Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
200.273.058/01 en 200.276.341/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2021:2404
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Forensisch onderzoek wegens ontbreken van financiële mogelijkheden voor een persoonlijkheidsonderzoek bij de gemeente.

ECLI:NL:GHAMS:2021:2404

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.273.058/01 en 200.276.341/01

zaaknummers rechtbank: C/15/290284 / JU RK 19-1200 en C/15/299038 / JU RK 20-217

beschikking van de meervoudige kamer van 23 juni 2020 inzake

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Kuijs te Alkmaar,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader), advocaat mr. P.A.J. van Putten;

- de minderjarige [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] );

- de minderjarige [kind 2] hierna te noemen: [kind 2] );

- de minderjarige [kind 3] (hierna te noemen: [kind 3] );

Als belanghebbenden in de zaak 200.273.058/01 zijn aangemerkt:

- [pleegvader] en [pleegmoeder A] (hierna te noemen: de pleegouders van [kind 3] );

Als informant in de zaak 200.276.341 is aangemerkt:

- [pleegmoeder B] (hierna te noemen: de pleegmoeder van [kind 1] en [kind 2] ).

In zijn adviserende taak is in beide procedures gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem,

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg in de zaak 200.273.058/01 naar de verkorte beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter), van 6 december 2019 en de schriftelijke uitwerking daarvan zoals vastgelegd en ondertekend door de kinderrechter op 19 december 2019 (zaaknummer C/15/290284 / JU RK 19-1200). Voor het verloop van het geding in eerste aanleg in de zaak 200.276.341/01 verwijst het hof naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 25 februari 2020 (zaaknummer C/15/299038 / JU RK 20-217).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 27 januari 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter van 6 december 2019 (200.273.058/01) en op 30 maart 2020 van de beschikking van de kinderrechter van 25 februari 2020 (200.276.341/01). Het hof zal deze zaken tegelijkertijd behandelen.

2.2

Bij het hof zijn voorts in de zaak 200.273.058/01 de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 13 februari 2020 met als bijlage het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, ingekomen op dezelfde dag;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 19 februari 2020 met als bijlagen een verzoek spoedmachtiging uithuisplaatsing en de daaropvolgende beschikking spoeduithuisplaatsing van de kinderrechter van 4 februari 2020, ingekomen op dezelfde dag;

- een journaalbericht van de vader van 28 februari 2020 met een brief van dezelfde datum, ingekomen op 3 maart 2020;

- een journaalbericht van de moeder van 25 februari 2020 met als bijlage een beschikking (spoed-)uithuisplaatsing van de kinderrechter van 25 februari 2020;

- een verweerschrift van de GI van 25 februari 2020 met bijlagen, ingekomen op 27 februari 2020;

- twee berichten van de moeder van 28 februari 2020 met als bijlagen het proces-verbaal van de zitting van de kinderrechter van 5 november 2019, een overzicht van de begeleide bezoeken en de zorgpunten van de moeder.

2.3

De mondelinge behandeling in de zaak 200.273.058/01 heeft op 2 maart 2020 plaatsgevonden, waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt dat op 10 maart 2020 naar de betrokkenen is verzonden. Het hof heeft de zaak daarbij aangehouden tot 31 maart 2020 in afwachting van bericht van de GI, de moeder, de vader en de raad over de mogelijkheden voor onderzoek naar de pedagogische capaciteiten en de opvoedmogelijkheden van de moeder, alsmede een persoonlijkheidsonderzoek van de moeder, tegen de achtergrond van een mogelijke gefaseerde terugplaatsing van elk kind.

2.4

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

- een e-mail van de raad van 10 maart 2020 waarin de raad voorstelt het onderzoek te laten uitvoeren door Formaat, jeugdforensische diagnostiek (hierna: Formaat);

- een e-mail van de GI van 27 maart 2020 met twee bijlagen waarin de GI voorstelt het onderzoek te laten uitvoeren door het NIFP en William Schrikker Stichting Pleegzorg na een psychiatrisch/psychologisch onderzoek door Cirya;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 30 maart 2020 waarin hij, naar het hof begrijpt, bericht dat een onderzoek door Formaat zijn voorkeur heeft;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 30 maart 2020, met bijlagen A tot en met D, waarin zij onder meer aangeeft dat een onderzoek naar Formaat een goede optie lijkt en tevens het hof verzoekt een gezinsopname te overwegen;

- een faxbericht van de zijde van de moeder, ingekomen op 24 april 2020, met als bijlage het proces-verbaal van de de zitting in eerste aanleg van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 17 februari 2020 (zaaknummer C/15/299038 / JU RK 20-217);

- een journaalbericht van de moeder van 4 mei 2020 waarin zij aangeeft dat de moeder aan de beurt is bij Cirya.

2.5

Het hof heeft aan de moeder, de GI, de vader, de raad en aan de pleegouders een brief gedateerd 4 mei 2020 gezonden. Daarin heeft het hof bericht dat onder voorbehoud van goedkeuring van de nog door Formaat in te dienen offerte, het hof voornemens is een forensisch onderzoek te laten verrichten door Formaat ter beantwoording van de in de brief vermelde onderzoeksvragen. Het hof heeft de moeder, de GI, de vader en de raad gelegenheid gegeven binnen twee weken te reageren op deze vraagstelling en alsnog op het bovengenoemde bericht van de GI van 27 maart 2020 dat per abuis niet was doorgezonden.

2.6

Bij het hof zijn daarna de volgende stukken binnengekomen:

-een brief van de GI van 14 mei 2020, ingekomen 15 mei 2020, met een voorstel nog enkele vragen toe te voegen;

-een bericht van de moeder van 18 mei 2020 met als bijlage een tussenevaluatie van Enver van mei 2020 en waarin zij voorstelt nog enkele vragen toe te voegen;

-een journaalbericht van de vader van 19 mei 2020 met het voorstel nog een vraag toe te voegen;

-een journaalbericht van de moeder van 12 juni 2020 met als bijlage een email van de raad en een beschikking van de kinderrechter van 19 mei 2020 tot verlenging uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 24 augustus 2020.

Voorts heeft het hof ontvangen een verweerschrift van de GI in de zaak 200.276.341/01 van 14 mei 2020, ingekomen op 15 mei 2020.

3 De feiten

3.1

Uit het [in] 2014 gesloten en op 20 augustus 2019 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [kind 1] , [in] 2015, te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , [in] 2016, te [geboorteplaats] ;

- [kind 3] , [in] 2018, te [geboorteplaats] .

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen.

Voorts is uit het huwelijk van de ouders de minderjarige [kind 4] geboren, [in] 2019. [kind 4] woont bij de moeder en is niet betrokken bij deze procedure.

3.2

De minderjarigen staan sinds 24 augustus 2018 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 24 augustus 2020.

3.3

De minderjarigen zijn op 5 oktober 2018 uit huis geplaatst.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 6 december 2019 (in de zaak in hoger beroep met nummer 200.273.058/01) is, overeenkomstig het verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 24 december 2019 tot uiterlijk 24 augustus 2020 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 24 december 2019 tot uiterlijk 24 augustus 2020.

4.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 4 februari 2020 is een (spoed)machtiging uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 februari 2020 voor de duur van vier weken. Op het verzoek van de GI deze machtiging te verlengen tot 24 augustus 2020, heeft de kinderrechter bij de bestreden beschikking van 25 februari 2020 (in de zaak in hoger beroep met nummer 200.276.341/01) de machtiging verlengd tot 4 juni 2020 en is de beslissing voor het overige aangehouden. Bij beschikking van de kinderrechter van 19 mei 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 24 augustus 2020.

4.3

De moeder verzoekt in beide zaken, met vernietiging van de bestreden beschikkingen (in zoverre), het verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] alsnog af te wijzen, dan wel de termijn te bekorten, dan wel alsnog een deskundigenonderzoek/gezinsopname te gelasten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of ten tijde van de bestreden beschikkingen gronden aanwezig waren voor uithuisplaatsing van de minderjarigen en of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn.

5.2

In zaak 200.273.058/01 voert de moeder - samengevat – het volgende aan. Er is niet voldaan aan het criterium van 1:265b BW, namelijk dat de uithuisplaatsing nog altijd noodzakelijk zou zijn in het belang van de meerderjarigen. De moeder verblijft sinds maart 2019 in de vrouwenopvang en heeft sinds mei 2019 aldaar een eigen appartement. De kinderrechter heeft in juli 2019 een onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder gelast en de GI heeft de moeder toen aangemeld bij het KSCD. Ondertussen is de omgang begeleid door Enver. Pas maanden later is gebleken dat het KSCD het onderzoek niet kon doen om financiële redenen en wegens plaatsgebrek. Een alternatief onderzoek heeft niet plaatsgevonden. De GI kan zich echter niet verschuilen achter het gebrek aan financiering door de gemeente, nu de GI volgens de Jeugdwet gehouden is de door de kinderrechter gelaste maatregel uit te voeren. Nu het bevolen onderzoek niet is uitgevoerd, dient er gekeken te worden naar de wel aanwezige informatie en dat is de informatie betreffende de omgang van Enver, de informatie betreffende de gezinsopname bij [kliniek GGZ] en het raadsrapport van 23 november 2016.

Met betrekking tot [kind 3] heeft nog geen onderzoek plaatsgevonden. Dat zij last zou hebben van de omgang met de moeder is enkel vastgesteld door de pleegouders en is niet waargenomen door de gedragswetenschapper die de omgang heeft onderzocht. Zonder objectief onderzoek kan het gedrag van [kind 3] niet bestempeld worden door de GI als trauma gerelateerd gedrag en zeker niet als contra-indicatie voor een thuisplaatsing bij moeder.

De moeder staat wel achter traumabehandeling van [kind 1] en [kind 2] , maar vindt dat deze behandeling vanuit de thuissituatie kan plaatsvinden, hetgeen door Enver is bevestigd.

De moeder werkt met Enver aan de doelen die zijn gesteld door de GI. Daarnaast heeft de GI gesteld dat uit psychiatrisch onderzoek moet blijken of de moeder weerbaar en leerbaar is en of zij voor veiligheid kan zorgen, bijvoorbeeld als haar ex-man vrij komt. De moeder heeft echter al langere tijd geen contact meer met haar ex-man en zijn familie, volgt de training sterke vrouwen van Arosa en heeft zich via de huisarts aangemeld voor psychiatrisch onderzoek bij Cirya. Ook wijst de moeder naar de uitkomsten van [kliniek GGZ] . Voorts heeft de moeder gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [kind 3] veilig is gehecht in het pleeggezin en dat thuisplaatsing een onverantwoord risico meebrengt. De moeder voert aan dat reeds eerder onderzocht had moeten worden of [kind 3] weer naar de moeder kon. Daarnaast is het zo dat [kind 3] ook gehecht is aan de moeder en haar broers. De uithuisplaatsing zou een uiterst middel moeten zijn, maar de GI is meer bezig geweest met het continueren van de plaatsing dan met het onderzoeken van en werken aan een terugplaatsing. Slachtoffer zijn van huiselijk geweld betekent niet dat de moeder de minderjarigen niet kan opvoeden. Ter mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat zij als de vader vrijkomt geen contact met hem zal zoeken. Als hij contact met haar zoekt zal ze dit onmiddellijk melden en hulp zoeken.

In zaak 200.276.341/01 voert de moeder aan dat de kinderrechter onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet op korte termijn tot een (middels de ots gemonitorde) thuisplaatsing met inzet van ambulante jeugdhulpverlening over kan worden gegaan. Het perspectief van de kinderen is zonder enige vorm van onderzoek door de GI in een te vroeg stadium bepaald. Het huidige pleeggezin van [kind 1] en [kind 2] is niet perspectief biedend. Nu de moeder open staat voor hulpverlening, er geen zorgen zijn over de interactie tussen haar en de kinderen, zij leerbaar blijkt en er sprake is van een ondersteunend netwerk, kan niet meer worden geconcludeerd dat een definitieve terugkeer van de kinderen bij de moeder geen optie meer is. De uithuisplaatsing maakt forse inbreuk op het familylife van de moeder en de kinderen. De moeder wil benadrukken dat zij niet de bedoeling heeft de kinderen abrupt en definitief te scheiden van hun pleegouders. Ze is hen dankbaar en staat open voor een warme overdracht.

5.3

De GI heeft in beide zaken verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. Uit de begeleide bezoeken bij Enver komt naar voren dat er geen zorgen zijn over hoe de moeder omgaat met haar kinderen tijdens de bezoeken. Na de bezoeken reageren de kinderen echter heftig en krijgen ze last van herbelevingen. De ouders worden boos wanneer de jeugdzorgmedewerker dit bespreekt en geven aan dat het fantasie is van de kinderen. Uit onderzoeken die bij het Orthopedagogisch centrum zijn afgenomen blijkt dat er bij [kind 1] en [kind 2] sprake is van een trauma en hechtingsproblematiek waarvoor zij behandeld moeten worden. [kind 3] liet zorgelijk gedrag zien toen de bezoeken bij de moeder iedere week plaatsvonden. De kinderrechter heeft toen besloten dat de bezoeken iedere twee weken zouden plaatsvinden. Het is voor [kind 3] , gelet op haar leeftijd, niet verantwoord dat zij na anderhalf jaar afscheid moet nemen van de personen die zij ziet als haar vertrouwde opvoeders en hechtingsfiguren. Ook [kind 1] en [kind 2] kunnen niet terug naar hun moeder. De veiligheid is thuis nooit op orde geweest. Een terugplaatsing van [kind 1] in 2016 is niet positief verlopen. In 2018 is hij weer met spoed uit huis geplaatst. Op 7 maart 2019 heeft een heftig incident plaatsgevonden waarbij de moeder, die toen 20 weken zwanger was, door de vader is overgoten met hete vloeistof, waarna de moeder van het balkon is afgesprongen. De moeder heeft aangegeven geen contact meer met de vader te willen, maar gebleken is dat zij wel telefonisch contact onderhielden en dat de moeder contact had met de familie van de vader die ook een risico vormt voor de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de GI gemeld dat ten aanzien van de vader de maatregel TBS met voorwaarden in de tegen de vader lopende strafzaak is geëist. De vader zit nu één jaar vast. De einduitspraak zou op 5 maart 2020 volgen, maar is steeds uitgesteld.

5.4

De vader heeft in zaak 200.273.058/01 aangevoerd in te stemmen met de inhoud van het beroepschrift van de moeder.

5.5

De pleegouders van [kind 3] hebben bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat het heel goed met haar gaat. Wel heeft de omgang met de moeder zijn weerslag op [kind 3] , zij moet dan enkele dagen bijkomen. Zij is gespannen als zij de moeder ziet.

5.6

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raad aangegeven dat het wrang is om over het verstrijken van de aanvaardbare termijn te beginnen nu er geen onderzoek is gedaan naar de opvoedmogelijkheden van de moeder. Het risico van de moeder ziet voor een groot deel op de interactie met de vader. Een NIFP onderzoek zou geschikt zijn.

De moeder heeft op 12 juni 2020 een e-mail van 28 mei 2020 van de raad aan de advocaten van de moeder en van de vader overgelegd. Daarin staat onder meer vermeld dat, nu het hof voornemens is een forensisch onderzoek te laten verrichten, de raad heeft besloten om de onderzoek-casussen (onderzoek naar de gezagsbeëindigende maatregel – GZBM) voor nu af te sluiten, omdat de raad het noodzakelijk vindt om deze onderzoeksresultaten mee te nemen in het GZBM-onderzoek en de daarop volgende besluitvorming.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Reeds ter mondelinge behandeling in hoger beroep op 2 maart 2020 heeft het hof aangegeven dat het, met het oog op de te nemen beslissingen in deze zaak, van belang is dat er meer zicht komt op de persoonlijkheid van de moeder en op haar mogelijkheden aan de minderjarigen de benodigde zorg te kunnen bieden. Daartoe acht het hof de volgende omstandigheden van belang. Een onderzoek naar de persoonlijkheid en de opvoedcapaciteiten van de moeder heeft om allerlei redenen nog niet plaatsgevonden, ondanks het feit dat de kinderrechter daar expliciet om heeft verzocht. Daarbij komt dat de onveilige situatie bij de moeder thuis in ieder geval deels werd veroorzaakt door de verhouding tussen de vader en de moeder en de agressie die daaruit ontstond. De omstandigheden zijn sinds maart 2019 gewijzigd nu de vader gedetineerd is en de moeder en de vader zijn gescheiden. Met [kind 4] die bij de moeder woont gaat het goed. De moeder accepteert hulpverlening. Blijkens de rapportage van Enver zijn er geen zorgen over de omgang tussen de moeder en de kinderen. Daarbij komt dat [kind 1] en [kind 2] in februari 2020 met spoed bij een ander pleeggezin zijn geplaatst en dat het voor het hof niet duidelijk is of die plaatsing perspectief biedend is, in welk geval [kind 1] en [kind 2] mogelijk weer met een nieuw pleeggezin geconfronteerd zouden worden. Tegen deze achtergrond valt een terugplaatsing niet uit te sluiten, waarbij een eerste voorwaarde is dat onderzocht wordt of de moeder in staat is haar vier kinderen zelf op te voeden en of dit, gegeven de voorgeschiedenis en de omstandigheden van de kinderen, in het belang van de kinderen is. Daartoe acht het hof een deskundigenonderzoek noodzakelijk. De raad heeft geadviseerd daartoe Formaat te benoemen. De moeder en de vader zijn het daarmee eens. De GI heeft een andere mogelijkheid genoemd, maar heeft daarvoor geen tijdspad aangegeven. Nu het hof bekend is met de lange wachttijden bij het NIFP en Formaat heeft aangegeven bereid te zijn het onderzoek uit te voeren en daarmee in principe in september 2020 te kunnen starten, zal het hof Formaat opdracht geven een forensisch onderzoek te verrichten naar de persoonlijkheid van de moeder en haar mogelijkheden met betrekking tot de benodigde zorg voor de kinderen. Formaat heeft te kennen gegeven dat het onderzoek zal worden uitgevoerd door een of meerdere bij Formaat werkzame deskundigen en heeft verzocht de beschikking ook aan het NIFP te zenden, aangezien het NIFP voor Formaat in deze een begeleidende rol heeft. Het hof daarmee ingestemd. Het hof gaat er voorts vanuit dat alle betrokkenen hun medewerking zullen verlenen aan het onderzoek.

5.8

Het hof zal Formaat benoemen tot deskundige en verzoeken de onder rechtsoverweging 6 genoemde onderzoeksvragen te beantwoorden, waarbij het hof heeft acht geslagen op de opmerkingen van de betrokkenen en deze heeft meegenomen voorzover het hof die relevant acht.

5.9

Teneinde Formaat in de gelegenheid te stellen het onderzoek uit te voeren, zal het hof de behandeling van de zaak pro forma aanhouden tot zondag 3 januari 2021. De kosten van het deskundigenonderzoek komen vooralsnog ten laste van ’s Rijks kas. Of en, zo ja, welke eigen bijdrage de moeder moet betalen aan de griffier, zal het hof bij zijn eindbeslissing bepalen.

5.10

Het hof zal mr. J. Jonkers benoemen tot raadsheer-commissaris tot wie de deskundige zich door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

5.11

In afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek zullen de beslissingen op de verzoeken van de moeder eveneens worden aangehouden.

5.12

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

benoemt tot deskundige als bedoeld in artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: Formaat jeugdforensische diagnostiek, om een onderzoek te (doen) verrichten ter beantwoording van de volgende onderzoeksvragen en het hof daarover te rapporteren en te adviseren:

Onderzoeksvragen naar pathologie:

1. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?

- op basis van klinische impressies

- op basis van psychologisch testonderzoek

2. Hoe kan het verstandelijk vermogen van de moeder beschreven worden?

- op basis van klinische impressies

- op basis van psychologisch onderzoek

3. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis en/of een ontwikkelingsachterstand bij de moeder? Zo ja, hoe is deze te beschrijven?

4. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis en/of ontwikkelingsachterstand bij de kinderen?

Onderzoeksvragen met betrekking tot de benodigde zorg van de kinderen en de mogelijkheden van de moeder:

4. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van de kinderen?

5. In hoeverre beïnvloedt de eventueel geconstateerde (psychiatrische) problematiek van de moeder haar affectieve en pedagogische vaardigheden in relatie tot de kinderen?

Onderzoeksvragen met betrekking tot eventuele (terug)plaatsing bij de moeder en het perspectief van de kinderen:

6. Wat zijn de (contra)indicaties voor een plaatsing bij de moeder, mede gelet op eventuele problematiek van de moeder en/of de kinderen?

7. Wat zijn (contra)indicaties voor opvoeding en verzorging van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder, mede gelet op eventuele (psychische) problematiek van de moeder en/of de kinderen?

8. In hoeverre is (terug)plaatsing van de kinderen (op korte of lange termijn) bij de moeder in het belang van de kinderen?

9. Indien tot (terug)plaatsing bij de moeder wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hiertegenover opstellen c.q. van kunnen profiteren?

10. Indien tot (terug)plaatsing bij de moeder wordt overgegaan op welke wijze en in welk tempo dient de terugplaatsing te geschieden?

11. Indien niet tot (terug)plaatsing bij de moeder wordt overgegaan, zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de moeder en de kinderen? Als omgang geïndiceerd is, hoe frequent dient de omgang tussen de moeder en de kinderen te zijn en waar en hoe dient deze plaats te vinden?

12. Dient er bij de beantwoording van bovengenoemde vragen een onderscheid te worden gemaakt ten aanzien van (een van) de kinderen?

Aanvullende vraag:

13. In hoeverre komen uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen maar die wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissing?

bepaalt dat de ouders en de GI alle door de deskundige gewenste medewerking dienen te verlenen;

bepaalt dat de GI en/of (de advocaat van) de moeder en de vader de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de kosten van het deskundigenonderzoek vooralsnog ten laste van ’s Rijks kas komen;

bepaalt dat in de eindbeschikking een definitieve beslissing over de betaling van de uiteindelijke kosten zal worden opgenomen;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. J. Jonkers;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht zal dienen te blijken dat de ouders en de GI door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan Formaat jeugdforensische diagnostiek, Postbus 13159, 3507 LD Utrecht en aan het NIFP Noord Holland, Emmalaan 7, 1075 AT Amsterdam, zal zenden;

bepaalt dat de deskundige tijdig voor de hierna te vermelden pro forma datum het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek;

bepaalt dat de moeder en de overige belanghebbenden vervolgens gedurende zes weken de gelegenheid hebben op de resultaten van het onderzoek te reageren;

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden aangehouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek naar de moeder en de minderjarigen;

bepaalt dat de behandeling pro forma zal worden aangehouden tot 3 januari 2021, met het verzoek aan Formaat om het hof voordien schriftelijk te informeren over de uitkomsten van het onderzoek;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. M.T. Hoogland en mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 23 juni 2020 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.