Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1773

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
200.258.782/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kernbeding; eigenlijke voorwerp van de overeenkomst in de zin van art. 4 lid 2 van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Vermelding in bestreden vonnis dat gedaagde vordering heeft erkend. Gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv? Na verstekverlening tegen geïntimeerde (oorspronkelijk gedaagde) acht het hof vordering in hoger beroep vooralsnog onvoldoende toegelicht.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:3107.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.258.782/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7472420 CV EXPL 19-1559

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2020

inzake

DEFAM B.V.,

gevestigd te Bunnik,

appellante,

advocaat: mr. A. Robustella te Ede (Gld),

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Defam en [geïntimeerde] genoemd.

Defam is bij dagvaarding van 18 april 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 4 februari 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Defam als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Defam heeft daarna een memorie van grieven genomen. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Defam heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vordering geheel zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten met rente.

Defam heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, is het volgende komen vast te staan.

2.1.

Een rechtsvoorgangster van Defam (hierna eveneens aangeduid als Defam) heeft bij overeenkomst van 5 augustus 2004 aan [geïntimeerde] een doorlopend krediet verstrekt tot een maximum van € 15.000. In de overeenkomst staat vermeld dat de effectieve rente op jaarbasis 10,8% bedraagt.

2.2.

Nadat [geïntimeerde] een betalingsachterstand had laten ontstaan, is een betalingsregeling overeengekomen. Bij brief van 2 juli 2013 heeft het namens Defam optredende deurwaarderskantoor aan [geïntimeerde] bevestigd dat hij “voorlopig” € 50 per maand zal betalen en zich zal houden aan een aantal in de brief vermelde voorwaarden.

2.3.

Bij brief van 21 december 2018 heeft Defam [geïntimeerde] gemeld dat zijn betalingsachterstand € 5.400 bedraagt, zijnde 36 maandtermijnen, en hem gesommeerd dit bedrag binnen vijf dagen te betalen. Bij brief van 28 december 2018 heeft Defam het krediet in zijn geheel opgeëist en [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van € 20.359,64.

3 Beoordeling

3.1.

Defam vordert in deze procedure laatstgenoemd bedrag van [geïntimeerde] . De kantonrechter heeft daarvan een bedrag van € 9.705,51 toegewezen. Het restantbedrag heeft de kantonrechter – hoewel [geïntimeerde] tegen de vordering in eerste aanleg geen verweer had gevoerd – afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat de gevorderde contractuele rente berust op een oneerlijk beding als bedoeld in Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

3.2.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Defam met twee grieven op.

3.3.

Defam voert terecht aan dat de gevorderde contractuele rente op een kernbeding berust dat, naar zij kennelijk tevens bedoelt te stellen, onder het ‘eigenlijke voorwerp van de overeenkomst’ in de zin van artikel 4 lid 2 van de richtlijn valt en derhalve niet op een beding dat ambtshalve aan de richtlijn moet worden getoetst. De grieven slagen in zoverre. Het hof zal de vordering opnieuw beoordelen, met inachtneming van de in eerste aanleg ingenomen standpunten.

3.4.

Defam voert aan dat [geïntimeerde] haar vordering zonder voorbehoud heeft erkend. Voor zover Defam daarmee bedoelt te stellen dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv, verwerpt het hof die stelling. Voor een gerechtelijke erkentenis is een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige erkenning vereist. Dat [geïntimeerde] de vordering van Defam uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft erkend, is niet gebleken en ligt met name niet besloten in de brief van de rechtbank aan Defam van 21 januari 2019 of in het bestreden vonnis. In die brief en in het vonnis wordt slechts vermeld dat de gedaagde partij de vordering heeft erkend. Zeker nu [geïntimeerde] – kenbaar voor Defam – in eerste aanleg zonder rechtsbijstand is verschenen en zich op de rolzitting van de kantonrechter slechts mondeling heeft uitgelaten over de vordering van Defam, is dat onvoldoende om aan te nemen dat van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv sprake is.

3.5.

Nu [geïntimeerde] tegen de vordering geen verweer heeft gevoerd, dient het hof de vordering toe te wijzen tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

3.6.

Defam heeft gesteld dat [geïntimeerde] de met het deurwaarderskantoor getroffen afbetalingsregeling niet langer nakomt en dat die regeling is komen te vervallen. Defam heeft daarmee echter vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] ten tijde van de opeising van het krediet, op 28 december 2018, in verzuim verkeerde. Uit de door haar overgelegde productie 6 blijkt dat [geïntimeerde] , conform de betalingsregeling die in de brief van 2 juli 2013 is vastgelegd, vanaf juli 2011 tot en met december 2018 een bedrag van € 50 per maand aan Defam heeft betaald (zie sub-kolom ‘Betalingen’ in de kolom ‘Wijzigingen vanwege de gebeurtenis’ van productie 6). Defam stelt dat zij uit hoofde van deze betalingsregeling in totaal € 4.500 heeft ontvangen, hetgeen daarmee overeenstemt (90 maanden x € 50), . Bij gebreke van een nadere toelichting – die vooralsnog ontbreekt – valt bij deze stand van zaken niet in te zien dat [geïntimeerde] de afbetalingsregeling niet nakomt, dat die regeling is vervallen en dat [geïntimeerde] ten tijde van de opeising van het gehele kredietsaldo in verzuim verkeerde. Teneinde een verrassingsbeslissing te voorkomen, zal Defam in de gelegenheid worden gesteld haar stellingen hierover bij akte aan te vullen. Hierbij kan zij zich ook uitlaten over de omstandigheid dat de brief van 2 juli 2013 niet vermeldt dat de regeling vervalt indien [geïntimeerde] haar niet nakomt.

3.7.

Defam zal zich in die akte ook uit kunnen laten over de door haar in rekening gebrachte contractuele rente. In haar productie 6 gaat zij uit van een contractuele rente van 11,784%, terwijl de overeenkomst een rente van 10,8% per jaar vermeldt. De stelling van Defam dat zij de vanaf 1 januari 2011 gevorderde rente heeft beperkt tot 75% van het kredietsaldo per 31 december 2010 maakt nog niet voldoende inzichtelijk dat de gevorderde rente het percentage van 10,8% per jaar niet overstijgt. In het saldo per 31 december 2010 is immers blijkens de stellingen van Defam ook reeds een (niet gespecificeerde) rentecomponent begrepen.

3.8.

Defam heeft in haar memorie van grieven (onder 15) gesteld dat zij zich niet beroept op een vertragingsvergoedingsbepaling of enige andere boetebepaling uit haar algemene voorwaarden. Defam beroept zich dus uitdrukkelijk niet op artikel 12 van de algemene voorwaarden (waarin een vertragingsvergoeding wordt bedongen). In het midden kan daarom blijven of artikel 12 van de algemene voorwaarden een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn is. In het licht van deze stelling van Defam is echter onduidelijk op welke grond zij rente vordert over het bedrag dat de kredietlimiet van € 15.000 te boven gaat. Defam zal zich in de akte ook daarover kunnen uitlaten.

3.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 28 juli 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van Defam tot het in 3.6 tot en met 3.8 genoemde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. G.C.C. Lewin, mr. M.P. van Achterberg en mr. A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2020.