Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1800

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
23-003082-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak (ongeldig verklaard rijbewijs).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003082-19

datum uitspraak: 19 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 96-138833-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1976,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2020.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 juni 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Koningin Julianaweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof anders dan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komt.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte, nu niet is gebleken dat onverwijld en vervolgens ten minste eenmaal per jaar is geprobeerd het verstekvonnis in eerste aanleg aan de verdachte te betekenen, terwijl daartoe wel mogelijkheden bestonden aangezien de verdachte op gezette tijden gedetineerd is geweest.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof acht het achterwege blijven van een voortvarend optreden bij het trachten het verstekvonnis aan de verdachte te betekenen in dit geval niet van zo ernstige aard dat dit tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie moet leiden. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad, eens te meer niet nu het hof in deze zaak, zoals hierna zal worden overwogen en beslist, tot vrijspraak komt.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte op 24 juni 2015 wist, dan wel redelijkerwijs had moeten weten, dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, nu de verdachte op 22 april 2015 is staande gehouden en hem bij die gelegenheid is medegedeeld dat hij met een ongeldig rijbewijs reed.

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 24 juni 2015 wist, dan wel redelijkerwijs had moeten weten, dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, nu het besluit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, is verstuurd naar een adres waar de verdachte niet meer woonde en de verdachte kort daarvoor een brief van de officier van justitie had ontvangen dat de zaak van 22 april 2015 geseponeerd was. De verdachte mocht daaruit concluderen dat hij toen niet met een ongeldig rijbewijs had gereden, zodat niet gezegd kan worden dat hij op 24 juni 2015 had moeten weten dat dat wel het geval was.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het besluit van 15 april 2015, waarbij verdachtes rijbewijs ongeldig is verklaard, is door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aangetekend verzonden naar een adres waar de verdachte op dat moment niet stond ingeschreven. In het dossier bevindt zich geen bewijsstuk waaruit blijkt dat de verdachte die aangetekende brief ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat uit de enkele mededeling van de politie op 22 april 2015 aan de verdachte dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, in samenhang met de nadien door de verdachte ontvangen sepotbrief, niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte op 24 juni 2015 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard temeer daar die sepotbeslissing voor de aanhouding in deze zaak door de verdachte is ontvangen.

Nu uit het dossier niet gebleken is van ander bewijs dat verdachte op 24 juni 2015 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, dient verdachte van het hem tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2020.

Mr. M.J. Dubelaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]