Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1791

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
200.261.346/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Vordering tot ontruiming afgewezen. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat één incident, afgezet tegen een lange periode van huurderschap zonder problemen, er op dit moment niet toe kan leiden dat tot een ingrijpende maatregel van ontruiming van het gehuurde kan worden overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.261.346/01 KG

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 7702136 / VV EXPL 19-40

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2020

inzake

STICHTING WOONCOMPAGNIE,

gevestigd te Hoorn,

appellante,

advocaat: mr. A.M. Feringa te Zaandam,


tegen

DE BEWINDVOERDER ALKMAAR E.O. B.V.,

in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [X],

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. van der Weide te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Wooncompagnie, de bewindvoerder en [X] genoemd.

Wooncompagnie is bij dagvaarding van 14 juni 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 20 mei 2019 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Wooncompagnie als eiseres en de bewindvoerder als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Wooncompagnie heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen alsnog zal toewijzen en de bewindvoerder zal veroordelen om al hetgeen is voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis terug te betalen, met rente en met beslissing over de proceskosten. De bewindvoerder heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Wooncompagnie in de proceskosten van het hoger beroep.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.8. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2.

Tussen Wooncompagnie als verhuurster en [X] als huurder is per 27 mei 2009 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woning, gelegen te [plaats] , gemeente [gemeente] , aan het adres [adres 1] (hierna: het gehuurde). Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. 1 oktober 2005 van toepassing.

2.3.

Bij de huurovereenkomst hoort een door [X] voor akkoord getekend ‘Aanhangsel’ waarin onder meer is opgenomen dat het een onlosmakelijk onderdeel van de huurovereenkomst vormt en voorts:

‘(…) Dit aanhangsel wordt opgesteld op verzoek van de verhuurder, om het belang aan te geven dat wij hechten aan een goede begeleiding van de huurder. En om te voorkomen dat er problemen in de woonsituatie ontstaan door het niet accepteren van hulpverlening indien dit noodzakelijk geacht wordt.
(…)

De huurder gaat akkoord met de verplichting:
1. hulpverlening te accepteren zolang de GGZ Dijk en Duin dit noodzakelijk acht.
2. aan omwonenden geen overlast of hinder te veroorzaken, ook niet door huisgenoten, huisdieren of derden die zich in het gehuurde bevinden.
3. de huur op tijd te betalen, conform de gemaakte afspraken tussen huurder en verhuurder.

Indien de huurder na het ondertekenen van dit aanhangsel een huurschuld laat ontstaan en /of overlast veroorzaakt zal de verhuurder onverwijld op basis van dit aanhangsel de zaak uit handen geven en vragen om ontruiming van de woning en ontbinding van de huurovereenkomst.(…)’

2.4.

Bij beschikking van de kantonrechter van 11 juni 2018 zijn wegens de geestelijke of lichamelijke toestand van [X] de goederen die aan hem (zullen) toebehoren, onder bewind gesteld, met benoeming van de bewindvoerder.

2.5.

Naar aanleiding van een op 31 oktober 2018 door de officier van justitie ingediend verzoek heeft de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 3 december 2018 ten aanzien van [X] een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in artikel 14a Wet BOPZ verleend, welke machtiging geldig is tot en met 3 juni 2019. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:

‘(…) Uit de stukken is gebleken dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie in combinatie met misbruik van alcohol en amfetamine.
Ook is vast komen te staan dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken, te weten dat hij maatschappelijk te gronde gaat, dat hij met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen, dat hij een ander ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen en het gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.
Het gevaar kan buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts worden afgewend door het naleven van de voorwaarde dat hij zich doet behandelen overeenkomstig het behandelingsplan van 3 april 2018, welk behandelingsplan op 30 oktober 2018 is geactualiseerd, met de daarin opgenomen voorwaarden.
Voornoemd behandelingsplan is met instemming van betrokkene opgesteld door de behandelaar.’
Voormelde voorwaarden zijn: ‘geen overlast veroorzaken, voorgeschreven medicatie innemen, huisbezoeken van ambulant behandelaar toelaten en geen onveilige of gevaarlijke situaties door gebruik van middelen.’

2.6.

In februari 2019 zijn [X] en de bewoner van [adres 2] door Wooncompagnie aangesproken over de situatie waarin hun tuinen verkeerden en hebben zij tot 25 februari 2019 de tijd gekregen om deze op te ruimen.

2.7.

Op 22 februari 2019 heeft Wooncompagnie aan Aannemersbedrijf [A] te [plaats] (hierna: [A] ) opdracht gegeven tot het verrichten van werkzaamheden aan het gehuurde, met als omschrijving: ‘bewoner is vannacht doorgeslagen en opgepakt door de politie. Voordeur staat nu open. Slot is eruit. Kozijn ontzet. Nieuwe deur plaatsen, kozijn herstellen. Melden dat de sleutel op kantoor te halen is.’ Diezelfde dag hebben medewerkers van Aannemersbedrijf [A] het gehuurde voorzien van een nieuwe voordeur en een nieuw kozijn.

2.8.

Bij brief van 26 februari 2019 heeft [B] , buurtconsulente bij Wooncompagnie, via het correspondentie-adres van de bewindvoerder aan [X] medegedeeld:

‘(…) Op vrijdag 22 februari in de ochtend was ik toevallig bij uw woning. Ik zag dat de voordeur open stond. Deze deur was geforceerd en het slot was verdwenen. Er was niemand thuis (…) Van de politie en een buurman hoorden wij dat u ernstig verward was opgenomen. (…) Van de aannemer hoorden wij dat er gas in de woning was. Het fornuis was van de muur getrokken en de gasslang hing los. Deze gevaarlijke situatie hebben zij direct verholpen door het gas af te sluiten en de verwarmingsketel uit te schakelen. De woning is vervolgens gelucht. (…) Wij vinden dit een zeer ernstige situatie. U heeft uw buren in levensgevaar gebracht! Als de aannemer niet op tijd het gas had afgesloten, had er een gasexplosie kunnen plaatsvinden. Met alle gevolgen voor uw buren en onze woningen van dien. Uw buren zijn bang voor u als u weer terug keert in de woning en wij delen hun angst. Wij vinden uw gedrag in verwarde toestand te gevaarlijk om nog zelfstandig te kunnen wonen. Wij gaan daarom de rechter vragen uw huurovereenkomst te ontbinden. U kunt de rechtelijke procedure en de daarbij komende kosten voorkomen door voor 5 maart a.s. zelf de huur op te zeggen. (…)’

2.9.

Op 19 maart 2019 heeft Wooncompagnie van [X] een formulier ontvangen, waarmee de huur van de woning tegen 1 mei 2019 werd opgezegd. Bij ‘reden opzegging’ heeft [X] vermeld ‘verplicht van de woningbouw’. Bij e-mail van 22 maart 2019 heeft de bewindvoerder met betrekking tot deze huuropzegging aan Wooncompagnie meegedeeld:

‘(…) Deze huuropzegging is waarschijnlijk ondertekend door de heer [X] tijdens zijn opname. Zoals jullie weten staat de heer [X] onder bewind (…). Dit betekent dat de door de heer [X] ondertekende huuropzegging niet rechtsgeldig is en dat de huuropzegging door de bewindvoerder moet worden ondertekend. De heer [X] heeft een advocaat ingeschakeld en ik heb begrepen dat hij niet vrijwillig de huur wil opzeggen.’

3 Beoordeling

3.1.

Bij inleidende dagvaarding heeft Wooncompagnie, kort gezegd, gevorderd dat de bewindvoerder in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [X] , zal worden veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning te verlaten en te ontruimen, met proceskosten waaronder nakosten.
Wooncompagnie heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [X] een levensgevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen door het gasfornuis van de muur te trekken, de gasslang los te laten hangen en er aldus voor heeft gezorgd dat in de woning gas heeft kunnen lekken. Daarnaast heeft Wooncompagnie onder meer aangevoerd dat [X] (de tuin bij) het gehuurde niet goed onderhoudt, dat hij het gehuurde heeft beschadigd en dat omwonenden van [X] bezwaren hebben tegen diens terugkeer naar het gehuurde.

3.2.

[X] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Wooncompagnie in haar vordering wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, dan wel tot afwijzing van de vordering omdat deze zich niet leent voor een behandeling in een kort geding. [X] heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat de vordering van Wooncompagnie in een bodemprocedure wordt toegewezen en dat het woonbelang van [X] zwaarder dient te wegen dan het belang van Wooncompagnie.

3.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van Wooncompagnie afgewezen en haar, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten.
De kantonrechter heeft daartoe, samengevat, overwogen dat het onderhoud van de tuin bij het gehuurde niet (langer) te wensen overlaat en dat uit de door Wooncompagnie overgelegde foto’s zonder toelichting niet zonder meer valt te zien dat de woning (onacceptabel) vervuild is. Ten aanzien van de gestelde vernielingen heeft de kantonrechter overwogen dat Wooncompagnie onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd welke vernielingen zijn aangericht. Daarbij heeft [X] onweersproken gesteld dat de door hem veroorzaakte beschadigingen aan het gehuurde (door hem) te herstellen zijn en dat eventuele door Wooncompagnie gemaakte kosten in dit verband door hem zullen worden vergoed. Voor wat betreft het door Wooncompagnie gestelde in het leven roepen van een levensgevaarlijke situatie heeft de kantonrechter overwogen dat Wooncompagnie is afgegaan op het bericht van de aannemer hierover. [X] heeft een en ander gemotiveerd betwist. Gelet op de tegenstrijdige standpunten kan, aldus nog steeds de kantonrechter, de vraag wie verantwoordelijk is voor het lekken van gas in het gehuurde, zo daar al sprake van is geweest, niet worden beantwoord. Er zou nader onderzoek moeten plaatsvinden c.q. getuigen moeten worden gehoord, waarvoor deze procedure zich niet leent. Verder heeft Wooncompagnie haar stellingen dat de buren van [X] bezwaren hebben tegen diens terugkeer naar het gehuurde onvoldoende gestaafd, tegenover de gemotiveerde betwisting door [X] . Aan de overgelegde verklaringen kan weinig waarde worden gehecht. Ten slotte heeft de kantonrechter overwogen dat er één incident is geweest (in de nacht van 21 op 22 februari 2019) afgezet tegen een lange periode zonder problemen. Dit kan er op dit moment niet toe leiden dat tot een ingrijpende maatregel als ontruiming van het gehuurde wordt overgegaan.

3.4.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Wooncompagnie op met negen grieven.

3.5.

Het hof zal allereerst ingaan op de vraag of Wooncompagnie een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening in dit hoger beroep. Volgens de bewindvoerder ontbreekt dit belang en moet Wooncompagnie om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening in hoger beroep voor toewijzing vatbaar is, dient mede te worden beoordeeld of de oorspronkelijk eiser ten tijde van het uitspreken van het arrest van het hof daarbij (nog) voldoende spoedeisend belang heeft. Daarbij is niet beslissend of de voorzieningenrechter al dan niet terecht een spoedeisend belang heeft aangenomen. Er moet in elk geval ook ten tijde van de uitspraak in hoger beroep voldoende spoedeisend belang bestaan bij het treffen van de door de oorspronkelijk eiser gevraagde voorziening.
Wooncompagnie heeft zich in dat verband beroepen op het incident dat zich in de nacht van 21 op 22 februari 2019 heeft voorgedaan en op de gevolgen hiervan. De stellingen van Wooncompagnie komen er op neer dat die nacht een levensgevaarlijke situatie in de woning en voor omwonenden is ontstaan door toedoen van [X] . Die situatie rechtvaardigt volgens Wooncompagnie een voorlopige voorziening omdat terugkeer naar het gehuurde door [X] niet verantwoord is.
Het hof is van oordeel dat, afgezien van de beoordeling van de aangevoerde omstandigheden (zie hierna), Wooncompagnie reeds hierom in hoger beroep een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen en in dit hoger beroep kan worden ontvangen.

3.6.

Wooncompagnie heeft zich in haar grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, gericht tegen de overwegingen in het bestreden vonnis die zien op het hierboven genoemde incident dat heeft plaatsgevonden in de nacht van 21 op 22 februari 2019 en de nasleep hiervan. In die grieven betoogt Wooncompagnie dat partijen weliswaar een verschillende lezing hebben van wat er daadwerkelijk is gebeurd, maar dat de door de bewindvoerder ( [X] ) gegeven lezing zo ongeloofwaardig en onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter hieraan voorbij had moeten gaan. Een verdere onderbouwing van deze stellingen laat Wooncompagnie echter achterwege, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Verder stelt Wooncompagnie dat het zonder meer evident is dat de levensgevaarlijke situatie in de woning is ontstaan door toedoen van [X] . Daarbij onderstreept Wooncompagnie dat vaststaat dat er gas heeft gelekt. Het hof is echter van oordeel dat, op basis van wat partijen over en weer hebben aangevoerd, geenszins aannemelijk is gemaakt dat er door toedoen van [X] gas heeft gelekt in de nacht van 21 op 22 februari 2019. De stelling dat productie 13 bij dagvaarding in eerste aanleg dit voldoende aannemelijk maakt onderschrijft het hof niet. Productie 13 is een verklaring, opgesteld door een medewerker van [A] waarin onder meer staat vermeld: ‘Melding kantoor hoorn bewoner is door drugs of alcohol door gedraaid en (…) mogelijk gas kraan niet afgesloten. (…) Aankomst deur op een kier en een ravage. Gelijk naar de keuken gelopen. En gas kraan afgesloten waar bij de gas slang afgesneden was. (…).’
Uit deze verklaring blijkt niet dat er een gasgeur was in de woning op het moment dat deze werd betreden, of dat de medewerker ramen en/of deuren heeft moeten openen in verband met een gaslekkage, hetgeen - uitgaande van de lezing van Wooncompagnie - wel voor de hand had gelegen. In diezelfde lezing zou dit daarnaast betekenen dat de politie de woning met een lekkende gaskraan zou hebben achtergelaten, hetgeen onwaarschijnlijk is. Ten slotte erkent Wooncompagnie in de toelichting op grief II dat de politie de woning niet heeft afgesloten nadat [X] is meegenomen. Daarmee is niet uitgesloten dat er nadien nog iemand in de woning is geweest. Het hof onderschrijft dan ook de overweging van de kantonrechter dat gelet op de tegenstrijdige standpunten de vraag wie verantwoordelijk is voor het lekken van gas in het gehuurde, zo daar al sprake van is geweest, vooralsnog niet kan worden beantwoord en dat Wooncompagnie niet kan worden gevolgd in de betreffende stellingen. De verklaringen van omwonenden, die volgens Wooncompagnie zijn opgesteld met het oog op de behandeling in eerste aanleg, maken dit niet anders. De onderhavige kort gedingprocedure leent zich niet voor nader onderzoek in dat kader.

3.7.

Daarnaast stelt Wooncompagnie dat het feit dat [X] zodanig ernstig door het lint is gegaan dat hij door de politie moest worden meegenomen, op zichzelf al voldoende is om de gevorderde ontruiming te rechtvaardigen. De bewindvoerder, althans [X] , heeft erkend dat deze gebeurtenis niet zonder slag of stoot is verlopen. Het hof is echter, met de kantonrechter, van oordeel dat één incident, afgezet tegen een lange periode van huurderschap zonder problemen, er op dit moment niet toe kan leiden dat tot een ingrijpende maatregel van ontruiming van het gehuurde kan worden overgegaan. Ook het beroep van Wooncompagnie op het “Aanhangsel” bij de huurovereenkomst kan, gelet op bovenstaande overwegingen, niet tot een andere conclusie leiden.

3.8.

De slotsom luidt dat de grieven falen. Dit geldt ook voor de grief die ziet op de proceskostenveroordeling. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Wooncompagnie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Wooncompagnie in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de bewindvoerder begroot op € 741,- aan verschotten en € 1.074,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, C.A.H.M. ten Dam en N.J. Huurdeman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020.