet komen.

2.14.

Bij beschikking van 3 december 2018, gewezen in een deelgeschil tussen [geïntimeerde] en AEB, heeft de kantonrechter te Amsterdam het verzoek van [geïntimeerde] afgewezen om voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst van 30 september 2009 geen werking heeft jegens AEB en de finale kwijting niet ziet op de vordering tot schadevergoeding jegens AEB.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] vordert in deze procedure dat voor recht wordt verklaard dat (1) AEB jegens hem aansprakelijk is voor de gevolgen van het hem op 26 november 2007 overkomen ongeval en (2) de vaststellingsovereenkomst geen werking heeft jegens AEB en dat de finale kwijting die hierin is opgenomen niet ziet op de vordering tot schadevergoeding die [geïntimeerde] heeft op AEB. Verder vordert [geïntimeerde] dat AEB wordt veroordeeld een bedrag van € 451.420,22 aan schadevergoeding aan hem te betalen.

3.2.

AEB voert verweer. Samengevat weergeven stelt zij dat met de vaststellingsovereenkomst die [geïntimeerde] heeft gesloten met Zurich/CSU, althans met de schadevergoeding die op grond daarvan is betaald, de schade van [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval geheel is vergoed. Van AEB als hoofdelijke medeschuldenaar kan [geïntimeerde] dan geen schadevergoeding meer vorderen. Overigens betwist AEB dat zij jegens [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval. Verder bestrijdt AEB de hoogte van de door [geïntimeerde] in dit geding gevorderde schadevergoeding. Op het verweer van AEB zal bij de bespreking van de grieven worden teruggekomen.

3.3.

Met grief 1 betoogt AEB dat de kantonrechter heeft miskend dat CSU en AEB door [geïntimeerde] hoofdelijk voor dezelfde schade aansprakelijk zijn gesteld voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval. Daartoe voert zij het volgende aan. Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden van [geïntimeerde] in dienst van CSU. Die werkzaamheden vonden plaats op het bedrijfsterrein van AEB. [geïntimeerde] heeft CSU als zijn werkgever voor het bedrijfsongeval aansprakelijk gesteld (artikel 7:658 lid 2 BW) en AEB als inlener in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW, subsidiair als de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal, bestaande uit het bedrijfsterrein met een afscheidingsmuur, die volgens [geïntimeerde] niet voldeed aan de eisen die men daaraan in gegeven omstandigheden mag stellen (artikel 6:174 BW in verbinding met 6:181 BW).

3.4.

AEB voert terecht aan dat als ervan wordt uitgegaan dat CSU en AEB op de gestelde grondslagen aansprakelijk zijn jegens [geïntimeerde] voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval, zij hoofdelijk jegens [geïntimeerde] zijn verbonden. [geïntimeerde] kan dan ieder van hen aanspreken tot vergoeding van zijn gehele schade (artikel 6:102 en 6:7 BW). Nakoming door de ene schuldenaar, bevrijdt de andere hoofdelijke schuldenaar.

3.5.

Het voorgaande betekent dat grief 1 slaagt. De kantonrechter is in het tussenvonnis ervan uitgegaan dat de verbintenis van AEB tot vergoeding van de schade van [geïntimeerde] anders, namelijk hoger, kan zijn dan die van CSU. Dat is bij hoofdelijke aansprakelijkheid echter niet het geval, want hoofdelijke schuldenaren zijn verbonden dezelfde schade te vergoeden. Wel kan het zo zijn dat CSU in het kader van de gesloten vaststellingsovereenkomst niet alle schade van [geïntimeerde] heeft vergoed (dus minder heeft betaald dan de gehele schade waartoe zij bij het bestaan van aansprakelijkheid jegens [geïntimeerde] is gehouden), zodat daarvan uitgaande [geïntimeerde] ervoor kan kiezen AEB als hoofdelijke medeschuldenaar voor het meerdere aan te spreken. Voor het slagen van het verweer van AEB is in het voorliggende geval daarmee niet slechts beslissend (zoals de kantonrechter heeft overwogen) of door uitleg van vaststellingsovereenkomst kan worden vastgesteld dat de daarin opgenomen finale kwijting ook werking heeft jegens AEB. Als wordt uitgegaan van een hoofdelijkheidsverhouding dienen de vorderingen van [geïntimeerde] ook te worden afgewezen als komt vast te staan dat met de betaling door CSU de gehele schade van [geïntimeerde] is vergoed.

3.6.

Kern van de stellingen van AEB is dat Zurich in dit geval als de zogenaamde ‘regelend verzekeraar’ is opgetreden. Dat is een wijze van schadeafhandeling die plaats kan vinden als verschillende verzekeraars bij een schadevoorval zijn betrokken. Eén van de verzekeraars neemt dan de volledige schaderegeling op zich en stelt de benadeelde schadeloos. Deze verzekeraar kan vervolgens regres nemen op de andere betrokken partijen in het kader van hun onderlinge bijdrageplicht. Deze wijze van schadeafhandeling is volgens AEB ook in dit geval gevolgd. Zurich heeft met instemming van zowel [geïntimeerde] als VGA de schaderegeling op zich genomen en met (de advocaten van) [geïntimeerde] het debat gevoerd over de omvang van de geleden en nog te lijden schade. Uiteindelijk is een vaststellingsovereenkomst gesloten en is de overeengekomen schadevergoeding betaald, aldus AEB. Met grief 2 bestrijdt AEB het (impliciete) oordeel van de kantonrechter dat van een regelend verzekeraar alleen kan worden gesproken in het kader van de Bedrijfsregeling schuldloze derde (bedrijfsregeling 7 van het Verbond van verzekeraars) en met de grieven 3, 4 en 5 dat niet kan worden aangenomen dat Zurich als regelend verzekeraar is opgetreden, omdat van die bedoeling niet is gebleken, dan wel Zurich geen volmacht had om namens AEB een schikking aan te gaan met [geïntimeerde] .

3.7.

Bij de beoordeling van de grieven 2 tot en met 5 zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang, waarvan als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist dient te worden uitgegaan.

3.7.1.

[geïntimeerde] heeft CSU en AEB hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor zijn gehele schade als gevolg van het ongeval. Hij werd bijgestaan door advocaten die zijn gespecialiseerd in letselschade.

3.7.2.

Mr. Pans heeft bij brief van 6 februari 2008 (productie 1 bij conclusie van antwoord) AEB geschreven dat indien AEB de kwestie overlaat aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar, zij ervan uitgaat dat AEB zich door deze verzekeraar laat vertegenwoordigen. [A] heeft vervolgens bij brief van 13 mei 2008 aan mr. Pans medegedeeld dat VGA deze zaak behandelt en heeft verder geschreven dat [X] op verzoek van de verzekeraar van CSU de schaderegeling op zich heeft genomen. Mr. Pans heeft de volgende dag per brief aan VGA de goede ontvangst van de brief van 13 mei 2008 bevestigd en medegedeeld ervan uit te gaan dat [X] de regelend verzekeraar vertegenwoordigt en dat zij haar correspondentie in beginsel aan [X] zal richten (zie 2.5 hiervoor). Mr. Pans en mr. Van hebben vervolgens in verband met de schadeafwikkeling geen enkel contact meer met VGA of AEB gehad of gezocht.

3.7.3.

[X] heeft mr. Pans erop gewezen dat door zijn opdrachtgever geen aansprakelijkheid wordt erkend, vanwege een mogelijk regres of uitkeringen onder cessie. Wel is het recht op schadevergoeding erkend voor zover het letsel een direct gevolg is van het ongeval (zie 2.5 hiervoor).

3.7.4.

Mr. Van heeft een schadestaat opgesteld en deze vormde het uitgangspunt voor de onderhandelingen over de vaststelling van de verschenen en toekomstige schade van [geïntimeerde] . Het verlies van verdienvermogen is vastgesteld op 34 jaar, berekend tot aan het 65ste levensjaar. Er is uitgegaan van volledige arbeidsongeschiktheid. De toekomstige kosten (kosten van vervoer, extra medische behandelingen, huishoudelijke hulp en verlies zelfwerkzaamheden) zijn berekend tot aan het 70ste levensjaar van [geïntimeerde] . Voor smartengeld is € 20.000 opgenomen. De schadestaat sluit op een totaalbedrag van € 295.616.

3.7.5.

[X] heeft het medisch advies van de medisch adviseur van Zurich aan mr. Van verstrekt. Uit dit advies blijkt dat de medisch adviseur ernstige bezwaren heeft tegen een eindregeling.

3.7.6.

Na onderhandelingen is op 30 september 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten voor een lumpsum van € 257.500. Dit bedrag strekt tot vergoeding “van de door getroffene te lijden en reeds geleden schade, hoe ook genaamd en van welke aard ook.”

3.7.7.

Het eerste contact dat weer heeft plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en AEB/VGA dateert van meer dan drie jaar nadat de vaststellingsovereenkomst is gesloten. Bij brief van 31 januari 2013 heeft mr. Van namens [geïntimeerde] een stuitingsbrief gestuurd aan AEB. VGA heeft vervolgens bij brief van 5 februari 2013 mr. Van erop gewezen dat [geïntimeerde] al geheel door Zurich als aansprakelijkheidsverzekeraar van CSU schadeloos is gesteld en dat de schade definitief is geregeld met de vaststellingsovereenkomst zoals die door Zurich en [geïntimeerde] is getekend. Mr. Van is vervolgens niet meer op deze kwestie teruggekomen.

3.7.8.

Bij brieven van 30 september en 3 oktober 2014 heeft [geïntimeerde] zich zowel tot AEB als CSU gewend met het verzoek het dossier te willen herzien (zie 2.10).

3.8.

In verband met het voorgaande is verder het volgende van belang. AEB wijst erop dat de Bedrijfsregeling schuldloze derde van het Verbond van verzekeraars in het voorliggende geval niet rechtstreeks van toepassing was. Het betreft een regeling van de afdelingen Motorrijtuigen en Transport van het Verbond van verzekeraars. Volgens AEB is met het optreden van Zurich als regelend verzekeraar wel in dezelfde geest gehandeld. AEB heeft een verklaring overgelegd van [B] van Zurich. Hij verklaart dat in dit geval naar analogie van de genoemde bedrijfsregeling is gehandeld. Verder is het volgens hem de normale gang van zaken in het verzekeringsrecht dat bij een hoofdelijke aansprakelijkheid de eerst aangesproken verzekeraar de verantwoordelijkheid voor de schaderegeling op zich neemt, dat was in dit geval Zurich. Zurich heeft [X] en [Y] de opdracht gegeven de volledige schade van [geïntimeerde] te regelen. De belangen van VGA zijn bij de gehele schaderegeling door Zurich volgens [B] steeds in het oog gehouden. AEB heeft verder een verklaring overgelegd van [A] van VGA. Daaruit volgt dat zij geheel ermee instemde dat de schadeafwikkeling ter hand werd genomen door Zurich als regelend verzekeraar. Zij is van de voortgang daarvan steeds op de hoogte gehouden en heeft haar instemming gegeven aan het regelingsvoorstel dat aan [geïntimeerde] is gedaan.

3.9.

Kern van de stellingen van [geïntimeerde] , en van zijn verweer tegen hetgeen AEB betoogt, is dat AEB en VGA niet bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst waren betrokken. Alleen met CSU en Zurich zijn onderhandelingen gevoerd, met hen is een regeling gesloten en aan hen is kwijting verleend. De schaderegeling vond niet mede plaats namens AEB/VGA en zij worden in de vaststellingsovereenkomst ook nergens genoemd. De vaststellingsovereenkomst is door Zurich ook niet namens AEB/VGA gesloten, bijvoorbeeld op basis van een volmacht. Als een hoofdelijk schuldenaar met één van de hoofdelijk verbonden schuldenaren een schikking aangaat, betekent dat niet zonder meer dat afstand wordt gedaan van het vorderingsrecht op de andere hoofdelijk schuldenaren. Door de schikking wordt slechts de schuld verminderd met het bedrag waarop de schikking betrekking heeft.

3.10.

Het hof overweegt het volgende. Door [geïntimeerde] wordt niet (gemotiveerd) bestreden dat het in de verzekeringsmarkt niet ongebruikelijk is dat ook buiten de gevallen waarop de Bedrijfsregeling schuldloze derde van toepassing is en waarin verschillende verzekeraars zijn betrokken een regelend verzekeraar kan optreden. Evenmin heeft [geïntimeerde] bestreden dat bij schadegevallen waarin meerdere partijen zijn betrokken het in de verzekeringsmarkt gebruikelijk is dat de eerst aangesproken verzekeraar de volledige schadebehandeling op zich neemt. Verder heeft [geïntimeerde] niet betwist de stelling van AEB dat mr. Pans als gespecialiseerd letselschadeadvocaat van de inhoud, betekenis en gevolgen van het begrip regelend verzekeraar op de hoogte was. Dit laatste wordt naar het oordeel van het hof bevestigd doordat de aanduiding ‘regelend verzekeraar’ in de correspondentie voor het eerst door mr. Pans is gebruikt. [A] van VGA had mr. Pans medegedeeld dat [X] door de verzekeraar van CSU was ingeschakeld om de schaderegeling op zich te nemen en dat zeer waarschijnlijk een regresactie zal worden opgestart richting AEB. In haar reactie op deze brief schrijft mr. Pans vervolgens dat zij ervan uitgaat dat [X] de regelend verzekeraar vertegenwoordigt en dat zij zich verder tot hem zal richten. Een en ander kan redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat mr. Pans ervan uitging dat zij namens [geïntimeerde] met Zurich de volledige schade als gevolg van het ongeval zou gaan vaststellen en afwikkelen en dat het vervolgens aan Zurich zou zijn om te proberen regres te nemen op VGA.

3.11.

Anders dan [geïntimeerde] betoogt en door de kantonrechter is aangenomen, is voor het optreden door Zurich als regelend verzekeraar geen afzonderlijke (schriftelijke) volmacht van AEB en/of VGA nodig. De instemming van de benadeelde met de schaderegeling door een regelend verzekeraar brengt mee dat deze ermee akkoord gaat dat de volledige schade niet in afzonderlijke discussies met elke betrokken partij wordt geregeld, maar wordt vastgesteld in overleg en onderhandeling met de regelend verzekeraar. Op hun beurt binden de andere verzekeraars zich met het oog op de regresvordering van de regelend verzekeraar aan de hoogte van de schadevergoeding zoals die door de regelend verzekeraar met de benadeelde wordt overeengekomen. Doel en strekking van de constructie van de regelend verzekeraar is een praktische, efficiënte en overzichtelijke schadeafwikkeling waarbij alle betrokken partijen zich binden aan de hoogte van de schadevergoeding zoals die door de benadeelde met de regelend verzekeraar wordt overeengekomen. Betaling door de regelend verzekeraar van het aldus vastgestelde totale schadebedrag bevrijdt de andere hoofdelijke schuldenaren jegens de benadeelde.

3.12.

Het voorgaande betekent dat ook de grieven 2 tot en met 5 slagen. De grieven 6 en 7 bouwen op deze grieven voort en slagen eveneens. Het bestreden tussenvonnis kan niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. Partijen hebben in hun processtukken ten aanzien van de voor de beslissingen in deze zaak relevante feiten en omstandigheden hun standpunt reeds toegelicht. Het hof zal op grond van artikel 356 Rv de zaak aan zich houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:61).

3.13.

De gehele schade van [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval heeft hij naar het oordeel van het hof in overleg en onderhandeling met Zurich als regelend verzekeraar vastgesteld. De advocaten van [geïntimeerde] hebben tijdens de schaderegeling alleen contact gehad met de vertegenwoordigers van Zurich. Mr. Van heeft een schadestaat opgesteld die bestaat uit verschillende schadeposten die zien op alle door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Deze schadestaat was uitgangspunt voor de onderhandelingen met de regelend verzekeraar. Uiteindelijk is overeenstemming bereikt over de betaling van een lumpsum en is in verband daarmee een belastinggarantie afgegeven. Het uitonderhandelen van een schikkingsbedrag, waarin de verschenen en toekomstige schade is verdisconteerd, is naar het oordeel van het hof een logische en gebruikelijke uitkomst van de schaderegeling in een letselschadezaak. Op deze wijze is overeenstemming bereikt over de gehele door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval.

3.14.

De door [geïntimeerde] overgelegde e-mail van 26 april 2018 van mr. Van aan de huidige advocaat van [geïntimeerde] brengt het hof in dit verband niet tot een ander oordeel. Deze e-mail luidt als volgt:
“Uit mijn eigen ervaring met dit dossier kan ik slechts zeggen dat AEC op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de onderhandelingen die ik heb gevoerd over een eindregeling. Die onderhandelingen zijn uitsluitend gevoerd met de heer [Y] van Cunningham Lindsey. In hoeverre hij tevens optrad voor AEC weet ik niet. Hij heeft mij in elk geval nooit de indruk gegeven dat dit zo was. Anders zou ik ook de verjaring jegens AEC niet hebben gestuit. Of [Y] dit met mevrouw Pans heeft besproken, weet ik ook niet. Ik wil dat best aan haar voorleggen, maar haar bemoeienis met deze zaak dateert van bijna 10 jaar geleden. Als daarover iets in het dossier is vastgelegd, kunt u dat zelf bekijken. U beschikt over een kopie van het volledige dossier.”

Anders dan [geïntimeerde] betoogt volgt uit deze e-mail niet dat mr. Van betwist dat het de bedoeling was dat de vaststellingsovereenkomst ook werking zou hebben tussen [geïntimeerde] en AEB. Hij schrijft slechts dat hij de onderhandelingen heeft gevoerd met [Y] en dat hij niet wist in hoeverre [Y] tevens optrad voor AEB. Voor zover [geïntimeerde] wijst op de stuitingbrief van mr. Van, kan daaraan naar het oordeel van het hof geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. AEB wijst er terecht op dat uit de hiervoor aangehaalde e-mail van mr. Van blijkt dat hij een stuitingsbrief heeft gestuurd zonder het dossier op het punt van de gemaakte afspraken te hebben geraadpleegd en zonder navraag te doen bij mr. Pans. Verder is hiervoor al aan de orde gekomen dat mr. Van niet heeft gereageerd of is teruggekomen op de reactie van VGA op zijn stuitingsbrief. Ook anderszins blijkt niet dat mr. Van de reactie van VGA heeft weersproken.

3.15.

Voor [geïntimeerde] moet ook duidelijk zijn geweest dat de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten ziet op zijn volledige geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. De verplichting tot schadevergoeding was door Zurich erkend. [geïntimeerde] heeft het advies van de medisch adviseur van Zurich gekregen dat ziet op de risico’s van het sluiten van een eindregeling. Dit advies was hem gegeven omdat partijen in onderhandeling waren over een eindregeling en de risico’s daarvan in kaart dienden te worden gebracht. Verder stelt [geïntimeerde] niet dat hij op het moment van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst ervan uitging dat hij nog meer schade had of zou kunnen lijden dan waarop de eindregeling betrekking had (anders dan naar de aard van de zaak volgt uit de omstandigheid dat het vaststellen van toekomstige schade met de nodige onzekerheden gepaard gaat). In de vaststellingsovereenkomst is ook met zoveel woorden opgenomen dat deze ziet op alle door [geïntimeerde] geleden en toekomstige schade als gevolg van het ongeval, hoe ook genaamd en van welke aard ook. [geïntimeerde] is niet ingegaan op de stelling van AEB dat uit de wijze waarop de advocaten van [geïntimeerde] de schadeafwikkeling namens hem ter hand hebben genomen, in het geheel niet blijkt dat het de bedoeling was de schade slechts gedeeltelijk af te wikkelen. En als dat al de bedoeling was, is door [geïntimeerde] niet concreet gemaakt welke schadeposten toen nog geheel of gedeeltelijk open zijn gelaten.

3.16.

Doordat [geïntimeerde] ten aanzien van de omvang van zijn volledige schade die als gevolg van het ongeval is ontstaan overeenstemming heeft bereikt met Zurich in haar hoedanigheid van regelend verzekeraar en deze schade vergoed heeft verkregen, is hij daaraan ook jegens AEB gebonden. Dat AEB en/of VGA niet in de vaststellingsovereenkomst zijn genoemd, kan daaraan niet afdoen. Aangenomen moet worden dat [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden, door de constructie van de regelend verzekeraar te accepteren, ermee heeft ingestemd dat de gehele schade die hij van de betrokken partijen zou kunnen vorderen in overleg en onderhandeling zou vaststellen met de verzekeraar van één van de hoofdelijk aansprakelijk gestelde partijen, althans heeft hij bij AEB het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat hij daarmee instemde. Het eigen gedrag van [geïntimeerde] bevestigt naar het oordeel van het hof ook dat hij ervan uitging dat hij zijn schade geheel met zowel CSU als AEB had geregeld. In verband met voortdurende klachten heeft [geïntimeerde] zich immers een aantal jaren na de totstandkoming van de regeling bij brieven van 30 september en 3 oktober 2014 zowel tot AEB als CSU gewend met het verzoek het dossier te willen herzien. Als hij ervan uitging dat hij slechts voor een deel van zijn schade een regeling had gesloten met CSU en nog aanvullende schade van haar kon vorderen en/of geheel vrij stond eventuele hogere schade van AEB te vorderden, had hij deze brieven niet op deze wijze geschreven.
Als gevolg van de gekozen wijze van schadeafwikkeling is met de vaststellingsovereenkomst die [geïntimeerde] met Zurich/CSU heeft gesloten de gehele schade als gevolg van het ongeval in minnelijk overleg tussen de betrokken partijen vastgesteld, althans is met de schadevergoeding die op grond daarvan is betaald zijn schade geheel vergoed. Dit betekent dat [geïntimeerde] thans van AEB als hoofdelijke medeschuldenaar geen schadevergoeding meer kan vorderen.

3.17.

Bovendien kunnen de stellingen en vorderingen van [geïntimeerde] ter zake van de verschillende door hem in de onderhavige procedure opgevoerde schadeposten naar het oordeel van het hof evenmin de conclusie dragen dat moet worden aangenomen dat met de reeds betaalde schadevergoeding niet zijn gehele schade is vergoed. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.18.

Volgens [geïntimeerde] is met de vaststellingsovereenkomst zijn schade vergoed, behoudens voor zover het gaat om verlies aan arbeidsvermogen, huishoudelijke hulp, smartengeld en verlies zelfwerkzaamheid.

3.19.

AEB stelt onweersproken dat [geïntimeerde] gedurende de schaderegeling die heeft geleid tot de vaststellingsovereenkomst aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van elk van de genoemde schadeposten en dat hem daarvoor ook een vergoeding is betaald.

3.20.

Met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen verwijst [geïntimeerde] naar de berekeningen van het NRL (zie 2.13). Hij meent op grond daarvan dat deze schadepost minimaal € 326.220 bedraagt.

3.21.

Door AEB wordt terecht aangevoerd dat bij de berekening die uitkomt op een bedrag van € 326.220 van een andere kapitalisatiedatum is uitgegaan dan de berekening die is gebruikt bij het totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Bij de eerdere berekening is uitgegaan van de kennis, wetgeving en parameters (pensioengerechtigde leeftijd, fiscale wetgeving, rendement, inflatie, zorg- en huurtoeslag) uit 2009. Door het enkele verschuiven door [geïntimeerde] van de kapitalisatiedatum naar 1 januari 2018 en door van andere parameters uit te gaan, is de schade reeds op een hoger bedrag berekend. Dit betekent echter niet dat de berekening die uitging van de toentertijd bekende gegevens en als basis diende voor de totstandkoming van de regeling onjuist is geweest. [geïntimeerde] heeft niet concreet (cijfermatig) toegelicht dat en waarom de eerder gebruikte berekening onjuist was of toentertijd op onjuiste uitganspunten berustte.

3.22.

Verder heeft AEB onweersproken aangevoerd dat [geïntimeerde] destijds door zijn advocaat is geadviseerd een premievrij pensioen aan te vragen. [geïntimeerde] heeft dat advies niet opgevolgd. Aldus moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] de mogelijkheid had om een premievrij pensioen op te bouwen. De berekening waarop [geïntimeerde] zich baseert, gaat echter ervan uit dat hij die mogelijkheid niet had. [geïntimeerde] baseert zich daarmee op een onjuiste berekening van zijn pensioenschade. Voor zover de pensioenschade hoger is geworden doordat [geïntimeerde] geen premievrij pensioen heeft aangevraagd, kan hij die schade niet op AEB afwentelen.

3.23.

[geïntimeerde] stelt thans behoefte te hebben aan huishoudelijke hulp van 12 uur per week. In de periode van zijn huwelijk vanaf 1 januari 2009 tot en met 30 september 2017 was die behoefte 6 uur per week. De schadepost huishoudelijke hulp berekent [geïntimeerde] daarvan uitgaande op een bedrag van € 268.272.

3.24.

AEB wijst erop dat [geïntimeerde] reeds in het kader van de vaststellingsovereenkomst een vergoeding voor huishoudelijke hulp heeft gekregen. [geïntimeerde] heeft de thans door hem gestelde behoefte aan hulp in geheel niet onderbouwd. Bovendien is tijdens de comparitie in eerste aanleg op vragen van de kantonrechter gebleken dat [geïntimeerde] een PGB ontvangt op grond van de WMO waaruit hij 6 uur per week huishoudelijke hulp betaalt. In de procedure heeft hij daarvan geen melding gemaakt. In het licht van dit alles is het hof met AEB van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aanspraak heeft op een extra vergoeding voor een aanvullende 12 uur huishoudelijke hulp per week.

3.25.

Aan verlies zelfwerkzaamheid voert [geïntimeerde] een post op van € 16.018. Hij baseert zich daarbij op een richtlijn uit 2018. Aldus heeft hij niet onderbouwd dat en waarom bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2009 van verkeerde gegevens of een onjuiste berekening is uitgegaan.

3.26.

[geïntimeerde] stelt dat een bedrag aan smartengeld van € 50.000 alleszins redelijk is.

3.27.

AEB heeft toegelicht hoe het bedrag van € 20.000 dat als smartengeld op de schadestaat van Beer advocaten was opgenomen tot stand is gekomen.

3.28.

Het hof constateert dat [geïntimeerde] het thans door hem genoemde bedrag in het geheel niet heeft toegelicht, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan.

3.29.

Het voorgaande betekent dat op basis van de stellingen van [geïntimeerde] niet kan worden aangenomen dat in 2009 zijn gehele schade niet zou zijn vergoed. Daarmee falen zijn stellingen.

3.30.

De slotsom is dat de vorderingen van [geïntimeerde] niet kunnen worden toegewezen. De overige grieven van AEB kunnen onbesproken blijven.

3.31.

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot andere beslissingen in deze zaak dienen te leiden. De bewijsaanbiedingen zullen daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

3.32.

De afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] brengt mee dat de door hem gevorderde veroordeling van AEB in de kosten van het onderzoek van NRL, de buitengerechtelijke kosten en advocaatkosten bij gebreke van een toereikende grondslag moet worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties, de kosten van de behandeling van het om verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek daaronder begrepen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en rechtdoende in hoger beroep:

wijst af de vorderingen van [geïntimeerde] ;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van AEB te begroten op € 4.804,00 voor salaris, en in hoger beroep tot op heden te begroten op € 5.463,83 aan verschotten, € 4.678,00 voor salaris en op € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.L.M. Keirse, J.W. Hoekzema en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.