Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1834

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
200.246.897/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtspersoon is zelfstandig onderdeel van R.K. Kerkgenootschap (art. 2:2 BW); analoge toepassing van art. 7:904 lid 1 BW ten aanzien van beslissingen in kerkelijke procedure

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:2602.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/376
OR-Updates.nl 2020-0329
JONDR 2020/937
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.246.897/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/631678 / HA ZA 17-673

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2020

inzake

HET BISDOM HAARLEM - AMSTERDAM,

gevestigd te Haarlem,

appellant,

eiser in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 STICHTING HET ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS,

gevestigd te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2],

3. [geïntimeerde sub 3],

4. [geïntimeerde sub 4] ,

5. [geïntimeerde sub 5] ,

allen domicilie gekozen hebbende te [plaats] ,

geïntimeerden,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. J. Fleming te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Met ‘het Bisdom’ wordt hierna appellant bedoeld en met ‘het Maagdenhuis’ geïntimeerde sub 1. Met ‘het Maagdenhuis c.s.’ (in onzijdig enkelvoud) worden hierna geïntimeerden sub 1, 2, 3 en 5 gezamenlijk bedoeld.

Het hoger beroep tegen geïntimeerde sub 4 is met instemming van het Maagdenhuis c.s. ingetrokken. Daarop behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

Bij tussenarrest van 16 juli 2019 heeft het hof het Maagdenhuis c.s. bevolen de notulen van zijn vergaderingen van 10 maart 1981, 22 februari 1983, 22 maart 1983 en 20 april 1983 (met bijlage) – zonder nadere toelichting – bij akte in het geding te brengen en de zaak daartoe verwezen naar de rol. Verder heeft het hof het meer of anders in het incident gevorderde afgewezen, de proceskosten in het incident gecompenseerd en iedere verdere beslissing aangehouden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- de akte overlegging bescheiden ex artikel 22 Rv van het Maagdenhuis c.s.;

- de akte uitlaten stukken van het Bisdom; en

- de antwoordakte uitlaten stukken van het Maagdenhuis c.s.

Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

Zoals al in het tussenarrest is vermeld, hebben partijen in de hoofdzaak als volgt geconcludeerd:

Het Bisdom, dat in eerste aanleg eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie was, heeft na eiswijziging geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen met uitzondering van onderdeel 5.1 van het dictum, en uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  1. voor recht zal verklaren dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het Roomsch Katholiek kerkgenootschap in Nederland (hierna: het R.K. Kerkgenootschap);

  2. voor recht zal verklaren dat geen van de geïntimeerden sub 2 t/m 5 het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen;

  3. voor recht zal verklaren dat de in de dagvaarding in eerste aanleg genoemde ‘nieuwe bestuurders’ het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen;

  4. het Maagdenhuis c.s. zal gebieden om binnen tien dagen na betekening van het door het hof te wijzen arrest (i) de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen, en (ii) met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om de nieuwe bestuurders in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen;

subsidiair

5. verklaringen voor recht zal uitspreken of een of meer voorzieningen zal treffen overeenkomstig hetgeen – naar het hof begrijpt – in de nummers 6 en 7 van de memorie van grieven is gesteld;

in alle gevallen

6. het Maagdenhuis zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

Het Maagdenhuis c.s., dat in eerste aanleg (met nog twee andere personen) gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie was, heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, en het Bisdom – uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, althans voorwaardelijk (voor zover de primair sub 1 of subsidiair sub 5 door het Bisdom ingestelde vordering wordt toegewezen) voor recht zal verklaren dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is, waarbij geldt:

• dat het bestuur bevoegd is zijn taak, inclusief beheer van en beschikking over het

vermogen, in volledige zelfstandigheid uit te oefenen;

• dat aan de bisschop en het Bisdom zijn toegekend een in objectiviteit te hanteren

marginaal toetsingsrecht om in de samenstelling van het bestuur in te grijpen, voor zover daartoe naar objectief oordeel wegens wanbeleid een dringende reden bestaat; en

• dat de bisschop en het Bisdom slechts gerechtigd zijn om bekrachtiging aan een

bestuurdersbenoeming te onthouden voor zover daartoe naar objectief oordeel op grond van een marginale toets wegens wanbeleid een dringende reden bestaat;

alsmede dat het hof het Bisdom – uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in de hoofdzaak bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.15 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief VIII van het Bisdom richt zich tegen deze feitenvaststelling, maar het hof ziet in het daarin gestelde geen aanleiding de feitenvaststelling aan te passen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1. (

De rechtsvoorganger van) het Maagdenhuis is in 1570 door twee katholieke vrouwen opgericht als weeshuis voor Rooms Katholieke weesmeisjes in Amsterdam.

2.2.

In 1853 is in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. In 1854 is de Armenwet in werking getreden. Het Maagdenhuis heeft zich toen geregistreerd als instelling in de zin van artikel 2 onder b van de Armenwet, en daarmee als “instelling eener kerkelijke gemeente”, en kwam daardoor formeel onder toezicht van de kerkelijke overheid te staan.

2.3.

Op 6 februari 1855 heeft de bisschop het Algemeen Reglement voor de Besturen der Parochiale en andere Katholijke Instellingen van Liefdadigheid in het Bisdom van Haarlem vastgesteld. In artikel 1 is bepaald:

“Het katholijke armwezen en de daaruit voortgevloeide of daarmede verband houdende instellingen van liefdadigheid, staan in de geheele uitgestrektheid van het Bisdom, onder het kerkelijk gezag en oppertoezigt van den Bisschop.

De bestuurders dezer instellingen zijn aan hem verantwoordelijk wegens hun beheer. Zij nemen de bepalingen in acht welke bij dit reglement zijn voorgeschreven.”

Artikel 3 van dit reglement maakte onderscheid tussen parochiale en niet-parochiale inrichtingen:

Alle overige inrigtingen van armenverzorging maken de klasse der niet parochiale uit, en worden in dit reglement genoemd bijzondere instellingen of inrigtingen van liefdadigheid. Hare inrigting en haar bestuur regelen zich naar hare eigene stichtingsbrieven, statuten of reglementen, behoudens de vereischte kerkelijke goedkeuring en het toezigt van den Bisschop.”

2.4.

Eveneens in 1855 is het op grond van artikel 7 van de Armenwet vereiste, door de bisschop goedgekeurde, reglement voor het Maagdenhuis aan burgemeester en wethouders van Amsterdam toegezonden. In artikel 6 van het reglement was bepaald:

“Het oppertoezicht over het bestuur en de administratie van het godshuis, berust bij de bevoegde kerkelijke overheid.”

2.5.

Op 29 september 1910 is een (eerste) huishoudelijk reglement voor het Maagdenhuis vastgesteld en door de bisschop goedgekeurd. In het reglement is onder meer bepaald dat het Maagdenhuis een instelling van weldadigheid is (art. 1); dat het beheer van de instelling, onder toezicht van de bisschop, is opgedragen aan het uit regenten en regentessen samengestelde algemeen bestuur en dat deze zijn belast met het financieel beheer en daarover jaarlijks verantwoording afleggen aan de bisschop (art. 2); dat de goedkeuring van de bisschop vereist is voor een aantal besluiten van financiële aard (art. 3); dat de regenten en regentessen worden benoemd en ontslagen door de bisschop, en dat de benoeming plaatsvindt op voordracht van het algemeen bestuur, en dat ingeval van onenigheid in het algemeen bestuur de minderheid de kwestie ter bindende beslissing aan de bisschop kan voorleggen (art. 4); en dat wijziging van het reglement de voorafgaande goedkeuring van de bisschop vereist (art. 24).

2.6.

In 1918 is de Codex Iuris Canonici (CIC 1917) van kracht geworden. Volgens canon 100 van de CIC 1917 verkrijgen lagere rechtspersonen die hoedanigheid binnen de kerk van rechtswege of door bijzondere toekenning door het bevoegde kerkelijk gezag door middel van een formeel decreet, voor een religieus of charitatief doel.

2.7.

In 1925 is het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland van kracht geworden. In artikel VII is onder verwijzing naar artikel 100 § 1 van de CIC 1917 bepaald dat alle andere instellingen, verenigingen en stichtingen, die de uitoefening van de R.K. godsdienst ten doel hebben, niet als onderdelen van het R.K. Kerkgenootschap worden beschouwd, indien zij niet door de bisschop van het diocees, waarin zij gevestigd zijn, als zodanig wettig zijn erkend.

2.8.

Op 22 september 1932 is het huishoudelijk reglement van het Maagdenhuis herzien en door de bisschop goedgekeurd. In het herziene reglement is opnieuw bepaald dat het Maagdenhuis een instelling van weldadigheid is (art. 1); dat het beheer van de instelling, onder toezicht van de bisschop, is opgedragen aan het uit regenten en regentessen samengestelde algemeen bestuur en dat deze zijn belast met het financieel beheer en daarover jaarlijks verantwoording afleggen aan de bisschop (art. 2); dat de goedkeuring van de bisschop vereist is voor een aantal besluiten van financiële aard (art. 3); dat de regenten en regentessen worden benoemd en ontslagen door de bisschop, en dat de benoeming plaatsvindt op voordracht van het algemeen bestuur (art. 4); en dat wijziging van het reglement de instemming van de bisschop vereist (art. 24).

2.9.

In 1953 heeft het Maagdenhuis de instandhouding van het weeshuis gestaakt. Het gebouw aan het Spui in Amsterdam, waarin het weeshuis was gevestigd, is verkocht. Sindsdien kent het Maagdenhuis charitatieve doelstellingen.

2.10.

Vervolgens is op 1 januari 1957 de Wet op Stichtingen 1956 in werking getreden. In artikel 28 van de Wet op Stichtingen 1956 is voor zover van belang bepaald dat de bepalingen van die wet niet van toepassing zijn op (a) kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen, (b) kerkelijke stichtingen en (e) instellingen van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet.

2.11.

In 1959 zijn de statuten van het Maagdenhuis voor het eerst op schrift gesteld. In de considerans die aan deze statuten voorafging is vermeld:

“dat de instelling “Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis” sedert ongeveer het [jaar, hof] 1570 te Amsterdam is gevestigd en werkzaam geweest als een instelling van weldadigheid zoals bedoeld in de thans geldende Armenwet;

dat voor die instelling nimmer statuten werden vastgesteld, althans van een stichtingsakte of een akte, houdende vaststelling der statuten, niets bekend is;

(…)

dat het Algemeen Bestuur der instelling, mede in verband met de tot standkoming van de Wet op Stichtingen (…) de wenselijkheid heeft ervaren om de juridische positie der instelling duidelijk te bepalen en vast te leggen;

dat bedoeld Algemeen Bestuur weliswaar van mening is dat de bedoelde Wet op Stichtingen op de instelling niet van toepassing is, omdat deze is een Kerkelijke instelling en evenzeer een instelling van weldadigheid, als bedoeld in de Armenwet, doch dat het wezen van de instelling overeenstemt met de definitie welke bedoelde wet van een stichting in het algemeen geeft;

dat bedoeld Algemeen Bestuur daarom besloten heeft het woord “stichting” in de naam der instelling op te nemen;

(…)

dat de vastgestelde statuten vooraf door de Bisschop van Haarlem zijn goedgekeurd, (…)”

2.12.

In de statuten van 1959 is onder meer bepaald dat het Maagdenhuis zich ten doel stelt steun te verlenen aan het ouderzorg missende of tekortkomende kind van de Roomsch Katholieke godsdienst en aan initiatieven op het gebied van de Roomsch Katholieke jeugdzorg (art. 1); dat het bestuur van de Stichting is opgedragen aan het uit regenten en regentessen samengestelde bestuur (art. 2); dat de regenten en regentessen, op (niet bindende) voordracht van het bestuur, worden benoemd door de bisschop en dat hun functie eindigt door ontslagneming of ongevraagd ontslag door de bisschop (art. 3); dat de bisschop een vergadering van het bestuur bijeen kan doen roepen (art. 5); dat de bisschop een afschrift van de jaarcijfers wordt toegezonden (art. 6); en dat een wijziging van de statuten pas van kracht wordt nadat deze door de bisschop is goedgekeurd (art. 7).

2.13.

In 1962 zijn de statuten van het Maagdenhuis gewijzigd. In de considerans die aan deze statuten voorafging is onder meer vermeld dat de gewijzigde statuten zijn goedgekeurd door de Bisschop en:

“dat de te Amsterdam gevestigde kerkelijke instelling, welke tevens is een instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet, genaamd “Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis”, wordt geregeerd door de navolgende Gewijzigde Statuten”

In aanvulling op de bepalingen in de statuten van 1959 is in de statuten van 1962 onder meer bepaald dat indien geen bestuurslid meer in functie mocht zijn aan de bisschop het recht toekomt een nieuw bestuur aan te stellen en dat intussen het gehele bestuur tijdelijk overgaat op de bisschop (art. 4); dat de door het bestuur vastgestelde jaarstukken door de bisschop worden goedgekeurd en pas door die goedkeuring van kracht worden (art. 9); dat een besluit tot ontbinding eerst van kracht wordt na goedkeuring door de bisschop en dat een eventueel na vereffening overblijvend batig saldo bestemd wordt voor een – na goedkeuring door de bisschop – aangewezen Katholieke instelling van weldadigheid of algemeen nut (art. 11).

2.14.

Op 2 september 1964 is het Algemeen Reglement voor katholieke instellingen op charitatief en maatschappelijk gebied in de Nederlandse R.-K. Kerkprovincie (het AR 1965) vastgesteld. Het AR 1965 houdt onder meer in dat de op charitatief en maatschappelijk gebied bestaande katholieke, zowel parochiale als niet-parochiale, instellingen van liefdadigheid, worden geregeerd door een voor ieder bisdom geldend Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid (vgl. rov. 2.3); dat de omstandigheden zich op dit gebied zodanig gewijzigd hebben, dat het gewenst is een nieuwe regeling te treffen; en dat de bestaande voor ieder bisdom geldende reglementen worden vervangen door één regeling welke geldt voor de hele Nederlandse R.K. Kerkprovincie. In artikel 2 van het AR 1965 is bepaald:

“Onder katholieke instellingen wordt in dit Reglement verstaan iedere instelling, die zich ten doel stelt de hulpbehoevende medemens te helpen en de naam katholiek voert of op ander wijze als katholieke instelling optreedt.”

In artikel 4 AR 1965 is bepaald:

“Deze katholieke instellingen worden onderscheiden in kerkelijke en niet kerkelijke.

De kerkelijke instellingen zijn die instellingen, die door het bevoegde kerkelijk gezag zijn ingesteld, of door hetzelve als zodanig erkend. Krachtens deze instelling of erkenning zijn zij een onderdeel van het R.-K Kerkgenootschap in Nederland.

De overige instellingen zijn katholieke niet-kerkelijke instellingen.”

De in het AR 1965 opgenomen overgangsbepaling luidt:

De katholieke niet-parochiale instellingen van liefdadigheid, bedoeld in (…) het bij dit besluit opgeheven “Algemeen Reglement voor de Besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid” worden bij het in werking treden van dit Reglement beschouwd als katholieke niet-kerkelijke instelling, met uitzondering van de instelling die door de bisschop als kerkelijke instelling is opgericht of als zodanig erkend.”

2.15.

In 1970 zijn de statuten van het Maagdenhuis nog op ondergeschikte punten gewijzigd.

2.16.

In 1976 is boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in werking getreden en is de Wet op Stichtingen 1956 ingetrokken.

2.17.

In 1978 zijn ter vervanging van het AR 1965 de Algemene Bepalingen 1978 voor katholieke instellingen op pastoraal, charitatief of maatschappelijk gebied of op het terrein van onderwijs of vorming in de R.K. Kerkprovincie in Nederland (hierna: de Algemene Bepalingen 1978) van kracht geworden. In artikel 3 is bepaald dat kerkelijke instellingen zijn de kerkelijke rechtspersonen, die door de bisschoppenconferentie of bisschop(-pen) zijn opgericht of als zodanig zijn erkend, dat erkenning kan geschieden door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten, en dat zij krachtens deze oprichting of erkenning zelfstandig onderdeel zijn van het R.K. Kerkgenootschap en uit dien hoofde rechtspersoonlijkheid bezitten. In artikel 6 is bepaald dat in de statuten van kerkelijke instellingen wordt bepaald dat het bevoegde kerkelijk gezag een recht tot (voordracht tot) benoeming en ontslag van bestuursleden wordt toegekend (onder b); dat de begroting en rekeningverantwoording ter kennisname of goedkeuring aan het bevoegde kerkelijk gezag wordt voorgelegd (onder c); dat voor bepaalde rechtshandelingen betreffende het beheer van het vermogen de toestemming van het bevoegde kerkelijke gezag vereist is (onder d); dat wijziging van de statuten, opheffing en bestemming van een batig saldo de goedkeuring van het bevoegde kerkelijk gezag behoeven (onder e); en dat een wijziging van de statuten in een notariële akte wordt vastgelegd waarin wordt vermeld dat de kerkelijke instelling een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van artikel VII van het reglement van het R.K. Kerkgenootschap in Nederland (onder f).

2.18.

De laatste statutenwijziging van het Maagdenhuis vond plaats in 1983 (hierna: de statutenwijziging van 1983). Voorafgaand aan deze statutenwijziging zijn er meerdere overleggen geweest tussen het Maagdenhuis, het Bisdom en de bisschop. Tijdens die overleggen heeft het Maagdenhuis mr. [naam] (hierna: [naam] ), als voormalig lid van het bestuur van het Maagdenhuis, gevraagd te adviseren over de verhouding van het Maagdenhuis tot de bisschop en het Bisdom.

2.19.

In een notitie van 12 juni 1980 gericht aan het Maagdenhuis heeft [naam] onder meer het volgende geschreven:

“2. Volgens de genoemde 3 stukken [het huishoudelijk reglement 1932, de statuten van 1959 en de statuten van 1962, hof] lijkt het, of het R.C. Maagdenhuis als R.K.-instelling van weldadigheid geheel staat onder de heerschappij van de Bisschop van Haarlem. De praktijk was en is anders. Twee hoofdpunten zijn:

a. volgens de 3 genoemde stukken worden de bestuursleden, op voordracht van het bestuur, benoemd en ontslagen door de Bisschop.

Echter in de “Inventaris van het archief van regenten van het R.C. Maagdenhuis te Amsterdam vanaf 1570” (…) constateert deze op blz. 8:

“Altijd is het (college van regenten) een college van leken geweest dat zich zelf door coöptatie aanvulde, terwijl voor de benoeming de bekrachtiging van de Apostolisch Vicaris werd gevraagd, en na het herstel van de hiërarchie, in 1853, die van de Bisschop van Haarlem vereist was”.

Dit is in overeenstemming met wat ik in 1945 – toen ik regent werd – vernam van voorzitter [F] , die in 1898 regent werd: “Wij benoemen, de Bisschop bekrachtigt”

(…)

b. volgens de 3 genoemde stukken geeft het bestuur jaarlijks van zijn finantieel beheer verantwoording aan de Bisschop van Haarlem.

Echter de praktijk – welke ik heb meegemaakt – was dat de Deken van Amsterdam namens de Bisschop jaarlijks een bezoek bracht aan het bestuur, waarbij onder het genot van een glaasje wijn en een sigaar (voor de Eerwaarde) van gedachten werd gewisseld (…) en waarbij ook de jaarcijfers ter sprake kwamen, echter slechts in het kader van een wel zeer oppervlakkige “controle”.

(…)

3. Gedurende de tijd, dat ik lid van het bestuur was (1945 – 1970) is het altijd de mening van het bestuur geweest, dat – zolang het bestuur naar behoren functioneert (zoals het dit in de afgelopen 410 jaren heeft gedaan) – de Bisschop zich niet heeft in te laten met b.v. benoemingen en finantieel beheer. Ongetwijfeld is dit in de afgelopen eeuwen bij voortduring de mening van het bestuur geweest. In de afgelopen eeuwen was dit eveneens ook altijd de mening van de Bisschop (en van zijn voorgangers, dus vóór 1853 de Apostolisch Vicaris). (…)

4. De juridische positie van het R.C. Maagdenhuis als kerkelijke instelling is onzeker. Indien in de inleiding van de statuten van 1959 als mening van het bestuur wordt gesteld, dat de Wet op de Stichtingen niet op het R.C. Maagdenhuis van toepassing is, zal deze mening wel gegrond zijn geweest op art. 28 lid 1 letter b, houdende dat die wet niet van toepassing is op kerkelijke “stichtingen” en zal de aanduiding “stichting” in de acte zijn opgenomen om als R.K. instelling te vallen onder de zojuist bedoelde kerkelijke “stichtingen”.

Hoe dan ook: wij vonden dat we veiliger waren, indien we als R.K. instelling ook formeel een R.K. instelling waren. We herinnerden ons de Tweede Wereldoorlog, gedurende welke wij alleen bespaard bleven voor een Verwalter, omdat we formeel een Kerkelijke instelling waren. En in 1959 vonden we de socialiserende tendens bij de burgerlijke overheid niet bepaald geruststellend. (…)

Wellicht is ook thans nog vol te houden, dat wij als kerkelijke instelling buiten de burgerlijke wet blijven, nl. indien we zijn te beschouwen als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap. (…)

5. (…) Wezenlijk is (…) dat het R.C. Maagdenhuis is een R.K. instelling. Alleen omdat dit het geval is, kan er sprake zijn van een invloed van de zijde van de Bisschop.

(…)

Er is een verschil tussen uitoefening van macht als heerschappij en uitoefening van macht als dienst. Het is duidelijk, dat met betrekking tot de werkzaamheid van het R.C. Maagdenhuis het de bedoeling is, dat de Bisschop een dienende funktie vervult, nl. om het wezenlijke veilig te stellen. (…)”

2.20.

Op 1 juni 1981 vond een overleg plaats tussen het Bisdom en het Maagdenhuis. In het verslag van dit overleg is onder meer vermeld:

“Het Maagdenhuisbestuur streeft naar wijziging van de statuten meer in de richting van verzelfstandiging, zonder dat dit een breuk in de verhouding tot het Bisdom zou betekenen.

In het onderhoud van 2 april 1979 is van de zijde van het Maagdenhuis gepleit voor een statuut op basis van begrip katholieke- niet kerkelijke stichting. In het aangeboden ontwerp zijn de artikelen die betrekking hebben op het benoemings- en ontslagrecht, en op het recht van goedkeuring op bijna alle financiële beheersdaden, verscherpt. Het bestuur zoekt geen verscherping, maar streeft naar participatie, maar dan over en weer. (…)

Nogmaals wordt als quintessens naar voren gebracht, dat een loshaken van het Bisdom niet verlangd wordt. Een over de schouders meekijken door de Bisschop is een historisch feit en ook heden ten dage geen bezwaar. De essentie van het vraagstuk is evenwel dat naar het inzicht van het Bisdom het R.C. Maagdenhuis kerkelijk vermogen beheert, een kerkelijke stichting is, en dus zijn de Algemene Bepalingen van toepassing.

Afstand doen van deze identiteit is volgens de secretaris kerkelijk goed vervreemden. De Bisschop dient voor vervreemding van kerkelijk goed argumenten aan te dragen ten behoeve van de kerkgemeenschap en deze argumenten dienen overtuigend te zijn.”

2.21.

In een notitie van 3 november 1981 gericht aan het Maagdenhuis heeft [naam] drie knelpunten beschreven:

“1) afkeer van inmenging door de burgerlijke overheid (oud en steeds meer actueel).

2) dito ten aanzien van Kerkelijke overheid (wellicht actueel).

3) bestuur bestaande uit R.K.-leden (actueel).”

2.22.

In de bestuursvergadering van het Maagdenhuis van 1 december 1981 heeft [naam] verslag gedaan van zijn gesprek met de bisschop. In deze notulen is onder meer vermeld:

“(…) de Bisschop geeft aan een dienstverlenende relatie en niet een heersende relatie voor te staan.

Opgemerkt wordt dat deze mentaliteit moeilijk in een juridische categorie valt te formuleren.

De heer [naam] merkt op dat de Bisschop bereid is een préambule vast te leggen.

Het gaat niet meer om de vraag of het Maagdenhuis al dan niet een kerkelijke Stichting is, maar, sinds het nieuwe Burgerlijk Wetboek, om de vraag of het Maagdenhuis al dan niet een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap.

Sinds 1907 is het Maagdenhuis zelfstandig, maar onder de parapluie van de kerk, met andere woorden een kerkelijke stichting.

Nu is er een nieuwe vraagstelling: al dan niet zelfstandig onderdeel van het Kerkgenootschap. (…)

Op deze wijze zal het Maagdenhuis een R.K. Kerkelijke Stichting zijn, dit lijkt een stabielere situatie te zijn dan wanneer het R.C. Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het Kerkgenootschap zou zijn.

Gevraagd wordt of er formules zijn in het canonieke recht waarop het R.C. Maagdenhuis bij eventuele fricties zou kunnen terugvallen.

De heer [naam] merkt op dat het te prefereren zou zijn bij frictie een beroep te kunnen doen op het Burgerlijk Recht. (…)”

2.23.

In het vervolg van deze notulen is vermeld dat de statuten voorafgegaan zullen worden door een considerans en dat deze moet worden geformuleerd met inachtneming van onder meer het volgende punt:

“6. in continuïteit met de historie van 400 jaar is het R.C. Maagdenhuis zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, waarbij historisch de dienende funktie van het Episcopaat vastligt.”

2.24.

Op 29 april 1983 heeft het Bisdom goedkeuring verleend aan de statutenwijziging, waarna op 5 mei 1983 de gewijzigde statuten bij notariële akte zijn vastgesteld (hierna ook: de statuten van 1983). In de statuten van 1983 is onder meer het volgende opgenomen:

VASTSTELLING GEWIJZIGDE STATUTEN

(…)

- dat het R.C. Maagdenhuis (…) van ouds is een zelfstandige instelling, gesticht en bestuurd door Rooms Katholieken, met een kapitaal, bijeengebracht door Rooms Katholieken en met een werkzaamheid op Rooms Katholieke grondslag;

- dat de zelfstandigheid onder meer hieruit blijkt:

a. dat coöptatie als systeem voor het benoemen van bestuursleden ononderbroken

heeft gegolden;

b. dat het bestuur zijn taak, inclusief beheer van en beschikking over het vermogen,

alsook besteden van de inkomsten, in volledige zelfstandigheid heeft uitgeoefend;

- dat diegene, aan wie iets is toevertrouwd, daarover ter verantwoording kan worden geroepen, opdat in geval van gebleken wanbeleid kan worden ingegrepen;

- dat op die grond het bestuur het steeds wenselijk heeft geacht, hetgeen ook verwezenlijkt werd, een zekere formele bevoegdheid van de apostolische vicaris en na het herstel van de Bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, van de Bisschop van Haarlem, te erkennen en deze hem toe te kennen;

- dat de aldus toegekende bevoegdheid er niet was tot aantasting van de zelfstandigheid van het R.C. Maagdenhuis, maar het karakter had van een dienst van de zijde van de Bisschop van Haarlem, met als consequentie daarvan de mogelijkheid tot ingrijpen, indien daartoe objectief gezien, wegens wanbeleid, een dringende reden zou zijn;

- dat het bestuur deze van ouds bestaande situatie wenst voort te zetten en dat de Bisschop van Haarlem bereid blijft tot de vermelde dienst;

- dat in de vanaf het jaar negentienhonderdtien bekende reglementen en statuten voor de Bisschop van Haarlem een naar de letter ruime, zelfstandig door hem uit te oefenen bevoegdheid is opgenomen, ruimer dan overeenkomstig het bovenstaande is bedoeld;

- dat deze ruimere bevoegdheid nimmer in praktijk is gebracht;

- dat immers feitelijk het systeem van coöptatie is blijven gelden, waardoor het bestuur benoemt en de Bisschop van Haarlem bekrachtigt, terwijl de verantwoording, anders dan bedoeld, in feite zelfs wel achterwege bleef;

- dat inmiddels het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie (1962 – 1965) in zijn “Decreet over het lekenapostolaat”, nummer 19 het recht van Rooms Katholieke leken, om instellingen van “barmhartigheid en liefde” op te richten en te leiden, heeft erkend;

- dat derhalve de letter van de statuten dient te worden verstaan aldus, dat door een op het bestuur drukkende verantwoordingsplicht, zover gaande als voor de Bisschop van Haarlem nodig is om zijn toetsingsrecht te kunnen uitoefenen aan hem wordt toegekend een in objectiviteit te hanteren marginaal toetsingsrecht en wel om in de samenstelling van het bestuur in te grijpen, voorzover daartoe naar objectief oordeel wegens wanbeleid een dringende reden zou bestaan;

- dat tot het waarborgen van objectiviteit, bij ontbreken van een daartoe bevoegde kerkelijke rechter in de Nederlandse Rooms Katholieke Kerkprovincie, het oordeel van de burgerlijke rechter dient te kunnen worden ingeroepen bij meningsverschil over de vraag, of de Bisschop van Haarlem terecht van zijn marginaal toetsingsrecht gebruik heeft gemaakt;

- dat het gewenst is gebleken de huidige statuten, met inachtneming van de vorengemelde overwegingen, aan de bestaande situatie aan te passen;

- dat daartoe een rechtsgeldig besluit werd genomen in de vergadering van het bestuur (…)

- dat voor deze statutenwijziging de goedkeuring werd verkregen van de Bisschop van Haarlem blijkens fotokopie-schrijven dedato negenentwintig april negentienhonderddrieentachtig, nummer 312/83, hetwelk aan deze akte zal worden gehecht.

Uitvoering gevende aan het gemelde bestuursbesluit verklaarden de comparanten, dat de statuten van de stichting “Stichting Het Roomsch Catholyk Maagdenhuis” voortaan zullen luiden als volgt.

(…)

Artikel 1

1. De stichting draagt de naam: STICHTING HET ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS.

2. (…)

3. De stichting is een instelling van de Rooms Katholieke Kerk in de zin van canon 100 paragraaf 1 van de Codex Iuris Canonici en van artikel VII van het Reglement voor het Rooms Katholieke Kerkgenootschap in Nederland en bezit als zelfstandig onderdeel volgens het kerkelijk recht rechtspersoonlijkheid, welke ingevolge artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig is erkend naar Nederlands recht.

(…)

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel:

a. in de eerste plaats steun te verlenen aan Rooms Katholieke ouderzorg missende of tekortkomende kinderen, bij voorkeur uit Amsterdam, zo nodig ook na hun minderjarigheid en aan initiatieven op het gebied van de Rooms Katholieke jeugdzorg;

b. voorts huisvesting, verzorging en verpleging te verlenen aan naar het oordeel van het bestuur andere daarvoor in aanmerking komende personen – bij voorkeur bejaarden – zulks eveneens op Rooms Katholieke grondslag, zomede het steunen van initiatieven op dit gebied.

2. (…)

Artikel 3

(…)

3. Leden van het bestuur kunnen slechts zijn zij, die de bestuurszaken binnen de stichting op de grondslag van de Rooms Katholieke levenshouding zullen behartigen.

4. De bestuursleden worden door het bestuur zelf benoemd. Elke benoeming wordt ter bekrachtiging door de Bisschop aan hem voorgelegd.

(…)

5. Het bestuurslidmaatschap eindigt:

(…)

d. na verlening van ongevraagd ontslag door de Bisschop op een door deze te

bepalen datum.

6. Een ongevraagd ontslag kan door de Bisschop worden verleend uitsluitend indien daartoe naar objectief oordeel in een bepaald geval wegens wanbeleid een dringende reden zou bestaan. Bij meningsverschil met het bestuur over de vraag of de Bisschop in een bepaald geval terecht van zijn marginaal toetsingsrecht gebruik heeft gemaakt, zal op daartoe door de meest gerede partij gedaan verzoek, door de burgerlijke rechter worden beslist.

(…)

8. Indien door welke oorzaak dan ook geen enkel bestuurslid meer in funktie mocht zijn, behoort aan de Bisschop het recht een nieuw bestuur aan te stellen.

Intussen gaat onmiddellijk vanaf het ogenblik van het ontbreken van alle bestuursleden het gehele bestuur tijdelijk op de Bisschop over, die alle funkties, bevoegdheden en rechten van het bestuur uitoefent totdat een nieuw bestuur zal zijn aangesteld.

9. De leden van het bestuur verrichten hun werkzaamheden ter Liefde Gods en alzo om niet.

(…)

Artikel 6

1. Het bestuur is belast met het volledig bestuur van de stichting en met het beheer van haar vermogen en is bevoegd tot alle daden van beheer en beschikking binnen het kader van deze statuten.

(…)

Artikel 10

(…)

4. De jaarstukken worden door het bestuur vastgesteld, waarna deze ter beschikking van de Bisschop worden gesteld.

Artikel 11

1. Een besluit tot wijziging van de statuten of tot ontbinding van de stichting kan slechts worden genomen met een meerderheid van twee/derde der geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn.

(…)

4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt niet van kracht dan na schriftelijke goedkeuring door de Bisschop.

(…)

7. Een eventueel batig saldo zal door het bestuur in overleg met en na goedkeuring door de Bisschop worden bestemd voor een doel, dat zoveel mogelijk verwant is aan dat van de stichting.

(…)”

2.25.

Het hiervoor geciteerde deel van de statuten vóór artikel 1 wordt in het vervolg van dit arrest ‘de considerans’ genoemd. De hiervoor geciteerde tekst van artikel 1 lid 3 van de statuten komt vrijwel woordelijk overeen met hetgeen is aanbevolen in de toelichting op artikel 6 onder f van de Algemene Bepalingen 1978.

2.26.

De toenmalige bisschop, Mgr. [B] , is op 12 oktober 1983 overleden. Zijn opvolger, Mgr. [naam] , is kort daarna tot bisschop benoemd. Hij is in september 1998 overleden. De huidige bisschop, Mgr. [C] (hierna ook: de bisschop), heeft Mgr. [naam] eerst als zogenoemde ‘administrator’ opgevolgd. Op 21 juli 2001 is hij als diocesane bisschop van Haarlem benoemd.

2.27.

De bisschop heeft bij decreet van 10 juli 2013 nieuwe bestuurders van het Maagdenhuis benoemd (hierna ook: de nieuwe bestuurders). Het decreet luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Overwegende

- dat Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis een publiekrechtelijke kerkelijke rechtspersoon is, zoals dat volgt uit art. 1 lid 3 van de door mijn voorganger Mgr. Drs. [B] goedgekeurde statuten van vijf mei 1983 (hierna: de Statuten) en het op deze rechtspersoon toepasselijk canoniek recht;

- dat op grond van art. 2:2 van het Burgerlijk Wetboek Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis tevens een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap is;

- (…)

- dat volgens art. 3 lid 4 van de Statuten bestuursleden door het bestuur worden benoemd en elke benoeming aan mij ter bekrachtiging wordt voorgelegd;

- dat de benoeming van degenen die thans feitelijk Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis besturen, niet aan mij ter bekrachtiging is voorgelegd noch door mij is bekrachtigd;

- dat deze benoemingen niet rechtsgeldig zijn (vgl. canones 178-179 van de Codex Iuris Canonici (1983));

- dat er sinds 2009 verschillende pogingen zijn gedaan om in goed overleg de ontstane situatie minnelijk op te lossen, maar dat deze pogingen helaas niet zijn geslaagd;

- dat geconstateerd is dat de personen die thans feitelijk Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis besturen het eigen kerkrechtelijk karakter van de instelling, met alle daaraan voor bestuurders, instelling en diocesane bisschop verbonden rechten en plichten, niet erkennen;

- (…)

- dat op mij de taak rust de Stichting tijdelijk te besturen wanneer door welke oorzaak ook geen enkel bestuurslid in functie is en te voorzien in de aanstelling van een nieuw bestuur (Statuten art. 3 lid 8);

- dat hierna te benoemen personen aangegeven hebben bereid te zijn het bestuursambt te aanvaarden;

besluit

krachtens de mij in art. 3 lid 8 van de Statuten toegekende bevoegdheid met onmiddellijke ingang tot bestuurders van de Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis te benoemen:

(…)

met de opdracht de Stichting Roomsch Catholijk Maagdenhuis te besturen in overeenstemming met de Statuten en de bepalingen van het canoniek recht; in het bijzonder draag ik de nieuwe bestuursleden op de Statuten van de Stichting aan te passen aan het geldend canoniek recht, met name aan de genoemde Algemene Bepalingen voor Kerkelijke Rechtspersonen en Katholieke Burgerlijke Rechtspersonen, op een zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval binnen een jaar vanaf de datum van dit decreet.

(…)”

2.28.

Bij brief van 23 juli 2013, gericht aan de bisschop, heeft de advocaat van het Maagdenhuis c.s. herroeping van het decreet van 10 juli 2013 verzocht. De bisschop heeft dit verzoek bij decreet van 23 augustus 2013 afgewezen. Tegen deze afwijzing is van de zijde van het Maagdenhuis c.s. bij beroepschrift van 6 september 2013 beroep ingesteld bij de Romeinse Congregatie voor de Clerus. De congregatie heeft het beroep afgewezen bij decreet van 9 oktober 2014. Daartegen is beroep ingesteld bij de ‘Signatura Apostolica’. Het beroep is preliminair afgewezen bij decreet van 6 november 2015. Het daartegen gerichte beroep is bij decreet van 17 juni 2016 eveneens afgewezen. Deze beslissingen zullen hierna tezamen ook de beslissingen in de kerkelijke procedure worden genoemd. Als uitkomst van de kerkelijke procedure is het benoemingsdecreet van 10 juli 2013 in stand gebleven.

2.29.

Het Bisdom en de bisschop hebben bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in kort geding gevorderd (samengevat) het Maagdenhuis c.s. te veroordelen om mee te werken aan de inschrijving van het Maagdenhuis in het handelsregister als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, de bestuurders te veroordelen om mee te werken aan het ongedaan maken van hun inschrijving als bestuurders van het Maagdenhuis in het handelsregister en mee te werken aan de feitelijke overdracht van de bestuurstaak aan de door de bisschop benoemde bestuurders. Bij vonnis van 28 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd bij gebreke van een voldoende spoedeisend belang.

2.30.

De weigering van de gevraagde voorzieningen is bij arrest van dit hof van 26 augustus 2014 bekrachtigd.

2.31.

In een ‘Online inzage uittreksel’ van 30 januari 2019 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende het Maagdenhuis is bij rechtsvorm “Stichting” vermeld en worden de geïntimeerden sub 2, 3 en 5 en daarnaast [D] (laatstgenoemde met als datum van infunctietreding: 11 december 2018) als bestuurders genoemd. Omtrent hun bevoegdheid is telkens vermeld: “Gezamenlijk bevoegd (met andere bestuurder(s), zie statuten)”. Oorspronkelijk geïntimeerde sub 4 is ter vergadering van het Maagdenhuis van 11 december 2018 als bestuurder afgetreden.

3 De verdere beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft de hiervoor onder 1 vermelde vorderingen van het Bisdom afgewezen. Zij heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen. Uit het statuut, waartoe ook de statuten van 1983 van het Maagdenhuis behoren, volgt niet eenduidig dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is. Aan de considerans en de notities en verslagen die weergeven wat partijen hebben besproken voorafgaand aan de totstandkoming van de statuten van 1983 komt derhalve een zwaarwegend belang toe. Tegen die achtergrond is niet doorslaggevend dat artikel 1 lid 3 van de statuten bepaalt dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is. In dit verband is van belang dat van de zijde van het Bisdom, middels goedkeuring van de considerans, is bevestigd dat de bisschop, kort gezegd, nauwelijks een rol van betekenis zou vervullen binnen het Maagdenhuis. Alles overziende kan niet worden vastgesteld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar. Hetgeen in de kerkelijke procedure is bepaald, is niet bindend voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de benoemingen van de bestuurders, die benoemingen zijn ook niet nietig vanwege het ontbreken van bekrachtiging door de bisschop en de (toenmalige) bisschop heeft (met uitzondering van een drietal benoemingen in de jaren 1970, 1971 en 1973) zijn bevoegdheid niet geëffectueerd, waardoor hij zijn recht heeft verwerkt zich op het ontbreken van bekrachtiging te beroepen. Dat leidt tot afwijzing van het onder 2 gevorderde. Het onder 3 gevorderde is niet toewijsbaar omdat de bisschop de benoeming van de nieuwe bestuurders heeft gebaseerd op artikel 3 lid 8 van de statuten van 1983, maar de bestuurders rechtsgeldig zijn benoemd, zodat de situatie dat geen enkel bestuurslid meer in functie was zich niet voordeed. De vordering onder 4 is gelet op het voorgaande evenmin toewijsbaar.

3.2.

Tegen voormelde beslissingen en de daarvoor gegeven motivering komt het Bisdom met 11 grieven op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof stelt daarbij het volgende voorop.

Onderscheid tussen kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen enerzijds en stichtingen naar burgerlijk recht anderzijds

3.3.

Kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen bezitten rechtspersoonlijkheid, zo volgt uit artikel 2:2 BW. Deze kerkelijke rechtspersonen moeten worden onderscheiden van de rechtspersonen naar burgerlijk recht bedoeld in artikel 2:3 BW, waaronder de stichtingen zoals omschreven in artikel 2:285 lid 1 BW (hierna ook: civiele stichtingen), omdat voor rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:2 BW als uitgangspunt geldt dat zij niet worden geregeerd door het burgerlijk recht, maar door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet (artikel 2:2 lid 2 BW).

3.4.

Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap of zelfstandig onderdeel daarvan, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap (c.q. het desbetreffende onderdeel), waaronder regels over het bestuur en over de verhouding met de geestelijk ambtsdrager(s) (vgl. HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, rov. 3.2). Tussen partijen is niet in geschil dat bij een zelfstandig onderdeel in elk geval diens statuten tot het in artikel 2:2 BW bedoelde statuut behoren.

3.5.

Het R.K. Kerkgenootschap is (onbetwist) een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW. De in deze zaak te beantwoorden vraag luidt of het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap, waarbij volgens de (door het Bisdom betwiste) stelling van het Maagdenhuis c.s. het omvangrijke vermogen van het Maagdenhuis de werkelijke kwestie is waar deze zaak om draait.

3.6.

De wet formuleert geen positieve criteria voor het zijn van zelfstandig onderdeel. Als negatief criterium geldt dat een instelling die door het kerkgenootschap zelf niet als onderdeel wordt beschouwd, niet als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap kan worden aangemerkt. In dat verband is het standpunt van de betrokken bisschop relevant (zie HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392, rov. 3.2).

3.7.

In deze zaak luidt het standpunt van de betrokken bisschop dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is (en niet een civiele stichting). Dat is echter in deze zaak, waarover hieromtrent juist een dispuut bestaat, niet beslissend. Anders dan het Bisdom stelt, is in deze zaak ook niet beslissend dat de Signatura Apostolica in hoogste instantie, in overeenstemming met de beslissingen van de bisschop en van de Congregatie voor de Clerus, in de kerkelijke procedure de visie van de bisschop omtrent het karakter van het Maagdenhuis heeft bevestigd. Dat wordt mogelijk relevant als vast staat dat de kerkelijke rechters beslissingsbevoegdheid konden ontlenen aan het feit dat het Maagdenhuis als een zelfstandig onderdeel in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW kan worden beschouwd. De vraag of het Maagdenhuis als zodanig kan worden gekwalificeerd, gaat daar echter aan vooraf en staat ter beoordeling van de burgerlijke rechter.

3.8.

Het Maagdenhuis c.s. benadrukt dat partijen het erover eens zijn dat een instelling, gezien het bepaalde in Boek 2 BW, niet tegelijkertijd een zelfstandig onderdeel en een civiele stichting kan zijn. Het Maagdenhuis c.s. stelt dat uit een uitleg van de statuten van 1983 (in samenhang met de considerans) volgt dat het Maagdenhuis een stichting is in de zin van artikel 2:285 lid 1 BW, en dat daarom de vorderingen van het Bisdom moeten worden afgewezen. Het Maagdenhuis c.s. veronderstelt daarbij dat in deze zaak uitsluitend het burgerlijk recht beslissend is. De burgerlijke rechter zal de vraag of sprake is van een (zelfstandig) onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW echter in de eerste plaats moeten beoordelen naar het eigen ‘statuut’, en de eigen regels van het kerkgenootschap in kwestie (zo volgt uit de parlementaire geschiedenis; zie ook de conclusie van de A-G voor NJ 1988, 392 onder 2.2). Deze zaak geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

3.9.

De stelling van het Maagdenhuis c.s. dat het canonieke recht in deze zaak geen rol speelt, wordt derhalve verworpen. Datzelfde geldt voor de stelling van het Maagdenhuis dat bij de beantwoording van de kwalificatievraag alleen acht mag worden geslagen op de statuten van het Maagdenhuis van 1983 (in samenhang met de considerans). Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt immers dat deze statuten dienen te worden uitgelegd tegen de achtergrond van (mede) het canonieke recht.

3.10.

Het geschil van partijen hangt in de eerste plaats samen met de statutenwijzing van 5 mei 1983. Kerkrechtelijk waren op dat moment van belang:

- de CIC 1917;

- het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland en

- de Algemene Bepalingen 1978.

3.11.

Volgens canon 100 van de CIC 1917 verkrijgen lagere rechtspersonen die hoedanigheid binnen de kerk van rechtswege of door bijzondere toekenning door het bevoegde kerkelijk gezag door middel van een formeel decreet, voor een religieus of charitatief doel. Artikel VII van het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland sluit daarop aan. Ingevolge die bepaling worden alle andere instellingen, verenigingen en stichtingen, die de uitoefening van de R.K. godsdienst ten doel hebben, niet als onderdelen van het R.K. Kerkgenootschap beschouwd, indien zij niet door de bisschop van het diocees, waarin zij gevestigd zijn, als zodanig wettig zijn erkend. In artikel 3 van de Algemene Bepalingen 1978 is daaromtrent bepaald:

“1. De katholieke instellingen in de zin van deze Algemene Bepalingen worden onderscheiden in kerkelijke en niet-kerkelijke instellingen.

2. De kerkelijke instellingen zijn de kerkelijke rechtspersonen, die door de bisschoppenconferentie of bisschop(-pen) zijn opgericht of als zodanig zijn erkend. Erkenning kan geschieden door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten.

Krachtens deze oprichting of erkenning zijn zij zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van artikel VII van het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland en bezitten uit dien hoofde rechtspersoonlijkheid.

3. De overige instellingen zijn katholieke niet-kerkelijke instellingen.”

3.12.

Vast staat dat de bisschop op 29 april 1983 goedkeuring heeft verleend aan de statutenwijziging, waarna op 5 mei 1983 de gewijzigde statuten bij notariële akte zijn vastgesteld. Bisschoppelijke goedkeuring van de statuten van 1983 als bedoeld in artikel 3 van de Algemene Bepalingen 1978 heeft dus plaatsgevonden.

3.13.

Voorts is voldoende komen vast te staan dat door deze goedkeuring van de statuten door het bevoegde kerkelijk gezag het Maagdenhuis als kerkelijke instelling is erkend en het Maagdenhuis, met zijn instemming, krachtens die erkenning formeel de status van zelfstandig onderdeel als bedoeld in artikel 2:2 BW heeft verkregen, althans dat zijn status daarmee is bevestigd.

3.14.

Het hof zal dit toelichten aan de hand van hetgeen verder in de (toelichting op de) Algemene Bepalingen 1978 is vermeld.

3.14.1.

Artikel 5 lid 1 van de Algemene Bepalingen 1978 luidt:

“Op kerkelijke instellingen zijn het kerkelijk recht en in het bijzonder de artikelen 6 t/m 10 van deze Algemene Bepalingen rechtstreeks van toepassing. Tenzij het Algemeen Reglement voor de parochiële charitas-instelling van kracht is, heeft iedere kerkelijke instelling eigen statuten, die voldoen aan artikel 6 van deze Algemene Bepalingen.”

3.14.2.

In genoemd artikel 6 van de Algemene Bepalingen 1978 is onder f vermeld:

“Tenzij de bisschoppenconferentie of de bisschop(-pen) anders bepaalt (bepalen), worden de statuten evenals een wijziging van de statuten in een notariële akte vastgelegd, waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de kerkelijke instelling een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van artikel VII van het Reglement van het R.K. Kerkgenootschap in Nederland.”

3.14.3.

In de artikelsgewijze toelichting op artikel 6 onder f van de Algemene Bepalingen 1978 is vermeld:

“Behalve het voldoen aan de hierboven gestelde vereisten voor een kerkelijke instelling is het wenselijk dat statuten uitdrukkelijk bepalen dat „de kerkelijke vereniging/stichting is een instelling van de Rooms-Katholieke Kerk in de zin van canon 100, par. 1 van de Codex Iuris Canonici en van artikel VII van het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland, en bezit als zelfstandig onderdeel volgens het kerkelijk recht rechtspersoonlijkheid, welke ingevolge artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig is erkend naar Nederlands recht”.

Deze uitgebreide, voor juristen wellicht gedeeltelijk overbodige formulering is wenselijk om aan te geven, waarop de rechtspersoonlijkheid stoelt en tot welke categorie de betreffende kerkelijke instelling behoort.”

3.15.

De voormelde inhoud van de (toelichting op de) Algemene Bepalingen 1978 werpt licht op de betekenis van artikel 1 lid 3 van de statuten van 1983, inhoudende:

“De stichting is een instelling van de Rooms Katholieke Kerk in de zin van canon 100 paragraaf 1 van de Codex Iuris Canonici en van artikel VII van het Reglement voor het Rooms Katholieke Kerkgenootschap in Nederland en bezit als zelfstandig onderdeel volgens het kerkelijk recht rechtspersoonlijkheid, welke ingevolge artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig is erkend naar Nederlands recht.”

3.16.

Tegen de achtergrond van de destijds vigerende kerkelijke regels, zoals hiervoor weergegeven, kan er geen twijfel over bestaan dat artikel 1 lid 3 van de statuten, als uitdrukkelijke uitwerking van die kerkelijke regels, bewust in de statuten is opgenomen om daarmee jegens derden kenbaar te maken dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is. In het licht hiervan kan het betoog van het Maagdenhuis c.s. dat de statuten van het Maagdenhuis slechts één passage bevatten die niet overeenstemt met zijn stelling dat het Maagdenhuis een civiele stichting is, te weten genoemd artikel 1 lid 3 van de statuten, hem niet baten. Deze bepaling dient blijkens de toelichting op de Algemene Bepalingen 1978 immers juist ertoe om duidelijk te maken waarop de rechtspersoonlijkheid van het Maagdenhuis stoelt en tot welke categorie het Maagdenhuis behoort. Een andere plausibele verklaring voor het opnemen van deze bepaling in de statuten van 1983 heeft het Maagdenhuis niet gegeven.

3.17.

Weliswaar moet bij de uitleg van artikel 1 lid 3 van de statuten ook acht worden geslagen op elders in de statuten gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, maar dat leidt in deze zaak niet tot een andere uitkomst.

3.18.

Daartoe is niet toereikend dat, zoals het Maagdenhuis c.s. stelt, uit de statuten blijkt dat het bestuur in zijn opvolging voorziet door coöptatie en dat de bisschop alleen bij wanbeleid bevoegd is in te grijpen en toetsing van dat ingrijpen dient plaats te vinden door de burgerlijke rechter. De mate van zeggenschap van de bisschop zegt immers enkel iets over het functioneren van het Maagdenhuis binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap. Daarom faalt ook de stelling van het Maagdenhuis c.s. dat de statuten van 1983 niet (volledig) voldoen aan de vereisten van artikel 6 onder a tot en met e van de Algemene Bepalingen 1978. Bovendien verlenen de statuten van 1983 wel degelijk nog steeds diverse bevoegdheden aan de bisschop, zoals blijkt uit artikel 3 lid 4 (bekrachtiging van benoeming van bestuurders), artikel 3 lid 5 sub d (ontslag van bestuurders ingeval van wanbeleid), artikel 3 lid 8 (benoeming van nieuw bestuur bij ontbreken van bestuurders) en artikel 11 leden 1 en 4 (goedkeuring statutenwijziging en ontbinding). Voorts is het bestuur inzake het vermogen van het Maagdenhuis weliswaar bevoegd tot alle daden van beheer en beschikking binnen het kader van de statuten van 1983 (art. 6), maar bij ontbinding van het Maagdenhuis kan een eventueel batig saldo uitsluitend in overleg met en na goedkeuring door de Bisschop worden aangewend (art. 11 lid 7).

3.19.

Ook het beroep van het Maagdenhuis c.s. op het pacta sunt servanda-beginsel en op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid om te voorkomen dat, zoals het Maagdenhuis c.s. stelt, de bisschop zich via een omweg aan de blijkens de considerans gemaakte afspraken zou kunnen onttrekken, wordt verworpen. Zelfs als voor de uitleg van de statuten van 1983 acht moet worden geslagen op de (schriftelijke) uitlatingen van hen die bij de formulering van de inhoud van deze statuten waren betrokken – zoals kenbaar uit de considerans en de notities en verslagen die in dit geding zijn overgelegd – en op al hetgeen overigens in deze procedure door het Maagdenhuis c.s. naar voren is gebracht, kan niet worden vastgesteld dat artikel 1 lid 3 per vergissing in de statuten van 1983 is opgenomen, dat deze bepaling een ander doel dient dan hiervoor in rov. 3.16 is omschreven, of dat deze bepaling op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten beschouwing moet worden gelaten. Het hof licht dat als volgt toe.

3.20.

Uit artikel 3 van de Algemene Bepalingen 1978 volgt dat een zelfstandig onderdeel niet door het R.K. Kerkgenootschap behoeft te zijn opgericht. Het kan ook een oorspronkelijk particulier initiatief betreffen dat als kerkelijke instelling door het R.K. Kerkgenootschap is erkend. Wel moet de doelstelling van de instelling op grond van artikel 6 onder a van de Algemene Bepalingen 1978 beantwoorden aan het criterium “de uitoefening van de R.K. godsdienst”. Dat criterium mag blijkens de toelichting op deze bepaling echter in ruime zin worden opgevat. Dat kan dus ook (de taken van) een instelling met een charitatief karakter omvatten, ook als die instelling zelfstandig werkzaam is op het terrein van de ‘charitas’ en net als een civiele stichting een doelvermogen heeft, mits zij als kerkelijke instelling is erkend.

3.21.

Dit betekent dat ook indien (veronderstellenderwijs) wordt aangenomen dat juist is, zoals het Maagdenhuis c.s. stelt: dat het Maagdenhuis bij oprichting een onafhankelijk burgerinitiatief was voor de opvang van weesmeisjes en de afkomst van zijn vermogen volledig particulier is; het Maagdenhuis als zodanig geen religieus karakter heeft; de doelstelling van het Maagdenhuis charitatief is; het Maagdenhuis altijd zelfstandig en op grote afstand van de kerk heeft gefunctioneerd; het Maagdenhuis zich jegens derden als stichting presenteerde en sinds 1962 ook als zodanig in het handelsregister geregistreerd staat; het bestuur sinds eeuwen uit leken bestaat, waarbij coöptatie als systeem voor het benoemen van bestuurders ononderbroken heeft gegolden en de benoemingsregelingen in de achtereenvolgende statuten feitelijk een dode letter waren; het bestuur zijn taak, inclusief beheer van en beschikking over het vermogen alsook het besteden van de inkomsten altijd in volledige zelfstandigheid heeft uitgeoefend; de kerkelijke overheid alleen als dienende macht en de bisschop alleen als toezichthoudend orgaan met een beperkt toezichthoudende taak bij het Maagdenhuis was betrokken; in de considerans van 1983 deze zelfstandigheid van het Maagdenhuis ten opzichte van het R.K. Kerkgenootschap is bevestigd; de bisschop heeft ingestemd met de considerans en het Bisdom zich in de jaren na 1983 overeenkomstig de afspraken in de considerans heeft gedragen, ook die feiten en omstandigheden niet tot de conclusie nopen dat het Maagdenhuis naar zijn aard redelijkerwijs niet als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap kan worden beschouwd of dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn hem wel als zodanig te beschouwen.

3.22.

Dat volgt ook niet uit de notities en verslagen die betrekking hebben op de statutenwijziging van 1983. Daaruit blijkt veeleer dat (het bestuur van) het Maagdenhuis met zijn aard en identiteit worstelde. [naam] zag als ‘steeds meer actueel’ onderwerp de afkeer van inmenging door de burgerlijke overheid en als ‘wellicht actueel’ onderwerp de afkeer van inmenging door de kerkelijke overheid (zie rov. 2.21 hiervoor). Tot het moment van de statutenwijziging is het bestuur op twee gedachten – civiele stichting of zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap – blijven hinken. Deze ambivalente houding ontbrak bij het Bisdom. De bisschop heeft destijds onomwonden zijn visie kenbaar gemaakt dat het Maagdenhuis kerkelijk vermogen beheerde en een kerkelijke instelling was (zie rov. 2.20 hiervoor). Dat een verder onderzoek naar de notities en verslagen achterwege kan blijven omdat dat niet tot het door het Maagdenhuis c.s. beoogde rechtsgevolg kan leiden, volgt bovendien uit de eigen stelling van het Maagdenhuis c.s. dat het niet met zekerheid kan zeggen wat destijds de reden is geweest om artikel 1 lid 3 in de statuten op te nemen (vgl. par. 192 conclusie van antwoord). De stelling dat artikel 1 lid 3 niet overeenkomt met de wil van het Maagdenhuis van destijds, zoals het Maagdenhuis c.s. nog heeft gesteld, wordt derhalve gepasseerd. Dat geldt ook voor zijn stelling dat het canonieke recht bevestigt dat bij de keuze voor de kerkelijke of burgerlijke rechtspersoonlijkheid de aard van de instelling leidend is. Dat zegt immers niets over wat partijen destijds tot uitgangspunt hebben genomen.

3.23.

De stelling van het Maagdenhuis c.s. dat de notaris in zijn akte van 5 mei 1983 zou hebben verklaard dat hij de statuten van een stichting wijzigde, en dat ook de verklaring van de comparanten daarop neerkomt, baat het Maagdenhuis c.s. evenmin. Het gebruik van de term stichting in deze akte heeft geen onderscheidend vermogen. In artikel 1 lid 3 van de statuten is immers óók vermeld dat deze ‘stichting’ een instelling van het R.K. Kerkgenootschap is en als zodanig een zelfstandig onderdeel is als bedoeld in artikel 2:2 BW (zie rov. 3.15 hiervoor). Om diezelfde reden is van onvoldoende gewicht dat de statuten, naast artikel 1 lid 3 van de statuten, volgens het Maagdenhuis c.s. alle ‘standaardclausules’ voor stichtingen bevatten, alsmede dat de notaris na de statutenwijziging van 1983 het Maagdenhuis (opnieuw) bij het handelsregister heeft doen inschrijven als stichting. Het beroep dat het Maagdenhuis c.s. in dit kader op artikel 157 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft gedaan, behoeft derhalve geen verdere bespreking.

3.24.

Thans moet nog aandacht worden besteed aan de stelling van het Maagdenhuis c.s. dat artikel 1 lid 3 van de statuten nietig, althans niet verbindend is wegens de structuur van Boek 2 BW en het gesloten stelsel van rechtspersonen. Deze stelling heeft het Maagdenhuis c.s. als volgt onderbouwd. Naar Nederlands burgerlijk privaatrecht geldt de regel dat een instelling geen dubbele rechtsvorm kan hebben en dus niet zowel een civiele stichting als een zelfstandig onderdeel kan zijn. Artikel 1 lid 3 van de statuten is daarmee in strijd omdat daarin is vermeld: “De stichting (…) bezit als zelfstandig onderdeel (…) rechtspersoonlijkheid.” Dit betoog van het Maagdenhuis c.s. moet echter reeds worden verworpen op grond van het feit dat het Maagdenhuis c.s. veronderstelt dat met het gebruik van de term ‘stichting’ zonder meer de civiele stichting wordt bedoeld. Zoals uit het voorgaande blijkt, is die veronderstelling onjuist.

3.25.

Samengevat komt het hof tot het oordeel dat het Maagdenhuis als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap dient te worden aangemerkt. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een andere conclusie kunnen leiden. Deze uitkomst is bovendien in lijn met de uit de feiten blijkende historische ontwikkeling die het Maagdenhuis sedert 1854 heeft doorgemaakt en hetgeen de wetsgeschiedenis van Boek 2 BW leert, zie Parl. Gesch. BW Inv. Boek 2 1977, p. 1438 (nr. 6):

“Het kerkgenootschap heeft het immers zelf in de hand om een taak die het als de zijne beschouwt af te splitsen en aan een afzonderlijke rechtspersoon op te dragen; kiest het daarvoor de rechtsvorm der stichting, dan kan het deze keuze ondubbelzinnig doen en behoeft er van rechtsonzekerheid geen sprake te zijn.”

De aangewezen ondubbelzinnige keuze voor de rechtsvorm van de civiele stichting is in 1983 niet gemaakt.

Wijziging CIC

3.26.

De wijziging van de CIC die plaatsvond in 1983 heeft geen voor deze zaak relevante verandering gebracht. De CIC 1983 maakt in canon 116 weliswaar onderscheid tussen publieke rechtspersonen, die door de bevoegde kerkelijke overheid zijn opgericht, en de overige rechtspersonen, die als ‘privaat’ worden aangemerkt, maar uit artikel 10 van de nadien toepasselijk geworden Algemene Bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de R.-K. Kerkprovincie in Nederland, die zijn vastgesteld door de Nederlandse bisschoppen op 13 december 1994, blijkt dat ook ‘private kerkelijke rechtspersonen’ kerkelijke rechtspersonen zijn.

Overgangsrecht en het onderscheid tussen zelfstandige onderdelen en kerkelijke stichtingen

3.27.

Voor de inwerkingtreding van Boek 2 BW gold de Wet op Stichtingen 1956. Ingevolge artikel 28 van de Wet op Stichtingen 1956 waren de bepalingen van deze wet niet van toepassing op (a) kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen (b) kerkelijke stichtingen en (e) instellingen van weldadigheid bedoeld in de Armenwet.

3.28.

In hoger beroep heeft het Maagdenhuis c.s. zijn verweer aangevuld en primair het standpunt ingenomen dat het Maagdenhuis onder vigeur van de Wet op Stichtingen 1956 als civiele stichting is opgericht, omdat het Maagdenhuis in 1959, na de inwerkingtreding van deze wet, in overeenstemming met het overgangsrecht in de Wet op Stichtingen 1956 (art. 25), een notariële akte heeft doen verlijden waarin zijn statuten zijn opgenomen. Subsidiair heeft het Maagdenhuis c.s. gesteld dat het Maagdenhuis na invoering van Boek 2 BW door het bepaalde in de Overgangswet Nieuw BW (hierna: de Overgangswet) van rechtswege een civiele stichting is geworden en dat altijd is gebleven. Bij dit subsidiaire betoog heeft het Maagdenhuis c.s. tot uitgangspunt genomen dat het Maagdenhuis, vóórdat Boek 2 BW op 1 juli 1976 in werking trad, (mogelijk) kon worden gekwalificeerd als kerkelijke stichting en/of als instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet. Het Maagdenhuis c.s. heeft zijn subsidiaire betoog verder als volgt toegelicht. De kerkelijke stichtingen met een oprichtingsakte werden door de Overgangswet van rechtswege een civiele stichting. Kerkelijke stichtingen waarvan de oprichtingsakte ontbrak, moesten op grond van artikel 57 Overgangswet binnen drie jaar een keuze maken: doorgaan als civiele stichting of doorgaan als zelfstandig onderdeel. Als die keuze niet werd gemaakt, werd de kerkelijke stichting van rechtswege een civiele stichting. Een instelling van weldadigheid werd op grond van artikel 54 Overgangswet een stichting, tenzij de oprichtingsakte ontbrak in welk geval artikel 57 Overgangswet eveneens van toepassing was. De oprichtingsakte moest worden ingeschreven in het register van de kamer van koophandel. Een doorlopend exemplaar van de statuten, uitgegeven op 10 juli 1979, staat sinds 16 juli 1979 bij de kamer van koophandel geregistreerd als oprichtingsakte. Deze statuten voldoen aan de vereisten die artikel 2:286 lid 4 (oud) BW destijds stelde aan statuten. Dit moet dan ook begrepen worden als een expliciete keuze van het bestuur voor de rechtsvorm stichting. Sindsdien staat het Maagdenhuis geregistreerd als ‘stichting’ in het register van de kamer van koophandel. In elk geval is de keuze om een zelfstandig onderdeel te worden niet binnen drie jaar gemaakt. Uit het Overgangsrecht volgt derhalve dat het Maagdenhuis in ieder geval sinds 1979 een civiele stichting is. Het Maagdenhuis heeft door de enkele toevoeging van artikel 1 lid 3 aan de statuten van 1983 niet kunnen bewerkstelligen dat het is omgezet tot zelfstandig onderdeel, onder meer omdat de wet daarvoor destijds een rechterlijke machtiging vereiste. Het Maagdenhuis c.s. verwijst voor dat laatste naar hetgeen krachtens de inwerkingtreding van Boek 2 BW was bepaald in de artikelen 2:19 en 2:20 (oud) BW.

3.29.

Het hof stelt vast dat de primaire stelling van het Maagdenhuis c.s. miskent dat het Maagdenhuis in 1959 in ieder geval kwalificeerde als instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet zodat de Wet op Stichtingen 1956 reeds daarom niet op het Maagdenhuis van toepassing was. Dit blijkt ook met zoveel woorden uit de considerans van de statuten van 1959. Onder die omstandigheden kan niet als juist worden aanvaard dat met (enkel) het verlijden van de notariële akte ter vaststelling van de statuten in 1959 werd beoogd het Maagdenhuis als civiele stichting op te richten en uitvoering te geven aan artikel 25 van de Wet op Stichtingen 1956.

3.30.

De subsidiaire stelling van het Maagdenhuis c.s. is gebaseerd op het uitgangspunt dat het Maagdenhuis voor 1 juli 1976 weliswaar (mogelijk) kon worden gekwalificeerd als kerkelijke stichting en/of als instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet in de zin van artikel 28 onder b en e Wet op Stichtingen 1956, maar niet als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap als bedoeld in artikel 28 onder a van de Wet op Stichtingen 1956. Het Bisdom heeft daartegenover aangevoerd dat het Maagdenhuis vanaf in ieder geval 1855 steeds een kerkelijke instelling is geweest en daarmee een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap en dat die status nadien telkens is bevestigd en ook nooit is gewijzigd.

3.31.

Zoals hiervoor is uiteengezet, moet de vraag of het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is in de eerste plaats worden beoordeeld naar het eigen statuut en de eigen regels van het R.K. Kerkgenootschap. Gezien de (onder de feiten weergegeven) historische ontwikkeling van de telkens voor en door het Maagdenhuis opgestelde huishoudelijke reglementen en statuten, bezien in het licht van de zich in de loop der tijd wijzigende toepasselijke kerkelijke en burgerlijke regelgeving, onderschrijft het hof het betoog van het Bisdom dat het Maagdenhuis in ieder geval vanaf 1855 een kerkelijke instelling is geweest en dat het als zodanig steeds feitelijk een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was.

3.32.

Daarbij is van belang dat het Maagdenhuis vanaf 1854 kwalificeerde als ‘instelling eener kerkelijke gemeente’ als bedoeld in de Armenwet en vanaf 1855 als ‘niet-parochiale inrigting’ viel onder het bereik van het Algemeen Reglement voor de Besturen der Parochiale en andere Katholijke Instellingen van Liefdadigheid in het Bisdom van Haarlem. Ter bevestiging daarvan is het op grond van artikel 7 van de Armenwet vereiste, door de bisschop goedgekeurde, reglement voor het Maagdenhuis aan burgemeester en wethouders van Amsterdam toegezonden, waarin was bepaald dat het oppertoezicht over het bestuur en de administratie van het godshuis, berustte bij de bevoegde kerkelijke overheid. Nadien is zowel in het eerste (huishoudelijk) reglement uit 1910 als bij de herziening in 1932 telkens bevestigd dat het Maagdenhuis een instelling van weldadigheid was en dat het bestuur van de instelling onder toezicht stond van de bisschop, door hem werd benoemd en ontslagen en dat voor wijziging van het reglement de instemming van de bisschop was vereist.

3.33.

Nadat de Wet op Stichtingen 1956 in werking was getreden, heeft het Maagdenhuis in 1959 voor het eerst statuten op schrift gesteld. In de considerans daarvan is uitdrukkelijk overwogen dat de Wet op Stichtingen 1956 op het Maagdenhuis niet van toepassing is, omdat het Maagdenhuis een kerkelijke instelling is en een instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet. In de statuten worden de bestaande bevoegdheden van de bisschop wederom bevestigd: bestuurders worden, op voordracht van het bestuur, door de bisschop benoemd en zo nodig door de bisschop ontslagen; de bisschop kan een vergadering van het bestuur bijeenroepen en krijgt afschrift van de jaarcijfers; wijziging van de statuten behoeft goedkeuring door de bisschop. Bij de statutenwijziging van 1962 wordt in de considerans herhaald dat het Maagdenhuis een kerkelijke instelling is en een instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet en worden de statutaire bevoegdheden van de bisschop verder uitgebreid.

3.34.

Uit het voorgaande volgt dat het Maagdenhuis in ieder geval vanaf 1855 naar zowel burgerlijk als kerkelijk recht kwalificeerde als een kerkelijke instelling en dat het ook zijn huishoudelijke reglementen en statuten steeds dienovereenkomstig heeft ingericht, waarbij de eindverantwoordelijkheid voor de inrichting van het bestuur van het Maagdenhuis steeds berustte bij de bisschop als het bevoegde kerkelijk gezag en waarbij het Maagdenhuis naar kerkelijk recht als onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap werd gezien. Dit betekent dat – ook indien het Maagdenhuis in de praktijk zelfstandig en op afstand van het R.K. Kerkgenootschap opereerde – het Maagdenhuis in feite steeds al een (zelfstandig) onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was. In lijn met die opvatting is in 1959 en in 1962 in de considerans van de door de bisschop goedgekeurde statuten telkens uitdrukkelijk vermeld dat het Maagdenhuis een kerkelijke instelling is en (in 1959) dat het niet valt onder de werking van de Wet op Stichtingen 1956.

3.35.

Het Maagdenhuis c.s. heeft hier tegenovergesteld dat zijn achtereenvolgende statuten geen aanwijzing bevatten dat het een zelfstandig onderdeel was. In dit kader heeft het Maagdenhuis c.s. erop gewezen dat artikel 28 aanhef en onder a van de Wet op Stichtingen 1956 voorzag in een ‘opt-out’ voor het zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap, maar dat het Maagdenhuis daar geen gebruik van heeft gemaakt. Dit betoog weerlegt de stelling van het Bisdom echter niet. Daarvoor is het volgende redengevend.

3.36.

Destijds bestond geen duidelijke grens tussen kerkelijke stichtingen en zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap (vgl. Parl. Gesch. BW Inv. Boek 2 1977, p. 1438 (nr. 6)). Het lag daarmee niet voor de hand dat voor invoering van Boek 2 BW door het Maagdenhuis in enig stuk de term ‘zelfstandig onderdeel’ zou worden gebruikt, maar dat sluit niet uit dat het Maagdenhuis in wezen een zelfstandig onderdeel was. Een dergelijke verwijzing was ook niet nodig. Het Maagdenhuis zag zichzelf blijkens de considerans die voorafging aan de statuten van 1959 immers als kerkelijke instelling en als instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet. Reeds op die grond viel het Maagdenhuis niet onder de toen geldende Nederlandse wetgeving (de Wet op Stichtingen 1956). Een verwijzing naar artikel 28 onder a van de Wet op Stichtingen 1956 voegde onder die omstandigheden niets toe.

3.37.

Verder stelt het Maagdenhuis c.s. dat onjuist is dat het sedert 1855 ‘formeel een kerkelijke instelling’ is nu een ‘niet parochiale instelling van liefdadigheid’ (zoals het Maagdenhuis) – op grond van de overgangsbepalingen van het AR 1965 (zie rov. 2.14) – van rechtswege een ‘niet kerkelijke instelling’ is geworden, tenzij het Maagdenhuis door de bisschop als kerkelijke instelling is erkend, maar van een erkenning conform de eisen van het canonieke recht niet is gebleken. Hieromtrent oordeelt het hof als volgt.

3.38.

Zoals hiervoor is overwogen, verkregen volgens canon 100 van de CIC 1917 lagere rechtspersonen die hoedanigheid binnen de kerk van rechtswege of door bijzondere toekenning door het bevoegde kerkelijk gezag door middel van een formeel decreet, voor een religieus of charitatief doel. Artikel VII van het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland sluit hierop aan. Ingevolge die bepaling worden alle andere instellingen, verenigingen en stichtingen, die de uitoefening van de R.K. godsdienst ten doel hebben, niet als onderdelen van het R.K. Kerkgenootschap beschouwd, indien zij niet door de bisschop van het diocees, waarin zij gevestigd zijn, als zodanig wettig zijn erkend. Het ter vervanging van het Algemeen Reglement uit 1855 bedoelde AR 1965 bepaalde in artikel 4, voor zover van belang:

“De kerkelijke instellingen zijn die instellingen, die door het bevoegde kerkelijk gezag zijn ingesteld, of door hetzelve als zodanig erkend. Krachtens deze instelling of erkenning zijn zij een onderdeel van het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland.”

De in het AR 1965 opgenomen overgangsbepaling luidt:

“De katholieke niet-parochiale instellingen van liefdadigheid, bedoeld in (…) het bij dit besluit opgeheven “Algemeen Reglement voor de Besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid” worden bij het in werking treden van dit Reglement beschouwd als katholieke niet-kerkelijke instelling, met uitzondering van de instelling die door de bisschop als kerkelijke instelling is opgericht of als zodanig erkend.”

3.39.

Dat niet van een (afzonderlijk(e)) akte of schriftelijk decreet betreffende de erkenning is gebleken, toont – anders dan het Maagdenhuis c.s. meent – niet aan dat het Maagdenhuis niet wettig als onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is erkend. Het tegendeel volgt genoegzaam uit de omstandigheid dat de opeenvolgende huishoudelijke reglementen en statuten van het Maagdenhuis steeds door de bisschop zijn goedgekeurd en in de considerans van de statuten van 1959 en 1962 het Maagdenhuis niet enkel wordt aangemerkt als ‘instelling van weldadigheid’, maar daarin telkens ook uitdrukkelijk is vermeld dat het Maagdenhuis een kerkelijke instelling is. Dit kerkrechtelijk karakter van het Maagdenhuis is in 1983 bevestigd. Ook dit betoog van het Maagdenhuis wordt derhalve verworpen.

3.40.

De slotsom van hetgeen hiervoor in rov. 3.31 en volgende is overwogen, luidt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het Maagdenhuis steeds feitelijk een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was en daardoor bij de invoering van Boek 2 BW als zelfstandig onderdeel als bedoeld in artikel 2:2 BW kwalificeerde. In lijn met het bepaalde in artikel 29 Overgangswet moet dan ook worden aangenomen dat het Maagdenhuis vanaf het tijdstip van in werking treden van Boek 2 BW een zelfstandig onderdeel in de zin van artikel 2:2 BW was. Het enkele feit dat het Maagdenhuis op 16 juli 1979 door de notaris als stichting bij de kamer van koophandel is geregistreerd, kan daarin geen verandering brengen.

3.41.

Al het voorgaande betekent dat de statutenwijziging van 1983 geen omzetting betrof, maar slechts een aanpassing van de statuten aan de reeds bestaande rechtsvorm ‘zelfstandig onderdeel’. Niet gebleken is dat voor deze statutenwijziging een rechterlijke machtiging nodig was. Ook daarop stuit het betoog van het Maagdenhuis c.s. af.

3.42.

Het voorgaande betekent dat de onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap toewijsbaar is en dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

Het onder 2, 3, 4 gevorderde

3.43.

Het oordeel dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap, heeft gevolgen voor de overige in deze zaak te nemen beslissingen. Artikel 2:2 BW berust immers op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat (zie HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, rov. 3.2). Dat betekent dat het Maagdenhuis in beginsel de vrijheid van inrichting geniet.

3.44.

Dat uitgangspunt speelt een rol bij de beoordeling van het onder 2, 3 en 4 door het Bisdom gevorderde. Tussen partijen is niet in geschil dat tevergeefs tot aan de hoogste kerkelijke rechter herroeping van het decreet van 10 juli 2013 is verzocht. In de kerkelijke procedure is (onbetwist) beslist dat het benoemingsdecreet van de bisschop geldig is. Als niet of onvoldoende weersproken moet verder als vaststaand worden beschouwd dat in de kerkelijke procedure is geoordeeld dat het bestuurderschap van het Maagdenhuis een kerkelijk ambt is, dat de benoemingen van de bestuursleden op grond van artikel 3 lid 4 van de statuten ter bekrachtiging door de bisschop aan hem dienden te worden voorgelegd, dat dit niet is gebeurd en dat het ontbreken van bekrachtiging door de bisschop tot gevolg heeft dat (thans) geïntimeerden sub 2, 3 en 5 dat ambt niet hebben verkregen. In dat oordeel ligt besloten dat de benoemingen van de bestuurders door het Maagdenhuis ongeldig zijn. Voor zover het Maagdenhuis c.s. op dit punt iets anders heeft betoogd, kan het daarin niet worden gevolgd.

3.45.

De beslissingen in de kerkelijke procedure zijn genomen door de – krachtens de binnen het R.K. Kerkgenootschap geldende regels – bevoegde lichamen. Dat uit de partijbedoeling ten tijde van de statutenwijziging van 1983 volgt dat dit soort geschillen (uitsluitend) aan de burgerlijke rechter zouden kunnen worden voorgelegd, zoals het Maagdenhuis c.s. stelt, volgt het hof niet omdat die partijbedoeling niet uit de statuten blijkt, ook niet indien die worden uitgelegd tegen de achtergrond van hetgeen in de considerans is vermeld. Daarin wordt alleen naar de burgerlijke rechter verwezen ingeval van ongevraagd ontslag door de bisschop wegens wanbeleid (zie art. 3 lid 6 van de statuten). Die situatie doet zich hier niet voor. De notulen van de vergadering van 1 december 1981 noch hetgeen het Maagdenhuis c.s. verder naar voren heeft gebracht nopen tot een ander oordeel.

3.46.

Als vaststaand moet dan ook worden aangenomen dat de beslissingen in de kerkelijke procedure, die het administratief beroep betreffen tegen het benoemingsdecreet, bevoegdelijk zijn genomen en de betrokken partijen binden op de wijze als bedoeld in artikel 7:904 lid 1 BW (vgl. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, rov. 3.3.2). Dat betekent dat het Maagdenhuis c.s. in beginsel aan de in zijn nadeel gegeven beslissingen gebonden is, anders dan het Maagdenhuis c.s. stelt, óók wat betreft de privaatrechtelijke gevolgen van die beslissingen, zodat aangenomen moet worden dat het benoemingsdecreet geldig is en de nieuwe bestuurders hun ambt rechtsgeldig hebben verkregen. Dat kan alleen anders zijn indien het Maagdenhuis c.s. aantoont dat gebondenheid aan de beslissingen in de kerkelijke procedure in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

3.47.

Hiertoe heeft het Maagdenhuis c.s. echter onvoldoende gesteld. Dat sprake is van strijd met dwingend Nederlands privaatrecht, zoals het Maagdenhuis c.s. met een verwijzing naar een opinie van [E] stelt, is niet voldoende onderbouwd. In dit verband wijst het Maagdenhuis c.s. op gebondenheid van het Bisdom aan eerder verleende (stilzwijgende) instemming met de (diverse) bestuurdersbenoemingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, op opgewekt vertrouwen door de bisschop (opgewekte schijn van bekrachtiging daaronder begrepen) en, meer in het algemeen, op artikel 3:35 BW, alsmede op afstand van recht en rechtsverwerking. Verder stelt het Maagdenhuis c.s. dat partijen in 1983 de bekrachtiging niet zagen als een noodzakelijke voorwaarde voor een rechtsgeldige benoeming en ook overigens geen rechtsgevolgen hebben willen verbinden aan het uitblijven van bekrachtiging. Dat betreft echter geen voorschriften of stellingen die bij schending of verwerping zonder meer tot het oordeel behoren te leiden dat gebondenheid aan de beslissingen in de kerkelijke procedure in verband met de inhoud van die beslissingen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Datzelfde geldt voor de stelling van het Maagdenhuis c.s. dat de bisschop elke bevoegdheid voor zijn optreden, belichaamd in het benoemingsdecreet, mist alsmede dat de bisschop zijn bevoegdheden uit artikel 3 van de statuten van 1983 misbruikt door het huidige bestuur (de facto) te ontslaan en er zijn eigen bestuur voor in de plaats te stellen. De kerkelijke rechters hebben hier slechts anders over geoordeeld. Niet aannemelijk is geworden dat zij in redelijkheid niet tot hun beslissing hebben kunnen komen.

3.48.

De stelling van het Maagdenhuis c.s. dat het ‘betwijfelt’ of de kerkelijke procedure de toets van artikel 6 EVRM kan doorstaan, faalt evenzeer. De enkele stelling dat in de kerkelijke procedure een peremptoire beroepstermijn van vijftien dagen gold terwijl in het Duits (bij de Congregatie voor de Clerus) en in het Latijn (bij de Signatura Apostolica) moest worden geprocedeerd, is daartoe niet voldoende. Het Maagdenhuis c.s. had moeten toelichten waarom dat een ernstig gebrek opleverde. Mede met het oog daarop mocht van het Maagdenhuis c.s. worden verwacht dat het toelichtte welke stellingen en bewijsstukken het Maagdenhuis c.s. bij een langere beroepstermijn en/of een volledig in de Nederlandse taal gevoerde procedure (succesvol) naar voren had kunnen brengen waartoe het nu niet in de gelegenheid is geweest. Dat heeft het Maagdenhuis c.s. echter niet gedaan.

3.49.

Het voorgaande betekent dat moet worden uitgegaan van de gebondenheid van het Maagdenhuis c.s. aan de beslissingen in de kerkelijke procedure. Dat oordeel heeft tot gevolg dat de door het Bisdom onder 2 en 3 gevorderde verklaringen voor recht toewijsbaar zijn, evenals het onder 4 gevorderde gebod.

3.50.

In eerste aanleg heeft het Maagdenhuis c.s. nog aangevoerd dat het Bisdom geen belang heeft bij zijn vorderingen en daarom niet-ontvankelijk is. Dit verweer heeft het Maagdenhuis c.s. in hoger beroep echter niet gehandhaafd (zie par. 1 van de memorie van antwoord) zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

3.51.

De rechtbank heeft de vorderingen van het Bisdom afgewezen en is niet toegekomen aan de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering van het Maagdenhuis c.s. (thans het voorwaardelijk door hem gevorderde). Omdat de vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechter tot het oordeel komt dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap, en uit het voorgaande blijkt dat die voorwaarde is vervuld, brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof thans op die vordering moet beslissen.

3.52.

Indien juist is wat het Maagdenhuis c.s. in par. 14 van zijn spreekaantekeningen in eerste aanleg heeft gesteld dat zijn vordering slechts behelst dat de rechter een verklaring voor recht uitspreekt waarin – conform de statuten van 1983 – de rol van het bestuur en de bisschop wordt bevestigd, heeft het Maagdenhuis c.s. bij die vordering geen belang omdat deze rol reeds omschreven staat in de statuten van 1983. Indien het Maagdenhuis c.s. beoogt duidelijkheid te verkrijgen over de bevoegdheden die de statuten van 1983 het bestuur, respectievelijk de bisschop toedelen, ondanks de volgens hem heldere bewoordingen van artikel 6 lid 1 van deze statuten (zoals hij in par. 19 van genoemde spreekaantekeningen in eerste aanleg heeft gesteld), beoogt het Maagdenhuis c.s. de organisatiestructuur en het interne functioneren van het Maagdenhuis als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap nader te omlijnen. Op het terrein van de verdeling van de taken en bevoegdheden van de bestuurders van het Maagdenhuis en de bisschop is voor de burgerlijke rechter echter in beginsel geen taak weggelegd; dit is gelet op het bepaalde in artikel 2:2 BW in beginsel een kwestie die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap moet worden opgelost. Voor het aannemen van een uitzondering op de hoofdregel bestaat geen grond. De vordering wordt derhalve afgewezen.

3.53.

Geen van partijen heeft voldoende specifiek bewijs aangeboden van feiten die tot een andere beslissing van de zaak kunnen leiden. Aan de bewijsaanbiedingen wordt daarom voorbij gegaan.

3.54.

De grieven van het Bisdom slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het Maagdenhuis zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

3.55.

Bij deze uitkomst heeft het Bisdom geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn stelling dat het Maagdenhuis c.s. niet volledig aan het bevel uit het tussenarrest heeft voldaan. Aan die stelling wordt daarom voorbij gegaan.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep met uitzondering van onderdeel 5.1 van het dictum,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap;

verklaart voor recht dat geen van de geïntimeerden sub 2, 3 en 5 het ambt van

bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen;

verklaart voor recht dat de in de dagvaarding in eerste aanleg genoemde nieuwe bestuurders het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen;

gebiedt het Maagdenhuis c.s. om binnen tien dagen na betekening van dit arrest (i) de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen, en (ii) met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om de nieuwe bestuurders in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen,

veroordeelt het Maagdenhuis in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van het Bisdom begroot op € 715,31 aan verschotten en € 1.086,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 824,01 aan verschotten en € 3.222,- voor salaris,

verklaart het gebod en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M. Korsten-Krijnen, mr. E.E. van Tuyll van Serooskerken - Röell en mr. A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.