Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1837

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
24-07-2020
Zaaknummer
200.250.839/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft geen schade geleden doordat de procedure bij het UWV onzorgvuldig is geweest - werkgever is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld de proportionaliteit van de gevraagde ontslagvergunningen aan te tonen -. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de ontslagaanvergunningen ook bij een zorgvuldige procedure niet zouden zijn verleend. j

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0932
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer: 200.250.839/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/618465 / HA ZA 16-1145

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2020

inzake

STEBOPA MONTAGE B.V.

gevestigd te Bleskensgraaf, gemeente Molenwaard,

appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.G.G. de Bruin te Sliedrecht,

tegen

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde, tevens appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna Stebopa en UWV genoemd.

1.2

Stebopa is bij dagvaarding van 16 mei 2018 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2017 en 21 februari 2018 (hierna respectievelijk het tussenvonnis en het eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als eiseres en UWV als gedaagde.

1.3

Stebopa heeft bij memorie dertien grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd die vonnissen te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest - zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - haar vorderingen, zoals weergegeven onder 3.2, (alsnog) toe te wijzen met veroordeling van UWV in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.4

UWV heeft bij memorie van antwoord de grieven van Stebopa bestreden, harerzijds één grief in incidenteel appel voorgesteld, een productie in het geding gebracht en bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd - bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest - de bestreden vonnissen te bekrachtigen met veroordeling van Stebopa in de kosten van de procedure in appel.

1.5

Stebopa heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte uitlating op de grieven van UWV in incidenteel appel gereageerd.

1.6

Vervolgens heeft UWV te kennen gegeven nog een akte in incidenteel appel te willen nemen. Stebopa heeft daar bezwaar tegen gemaakt. De akte die UWV op 25 juni 2019 wilde nemen is door de rolraadsheer geweigerd.

1.7

UWV heeft op 2 juli 2019 een gewijzigde akte in incidenteel appel ingediend, waartegen Stebopa eveneens bezwaar heeft gemaakt. De rolraadsheer heeft bij rolbeslissing van 2 juli 2019 bepaald dat de combinatie die de zaak inhoudelijk behandelt op het bezwaar ten aanzien van de toelaatbaarheid van de akte zal beslissen.

1.8

Stebopa heeft bij akte op de laatste akte van UWV gereageerd.

1.9

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. Deze feiten luiden:

2.1

De “Esbi-groep” houdt zich bezig met het ontwerpen en produceren van buitenreclame. In het concern was B.V. Esbi (hierna: Esbi) belast met de acquisitie en deden Stebopa Stellingbouw B.V. (hierna: Stellingbouw) en Stebopa Beletteringssystemen B.V. (hierna: Beletteringssystemen) de uitvoerende werkzaamheden.

2.2

Begin 2012 heeft het Esbi-concern een reorganisatie doorgevoerd. Daarbij werden bij Stellingbouw drie, bij Esbi twee en bij Beletteringssystemen twee medewerkers ontslagen via een onderlinge regeling. In de tweede helft van 2012 heeft het Esbi-concern besloten dat, gelet op de negatieve omzetontwikkeling, opnieuw gereorganiseerd moest worden.

2.3

Op 19/25 maart 2013 heeft Hoek en Blok Accountants namens Stellingbouw en Beletteringssystemen bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd voor (aanvankelijk tien en later) negen werknemers van Stellingbouw en vier werknemers van Beletteringssystemen. De aanvraag was gebaseerd op bedrijfseconomische redenen, specifiek werkvermindering.

2.4

Na twee schriftelijke rondes heeft het UWV (de afdeling Arbeidsjuridische Dienstverlening te Rotterdam, hierna: AJD) bij besluit van 30 mei 2013 de aanvragen geweigerd. In het besluit is geoordeeld:

“In voldoende mate is aannemelijk geworden dat de omzet gedurende de laatste jaren geleidelijk is gedaald met als gevolg dat er binnen de verschillende ondernemingen minder werk valt te verrichten. De dalende omzet heeft ertoe geleid dat in 2012 de dienstverbanden van 7 werknemers zijn beëindigd. Gelet op de door u overgelegde omzetcijfers concluderen wij dat de in 2012 doorgevoerde personeelskrimp in verhouding staat met de mate waarin de omzet gedurende de laatste 3 jaren is gedaald. Ofschoon u aangeeft dat er tot 2009 nog een omzet van meer dan € 3.000.000,= werd gegenereerd, hebben wij geen inzicht verkregen in de daarbij behorende personeelsbezetting. Het komt ons logisch voor dat met de doorgevoerde reorganisatie in 2012 al rekening is gehouden met c.q. deze gebaseerd is geweest op de sinds 2009 ingezette omzetontwikkeling.

In samenhang bezien met bovenstaande zijn wij dan ook van oordeel dat het aantal arbeidsplaatsen dat volgens uw berekening thans dient komen te vervallen niet in verhouding staat met de omzetvermindering sinds 2012. Uw verzoek is dan ook niet voor toewijzing vatbaar.”

2.5

Stellingbouw heeft vervolgens de kantonrechter te Dordrecht verzocht om acht arbeidsovereenkomsten te ontbinden. De kantonrechter heeft die verzoeken op 8 augustus 2013 afgewezen met veroordeling van Stellingbouw in de kosten. In de beschikkingen heeft de kantonrechter, voor zover van belang, overwogen dat hij slechts marginaal toetst omdat het UWV de geëigende instantie is om de bedrijfseconomische omstandigheden te beoordelen, dat geen sprake is van evident onjuiste gegevens waarop het UWV zich heeft gebaseerd of van nieuwe feiten of omstandigheden en ten slotte dat Stellingbouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden die zouden moeten leiden tot het verdwijnen van acht arbeidsplaatsen, omdat Stellingbouw geen heldere gegevens heeft verstrekt ter zake van het personeelsverloop, het omzetverloop en de orderportefeuille van het gehele concern over de afgelopen jaren.

2.6

Stellingbouw is op 20 augustus 2013 op eigen aangifte failliet verklaard. Haar werkzaamheden zijn overgenomen door de nieuw opgerichte Stebopa, die in samenspraak met de curator ook zes werknemers heeft overgenomen.

2.7

Op 19 augustus 2013 heeft Stellingbouw een klacht ingediend bij het UWV over de wijze van afhandeling van de ontslagaanvragen. De klachtencommissie van het UWV heeft op 26 november 2016 de klacht gegrond verklaard en daarbij voor zover van belang als volgt overwogen:

“Bij de beoordeling van de omvang van de krimp dient AJD zich te richten op de weergegeven situatie van 2013 en de daarbij behorende verantwoording.

Bij deze beoordeling kan AJD zich tevens laten leiden door de effecten die de voorafgaande reductie in 2012, met betrekking tot de omvang van de voorgestelde krimp, op de ontstane situatie in 2013 heeft gehad.

Uw enkele mededeling van de reductieaantallen in 2012 geeft deze effecten echter niet weer. De benodigde onderbouwing daarvoor ontbreekt. Wij zijn dan ook van mening dat AJD hierover nadere vragen had moeten stellen alvorens een beslissing op de aanvraag te nemen. Dit had kunnen worden gedaan aan het begin van de procedure bij de beoordeling van de compleetheid van de aanvraag of middels een volgende ronde van hoor en wederhoor indien dit aspect pas later in de procedure naar voren zou zijn gekomen.

Wij achten, gezien de hierboven gegeven motivering, uw klacht ten aanzien van de wijze waarop door AJD invulling is gegeven aan de marginale toets van noodzaak en proportionaliteit dan ook gegrond.

Of een nadere informatieronde waarbij meer duidelijkheid zou zijn verkregen over de effecten van de reductie 2012 op de situatie van 2013 tot een andere eindconclusie zou hebben geleid is niet aan te geven en overigens ook niet aan ons om hier te beoordelen.”

2.9

In een ‘activaovereenkomst in faillissement’ van 9 september 2013 heeft Stebopa met de curator van Stellingbouw, voor zover van belang, het volgende afgesproken:

“Artikel 1. Verkoop en koop van Activa

Verkoper (de curator, hof) verkoopt en draagt bij deze over aan Koper (Stebopa, hof), gelijk Koper van Verkoper koopt en aanvaardt, het een en ander voorzover gefailleerde (Stellingbouw, hof) daarvan de eigenaar is c.q. daartoe gerechtigd is:

(…)

(c) De gepretendeerde vordering/claim van gefailleerde op UWV in verband met de ondeugdelijke besluitvorming inzake de acht ontslagprocedures in 2013;

(…)

Artikel 3. Levering

3.1

De Activa worden gekocht en verkocht per 1 september 2013. Verkoper zal de Activa per laatstgenoemde datum middels bezitsverschaffing aan Koper leveren (...).”

De koopprijs voor de gepretendeerde vordering/claim op het UWV is gesteld op € 1,=.

3 De beoordeling

3.1

Het hof overweegt in de eerste plaats dat de in overwegingen 1.7 en 1.8 genoemde akten in incidenteel appel niet worden toegelaten. Voor het nemen van een nadere akte door UWV zou alleen toestemming zijn verleend indien Stebopa in de memorie van antwoord in incidenteel appel een nieuwe stelling zou hebben ingenomen of daarbij een nieuwe productie in het geding zou hebben gebracht. Noch het een, noch het ander is het geval. Het toestaan van de door UWV gewenste akte zou in strijd zijn met de regel dat beide partijen in appel maar een keer de gelegenheid krijgen hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten (de twee conclusieregel). De op 2 juli 2019 (onder voorbehoud van toelaatbaarheid) door UWV genomen akte en de antwoordakte van Stebopa maken dus geen onderdeel uit van de stukken in deze procedure waarvan het hof kennis heeft genomen.

3.2

Stebopa vordert in deze procedure voor recht te verklaren dat UWV jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en UWV te veroordelen tot betaling van

€ 202.426,11 aan schadevergoeding en € 2.790,54 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de datum van dagvaarding in eerste aanleg tot de dag van algehele voldoening, alsmede UWV te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Stebopa legt aan haar vordering ten grondslag dat UWV onrechtmatig heeft gehandeld door een onzorgvuldig besluit te nemen op de ontslagaanvragen van Stellingbouw. UWV heeft onjuiste gegevens gebruikt bij haar beslissing en is daarbij veel verder gegaan dan het aanleggen van een marginale toets, zoals zijn taak is. Als UWV juist had gehandeld, zouden de verzochte ontslagvergunningen zijn verleend en was Stellingbouw niet failliet gegaan. Als gevolg van de weigering heeft Stellingbouw schade geleden, voor welke schade UWV jegens haar aansprakelijk is. Stebopa heeft de desbetreffende schadevordering van de curator in het faillissement van Stellingbouw overgenomen en is dus gerechtigd die schade in de onderhavige procedure te vorderen. Ook andere vennootschappen van het Esbi-concern hebben als gevolg van de onrechtmatige weigering schade geleden die UWV moet vergoeden. Voor hen treedt zij in deze procedure op als lasthebber, aldus steeds Stebopa.

3.3

De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat het besluit van UWV om de ontslagvergunningen te weigeren onrechtmatig was jegens Stellingbouw omdat dat besluit tot weigering onzorgvuldig tot stand is gekomen. UWV had Stellingbouw eerst in de gelegenheid moeten stellen om aan te tonen dat de in 2013 voorgenomen ontslagen, waarop de vergunningen betrekking hadden, in het licht van de (effecten van de) eerdere reorganisatie in 2012 proportioneel waren. De volgende vraag die volgens de rechtbank beantwoord diende te worden, is de vraag of Stellingbouw ten gevolge van dat onzorgvuldige besluit schade heeft geleden. Om dat te beoordelen moest een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie en de situatie waarin Stellingbouw zou hebben verkeerd als wel een zorgvuldig besluit was genomen. Het is niet gezegd dat in dat geval de ontslagvergunningen zouden zijn verleend, omdat dat afhangt van de vraag of Stellingbouw erin zou zijn geslaagd aan te tonen dat de ontslagaanvragen proportioneel waren. De rechtbank heeft Stebopa daarom in de gelegenheid gesteld alsnog de proportionaliteit van de ontslagaanvragen in 2013, in het licht van de (effecten van de) reorganisatie in 2012, waarbij drie arbeidsplaatsen waren vervallen, aan te tonen. Stebopa moest daartoe ook aantonen dat in de reorganisatie van 2012 de omzetdaling tussen 2009 en 2012 nog niet (volledig) was verdisconteerd. De rechtbank heeft in het tussenvonnis voorts enige overwegingen aan de door Stebopa gestelde schade gewijd en haar in de gelegenheid gesteld zich over een aantal aspecten van die schade bij bedoelde akte nader uit te laten. Nadat partijen ieder nog een akte hadden genomen en Stebopa zich bij akte had uitgelaten over een door UWV nog in het geding gebrachte productie, heeft de rechtbank bij het eindvonnis overwogen dat Stebopa niet had voldaan aan de in het tussenvonnis gegeven opdracht de proportionaliteit van de ontslagaanvragen aan te tonen en de vorderingen van Stebopa afgewezen met veroordeling van Stebopa in de kosten van de procedure. Tegen deze beslissingen en de gronden waarop ze berusten, richten zich de grieven in principaal appel en de grief in incidenteel appel.

3.4

In eerste aanleg heeft UWV onder meer als verweer aangevoerd dat de vorderingen van Stebopa niet voor toewijzing in aanmerking konden komen omdat de beschikkingen van de kantonrechter te Dordrecht (genoemd hiervoor onder 2.5), waarbij de verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten met de werknemers voor wie het verzoek een ontslagvergunning te verlenen niet was gehonoreerd, werden afgewezen, het causaal verband tussen de onzorgvuldige beslissing van UWV en de door Stellingbouw geleden (door Stebopa in deze procedure gevorderde) schade heeft doorbroken. De rechtbank heeft dit verweer afgewezen, daarbij overwegende (in overweging 4.9 van het tussenvonnis) dat het feit dat Stellingbouw er in die procedures niet in is geslaagd de kantonrechter te overtuigen van de bedrijfseconomische noodzaak voor het ontbinden van de arbeidsovereenkomsten, niet betekent dat die noodzaak er ook niet was en dat UWV de geëigende en best geëquipeerde instantie is om de bedrijfseconomische noodzaak van een ontslag te beoordelen, zoals de kantonrechter ook had overwogen.

3.5

Met zijn grief in incidenteel appel komt UWV op tegen de desbetreffende overweging van de rechtbank op. Het hof overweegt in de eerste plaats dat het incidenteel appel nodeloos is ingesteld. UWV beoogt immers geen wijziging van het dictum van het tussenvonnis of van het eindvonnis. Het verweer van UWV zou verder in het kader van de devolutieve werking in deze appelprocedure aan de orde zijn gekomen als een van de grieven van Stebopa zou slagen. Dat is, zoals uit het hiernavolgende zal blijken, niet het geval. Het hof komt aan de vraag of de causale keten is doorbroken dus niet toe. UWV heeft bij zijn grief in incidenteel appel geen belang.

3.6

De grieven van Stebopa in principaal appel betreffen het oordeel van de rechtbank over het door UWV uitgevoerde onderzoek (grieven II tot en met VI), de overwegingen van de rechtbank over de door Stebopa gestelde schade in het tussenvonnis en het eindvonnis (grieven VII tot en met XI), de proceskostenveroordeling (grief XII) en het afwijzen van de (gehele) vordering van Stebopa (grieven I en XIII). Het hof ziet aanleiding eerst de grieven II tot en met VI te bespreken, die zich voor gezamenlijk behandeling lenen.

3.7

Stebopa stelt dat de rechtbank (in overweging 2.2 van het eindvonnis) ten onrechte heeft overwogen dat zij zich eerst na het tussenvonnis op het standpunt heeft gesteld dat het UWV niet was toegestaan de proportionaliteit van de ontslagaanvragen te onderzoeken en dat de rechtbank daarom aan dat verweer voorbij ging. Stebopa voert aan dat zij nimmer heeft aangevoerd dat UWV de proportionaliteit van de ontslagaanvragen niet mocht toetsen, maar dat zij zich vanaf het begin van de procedure op het standpunt heeft gesteld dat de manier waarop UWV invulling heeft gegeven aan het marginaal toetsen van de aanvragen onjuist is geweest omdat UWV bij zijn toets veel verder is gegaan dan op grond van de toen geldende regelgeving (Ontslagbesluit UWV en Beleidsregels Ontslagtaak UWV) was toegestaan. Zij heeft verder, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel voldoende gemotiveerd en met stukken onderbouwd dat het noodzakelijk en proportioneel was in 2013 nog negen werknemers te ontslaan (vier bij Stellingbouw en vijf bij Stebopa) in relatie tot de dramatische werkvermindering en het snel oplopende verlies ook in het licht van de (effecten van de) reorganisatie in 2012. UWV behoefde slechts marginaal te toetsen of Stebopa in redelijkheid tot het besluit kon komen de vijf werknemers, waarvoor toestemming voor ontslag werd aangevraagd, te ontslaan. UWV heeft echter een veel ruimere toets aangelegd en is in feite op de stoel van de werkgever gaan zitten, wat UWV volgens haar eigen in 2013 geldende beleidsregels uitdrukkelijk niet mocht. Met het maken van een vergelijking van het aantal ontslagaanvragen in 2013 afgezet tegen de omzetdaling vanaf 2012 ten opzichte van het aantal ontslagaanvragen bij de eerdere reorganisatie afgezet tegen de omzetdaling in de periode 2009-2012, heeft UWV een volstrekt onjuiste toets uitgevoerd uitgaande van de toen geldende beleidsregels en regelgeving. Bij de eerste reorganisatie (in 2012) hebben Stebopa en Stellingbouw het behoud van werkgelegenheid en van goede vakkrachten voorop gesteld in de hoop dat de omvang van het werk weer zou aantrekken en is er dus terughoudend gesneden in personeelskosten en zijn de besparingen gezocht in andere maatregelen. Toen bleek dat de verwachte economische verbetering uitbleef was een nieuwe reorganisatie nodig.

3.8

Het hof volgt Stebopa niet in haar betoog dat UWV een te ruime toets heeft aangelegd bij het beoordelen van de onderhavige ontslagaanvragen. De taak van het UWV is in een geval als het onderhavige, waar aan het verzoek ontslagvergunningen te verlenen een economische oorzaak en dan met name werkvermindering ten grondslag is gelegd, niet beperkt tot het toetsen van de gestelde economische noodzaak, maar moet ook getoetst worden of het aantal arbeidsplaatsen dat komt te vervallen reëel is. De werkgever moet dus kunnen uitleggen hoe hij het aantal te vervallen arbeidsplaatsen heeft berekend in relatie tot de werkvermindering. Daarbij kan het voor UWV van belang zijn te worden voorgelicht over de effecten van een kort voor de ontslagaanvragen doorgevoerde reorganisatie. Dat UWV op grond van de toen geldende regelgeving nadere vragen had kunnen stellen over de effecten van de vorige reorganisatie, volgt ook uit de hiervoor onder 2.7 geciteerde passage uit de beslissing van UWV van 26 november 2013 op de klacht van Stellingbouw. Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat voor de beoordeling van de vraag of de ontslagvergunningen zouden zijn verleend als UWV nadere informatie had opgevraagd, van belang is of Stellingbouw dan had kunnen aantonen dat het aantal ontslagvergunningen dat zij vroeg proportioneel was in relatie tot onder meer de effecten van de eerdere personeelsreductie in 2012. Anders dan Stebopa stelt heeft de rechtbank haar dus op goede gronden opgedragen de proportionaliteit van de ontslagaanvragen aan te tonen.

3.9

Stebopa heeft bij haar akte na het tussenvonnis berekeningen in het geding gebracht waaruit volgens haar volgt dat de omzetdaling tot 2012 het verlies van 5,5 arbeidsplaatsen zou hebben gerechtvaardigd, terwijl er toen maar vier werknemers zijn afgevloeid/gepensioneerd. De rechtbank heeft in het eindvonnis overwogen dat, als die berekening juist is, daarmee wel is aangetoond dat de omzetdaling tussen 2009 en 2012 nog niet volledig was verdisconteerd maar dat daarmee nog niet is aangetoond dat er in 2013 negen werknemers moesten worden ontslagen hoewel de omzetdaling in 2012/2013 minder dramatisch was dan in de jaren daarvoor. Stebopa kan worden toegegeven dat de rechtbank in dit verband negen werknemers noemt, zijnde het aantal werknemers voor wie voor Stellingbouw en Beletteringssystemen gezamenlijk een ontslagvergunning was verzocht terwijl Stellingbouw een ontslagvergunning had verzocht voor maar vijf werknemers maar dat baat Stebopa niet. Zij zou hebben moeten aantonen dat het ontslag van vijf werknemers bij Stellingbouw (dus 3,5 extra werknemers) en vier bij beletteringssystemen aangewezen was.

3.10

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de door Stebopa als productie 32 in eerste aanleg in het geding gebrachte “Onderbouwing ontslagaanvraag in relatie tot werkvermindering prognose 2012” kan worden afgeleid dat er in 2012 vier arbeidsplaatsen zijn vervallen, terwijl de omzetdaling verlies van 5,5 arbeidsplaatsen zou rechtvaardigen. Hieruit blijkt dat de omzetdaling tussen 2009 en 2012 nog niet volledig was verdisconteerd in de reorganisatie, maar daarmee is nog niet aangetoond dat, hoewel de omzetdaling in 2012/2013 minder groot was dan in de periode ervoor, er in 2013 vijf werknemers ontslagen moesten worden bij Stellingbouw (en nog vier bij Beletteringssystemen) en dat de in 2013 voorgenomen reorganisatie proportioneel was. In hoger beroep heeft Stebopa (als productie 5) een vergelijkbare berekening in het geding gebracht (“Onderbouwing ontslagaanvraag in relatie tot werkvermindering prognose 2013”), die uitkomt op de noodzaak in 2013 zes werknemers te ontslaan. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deze opstelling achteraf is gemaakt met het oog op de onderhavige appelprocedure. Het is in feite productie 32 in eerste aanleg met aangepaste gegevens, terwijl er geen uitleg wordt gegeven over de afwijkingen van de berekening in productie 5 (bij memorie van grieven) ten opzichte van productie 32 bij de akte na het tussenvonnis in eerste aanleg. Met name wordt de niet onaanzienlijke verlaging van de geprognotiseerde omzet (van € 175.000,-- over 2011/2012 naar € 125.000,-- over 2013 per maand) niet verklaard. Bovendien wordt ook in de onderbouwing voor 2013 niet tot uitdrukking gebracht wat de gevolgen zijn van de in 2012 doorgevoerde reorganisatie (anders dan dat Stellingbouw in 2013 minder werknemers had), terwijl Stebopa heeft aangevoerd dat er in 2012 aanzienlijke kostenbesparende maatregelen waren genomen en wordt ook niet verklaard waarom er bij de reorganisatie in 2013 meer mensen ontslagen zouden moeten worden dan bij de eerdere reorganisatie, hoewel de omzet na 2012 weliswaar bleef dalen maar in mindere mate dan daarvoor.

3.11

Stebopa heeft ook in hoger beroep gewezen op een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2016, waarin, zo voert zij aan, alle kostenbesparende maatregelen en de noodzaak van ontslag van de werknemers, waarvoor een ontslagvergunning was gevraagd uitvoerig aan de orde zijn geweest. De rechtbank heeft de in die procedure vastgestelde feiten ten onrechte niet in deze procedure in aanmerking genomen, aldus Stebopa. Ook dit betoog faalt. In de procedure bij de rechtbank Rotterdam was noch Stebopa noch Stellingbouw, noch UWV partij. Die procedure werd bovendien gevoerd na het faillissement van Stellingbouw, waarbij de werkelijk behaalde resultaten in aanmerking konden worden genomen, terwijl het er in de procedure bij UWV en in de onderhavige procedure om gaat of Stellingbouw destijds, vóór haar faillissement, had kunnen aantonen dat zij vijf extra werknemers moest ontslaan. Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat Stebopa ook in appel er niet in is geslaagd de proportionaliteit van de ontslagaanvragen in 2013 aan te tonen. Ook bij een zorgvuldige besluitvorming zou UWV de onderhavige ontslagvergunningen dus niet hebben verleend. De grieven I tot en met VI falen.

3.12

Het falen van de grieven I tot en met VI betekent dat de grieven VII tot en met XI, die de door Stebopa gestelde schade betreffen, niet besproken behoeven te worden.

3.13

Grief I klaagt er over dat de rechtbank de vordering voor recht te verklaren dat UWV tegenover Stellingbouw onrechtmatig heeft gehandeld, heeft afgewezen. In het tussenvonnis heeft de rechtbank immers overwogen dat de ontslagaanvragen niet zonder nader onderzoek door UWV afgewezen hadden mogen worden en dat het afwijzingsbesluit van UWV daarom onzorgvuldig tot stand gekomen is en onrechtmatig was tegenover Stellingbouw.

3.14

Ook deze grief faalt. Nu de rechtbank bij het eindvonnis heeft vastgesteld dat Stellingbouw door het onzorgvuldige besluit van UWV geen schade heeft geleden, omdat ook bij een zorgvuldige besluitvorming de gevraagde ontslagvergunningen niet zouden zijn verleend, had Stebopa geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht. De rechtbank heeft de desbetreffende vordering daarom op goede gronden niet toegewezen.

3.15

Grief XIII tenslotte, die zich richt tegen de afwijzing van de vorderingen van Stebopa behoeft na het vooroverwogene geen afzonderlijke bespreking meer. Ook die grief faalt.

3.16

Stebopa heeft geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere conclusie dan de voorgaande nopen. Haar bewijsaanbod wordt gepasseerd.

3.17

De grieven in principaal appel kunnen niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden. Deze zullen worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij, wordt Stebopa veroordeeld in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep. Omdat, zoals hiervoor werd overwogen, het incidentele appel nodeloos is ingesteld, dient een kostenveroordeling in incidenteel hoger beroep achterwege te blijven.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt Stebopa in de kosten van de procedure in principaal appel tot aan deze uitspraak begroot op € 5.270,-- voor verschotten en op € 3.919,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, L.A.J. Dun en I.A. Haanappel-van der Burg en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.