Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1793

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
23-002838-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een reeks van jaren schuldig gemaakt aan niet ambtelijke omkoping en gewoonte witwassen. Hij heeft giften aangenomen van zijn directe leidinggevende en van een belangrijke leverancier van zijn werkgever. De verdachte heeft deze giften voor zijn werkgever verzwegen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij ten koste van zijn werkgever flink heeft geprofiteerd van de verkregen giften. Daarnaast heeft de verdachte voorwerpen omgezet en gebruikt, terwijl hij wist dat deze voorwerpen uit zijn eigen misdrijf afkomstig waren. Ten nadele van de verdachte weegt het hof in ernstige mate mee dat hij nog steeds geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Mede de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak bezien resulteert het er in dat het hof, het opleggen van een taakstraf op zijn plaats acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002838-18

datum uitspraak: 30 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-871539-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1956,

adres: [adres 1] .

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

2.
Hij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 23 juli 2014 te Driehuis (NH), gemeente Velsen en/of Nieuw Vennep en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens), anders dan als ambtenaar, immers als medewerker van de afdeling ICT van stichting [stichting 1] , werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij stichting [stichting 1] , naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift, namelijk geld (te weten in totaal een bedrag van 120.000,- euro en/of een bedrag van 5464,- euro) en/of een auto (merk Suzuki) heeft aangenomen (van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [bedrijf 1] ) en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

3. Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 23 juli 2014 te Driehuis, gemeente Velsen en/of Bloemendaal en/of Nieuw-Vennep en/of Hoofddorp en/of Haarlem en/of Santpoort-Zuid, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten onder meer met [naam 1] en/of [naam 2] ), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) meermalen (van) een of meer geldbedragen (te weten in totaal een bedrag van 120.000,- euro en/of een bedrag van in totaal 5464,- euro) en/of een auto (merk Suzuki) (telkens) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt en/of (telkens) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was en/of wie voornoemde geldbedragen voorhanden had, immers, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) die/dat geldbedrag(en) (deels) gebruikt ter financiering van onder meer: een droger en/of een Ipad en/of een koffiezetapparaat en/of levensonderhoud en/of een of meer vakantie(s), terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten uit oplichting en/of valsheid in geschrifte).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere bewijsoverwegingen komt.

Het onder 2 ten laste gelegde feit: omkoping in dienstbetrekking

Inleidende overwegingen

De verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan passieve omkoping in dienstbetrekking, als bedoeld in art. 328ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze bepaling beschermt de zuiverheid van de dienstbetrekking, het vertrouwen tussen werknemer en werkgever dat door het handelen in strijd met de plicht wordt beschaamd en de publieke moraal.1 Het gaat om de aantasting van het door de werkgever aan de werknemer geschonken vertrouwen. De verhouding tussen de werkgever en de werknemer staat in deze strafbepaling dus centraal. Het misbruik dat de omgekochte werknemer maakt van zijn vertrouwenspositie wordt door de wetgever gezien als het meest wezenlijke kenmerk van niet-ambtelijke corruptie.2

De centrale delictsgedraging is in art. 328ter lid 1 Sr het aannemen van een gift, belofte of dienst. De gift, belofte of dienst moet zijn gedaan of aangenomen ‘naar aanleiding van’ een doen of nalaten door de ontvanger. Deze moeten zijn gegeven, omdat men iets van de andere gedaan heeft gekregen, dan wel gedaan hoopt te krijgen. Voor het verband tussen de gift, belofte of dienst en het doen of nalaten is voldoende dat deze zijn gedaan om de zakelijke relatie in algemene zin te ondersteunen, tot stand te doen komen, te behouden, of te verbeteren. Het aannemen van de gift, belofte of dienst moet ‘in strijd met de goeder trouw’ (zoals deze strafbepaling gold in de ten laste gelegde periode) tegenover de werkgever zijn verzwegen. Hiermee worden onbeduidende en min of meer gebruikelijke fooien, relatiegeschenken en dergelijke buiten de werking van het wetsartikel gelaten. Doorslaggevend is of de werknemer op grond van objectieve maatstaven verplicht was mededeling te doen. Het gaat dus om de objectieve goede trouw, niet om de vraag of de individuele werknemer te goeder trouw heeft gehandeld. Het ziet op de loyaliteit waartoe men tegenover zijn werkgever is gehouden en de algemene verplichting om niets te doen wat het belang van de werkgever schaadt.

De verklaring van de verdachte dat hij niets heeft geweten van de door [naam 1] opgezette frauduleuze transacties met [bedrijf 2] en van de op frauduleuze wijze opgehoogde facturen door [bedrijf 1] doen, gelet op bovenstaande, dan ook niet ter zake als het gaat om de vraag of de verdachte zich op grond van het bepaalde in art. 328ter Sr, strafwaardig heeft gedragen.

Standpunten verdediging en Openbaar Ministerie

Zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie, in repliek, hebben vrijspraak bepleit en gevorderd. In de kern komt het daarop neer dat de verdachte zou moeten worden vrijgesproken, omdat de verklaringen van de getuige [naam 1] , inmiddels zelf onherroepelijk veroordeeld, onbetrouwbaar zouden zijn. Daarnaast heeft de verdediging een aantal juridische verweren gevoerd die eveneens zouden moeten leiden tot vrijspraak.

Het hof volgt de verdediging en het Openbaar Ministerie niet en is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan niet ambtelijke corruptie in dienstbetrekking en gewoonte witwassen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Verklaringen van [naam 1]

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van [naam 1] aangaande de rol van de verdachte op belangrijke punten aantoonbaar onbetrouwbaar zijn, wat volgt uit de bevindingen uit het forensisch accountantsonderzoek van [bedrijf 3] en de getuigenverhoren van medewerkers van [stichting 1] (nu [stichting 2] geheten). De verklaringen van [naam 1] zullen dan ook niet door het hof worden gebezigd als bewijsmiddel.

Verklaringen van de verdachte

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om de verklaringen van de verdachte, afgelegd op 24 en 25 juli 2014 ten overstaan van de politie, niet te bezigen tot het bewijs. Voorafgaand aan beide verhoren heeft de verdachte zijn raadsman kunnen consulteren, de verdachte heeft bij de aanvang van zijn verhoor op 25 juli 2014 toevoegingen kunnen geven aan zijn eerste verhoor en heeft nadien, met zijn raadsman, zijn verklaringen schriftelijk genuanceerd. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verhorende verbalisanten de verdachte woorden in de mond zouden hebben gelegd. Dit blijkt ook niet uit de veelal open vraagstellingen door de verbalisanten.

Aanleiding strafrechtelijk onderzoek

Op 26 juni 2014 heeft de Stichting [stichting 1] (nu [stichting 2] geheten), gevestigd te Santpoort-Noord, gemeente Velsen, aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrift.3 Deze aangifte vormde de aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek. [stichting 1] heeft [bedrijf 3] BV opdracht verstrekt een forensisch accountantsonderzoek te verrichten naar vermoedelijke onregelmatigheden bij [stichting 1] ter zake van uitgaande gelden in relatie tot automatisering. Dit heeft geleid tot het [bedrijf 3] rapport4 dat onderdeel uitmaakt van het dossier.

Gebleken is dat sprake is geweest van een tweetal frauduleuze constructies die hebben geleid tot benadeling van [stichting 1] , te weten: de [bedrijf 2] -constructie en de [bedrijf 1] -constructie. Hieronder worden beide constructies achtereenvolgens toegelicht, waarbij ook steeds wordt ingegaan op de rol die de verdachte hierin heeft gespeeld.

[bedrijf 2]

Vaststaande feiten

De verdachte heeft verklaard als medewerker automatisering vanaf 1998 werkzaam te zijn geweest bij [stichting 1] .5

De verdachte heeft verklaard dat hij in 2005, op verzoek van [naam 1] , naar toenmalig algemeen directeur [naam 3] is geweest. Hij heeft [naam 3] gezegd dat [naam 1] goedkoop kon inkopen bij [bedrijf 2] , als een soort groothandel. [naam 1] zou een korting van 25% krijgen bij [bedrijf 2] als de bestellingen via hem zouden lopen. De verdachte heeft aan [naam 3] gevraagd of het goed was dat bij [bedrijf 2] ingekocht zou worden. De verdachte heeft verder verklaard dat aldus de afspraak tot stand is gekomen dat de inkoop via [naam 1] zou lopen.6

In de periode van 17 maart 2005 tot en met 26 juli 2013 zijn in totaal 95 facturen van [bedrijf 2] te Hoofddorp met een totaalbedrag van ad € 2.282.843,00 verwerkt via de crediteur(enkaart) met nummer [nummer] en de naam ‘ [naam 1] .( [bedrijf 2] )’, later ‘ [bedrijf 2] / [naam 1] ’.7 Alle facturen van [bedrijf 2] uit de administratie die [stichting 1] beschikbaar heeft gesteld, waren afkomstig van de vestiging in Hoofddorp. Onderzoek naar het bedrijf [bedrijf 2] wijst uit dat dit bedrijf geen vestiging in Hoofddorp had. De vestiging aan de [adres 2] bestaat sinds 2003 niet meer.8

Giften

De verdachte heeft verklaard dat [naam 1] een provisie ontving van [bedrijf 2] .9 De verdachte heeft voorts verklaard dat hij meedeelde in de winst die [naam 1] ontving.10 Hier stonden geen werkzaamheden van de verdachte tegenover.11 De verdachte heeft verklaard dat hij geld kreeg van [naam 1] nadat de afspraak met [naam 3] was gemaakt. De verdachte kreeg tweemaal per jaar een envelop met geld: rond de zomervakantie en rond de kerst. Naast genoemde bedragen in contanten heeft [naam 1] ook een Suzuki Swift geregeld en gefinancierd voor de verdachte. De kosten hiervan bedroegen € 4.500,00. De verdachte heeft toen drie maal geen envelop gekregen.12 De verdachte heeft verklaard het geld en de Suzuki Swift te hebben ontvangen in de periode 2009 tot en met 2012.13

Niet gemeld

De verdachte heeft verklaard dat hij de giften die hij ontving van [naam 1] nooit heeft gemeld aan de directie van [stichting 1] .14

Beoordeling

Hoogte bedrag aan giften

De verdachte heeft wisselend verklaard over het totale bedrag dat hij heeft ontvangen van [naam 1] . In het bijzijn van zijn advocaat heeft de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard een bedrag van ongeveer € 30.000,00 te hebben ontvangen.15 Daarop is de verdachte in zijn verklaring ter terechtzitting teruggekomen, maar daarin volgt het hof de verdachte niet, temeer nu dit laatste niet nader is onderbouwd en de verdachte ook op andere punten aanmerkelijk anders verklaard dan hij eerder heeft gedaan bij de rechter-commissaris en bij de eerdere verhoren ten overstaan van de verbalisanten.

Naar aanleiding van een doen of nalaten

In zijn verklaringen heeft de verdachte eveneens wisselend verklaard waarom hij de giften heeft gekregen. In zijn latere verklaringen heeft de verdachte aangegeven dat [naam 1] hem als vriend een deel van zijn inkomsten gunde en dat dit was om privéredenen, omdat de beste vriendin van zijn dochter in huis woonde en de verdachte financieel krap zat. Wie goed doet, goed ontmoet, aldus de verdachte.

Deze verklaringen staan in schril contrast met de eerdere verklaringen van de verdachte. Zo heeft de verdachte in zijn eerste verklaringen, op de vraag wat zijn rol is, verklaard dat hij dicht op de bestellingen zat, dat hij misschien wel een andere leverancier zou kunnen voorstellen, wat hij niet heeft gedaan, hij wist dat er iets niet klopte, misschien wel lastige vragen heeft gesteld (waarom zus en waarom zo) aan [naam 1] over het niet zien van de bonnen bij PC’s of schermen.16

De verdachte heeft aldus door zodanig te doen dan wel na te laten de zakelijke relatie in algemene zin ondersteund en daarvan zelf meegeprofiteerd. Voor [naam 1] was het ook een zeer profijtelijke constructie. [stichting 1] heeft immers een bedrag van € 2.282.843,00 overgemaakt op de privébankrekening van [naam 1] , terwijl de investeringen en kosten op het gebied van automatisering bij [stichting 1] voor ruim 60% hebben bestaan uit facturen van [bedrijf 2] .17

De verdachte heeft verklaard dat hij zich, na zijn ontslagprocedure in 2006, heeft laten verleiden door kwaadheid en wrok. De verdachte heeft verklaard dat hij wel wist dat er iets niet klopte en heeft ook een collega verteld dat hij chantabel was en zelfs tegen [naam 1] verteld dat ze moesten stoppen.18

De verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep teruggekomen op deze verklaringen en heeft aangegeven dat zijn verklaringen anders begrepen moeten worden. [naam 1] was een lastige leidinggevende en was er nooit en niet aanspreekbaar. Het hof gaat hieraan voorbij nu zowel de vraagstelling van de verbalisanten als de door de verdachte gegeven antwoorden uitdrukkelijk in de context worden geplaatst van de strafbare verwijten aan [naam 1] en de verdachte. Dit geldt evenzeer voor de opmerking van de verdachte dat hij het geld heeft gekregen, omdat hij financieel krap zat. Ten overstaan van de verhorende verbalisanten heeft de verdachte immers verklaard dat het geld is opgegaan aan de meest bizarre dingen en het hem niet ging om het geld, omdat hij geld genoeg had.19

De raadsman heeft nog aangevoerd dat [bedrijf 2] niet heeft bestaan en daarom het niet zo kan zijn dat een zakelijke relatie in algemene zin ondersteund kan worden. Dit standpunt kan niet als juist worden aanvaard nu de verdachte zelf immers wel degelijk van een bestaande zakenrelatie is uitgegaan tussen [stichting 1] en [bedrijf 2] , met [naam 1] als tussenpersoon.

[bedrijf 1]

Vaststaande feiten

Uit onderzoek is gebleken dat een andere constructie eveneens heeft geleid tot benadeling van [stichting 1] . [bedrijf 1] was een leverancier van [stichting 1] . De facturen die [bedrijf 1] naar [stichting 1] stuurde zijn “kunstmatig” opgehoogd, zonder dat hier een dienst of goederen tegenover stonden.20 De facturen werden verzonden aan [stichting 1] , t.a.v. [verdachte]21.

Onderzoek naar een Excel sheet van [bedrijf 1] (hierna: de Excelsheet) wijst uit dat in de periode tussen 1 maart 2010 en 11 september 2012 facturen zijn opgehoogd, voor een totaalbedrag van

€ 16.393,7622. De personen die hebben geprofiteerd van deze ophoging zijn [naam 1] , [naam 2] (de eigenaar van [bedrijf 1] ) en de verdachte.23 Dit komt neer op € 5.464,59 per persoon.24 Op de Excelsheet staan drie kolommen, te weten: “Inkomsten”, “Uitgaven” en “Totalen”. Onder de kolom “Inkomsten” staat onder de “ [naam 2] ” 28 bedragen die in totaal uitkomen op € 5.467,34. In de kolom “Uitgaven” staat onder de “ [naam 2] ” onder meer: € 712,79 1x iPad en € 684,00 droger.25

Giften

De verdachte heeft verklaard dat [naam 2] (hof: [naam 2] ) van zijn winst aan [naam 1] en de verdachte moest afdragen en dat het klopt dat uit de Excelsheet volgt dat hij ruim € 5.100 heeft ontvangen en dat daarvan ruim € 2.600 is uitgegeven aan apparatuur26.

Niet gemeld

De verdachte heeft nooit bij de directie van [stichting 1] gemeld dat hij deelde in de winst van [bedrijf 1] .27

Beoordeling

Naar aanleiding van een doen of nalaten

De verdachte heeft verklaard [naam 2] al 18 jaar te kennen en toen [naam 2] met [bedrijf 1] begon heeft de verdachte [naam 2] geïntroduceerd bij [naam 1] om spullen aan te schaffen.28 [naam 2] heeft verklaard dat hij in januari 2007 is begonnen met zijn bedrijf [bedrijf 1] en dat hij onder meer netwerken aanlegt en computers en laptops levert. [naam 2] heeft computers en hardware geleverd aan [stichting 1]29. [stichting 1] was de belangrijkste klant van [naam 2] .30

De marges waren riant en [naam 1] is naar [naam 2] toegekomen met de mededeling dat hij er ook wijzer van wilde worden31. [naam 2] heeft over de Excelsheet verklaard dat hij hiermee bekend is en dat de “ [naam 1] ” en “ [naam 2] ” in de Excelsheet staan voor [naam 1] en [naam 2] (het hof begrijpt: [naam 1] en de verdachte)32. [naam 2] was bereid te delen in de winst en wilde ze geen contant geld geven maar wel spullen leveren. [naam 2] heeft verklaard dat als hij dit niet zou doen, [naam 1] [het hof begrijpt: [naam 1]] naar een ander zou gaan. [naam 2] heeft gedacht het volgens zijn regels te doen en dan de opdrachten te behouden. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat [naam 2] dit extraatje hem en [naam 1] gunde in de hoop dat [naam 1] bij [bedrijf 1] zou blijven bestellen. [naam 2] wilde dat we klant bleven33. [naam 2] heeft verder verklaard dat de verdachte het geld kreeg omdat hij degene was die het mij gunde. De verdachte wilde [naam 2] wel houden als leverancier, maar [naam 1] soms niet.34

[naam 2] heeft verder verklaard dat hij denkt dat zij hiermee in 2009, bij het aanmaken van het document (hof: Excelsheet), begonnen zijn.35

De verdachte heeft bij de rechtbank en in hoger beroep verklaard dat hij dacht dat hij de spullen kreeg van [naam 2] omdat hij, samen met zijn vrouw, veel voor [naam 2] deed in de periode dat zijn vrouw ernstig ziek was. [naam 2] betaalde die spullen volgens de verdachte uit privé geld.

Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring. De omvang van het bedrag staat niet in verhouding tot de door de verdachte geboden hulp door hemzelf en zijn vrouw aan [naam 2] tijdens de ziekte van zijn vrouw. De verdachte wist dat hij meedeelde in de winsten van [bedrijf 1] omdat [naam 2] hoopte dat [naam 1] bij [bedrijf 1] zou blijven bestellen36. De reden voor de giften hielden verband met het zakelijke belang dat [naam 2] had om te kunnen blijven verdienen op de leveringen aan de werkgever van de verdachte.

In strijd met de goede trouw verzwijgen

Zoals overwogen is doorslaggevend of de verdachte op grond van objectieve maatstaven verplicht was mededeling te doen. Vaststaat dat de verdachte geen melding heeft gedaan van de giften en ook dat het ging om giften van ongebruikelijke omvang, die vielen buiten wat normaal gebruikelijk is om als relatiegeschenk te ontvangen. Door deze ongebruikelijke giften niet te melden, de vermeende zakelijke relatie tussen [bedrijf 2] en [stichting 1] in stand te laten en daar zelf van te profiteren, heeft de verdachte het vertrouwen dat [stichting 1] als werkgever in hem had gesteld aanzienlijk geschonden en heeft de verdachte als werknemer de belangen van [stichting 1] geschaad. Hetzelfde geldt voor het bedrag waar de verdachte recht op had en de goederen die hij kreeg om de zakelijk relatie tussen [bedrijf 1] en zijn werkgever in stand te houden. Daarvan uitgaande was de verdachte verplicht van die giften melding te doen.

Het standpunt van de raadsman dat de verdachte hooguit verantwoording schuldig was aan zijn direct leidinggevende, zijnde [naam 1] , wordt niet gevolgd. De verdachte heeft immers verklaard dat hij de giften die hij ontving van [naam 1] en van [naam 2] nooit heeft gemeld aan de directie van [stichting 1] .37 In het [bedrijf 3] rapport is vermeld dat in de ten laste gelegde periode [naam 3] directeur Financiën en P&O was en tevens lid was van de Raad van Bestuur van [stichting 1] .38 [naam 3] was dus de aangewezen persoon om de giften te melden.

Het ten laste gelegde feit onder 3: gewoonte witwassen

Het hof zal de bewijsmiddelen als hiervoor gebezigd voor het bewijs van het ten laste gelegde feit onder 2 ook bezigen voor het bewijs van het ten laste gelegde feit onder 3. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan passieve omkoping in dienstbetrekking, meermalen gepleegd. Inzake [bedrijf 2] heeft de verdachte verklaard dat de geldbedragen, verkregen uit genoemd misdrijf, meermalen gepleegd, zijn opgegaan aan bizarre dingen.39 De verdachte heeft aldus voorwerpen, die onmiddellijk afkomstig waren uit misdrijf omgezet en gebruikt, terwijl hij wist dat deze voorwerpen afkomstig waren uit genoemd misdrijf, door hemzelf gepleegd. Ook ten aanzien van een deel van het bedrag dat verband houdt met de leveringen van [bedrijf 1] aan [stichting 1] is sprake van witwassen. Van het hiermee gemoeide bedrag van € 5.464,59 is € 2.641,79 omgezet in voorwerpen die zijn gebruikt40.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoonte witwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2. Hij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 23 juli 2014 in Nederland, meermalen, anders dan als ambtenaar, immers als medewerker van stichting [stichting 1] , naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, een gift, namelijk geld en een auto (merk Suzuki) heeft aangenomen van [naam 1] en [naam 2] en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

3. Hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 23 juli 2014 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij meermalen geldbedragen en een auto (merk Suzuki) omgezet en daarvan gebruik gemaakt, immers, heeft verdachte telkens die geldbedragen gebruikt ter financiering van onder meer: een droger en een Ipad en levensonderhoud en een of meer vakantie(s), terwijl hij, verdachte wist dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 en onder 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met toepassing van art. 9a Sr. Subsidiair wordt verzocht een (voorwaardelijke) taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een reeks van jaren schuldig gemaakt aan niet ambtelijke omkoping en gewoonte witwassen. Hij heeft giften aangenomen van zijn directe leidinggevende en van een belangrijke leverancier van zijn werkgever, [stichting 1] . De verdachte heeft deze giften voor zijn werkgever verzwegen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij ten koste van zijn werkgever voor een bedrag van circa € 35.000 flink heeft geprofiteerd van de verkregen giften. Daarnaast heeft verdachte voorwerpen (geld en roerende zaken) omgezet en gebruikt, terwijl hij wist dat deze voorwerpen uit zijn eigen misdrijf afkomstig waren. Ten nadele van de verdachte weegt het hof in ernstige mate mee dat hij nog steeds geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Aldus heeft hij niet de volle verantwoordelijkheid genomen voor het laakbare van zijn handelen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juni 2020 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof neemt in aanmerking dat bij de berechting van de zaak in eerste aanleg bij de rechtbank sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De termijn heeft een aanvang genomen op 24 juli 2014, op die datum is verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Het vonnis van de rechtbank is op 24 juli 2018 gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met twee jaren is overschreden. De verdachte heeft op 6 augustus 2018 hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 30 juni 2020. In hoger beroep is de redelijke termijn niet geschonden.

De overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak bezien in samenhang met de hiervoor genoemde factoren en de LOVS-oriëntatiepunten resulteert er in dat het hof, het opleggen van een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren op zijn plaats acht.

Het hof zal daarnaast bepalen dat de tijd die in voorarrest is doorgebracht, op deze straf in mindering zal worden gebracht.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 328ter en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 juni 2020.

mr. A. Dantuma-Hieronymus en mr. N.M. Simons zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 Kamerstukken II, 1965-1966, 8437, nr. 3 (MvT).

2 Kamerstukken II, 1965-1966, 8437, nr. 3 (MvT).

3 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de aangifte van [stichting 1] , dossierpagina’s 343-346.

4 Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapportage voor [stichting 1] inzake forensisch accountantsonderzoek van 27 oktober 2014, opgemaakt door [naam 4] RA ( [bedrijf 3] rapport).

5 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 24 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 219.

6 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 16 september 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, p. 238 en de op 9 april 2015 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte, p. 2.

7 [bedrijf 3] rapport, pagina 14, paragraaf 43 en pagina’s 16-17, paragraaf 53.

8 [bedrijf 3] rapport, pagina 16, paragraaf 53.

9 De op 9 april 2015 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte, p. 2.

10 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 24 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 224.

11 De op 9 april 2015 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte, p. 2.

12 De ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte, dossierpagina 3.

13 De ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte, dossierpagina 3.

14 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 16 september 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 246.

15 De op 9 april 2015 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte, p. 2.

16 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 24 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, p. 224 en een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 25 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 226.

17 [bedrijf 3] rapport, p. 6 en 17.

18 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 25 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, p. 224 en 227.

19 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 25 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, p. 232.

20 [bedrijf 3] rapport, pagina 17, paragraaf 53.

21 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2014, dossierpagina 290 en dossierpagina’s 299 tot en met 306.

22 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2014, dossierpagina 1094.

23 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2014, dossierpagina 1092.

24 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal algemeen relaas van 4 november 2014, dossierpagina 16.

25 Dossierpagina 108.

26 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 24 juli 2014, dossierpagina 225 en 226.

27 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 16 september 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina. 246.

28 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 25 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 232.

29 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 23 juli 2014, dossierpagina 277.

30 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 6 augustus 2014, dossierpagina’s 290.

31 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 6 augustus 2014, dossierpagina’s 293.

32 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 6 augustus 2014, dossierpagina 293 en 294.

33 RC-verklaring verdachte van 9 april 2015, pagina 3.

34 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 6 augustus 2014, dossierpagina’s 295.

35 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 6 augustus 2014, dossierpagina’s 294.

36 De op 9 april 2015 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte, p. 3.

37 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 16 september 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 246.

38 [bedrijf 3] rapport, p. 12.

39 Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 25 juli 2014, inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 232.

40 dossierpagina 108.