Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1750

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
200.249.197/01 en 200.249.478/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie, behoefte en draagkracht. Man werkzaam als piloot. Basissalaris en “Allowances”. Hofnorm. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Artikel 1:164 lid 1 BW; benadeling van de gemeenschap door zonder rechtsgrond aandelen over te dragen voor een te laag bedrag; waardering. Ontslagvergoeding verknocht? Vergoedingsrecht vanwege schenking onder uitsluitingsclausule; naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Draagplicht voor schulden. Verknochte schuld? Kinderrekening; tenaamstelling; niet in verdeling betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.249.197/01 en 200.249.478/01

rekest- en zaaknummers rechtbank: C/15/562509 / FA RK 17-4550

C/15/267221 / FA RK 17-6994

beschikking van de meervoudige kamer van 23 juni 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.C. van Bodegom te 's-Gravenhage,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B. Kochheim-Bossink te Aerdenhout.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) (hierna: de rechtbank) van 8 augustus 2018 en 4 januari 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 7 november 2018 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van bovengenoemde beschikking van 8 augustus 2018.

2.2

De vrouw heeft op 21 december 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 18 februari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

De man is daarbij tevens in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van de rechtbank van 4 januari 2019.

2.4

De vrouw heeft op 12 juni 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 4 januari 2019 ingediend.

2.5

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 12 november 2018 met bijlage, ingekomen op 13 november 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 13 maart 2019 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 mei 2019, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 6 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 11 juni 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 12 juni 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 juni 2019 met bijlage, ingekomen op 17 juni 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 17 juni 2019 met bijlage, ingekomen op 19 juni 2019.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten en de man tevens door mr. E.L. Lievense, kantoorgenoot van mr. Van Bodegom voornoemd. Zowel mr. Van Bodegom als mr. Kochheim-Bossink hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.7

Na mondelinge behandeling hebben beide partijen met toestemming van het hof nog stukken overgelegd, waarbij het hof partijen heeft toegestaan desgewenst te reageren op de overgelegde producties. Mr. Van Bodegom heeft bij journaalbericht van 27 juni 2019, ingekomen op 28 juni 2019, een brief met bijlagen toegestuurd. Mr. Kochheim-Bossink heeft op 3 juli 2019, ingekomen op 4 juli 2019, een brief met bijlagen toegestuurd. Mr. Van Bodegom heeft bij brief van 17 juli 2019 gereageerd op laatstgenoemde brief. Bij brief van 18 juli 2019 heeft mr. Van Bodegom een correctie van de opstelling in de brief van 17 juli 2019 ingediend.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn [in] 2006 te [plaats A] met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan. Bij akte van 25 augustus 2010, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] , is het geregistreerd partnerschap omgezet in een huwelijk. Tussen partijen was sprake van een wettelijke gemeenschap van goederen.

Het huwelijk van partijen is op 20 november 2018 ontbonden door inschrijving van de op dit onderdeel niet bestreden echtscheidingsbeschikking van 8 augustus 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [kind A] , geboren [in] 2006 (hierna: [kind A] ),

- [kind B] , geboren [in] 2009 (hierna: [kind B] ) (hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen).

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven bij de vrouw.

3.4

Partijen zijn op 16 november 2017 een ouderschapsplan overeengekomen, dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 8 augustus 2018 is, voor zover thans van belang, – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat:

- de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] , [plaats B] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

- de door de vrouw aan de man verschuldigde redelijke vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 267,- per maand bedraagt;

- de man € 449,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als tijdelijke bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De beslissing ten aanzien van de definitieve kinder- en partnerbijdrage is aangehouden.

Daarnaast is de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap gelast op de wijze zoals onder 2.7.2 tot en met 2.7.7 van de bestreden beschikking is overwogen.

Bij de bestreden beschikking van 4 januari 2019 is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat:

- de man met ingang van 4 januari 2019 € 566,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

- de man € 289,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van 4 januari 2019 of zoveel later als de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand plaatsvindt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2

De man verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking van 8 augustus 2018 in zoverre, te bepalen dat:

- [B.V.1] (hierna: [B.V.1] ) voor een waarde van € 8.257,- in de verdeling dient te worden betrokken;

- de man een vergoedingsrecht heeft op de ontbonden gemeenschap van goederen van € 22.048,-;

- de bank- en effectenrekeningen met nummers [1] , [2] , [3] en [4] onderdeel uitmaken van de ontbonden gemeenschap van goederen en in de verdeling worden betrokken, waarbij partijen ieder de helft van het totale saldo per datum feitelijke verdeling ontvangen;

- ( voorwaardelijk) de behoefte van de kinderen wordt vastgesteld op een bedrag van € 813,50 per kind per maand.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking van 4 januari 2019, te bepalen dat:

- de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 250,- per kind per maand, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, dient te voldoen;

- het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen, wordt afgewezen.

4.3

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep tegen de beschikkingen van 8 augustus 2018 en 4 januari 2019, althans zijn verzoeken in beide hoger beroepen af te wijzen.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking van 8 augustus 2018 in zoverre, te bepalen dat:

- voorwaardelijk, namelijk voor zover de bestreden beschikking van 8 augustus 2018 ten aanzien van de aandelen [B.V.1] niet in stand blijft (1) de waarde van de aandelen [B.V.1] vast te stellen op de wijze zoals onder randnummer 3.40 (hof: van het verweerschrift tevens incidenteel appel) verzocht en (2) daarnaast te bepalen dat de schuld van [B.V.1] aan de man, die volgt uit de jaarcijfers van [B.V.1] , als vordering in de gemeenschap valt;

- de per peildatum resterende netto Martinairvergoeding van € 115.186,-, die op de inmiddels opgeheven en/en rekening stond, (alsnog) in de verdeling dient te worden betrokken;

- voorwaardelijk, voor het geval het hof met de man van oordeel is dat de ontslagvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] bijzonder verknocht is aan de man en/of de schenking (verricht door zijn ouders in de vorm van kwijtschelding van rente) buiten de gemeenschap valt, te bepalen dat de studieschuld die hieraan ten grondslag ligt als bijzonder verknocht aan de man dient te worden beschouwd, althans om te bepalen dat de redelijkheid en billijkheid gebieden dat de man al hetgeen dat vanuit de gemeenschap voor deze schuld is betaald aan de ouders van de man, zijde een totaalbedrag van € 41.679,15, door de man aan de gemeenschap dient te worden vergoed;

- de vrouw vanwege een vergoedingsrecht een vordering van € 40.000,- op de gemeenschap heeft vanwege de verstrekte schenkingen onder uitsluiting van haar ouders;

- de man is gehouden de belastingteruggaven wegens ten onrechte/teveel betaalde inkomstensbelasting en premies tot 1 augustus 2017 aan de gemeenschap te vergoeden, respectievelijk met de vrouw af te rekenen;

- althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking van 4 januari 2019, te bepalen dat:

- de man alsnog de in eerste aanleg verzochte kinder- en partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen;

- althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.4

De man verzoek de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep tegen de beschikkingen van 8 augustus 2018 en 4 januari 2019, althans haar verzoeken in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

5.1

De man is met elf grieven (genummerd 1 tot en met 11) opgekomen tegen de bestreden beschikkingen. De vrouw heeft achttien grieven (genummerd I tot en met XVIII) aangevoerd tegen de bestreden beschikkingen.

Kinder- en partneralimentatie

5.2

De grieven 5 tot en met 11 van de man en de grieven VII tot en met XVIII van de vrouw zien op de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de door de man te betalen kinder- en partner bijdrage. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

De rechtbank heeft de ingangsdatum voor zowel de kinder- als partneralimentatie bepaald op 4 januari 2019. Hiertegen is door partijen geen grief gericht, zodat het hof eveneens van deze datum uitgaat.

Tussen partijen is in geschil de behoefte van de kinderen, de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid en de draagkracht van de man.

Voor zover hierna bedragen zijn genoemd, zijn deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

Behoefte van de kinderen

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat op basis van de Nibudtabel van juli 2016 (het moment van feitelijk uiteengaan van partijen) de behoefte van de kinderen € 1.440,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de behoefte € 1.522,- per maand. Wel verschillen partijen over de vraag in hoeverre deze behoefte met oppaskosten moet worden verhoogd.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van € 640,- per maand.

Volgens de man dient geen rekening te worden gehouden met privé oppaskosten en dient op de kosten van de kinderopvang, de kinderopvangtoeslag in mindering te worden gebracht. Er resteert dan een bedrag van € 135,- per maand, zodat de totale behoefte € 1.627,- per maand bedraagt.

De vrouw heeft betoogd dat naast de vaste opvangdagen voor [kind B] , ook gebruik wordt gemaakt van extra opvangdagen omdat de leerkrachten regelmatig studiedagen hebben. Daardoor blijven de gemiddelde kosten hetzelfde, hoewel de vrouw sinds kort 1 dag opvang minder afneemt bij Casca (de kinderopvangorganisatie). Ook heeft zij opvang aan huis en levert de vrouw vrije dagen in omdat de oppaskosten te hoog worden. Na de mondelinge behandeling op 20 juni 2019 heeft de vrouw aanvullende stukken in het geding gebracht met betrekking tot de opvangkosten. Zij heeft haar kosten berekend op € 835,10 per maand. Over 2019 kan zij volgens opgave van de accountant rekenen op een kinderopvangtoeslag van € 175,- per maand.

5.4

Het hof houdt, gezien de jaaropgave 2018 van Casca en het contract voor 2019 van Casca, rekening met een bedrag van € 294,78 per maand aan vaste opvangkosten. Het hof begrijpt uit de na de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde stukken dat inmiddels geen sprake meer is van opvang door Op Stoom voor BSO en TSO, maar wel van overblijfkosten via de school van [kind B] van (gemiddeld) € 160,- per jaar, dat wil zeggen € 13,33 per maand. Hoewel de man bij brief van 17 juli 2019 nog heeft aangegeven dat deze post niet onder de hoge oppaskosten valt die buiten de behoeftetabel in de behoefte kunnen worden meegenomen, is het hof van oordeel dat de vrouw deze kosten terecht heeft opgevoerd, nu deze samenhangen met het gegeven dat de verzorgende ouder vanwege werkzaamheden en het uiteengaan van partijen niet in staat is zelf de opvang tijdens deze schooldagen te verzorgen, waardoor de behoefte van de kinderen verder is verhoogd. Het hof zal daarnaast rekening houden met een bedrag van € 150,- per maand aan opvangkosten thuis. De man heeft niet betwist dat de vrouw eenmaal per maand in het weekend en twee avonden per week afwezig is in verband met studie en/of werk. Weliswaar heeft de man betoogd dat de ouders van de vrouw oppassen, maar gelet op de betwisting door de vrouw heeft de man zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De leeftijd van [kind B] in aanmerking genomen, acht het hof het begrijpelijk dat de vrouw oppas aan huis regelt. De vrouw heeft daarnaast extra kosten voor incidentele opvang opgevoerd. Voor zover de vrouw zelf vakantie-uren heeft opgenomen, houdt het hof geen rekening met de opgevoerde kosten, aangezien het hof het niet onredelijk acht dat de vrouw incidenteel vakantie-uren opneemt om de kinderen op te vangen. Wel zal het hof met de opgevoerde incidentele opvangkosten bij Casca ten bedrage van € 164,30 per jaar (€ 13,69 per maand) rekening houden. Met de voor het eerst in de brief van 3 juli 2019 opgevoerde kosten voor zomeropvang houdt het hof geen rekening. Het hof gaat er evenals de man van uit dat ieder van partijen de kinderen tijdens de zomervakantie gedurende drie weken opvangt, zodat het in beginsel – en nu een relevante toelichting ontbreekt - niet nodig is extra kosten te maken. Voor zover de zomervakantie langer zou duren, is het aan partijen nadere afspraken te maken nu een verdeling naar evenredigheid in het ouderschapsplan is opgenomen.

Gelet op het voorgaande zal het hof rekening houden met een bedrag van € 471,80 per maand aan opvangkosten, van welk bedrag de door de vrouw te ontvangen kinder-opvangkosten ad € 175,- per maand moeten worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 296,80 resteert. De totale behoefte van de kinderen bedraagt dan (afgerond) € 1.819,- per maand, derhalve € 909,50 per kind per maand.

Draagkracht van partijen

5.5

Het hof dient vervolgens de draagkracht van partijen te berekenen, om ieders aandeel in de kosten van de kinderen vast te stellen.

Draagkracht van de man

5.6

De man is werkzaam als piloot. Zijn basissalaris bedraagt $ 10.507,- per maand en met ingang van 1 april 2019 $ 10.717,- per maand. Maandelijks ontvangt hij een bedrag van $ 1.300,- aan Commuting Allowance. De rechtbank heeft tot een bedrag van € 600,- per maand rekening gehouden met deze bijdrage. De man heeft in zijn zevende grief aangevoerd dat met deze bijdrage geen rekening moet worden gehouden omdat hij de bijdrage dient aan te wenden om de kosten te vergoeden die hij moet maken wanneer hij een week per maand in Nederland verblijft, zoals de kosten voor de huur van een auto, openbaar vervoer en tijdelijke huisvesting. Bovendien kan hij met deze bijdrage een regeling treffen voor negatieve koersschommelingen. De vrouw heeft in haar grief VIII betoogd dat met de volledige bijdrage rekening moet worden gehouden, omdat de kosten die de man stelt te maken, normale kosten tijdens zijn verlof betreffen die hij ook maakt zonder dat hij werkt. Zij is van mening dat sprake is van verkapt inkomen: de bijdrage is bedoeld om kosten te vergoeden die een vlieger maakt om vanaf het woonadres te reizen naar de basis in het land waar hij als vlieger is gestationeerd. In dit geval woont de man in Nederland en bevindt de basis zich ook in Nederland. De koersschommelingen kunnen zowel positief als negatief uitpakken, zodat daarmee ook geen rekening moet worden gehouden.

Het hof zal met de volledige Commuting Allowance rekening houden. Met de door de man opgevoerde kosten wordt rekening gehouden bij het bepalen van zijn draagkracht (woonlasten) dan wel betreffen deze kosten niet zodanig bijzondere kosten dat niet van de man zou kunnen worden verlangd dat hij deze uit het draagkrachtloos inkomen of zijn draagkrachtvrije ruimte voldoet. Wat betreft de koersschommelingen overweegt het hof dat een negatieve koersontwikkeling sinds 2017 minder relevant is, nu de verplichting per 2019 wordt vastgesteld. Bovendien is het hof met de vrouw van oordeel dat de koersontwikkeling zowel positief als negatief kan uitpakken, zodat het, nu daarvoor concrete aanwijzingen ontbreken, niet voor de hand ligt op voorhand met de negatieve zijde van dat risico rekening te houden. Voorkomen moet worden dat partijen bij iedere koersschommeling een aanpassing van de alimentatie gaan vragen.

5.7

De man ontvangt verder een “Per Diem (Base Stay)”. In haar negende grief betoogt de vrouw dat deze bijdrage bij het inkomen van de man moet worden opgeteld omdat dit een door de man te ontvangen vergoeding tijdens zijn verblijf op zijn basis betreft. Omdat de man zijn basis in Amsterdam heeft en in Nederland woont, maakt hij echter geen extra kosten. De man heeft naar voren gebracht dat deze bijdrage alleen wordt uitbetaald wanneer hij in de nacht vertrekt of aankomt en op Schiphol kosten maakt in verband met verblijf in een hotel op de luchthaven.

De stelling van de man wordt onderbouwd met de door hem overgelegde salarisspecificaties, waaruit blijkt dat de vergoeding niet altijd wordt uitbetaald, maar indien dat het geval is, op basis van nacalculatie wordt uitbetaald. Het hof zal dan ook geen rekening houden met deze bijdrage. Tussen partijen is niet in geschil dat evenmin rekening moet worden gehouden met de “Per Diem Allowance”.

5.8

Ook zal het hof, in tegenstelling tot hetgeen de vrouw in haar tiende grief heeft aangevoerd, geen rekening houden met inkomsten uit overwerk, gelet op de door de man overgelegde e-mail van [Y] van 26 september 2018 in eerste aanleg over de vermindering van het aantal vliegtuigen en het overschot aan piloten, alsmede de omstandigheid dat niet is gebleken dat de man de afgelopen periode overwerk heeft verricht.

5.9

Op het salaris van de man wordt een “Bonus on Hold” van $ 250,- per maand in mindering gebracht. In artikel 4 lid 2 van de arbeidsovereenkomst van 3 februari 2016 is opgenomen dat dit bedrag gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst zal worden ingehouden. Na voltooiing van de arbeidsovereenkomst zal het ingehouden bedrag in de vorm van een bonus (de “Completion Bonus”) worden uitbetaald. De arbeidsovereenkomst van 3 februari 2016 gold van 5 juli 2016 tot en met 4 juli 2019 en is door de man voltooid. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de man inmiddels een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft gesloten waarin niets is opgenomen over een “Bonus on Hold”, zal het hof geen rekening houden met de inhouding. Wel houdt het hof rekening met de inhouding voor de premie voor “PTDD” ad $ 154,- per maand en de premie voor “Loss of License” ad $ 141,31 per maand.

Het voorgaande brengt mee dat het hof per 4 januari 2019 uitgaat van een salaris van $ 11.511,69 per maand en met ingang van 1 april 2019 van $ 11.721,69 per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de man geen belasting is verschuldigd in Nederland. Evenmin houdt het hof rekening met een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Uitgaande van de wisselkoers op 4 januari 2019 bedraagt het inkomen van de man met ingang van die datum € 10.102,- per maand en met ingang van 4 april 2019 € 10.286,- per maand.

5.10

Tussen partijen is in geschil in hoeverre met de door de man ontvangen beëindigingsvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] rekening moet worden gehouden. Deze vergoeding is aan de man uitbetaald ter compensatie van de nadelige gevolgen verbonden aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan wel (onder andere) ter aanvulling op een elders te verdienen (lager) salaris. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat de man thans een lager salaris verdient dan voorheen bij [luchtvaartmaatschappij] . Integendeel, uitgaande van de jaaropgave 2015 verdiende de man maandelijks bij [luchtvaartmaatschappij] € 5.628,- netto. Bij [luchtvaartmaatschappij] was echter sprake van pensioenopbouw en werd de pensioenpremie deels door de werknemer gedragen. De man heeft onbetwist gesteld dat de pensioenopbouw 36% van het brutosalaris bedroeg, waarbij de werknemer 11% betaalde en de werkgever 25%. Thans is geen sprake meer van pensioenopbouw. Uitgaande van het fiscaal inkomen in 2015 van € 123.241,- zal de eigen bijdrage van de man circa € 15.000,- per jaar, derhalve € 1.250,- per maand hebben bedragen. Het hof zal met dit bedrag rekening houden. Voor zover de man thans een hoger bedrag spaart, kan hij daarvoor de beëindigingsvergoeding aanwenden.

5.11

De vrouw heeft verder in grief XII betoogd dat met het inkomen rekening moet worden gehouden dat de man voor zijn werkzaamheden bij [B.V.2] (hierna: [B.V.2] ) kan verdienen. In december 2017 heeft de man 18,5 uur voor [B.V.2] gewerkt. Hoewel de man stelt dat dit onbezoldigd zou zijn, kan hij blijkens de terugkoopverklaring met deze werkzaamheden zijn aandelen terugverdienen, zodat tegenover de werkzaamheden een vergoeding bestaat, aldus de vrouw. De man betwist dat hij inkomen heeft of kan verwerven uit [B.V.2] .

Het hof zal geen rekening houden met inkomen uit [B.V.2] , nu de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat door [B.V.2] geen managementfee of loon wordt uitbetaald.

5.12

Het voorgaande brengt mee dat het hof uitgaat van een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 8.852,- per maand over de maanden januari tot en met maart 2019 en € 9.036,- per maand met ingang van april 2019. Wat betreft de lasten houdt het hof rekening met een woonlast van 30% van het NBI, een bedrag van € 950,- voor kosten levensonderhoud en (tot en met maart 2019) € 390,- ter zake de aflossing op een lening van partijen die zij zijn aangegaan ten behoeve van de echtelijke woning. Vanaf april 2019 wordt geen rekening meer gehouden met deze lening, aangezien in maart 2019 de woning van partijen is verkocht.

De draagkracht van de man bedraagt aldus op grond van de formule 70% x [8.852 – (2.656 + 950 + 390)]= € 3.399,- per maand over de periode van 4 januari 2019 tot en met maart 2019 en 70% x [9.036 – (2.711 + 950)]= € 3.763,- per maand met ingang van april 2019.

Draagkracht van de vrouw

5.13

Aan de zijde van de vrouw gaat het hof uit van een bruto maandsalaris van € 4.730,-, verminderd met de ingehouden pensioenpremie en premie AP en daarnaast van een eindejaarsuitkering van € 4.728,- (bruto) op jaarbasis. Rekening houdend met de aanspraken van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI € 3.528,-. Het hof houdt geen rekening met een kindgebonden budget, aangezien haar vermogen boven de daarvoor geldende grens van € 114.776,- ligt.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht 70% x [3.528 – (1.058 + 950)]= € 1.064,- per maand.

Draagkrachtverdeling

5.14

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 4.461,- over de periode van 4 januari tot en met maart 2019. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de kinderen, zodat het hof een draagkrachtvergelijking zal maken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt 3399/4463 x 1819 = € 1.385,- per maand. Het aandeel van de vrouw bedraagt 1064/4463 x 1819 = € 434,- per maand.

Met ingang van 1 april 2019 bedraagt de gezamenlijke draagkracht € 4.827,-. Het aandeel van de man bedraagt vanaf dat moment 3763/4827 x 1819 = € 1.418,- per maand. Het aandeel van de vrouw bedraagt vanaf dat moment 1064/4827 x 1819 = € 401,- per maand.

Zorgkorting

5.15

De vrouw heeft in grief XVIII aangevoerd dat bij de man niet met een zorgkorting van 25% maar met 20% rekening moet worden gehouden. Gebleken is dat de kinderen 7 dagen en 7 nachten per maand bij de man zijn en daarnaast een gedeelte van de vakanties, gemiddeld derhalve circa 2 dagen per maand. Het hof zal dan ook uitgaan van een zorgkorting van 25%. Deze wordt berekend over de behoefte van € 1.522,- en bedraagt € 381,-.

Bijdrage man in de kosten van de kinderen

5.16

Het voorgaande leidt ertoe dat het aandeel van de man in de periode van 4 januari tot en met maart 2019 (1385 -/- 381=) € 1.004,- per maand, derhalve € 502,- per kind per maand bedraagt en vanaf 1 april 2019 (1418 -/- 381=) € 1.037,- per maand, derhalve € 518,50 per kind per maand.

Partneralimentatie

5.17

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het enkele feit dat sprake is van inkomensverschil tussen partijen is niet voldoende om tot de conclusie te komen dat een recht bestaat op een bijdrage, zoals de rechtbank heeft overwogen. In eerste aanleg heeft hij de hoogte van het netto gezinsinkomen betwist en was hij van mening dat de behoefte niet aan de hand van de Hofnorm kon worden vastgesteld.

De vrouw is van mening dat zij behoefte heeft aan een aanvullend bedrag aan partneralimentatie, gelet op de levensstandaard van partijen tijdens het huwelijk. Bovendien heeft zij hoge woonlasten om zich met de kinderen van partijen te kunnen huisvesten. Tijdens het huwelijk (en het daaraan voorafgaande geregistreerd partnerschap) heeft zij aan carrièreopbouw moeten inboeten, omdat zij de volledige zorg voor de twee kinderen droeg. In eerste aanleg heeft de vrouw haar behoefte aan de hand van de Hofnorm berekend op € 3.761,- in 2016, rekening houdend met een netto gezinsinkomen van € 8.426,- per maand ten tijde van het uiteengaan van partijen en verminderd met een bedrag van € 1.440,- per maand aan kosten voor de kinderen.

Behoeftigheid

5.18

Het hof stelt het volgende voorop.

De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven ten tijde van het samenleven geven immers belangrijke aanwijzingen voor het niveau van de kosten van levensonderhoud waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk in redelijkheid aanspraak kan maken.

De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

5.19

De Hofnorm is een in beginsel goed bruikbare vuistregel voor het bepalen van de netto behoefte. Uitgangspunt daarbij is het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan. Op dat inkomen dienen de kosten van de kinderen in mindering te worden gebracht. Van dit verschil kan 60% worden beschouwd als huwelijksgerelateerde behoefte.

De Hofnorm kan worden toegepast indien partijen het daarover eens zijn. Ook in situaties waarbij de onderhoudsplichtige de toepasselijkheid van de Hofnorm slechts in algemene zin betwist, is het mogelijk de Hofnorm toe te passen. Indien de onderhoudsgerechtigde laat zien dat het uitgavenpatroon past bij het bedrag volgens de Hofnorm en de betwisting daarvan door de onderhoudsplichtige onvoldoende is onderbouwd, is toepassing van de Hofnorm alsnog mogelijk. Indien de toepassing van de Hofnorm voldoende gemotiveerd wordt betwist kan de Hofnorm niet tot uitgangspunt dienen (Hoge Raad 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050).

In het onderhavige geval heeft de vrouw voor de bepaling van haar behoefte aansluiting gezocht bij de Hofnorm. Hoewel zij nauwelijks informatie heeft gegeven over haar te verwachten kosten, heeft de man de toepasselijkheid van deze norm slechts in algemene zin betwist. Het hof zal daarom de Hofnorm toepassen om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen.

(aanvullende) behoefte

5.20

Voor het berekenen van het netto gezinsinkomen zal het hof uitgaan van de inkomens in 2015, het jaar voorafgaand aan het uiteengaan. Zoals het hof hiervoor onder 5.10 heeft overwogen, bedroeg het netto maandinkomen van de man in 2015 € 5.628,-. De vrouw heeft gesteld dat de door haar behaalde winst uit onderneming € 36.473,- per jaar bedroeg, hetgeen door de man niet, althans onvoldoende is betwist. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling, alsmede met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedroeg het netto-inkomen van de vrouw € 2.688,- per maand. Het netto gezinsinkomen bedroeg derhalve € 8.316,- per maand. Verminderd met de kosten van de kinderen ad € 1.440,- per maand resteert een bedrag van € 6.876,-. De behoefte van de vrouw bedraagt 60% hiervan, derhalve € 4.126,- per maand. Nu de vrouw in eerste aanleg haar behoefte, rekening houdend met de kosten van de kinderen van € 1.440,-, heeft berekend op € 3.761,- zal het hof hiervan uitgaan. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de netto behoefte € 3.976,- per maand.

Het huidige inkomen van de vrouw bedraagt € 4.730,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en (zo volgt uit de door de vrouw overgelegde salarisstrook december 2018:) eindejaarsuitkering. De man is van mening dat daarnaast rekening moet worden gehouden met inkomsten uit vermogen ad € 292,- bruto per maand (uitgaande van een vermogen van € 350.000,-). De vrouw betwist de hoogte van dit vermogen en stelt dat zij, na betaling van diverse kosten en rekening houdend met het beslag van de man op een gedeelte van de verkoopopbrengst van de woning, € 150.000,- heeft ontvangen. Zij acht het redelijk noch billijk om te stellen dat zij van het door de man vermeende rendement op haar vermogen in haar behoefte zou moeten voorzien, mede gelet op het feit dat zij, naar het hof begrijpt volgens haar door toedoen van de man, in de situatie is gebracht waarin zij de overbedelingsuitkering niet in een woning kan inleggen.

Uitgaande van een vermogen van € 150.000,- en een op dit moment – ook door de man aangehouden - redelijk geacht rendement van 1%, zijn de inkomsten ongeveer gelijk aan de verschuldigde belasting in box 3. Om die reden zal het hof met inkomsten noch de over het vermogen verschuldigde belasting rekening houden.

Het voorgaande brengt mee dat het hof uitgaat van een aanvullende behoefte van de vrouw van € 1.696,- (bruto) per maand. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen

Draagkracht

5.21

Aan de zijde van de man houdt het hof rekening met het onder 5.12 hiervoor genoemde inkomen van € 8.852,- per maand over de maanden januari tot en met maart 2019 en € 9.036,- per maand met ingang van april 2019.

Tot en met maart 2019 wordt op het inkomen als niet, dan wel onvoldoende betwist, maandelijks in mindering gebracht:

- € 221,- aan premie levensverzekering bij Reaal;

- € 95,- forfait overige eigenaarslasten;

- € 390,- voor de aflossing van de schuld aan Interbank;

- € 179,- voor de premie levensverzekering bij Scildon.

Daarnaast houdt het hof rekening met € 929,- aan hypotheeklasten, zijnde de helft van de hypotheekrente voor de voormalige echtelijke woning, gelet op de (onvoldoende betwiste) stelling van de vrouw dat de verschuldigde hypotheekrente over de maanden januari tot en met maart 2019 niet is betaald door de man en bij ieder van partijen voor de helft in mindering is gebracht op de verkoopopbrengst van de woning, verminderd met de door de vrouw betaalde gebruiksvergoeding van € 267,- per maand, zodat een bedrag van € 662,- resteert.

Partijen verschillen over de hoogte van de premie ziektekostenverzekering. Het hof zal rekening houden met een premie van € 160,- per maand, welk bedrag gelijk is aan de premie van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij, naast de premie, aanvullende kosten maakt. Omdat deze maandelijks verschillen zal van hetzelfde premiebedrag als de vrouw moet betalen worden uitgegaan. Op dit bedrag wordt het in de bijstandsnorm verdisconteerde bedrag ad € 35,- in mindering gebracht.

Het hof zal geen rekening houden met de door de man opgevoerde kosten van het appartement in [plaats C] . Daargelaten dat de vrouw betwist dat de man werkelijk kosten zal hebben aan dit appartement omdat hij dit kan verhuren, is het hof van oordeel dat de kosten van een tweede woning niet dienen voor te gaan op de verplichting van de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen.

Rekening houdend met de bijstandsnorm voor een alleenstaande (€ 1.026,-), verminderd met de woonkostencomponent (€ 226,-), een draagkracht percentage van 60 en € 1.004,- bijdrage in de kosten van de kinderen, alsmede € 381,- zorgkorting, heeft de man een draagkracht van € 2.443,-. De man is derhalve in staat te voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw.

5.22

Na verkoop van de echtelijke woning in maart 2019, zijn de woonlasten van de man gewijzigd. De man heeft een nieuwbouwwoning gekocht, die zal worden opgeleverd medio 2020, waarvoor hij een hypothecaire geldlening is aangegaan van € 645.000,-. De maandelijkse lasten bedragen € 2.819,-. Hij stelt dat daarnaast met een bedrag van € 125,- forfait overige eigenaarslasten rekening moet worden gehouden, alsmede met de lasten van de huur van een garagebox van € 160,- per maand. Deze heeft hij nodig voor de opslag van zijn eigendommen uit de echtelijke woning. Ook voor deze periode voert de man de lasten van het appartement in [plaats C] op.

De vrouw betwist de noodzaak om een hoge hypothecaire lening aan te gaan terwijl hij over een aanzienlijke som geld beschikt. Ook betwist zij de noodzaak van de huur van de garage.

Het hof zal rekening houden met de opgevoerde hypotheeklasten voor de nieuwbouwwoning. De man heeft onvoldoende betwist aangevoerd dat hij een deel van de koopprijs en de bijkomende kosten uit zijn vermogen betaalt, terwijl de gestelde lasten, gelet op het inkomen van de man, niet onredelijk hoog zijn. Verder zal rekening worden gehouden met het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand. In het licht van het verweer van de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat met een bedrag van € 125,- per maand rekening moet worden gehouden. Het hof zal net als voor de periode januari tot en met maart 2019 geen rekening houden met de kosten van het appartement in [plaats C] . Evenmin houdt het hof rekening met de kosten van huur van de garagebox. De man heeft de noodzaak van deze huur onvoldoende onderbouwd.

5.23

De man heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met de premie voor de polis bij Scildon en de premie voor de polis bij Reaal. Deze verzekeringen zijn, naar het hof begrijpt, oorspronkelijk afgesloten in verband met de aankoop van de voormalige echtelijke woning. De man wenst deze verzekeringen voort te zetten omdat hij, bij wegvallen van de vrouw, zijn baan als internationaal vlieger zal moeten opgeven om voor de kinderen te kunnen zorgen. De polis bij Scildon is inmiddels gewijzigd en de premie bedraagt thans € 71,58 per maand. De vrouw voert verweer.

Het hof zal geen rekening houden met deze premies. Daargelaten dat de man, gelet op het verweer van de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat de verzekering bij Reaal ook na verkoop van de woning is voortgezet, is het hof van oordeel dat de man, indien hij het noodzakelijk vindt deze verzekering voort te zetten of enige andere verzekering op het leven van de vrouw wenst af te sluiten, de premie uit zijn draagkrachtvrije ruimte kan althans dient te voldoen. Dit geldt eveneens voor de verzekering bij Scildon, die overigens op het leven van de man is afgesloten. Onduidelijk is wat de noodzaak is van deze verzekering.

5.24

Gelet op het voorgaande zal het hof met ingang van 1 april 2019 de navolgende lasten in mindering brengen op het (verhoogde) inkomen van de man:

- € 1.026,- bijstandsnorm;

- € 2.819,- aan hypotheeklasten, verminderd met het in de bijstandsnorm verdisconteerde bedrag van € 226,-;

- € 95,- forfait overige eigenaarslasten;

- € 160,- premie ziektekostenverzekering, verminderd met het in de bijstandsnorm verdisconteerde bedrag van € 35,-.

Rekening houdend met een draagkracht percentage van 60 en € 1.038,- bijdrage in de kosten van de kinderen, alsmede € 381,- aan zorgkorting, heeft de man een draagkracht van
€ 1733,-. Ook vanaf 1 april 2019 is de man derhalve in staat in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.

Het hof heeft voor beide situaties ook nog een jusvergelijking gemaakt. Hieruit volgt dat de man bij een te betalen partneralimentatie van € 1.696,- per maand, maandelijks niet minder vrij te besteden overhoudt dan de vrouw.

5.25

Het hof zal een exemplaar van de berekeningen van het inkomen van de man en de vrouw in 2015 (in verband met de behoefteberekening van de vrouw), van het inkomen van de vrouw in 2019, van de aanvullende behoefteberekening van de vrouw en van de jusvergelijkingen aan deze beschikking hechten.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

5.26

De grieven 1 tot en met 4 van de man en de grieven I tot en met VI van de vrouw zien op de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap

Aandelen [B.V.1]

5.27

De grieven 1 en 2 van de man richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat – kort gezegd – erop neerkomt dat de man de door hem aan de gemeenschap aangerichte schade, als gevolg van de verkoop en levering van zijn aandelen in [B.V.2] vlak voor indiening van het echtscheidingsverzoek voor een te laag bedrag, dient te vergoeden. De desbetreffende aandelen in [B.V.2] werden tot 11 juli 2017 gehouden door [B.V.1] , een vennootschap van de man. De man heeft de aandelen in [B.V.2] kort voor de indiening van het echtscheidingsverzoek overgedragen aan de heer [X] , houder van de andere helft van de aandelen in [B.V.2] , voor een bedrag van € 17.000,-.

Volgens de vrouw heeft de man, door de aandelen in [B.V.2] kort voor de indiening van het echtscheidingsverzoek over te dragen aan [X] tegen verrekening van een haar onbekende persoonlijke lening van [X] , de gemeenschap bewust benadeeld. De vrouw heeft het vermoeden uitgesproken dat de man de aandelen na de echtscheiding zal terugkopen, zodat sprake is van een schijnconstructie. Partijen hebben op een eerder moment – aldus de vrouw – de waarde van de aandelen in [B.V.2] vastgesteld op € 119.000,- (gerelateerd aan de vervreemdingsprijs van één aandeel aan een derde), nog te verminderen met 25% aanmerkelijk belangheffing.

De man heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat hij genoodzaakt was de aandelen in [B.V.2] te vervreemden, omdat [B.V.2] externe financiering nodig had maar de langdurige echtscheiding voor hem een financieel risico vormde, waardoor niemand hem geld wilde verstrekken. Door verkoop van de aandelen in [B.V.2] aan [X] kon de man een schuld van € 17.000,- aan [B.V.3] - de vennootschap van [X] -, welk bedrag de man van [B.V.3] had geleend in het kader van het opstarten van [B.V.2] en welke schuld in de gemeenschap was gevallen, aflossen. Bij de bepaling van de waarde van [B.V.1] moet volgens de man dus geen rekening worden gehouden met de aandelen in [B.V.2] . In eerste aanleg heeft de man de waarde van [B.V.1] op een bedrag van € 8.799,- negatief gesteld. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat ten aanzien van de aandelen in [B.V.2] moet worden uitgegaan van een waarde van € 119.000,-, te verminderen met een aanmerkelijk belangclaim van 25%, oftewel € 89.250,-.

De rechtbank heeft in de beschikking van 8 augustus 2018 geoordeeld dat de man een vergoeding aan de gemeenschap dient te betalen ex artikel 1:164 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van € 89.250,-. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de man drie weken voorafgaand aan de datum waarop hij het echtscheidingsverzoek heeft ingediend, de aandelen heeft overgedragen voor een aanzienlijk lager bedrag dan de waarde van € 119.000,-, die partijen eerder hadden vastgesteld. Ook staat vast – aldus de rechtbank – dat de man de vrouw niet op de hoogte heeft gesteld van de verkoop en overdracht van de aandelen. Het lag vervolgens op de weg van de man om aannemelijk te maken dat er een rechtsgrond was voor de overdracht. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

5.28

De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:164 lid 1 BW. Volgens de man was er wel degelijk een rechtsgrond voor verkoop en overdracht van de aandelen in [B.V.2] . [B.V.2] is in 2013 opgericht en hiervoor was kapitaal nodig. De man heeft in dit kader op persoonlijke titel geleend van [X] . De man heeft in dit verband verwezen naar productie 3 bij appelschrift, inhoudende drie overeenkomsten van geldlening tussen de man en [B.V.3] , een vennootschap van [X] . De man heeft het geleende geld gestort in [B.V.1] en vanuit [B.V.1] is dit geïnvesteerd in [B.V.2] . De jaren daarna is veel tijd geïnvesteerd in het verder opbouwen van de onderneming. Om verder te kunnen groeien was externe financiering nodig. Gezien het feit dat de man in gemeenschap van goederen was gehuwd en onduidelijkheid bestond over de uiteindelijke afwikkeling van de echtscheiding, vormde hij als aandeelhouder echter een risico, waardoor externe financiering niet mogelijk was. Vandaar dat de man medio 2017 genoodzaakt was zijn aandelen te verkopen aan zijn zakenpartner [X] . De man verwijst in dit verband naar een e-mailbericht van [X] aan de man van eind juni 2017 (productie 35 in eerste aanleg), waaruit zou volgen dat de financiële situatie van [B.V.2] aan een zijden draadje hing, een investering noodzakelijk was om een cashflowprobleem te voorkomen, de privésituatie van de man hierop een grote invloed had en zou blijven hebben, de lening van de man aan [X] waarmee hij de verkrijging van aandelen [B.V.2] had gefinancierd, per direct werd opgeëist, en de man een boete riskeerde van € 15.000,- door niet ervoor in te staan dat de aandelen [B.V.2] buiten de huwelijkse gemeenschap met de vrouw zouden vallen. Van enige benadeling en het ontbreken van een rechtsgrond was dus geen sprake. Integendeel, door de overdracht is verdere ‘schade’ aan de gemeenschap voorkomen, aldus de man. De door de vrouw in eerste aanleg overgelegde stukken onderbouwen volgens de man in het geheel niet haar stelling dat sprake is van een schijnconstructie. Bovendien heeft de vrouw deze stukken op onrechtmatige wijze verkregen. De man betwist verder opnieuw dat partijen het eens waren over een waarde van de aandelen in [B.V.2] van € 119.000,-. Het enige moment waarop partijen het hierover eens zouden kunnen zijn geworden, zou – aldus de man - tijdens de mediation kunnen zijn geweest. In de door partijen getekende mediationovereenkomst staat echter dat tussen partijen gemaakte afspraken hen slechts binden voor zover deze (onder andere) schriftelijk zijn vastgelegd en daarin uitdrukkelijk is opgenomen dat de afspraken blijven bestaan ook indien de mediation verder niet tot overeenstemming leidt. Daarvan is hier geen sprake, zo stelt de man. Volgens de man heeft de rechtbank miskend dat de aandelen in [B.V.1] in de ontbonden gemeenschap vallen en niet die van [B.V.2] . Uit de jaarstukken 2016 en 2017 volgt dat de intrinsieke waarde van de aandelen [B.V.1] na de verkoop van de deelneming in [B.V.2] is toegenomen van negatief € 8.799,- per 31 december 2016 naar positief € 8.257,- eind 2017. De rechtbank had, gezien de aanwezige rechtsgrond voor de vervreemding, rekening moeten houden met een waarde van de aandelen [B.V.1] van € 8.257,-, aldus nog steeds de man.

5.29

De vrouw heeft de standpunten van de man gemotiveerd betwist. De vrouw voert – samengevat – het volgende aan:

- het is juist dat de aandelen [B.V.1] onderdeel zijn van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap, echter [B.V.1] had/heeft geen andere activiteiten dan deelname in [B.V.2] ;

- de man wist dat de aandelen in [B.V.2] ten tijde van de vervreemding werden gewaardeerd op een bedrag van € 251.000,- door Claasen Moolenbeek & Partners. De vrouw heeft de factuur aangetroffen voor het opstellen van een echte waardering en de 0-waardering, waarop de man zich in deze procedure beroept (producties 32 eerste aanleg);

- de man heeft verzwegen dat op 4 december 2017 een terugkoopverklaring is gesloten, waarin vermeld stond dat de aandelen [B.V.2] ten tijde van de vervreemding in werkelijkheid waren gewaardeerd op € 251.000,- volgens de DCF-methode (productie 31 eerste aanleg);

- de man bleef na de overdracht van de aandelen gewoon op dezelfde wijze doorwerken voor [B.V.2] , als ware hij nog aandeelhouder na overdracht van de aandelen op 11 juli 2017 (producties 33 en 34 eerste aanleg);

- de man heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de echtscheiding in het bijzonder een risico vormde in verband met het aantrekken van externe financiering;

- de man is zelf in het kader van de mediation gekomen met de waarde van € 119.000,-. Hij heeft de vrouw uitgelegd hoe deze waarde tot stand kwam, namelijk op grond van de prijs die een aspirant-koper tevens investeerder voor een belang van 4,6 procent aandelen wilde betalen;

- de man heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak was om de aandelen aan [X] over te dragen tegen een prijs van slechts € 17.000,-, welk bedrag volgens de man zou zijn verrekend met een schuld die de vrouw niet kende. De drie overeenkomsten van geldlening, die de man in dit verband heeft overgelegd, voorzien alle drie – wat er ook zij van de echtheid van die overeenkomsten – in een terugbetalingsverplichting die vóór de datum van de aandelenoverdracht in juli 2017 lag;

- de eerst in hoger beroep overgelegde aandeelhoudersovereenkomst met [X] noodzaakt niet tot aandelenoverdracht.

5.30

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het is juist – zoals de man stelt - dat het geschil van partijen ziet op de waarde van de aandelen in [B.V.1] nu deze in de ontbonden gemeenschap vallen, en niet die van [B.V.2] . Nu [B.V.1] echter - zoals de vrouw heeft aangevoerd en de man verder niet gemotiveerd heeft betwist – geen andere activiteiten heeft/had dan deelname in [B.V.2] , is de (verkoop)waarde van de aandelen in [B.V.2] in beginsel het uitgangspunt bij de waardebepaling van de aandelen in [B.V.1] .

5.31

Niet ter discussie staat dat de man op 11 juli 2017, drie weken voorafgaand aan het indienen van het echtscheidingsverzoek, zijn aandelen in [B.V.2] heeft verkocht aan [X] voor een bedrag van € 17.000,-. Gelet op de gemotiveerde stellingen van de vrouw omtrent de afwezigheid van enige noodzaak tot verkoop voor een bedrag van € 17.000,-, lag het op de weg van de man om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat er toch een rechtsgrond was voor verkoop op dat moment tegen die prijs. Naar het oordeel van het hof is de man daarin niet geslaagd.

Allereerst heeft de man niet voldoende onderbouwd dat medio 2017 – vlak voor de indiening van het echtscheidingsverzoek - voor hem een daadwerkelijke noodzaak bestond zijn aandelen in [B.V.2] aan [X] te verkopen. Hetgeen de man in dit verband heeft aangevoerd - [B.V.2] kon niet verder zonder externe financiering, een dergelijke financiering was niet mogelijk zolang de man niet gescheiden was en er duidelijkheid was over de afwikkeling van de gemeenschap en de alimentatieverplichting, partijen al een jaar lang aan het onderhandelen waren over deze onderwerpen zonder enig resultaat, [X] aandrong op overdracht van de aandelen en zijn lening ad € 17.000,- opeiste en suggereerde dat de man zich niet aan de aandeelhoudersovereenkomst hield en derhalve een boete van minimaal € 15.000,- riskeerde – heeft hij niet (voldoende) met objectief verifieerbare stukken onderbouwd. In dit verband is van belang dat de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep steeds spreekt over het vinden van een externe financier en het verstrekken van de noodzakelijke financiering, maar geen enkel gegeven heeft voorgedragen waaruit naar voren komt dat hij en [X] op enig moment een externe financier hebben benaderd en dat de verzochte financiering vervolgens door deze financier is geweigerd, nog daargelaten de stelling van de man dat de reden voor deze weigering is geweest dat de man in een echtscheidingsprocedure verwikkeld was. Een nadere toelichting in dit verband ontbreekt volledig evenals stukken, waaruit een verzoek om financiering dan wel een weigering de gewenste financiering te verstrekken – om wat voor reden dan ook - zouden zijn af te leiden.

Daarnaast overweegt het hof dat de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft nagelaten concreet uiteen te zetten waarom het feit dat hij in een echtscheidingsprocedure verwikkeld was, een onoverkomelijk beletsel vormde voor het aantrekken van financiering. De man stelt enkel dat onduidelijkheid bestond over de uiteindelijke afwikkeling van de echtscheiding; er was een kans dat de man op een ongunstig moment zijn aandelen te gelde zou moeten maken aan een derde (met als gevolg dat ‘vreemden’ zich zouden mengen in de onderneming) omdat hij een overbedelingssom zou moeten voldoen dan wel omdat een alimentatieverplichting zou worden opgelegd. Het hof is van oordeel dat deze niet nader toegelichte en niet nader onderbouwde stellingen veel te vaag zijn om daaruit de conclusie te trekken dat de man in juli 2017 genoodzaakt was zijn aandelen te verkopen.

Daarbij acht het hof nog van belang dat de vrouw in haar verweerschrift tevens incidenteel appel – onbetwist – heeft aangevoerd, dat partijen het van meet af aan erover eens waren dat de aandelen [B.V.1] aan de man zouden worden toegedeeld, waardoor het aandeelhouderschap in [B.V.2] ook niet ter discussie stond. In zoverre bestond dus geen enkele onduidelijkheid over de uiteindelijke afwikkeling van de echtscheiding, waarbij nog komt dat de man – zoals hiervoor ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie uiteengezet is, destijds (en ook daarna) naast een substantieel bedrag aan vermogen, over een aanzienlijk inkomen beschikte, zodat niet direct valt in te zien dat en waarom een eventuele alimentatieverplichting in dit verband tot problemen zou hebben geleid, een en ander nog los van het feit dat de vrouw zelf ook over een substantieel inkomen beschikt(e).

De eerst in hoger beroep overgelegde aandeelhoudersovereenkomst met [X] noopte de man evenmin tot deze verkoop, omdat zoals gezegd niet kan worden vastgesteld dat de eigendom van de aandelen van de man in [B.V.2] (in [B.V.1] ) ooit in gevaar kwam of anderszins een inbreuk op deze overeenkomst werd gemaakt. De man heeft dan ook onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat deze overeenkomst noopte tot aandelenoverdracht.

Ook de als productie 35 in eerste aanleg overgelegde e-mailwisseling tussen de man en [X] legt – gelet op het voorgaande - onvoldoende gewicht in de schaal. Daarbij kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat de e-mailwisseling slechts “pour besoin de la cause” is opgesteld, een indruk die wordt versterkt door hetgeen hierna onder 5.32 wordt uiteengezet omtrent de datum voor het opstellen van de zogeheten 0-berekening. Hoe dan ook is deze e-mailwisseling in het licht van het voorgaande onvoldoende om op basis daarvan te concluderen dat de man genoodzaakt was zijn aandelen [B.V.2] aan [X] te verkopen ter aflossing van zijn leningen aan [B.V.3] , terwijl ook zijn inkomen en vermogen op dat moment daartoe geen aanleiding gaven.

5.32

Daarnaast is het hof van oordeel dat de man – in het licht van de gemotiveerde stellingen van de vrouw omtrent de waarde van de aandelen in [B.V.2] – onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat het bedrag dat de man voor de aandelen in [B.V.2] heeft ontvangen, de werkelijke (maximale) waarde van die aandelen vertegenwoordigde op dat moment. De man rechtvaardigt het door hem ontvangen bedrag met een verwijzing naar de bij brief van 13 april 2018 als productie 36 in eerste aanleg overgelegde brief van Claassen, Moolenbeek & Partners, gedateerd 3 juli 2017, aan [X] , waarin een waardeberekening is gemaakt van [B.V.2] met behulp van de DCF methode. De man stelt dat daaruit valt af te leiden dat [B.V.2] zonder investering niets waard was. De vrouw voert echter terecht aan dat uit de door haar als productie 32 in eerste aanleg overgelegde factuur van Claassen, Moolenbeek & Partners valt af te leiden dat voormelde brief (eerst) op 28 november 2017 is opgesteld (“waardeberekening 0 en brief jaap”), terwijl een dag daarna - 29 november 2017 – een tweede berekening is gemaakt van de waarde van [B.V.2] (“berekenen waarde en opstellen contract”), die aan de basis ligt van de door de vrouw in eerste aanleg als productie 31 overgelegde “Overeenkomst van verkoop en terugkoop van 10 aandelen [B.V.2] ”, waarin de aandelen [B.V.2] ten tijde van de vervreemding werden gewaardeerd op een bedrag van € 251.000,-. De vrouw verwijst in dit verband naar (bladzijden 1 en 2 van) voormelde overeenkomst, waarin uiteengezet wordt dat [B.V.1] jaarlijks het recht krijgt zijn aandelen terug te kopen tegen een prijs die voortkomt uit de door Claassen, Moolenbeek & Partners opgestelde waardeberekening volgen de DCF-methode. Volgens die berekening, gemaakt in november 2017, levert dit per 1 juli 2017 een waarde van € 251.000,- op (in 2018 € 360.000,-, in 2019 € 472.000,- enz.). De man heeft geen enkele verklaring gegeven voor het feit dat de aan de rechtbank op 13 april 2018 overgelegde brief met de zogeheten 0-berekening (“op basis van de cijfers t/m 30 juni 2017”) gedateerd is op 3 juli 2017, en dus vóór de datum van de aandelenoverdracht op 11 juli 2017, waarmee de indruk is gewekt dat deze waardebepaling ten grondslag heeft gelegen aan voormelde overdracht, terwijl vanwege de door de vrouw voorgedragen onderbouwde gegevens, veeleer ervan uitgegaan dient te worden dat deze 0-berekening in werkelijkheid pas na die overdracht is opgesteld. Dat de brief van 3 juli 2017 eerst achteraf is opgesteld, vindt ook bevestiging in de brief van Claassen, Moolenbeek & Partners van 14 januari 2019, door de man in hoger beroep overgelegd als productie 13, waarin is vermeld dat in november 2017 twee berekeningen zijn gemaakt.

Het hof is van oordeel dat reeds om die reden geen waarde aan de brief van 3 juli 2017 kan worden gehecht. Voor zover al zou moeten worden aangenomen – zoals in de brief van 14 januari 2019 wordt gesteld -, dat twee verschillende waarderingen hebben plaatsgevonden op basis van twee verschillende scenario’s, namelijk het scenario dat geen financiering werd aangetrokken en het scenario waarin dat wel zou lukken, en het tweede scenario uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, is dat niet relevant. Feit is namelijk dat de man medio 2017 zelf kennelijk van mening was dat zijn aandelen in [B.V.2] een bedrag van € 119.000,- waard waren. De man bezat in juli 2017 10 aandelen in [B.V.2] , [X] ook, en een derde had recent daarvoor (in 2016) 1 aandeel verkregen. Uitgaande van het door Claassen, Moolenbeek & Partners berekende bedrag van € 251.000,- voor 21 aandelen, bedroeg de waarde van de aandelen van de man in juli 2017 € 119.523,80. Dit laatste bedrag is vrijwel gelijk aan de waarde waarmee de man zelf in het kader van het mediation traject is gekomen, te weten € 119.000,-. Hij heeft daarbij gemotiveerd uiteengezet hoe deze waarde tot stand kwam, namelijk op grond van de prijs die een aspirant-koper tevens investeerder voor een belang van 4,6 procent aandelen wilde betalen. Dat de mediation uiteindelijk niet tot overeenstemming tussen partijen heeft geleid ter zake de waarde van de aandelen in [B.V.2] , zoals de man stelt, doet in dit verband niet ter zake. Waar het om gaat is dat de man nog voor de overdracht van de aandelen aan [X] in juli 2017 zelf uitging van een waarde van de aandelen in [B.V.2] , die geheel overeenkwam met de door Claassen, Moolenbeek & Partners volgens het tweede scenario per 1 juli 2017 berekende waarde van [B.V.2] . Het hof heeft oog voor het gegeven dat de tijdens de mediation genoemde waarde partijen niet bindt, maar ziet niettemin aanleiding uit te gaan van deze waarde, nu deze aansluit bij de waarde die de man zelf eerder aan de aandelen had toegekend.

5.33

Alles overziende is het hof dan ook van oordeel dat de man niet erin geslaagd is aan te tonen dat er een rechtsgrond was voor verkoop van zijn aandelen in [B.V.2] op 11 juli 2017 aan [X] voor een bedrag van € 17.000,-. Daarmee staat vast dat de man goederen van de gemeenschap heeft verspild en dat hij op grond van artikel 1:164 BW gehouden is de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. Deze schade bedraagt € 119.000,-, te weten de waarde van de aandelen in [B.V.2] , die, zoals hiervoor uiteengezet is, als uitgangspunt voor de waardebepaling van de aandelen in [B.V.1] heeft te gelden. Het hof merkt in dit verband nog op dat het geen aanleiding ziet om rekening te houden met de door de man opgevoerde schuld aan [X] van € 17.000,-. Het zou gaan om een drietal leningen die de man in privé met [X] was aangegaan ten bedrage van € 17.000,- ter financiering van het opstarten van [B.V.2] . Uit de door de man als productie 3 bij appelschrift overgelegde overeenkomsten van geldlening valt allereerst af te leiden dat de looptijd van de geldleningen reeds was verstreken in 2017 en deze reeds door de man dienden te zijn afgelost, waardoor het bestaan van de schulden op de overdrachtsdatum zonder nadere toelichting niet kan worden aangenomen. Verder valt uit bedoelde overeenkomsten af te leiden dat de man niet een bedrag van € 17.000,- van [X] had geleend, maar een bedrag van € 18.000,- (€ 5.000,- + € 10.000,- + € 3.000,-). Daarnaast valt uit artikel 2 van de als productie 7 in eerste aanleg overgelegde notariële akte van levering van de aandelen van 11 juli 2017 af te leiden dat de koopprijs voor de door de man aan [X] overgedragen aandelen, is overgemaakt op de derdengeldenrekening van de notaris en niet is verrekend met een schuld. Ook is niet helder waarom de intrinsieke waarde van de aandelen [B.V.1] na de verkoop van de deelneming in [B.V.2] is toegenomen met € 17.000,-, terwijl de man ter zitting heeft meegedeeld dat het bedrag van € 17.000,- vervolgens door de man naar privé is gehaald, hetgeen wordt bevestigd door de als productie 14 in hoger beroep overgelegde bankafschriften. Het hof zal dan ook, overeenkomstig de rechtbank, bepalen dat de man een bedrag van € 119.000,-, wel nog verminderd met de heffing aanmerkelijk belang van 25%, zijnde € 89.250,-, aan de gemeenschap dient te vergoeden. De grieven 1 en 2 van de man treffen geen doel.

5.34

Grief IV in incidenteel appel is voorwaardelijk voorgesteld, namelijk voor het geval de waarde van € 119.000,- voor de aandelen [B.V.1] (minus heffing aanmerkelijk belang) niet in stand blijft. De grief van de vrouw behoeft geen bespreking meer, nu grief 1 en 2 van de man in principaal appel falen.

Ontslagvergoeding [luchtvaartmaatschappij]

5.35

Grief I in incidenteel appel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het saldo van de en/en rekening met nummer [5] , waarop de man een ontslagvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] heeft gestort, niet voor verdeling in aanmerking komt. De rechtbank heeft – onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 1:94 lid 3 (oud) BW (verknochte goederen en schulden) – overwogen dat de ontslagvergoeding, voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de man bij voortzetting van zijn dienstbetrekking bij [luchtvaartmaatschappij] zou hebben genoten na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en deze vergoeding ziet op de periode na de ontbinding, als verknocht is aan te merken en dus niet in de gemeenschap valt. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de beëindigingsovereenkomst niet zonder meer blijkt dat de beëindigingsvergoeding mede ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering en gesteld noch gebleken is dat partijen hieromtrent onderlinge afspraken hebben gemaakt. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat partijen voorafgaand aan de ontbinding van de gemeenschap de vergoeding hebben aangewend te aanvulling van het inkomen uit arbeid en dat per peildatum een bedrag van € 115.186,- resteert. De rechtbank acht het redelijk om dit bedrag als verknocht aan te merken. Volgens de vrouw miskent de rechtbank hiermee dat partijen, toen duidelijk werd dat zij hun relatie niet meer konden redden, hebben afgesproken dat de ontslagvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] zou worden verdeeld. Dat was redelijk en billijk omdat de vrouw al die jaren aan de aflossing van de hoge studieschuld van de man had bijgedragen. De man heeft een deel van het saldo gebruikt ter overbrugging en heeft vervolgens het resterende nettobedrag vanaf de op zijn naam gestelde bankrekening overgemaakt op de hiertoe speciaal door hen geopende en/en rekening. Pas na de mediation nam de man een andersluidend standpunt hierover in, ondanks de eerder gemaakte afspraak. Bovendien zag de ontslagvergoeding op de nadelige gevolgen verbonden aan het beëindigen van het dienstverband, maar heeft de man nu een hoger inkomen. Het enige nadeel is dat hij thans geen pensioenopbouw via zijn dienstbetrekking meer heeft. De vrouw is van mening dat, voor zover met de ontslagvergoeding het nadelige gevolg voor de pensioenopbouw vanaf 1 juni 2016 wordt gecompenseerd, dit in de gemeenschap valt en dus in de verdeling dient te worden betrokken. De man voert gemotiveerd verweer.

5.36

Aan het hof ligt voor de vraag of en zo ja, in hoeverre de ontslagvergoeding van de man deel uitmaakt van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat – overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van deze kwestie – een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, verknocht kan zijn ingeval deze strekt ter vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten, waarbij onderscheid dient te worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De vrouw stelt echter allereerst - zoals hiervoor uiteengezet - dat partijen in de aanloop naar de echtscheidingsprocedure hadden afgesproken dat de door de man ontvangen ontslagvergoeding tussen hen beiden zou worden verdeeld, en dat de rechtbank ten onrechte aan de gemaakte keuze van partijen is voorbijgegaan. Het beroep van de vrouw op het bestaan van een afspraak faalt vanwege het feit dat de man het bestaan van deze afspraak betwist, de juistheid van de stellingen van de vrouw niet reeds uit de stukken blijkt en de vrouw op dit onderdeel geen bewijsaanbod heeft gedaan. De gestelde afspraak is dus in rechte niet komen vast te staan.

Daarnaast heeft de vrouw gesteld dat de desbetreffende jurisprudentie inzake verknochtheid van ontslagvergoedingen in dit geval niet van toepassing is, nu geen sprake is geweest van nadelige gevolgen verbonden aan het beëindigen van het dienstverband, omdat de man in zijn nieuwe dienstbetrekking een hoger salaris verdient. Het hof verwerpt dit standpunt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, waaruit valt af te leiden dat het bij de vraag naar de verknochtheid gaat om de strekking van de aanspraak; niet van belang is in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd.

Ook de stelling ten slotte dat voor zover met de ontslagvergoeding het nadelige gevolg voor de pensioenopbouw is/wordt gecompenseerd tijdens het huwelijk, dit deel hoe dan ook in de gemeenschap valt, is tevergeefs voorgesteld. In zijn beschikking van 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, heeft de Hoge Raad overwogen dat de hiervoor genoemde rechtspraak betrekking heeft op aanspraken strekkend tot vervanging van inkomen uit arbeid dat een echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstbetrekking zou hebben genoten, en dat, voor zover de aanspraak ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering (‘oudedagsvoorziening’), deze bij niet-toepasselijkheid van art. 1:94 lid 2, onder b, BW in beginsel wel in de gemeenschap valt. Volgens de Hoge Raad dienen, anders dan aanspraken ter vervanging van inkomen dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap uit arbeid zou zijn genoten, dergelijke pensioenaanspraken die tot uitkering komen na zodanige ontbinding, voor zover zij zijn opgebouwd tijdens het huwelijk, in beginsel mede tot verzorging van de andere echtgenoot. Allereerst deelt het hof het oordeel van de rechtbank in de beschikking van 8 augustus 2018 dat uit de beëindigingsovereenkomst uit februari 2016 niet zonder meer valt af te leiden dat de beëindigingsvergoeding mede ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering. Artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst bepaalt dat [luchtvaartmaatschappij] de man een beëindigingsvergoeding betaalt ter grootte van € 260.283,20 bruto ter compensatie van de nadelige gevolgen verbonden aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan wel ter aanvulling op mogelijke uitkeringen dan wel op een elders te verdienen (lager) salaris. Het lag op de weg van de vrouw tegenover deze gegevens haar stelling dat van de ontslagvergoeding een deel bestemd was ter compensatie van het pensioenverlies vanaf 1 juni 2016 en om die reden in de verdeling moet worden betrokken, nader te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Daarnaast heeft de vrouw ook geen enkele onderbouwing gegeven voor haar stelling dat de man de door hem ontvangen ontslagvergoeding heeft gebruikt om het nadelige gevolg voor zijn pensioenopbouw tijdens het huwelijk te compenseren, terwijl dat wel op haar weg lag. Niet alleen stelt de vrouw in haar toelichting op deze grief zelf dat de man ervoor gekozen heeft om pas een aanvullend pensioen op te bouwen vanaf het moment dat de gemeenschap was ontbonden en dat dit haar dan ook niet meer ten goede komt, doch daarnaast is op geen enkele wijze gebleken dat deze aanvullende pensioenopbouw feitelijk is gefinancierd met het geld van de ontslagvergoeding. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat de door de man ontvangen ontslagvergoeding diende als suppletie van te derven inkomen en voor een bedrag van € 115.186,- - het bedrag dat resteerde van de ontslagvergoeding op de peildatum -, verknocht is aan de man en niet voor verdeling in aanmerking komt. Grief I in incidenteel appel faalt derhalve.

Vergoedingsrecht ten aanzien van de studieschuld van de man

5.37

Het hof ziet vervolgens aanleiding grief 3 in principaal appel en (voorwaardelijke) grief II in incidenteel appel te bespreken. Deze hebben betrekking op de studieschuld van de man bij zijn ouders ter zake van de door hem gevolgde pilotenopleiding. De vrouw heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat zij, mede via schenkingen van haar ouders, heeft meebetaald aan de vroegtijdige aflossing van de studieschuld voor de pilotenopleiding van de man. Volgens de vrouw is deze studieschuld verknocht aan de man; de schuld is voorafgaand aan het huwelijk door hem aangegaan en komt hem ten goede. De man heeft gesteld dat hij een vergoedingsrecht heeft op de vrouw van € 22.048,-. De studieschuld bestond ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap en is in de gemeenschap gevallen. De vrouw was bekend met deze schuld, die door de ouders van de man is gefinancierd door een verhoging van hun hypothecaire geldlening. In 2007 hebben de ouders van de man een bedrag van € 22.048,- onder uitsluiting aan de man geschonken in de vorm van een kwijtschelding van een gedeelte van de studieschuld. Volgens de man heeft hij aldus uit privévermogen een gemeenschappelijke schuld afgelost, waardoor hij een vergoedingsrecht heeft van € 22.048,-. De rechtbank heeft overwogen dat ten aanzien van deze schuld, die is ontstaan voor het geregistreerd partnerschap van partijen, sprake is van een gemeenschappelijke schuld en niet van – zoals de vrouw stelt – een verknochte schuld. Omdat de ouders van de man het bedrag van € 22.048,- onder uitsluitingsclausule aan de man hebben geschonken in de vorm van kwijtschelding van een deel van de studieschuld, heeft de man in beginsel een vordering van € 22.048,- op de gemeenschap. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het betreft een studieschuld van de man, omdat zijn ouders – aldus de rechtbank – de opleiding niet wilden betalen. De man heeft door het aangaan van de lening een mooie opleiding kunnen volgen om vervolgens een goede baan met idem dito salaris te kunnen krijgen. De ouders betalen hem jaren later alsnog (het resterende deel van) zijn studie door hem een bedrag ter hoogte van de nog openstaande studieschuld te voldoen. In geval een vergoedingsrecht zou worden aangenomen, zou dit er op neer komen dat de vrouw opdraait voor studiekosten die de ouders van de man eerst niet en later alsnog hebben voldaan en dat is naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbaar.

5.38

De man stelt thans in zijn toelichting op grief 3 in principaal appel dat slechts op grond van – door de vrouw te stellen – bijzondere omstandigheden, de redelijkheid en billijkheid zich kunnen verzetten tegen het effectueren van het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap, maar dat de rechtbank deze omstandigheden zelf heeft ingevuld. De door de rechtbank genoemde omstandigheden rechtvaardigen haar oordeel echter niet, aldus de man. Een pilotenopleiding is kostbaar en het is gebruikelijk dat hiervoor leningen worden afgesloten, met name vanwege het feit dat het salaris van de piloot later voldoende ruimte biedt om deze schuld af te betalen. De man had het geluk dat zijn ouders dit geld beschikbaar wilden stellen, zodat deze schuld niet van invloed was op de hoogte van de hypothecaire geldlening van partijen. Van het riante salaris van de man heeft de vrouw ten volle de vruchten geplukt gedurende de relatie. Het heeft partijen in staat gesteld de echtelijke woning te verwerven, waarop partijen een aanzienlijke winst hebben gemaakt door de verkoop. Bovendien draait niet de vrouw op voor deze schenking, zoals de rechtbank ten onrechte overweegt, maar de gemeenschap van partijen. Daarnaast had de rechtbank niet zomaar de conclusie mogen trekken dat de ouders van de man de opleiding niet wilden betalen. Dat is ook niet juist en is nimmer door partijen gesteld. Afgezien van het feit dat dit een zeer kostbare opleiding betreft, hebben de ouders op diverse manieren financieel bijgedragen aan de studie van de man. De man ontving een maandelijkse toelage om zo in zijn levensonderhoud te voorzien en de ouders van de man droegen maandelijks extra rentelasten vanwege het verhogen van hun hypothecaire geldlening die niet werden afgewenteld op de man, aldus nog steeds de man.

5.39

De vrouw verweert zich tegen deze grief door te stellen dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten wanneer de vrouw allereerst via de gemeenschap moet bijdragen aan de - niet als verknocht aangemerkte - studieschuld van de man met een niet gebleken verplichting tot betaling van samengestelde rente, en daarnaast aan de man zou moeten vergoeden (via de gemeenschap) hetgeen is kwijtgescholden met uitsluiting, zonder dat haar (de gemeenschap) de revenuen – de ontslagvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] - toekomen. Het zou tot een onaanvaardbaar resultaat leiden als de studieschuld, die er al in de eerste plaats niet zou zijn als de ouders van de man hem direct het geld hadden geschonken (zulks nog voor het ontstaan van de gemeenschap), wel in de gemeenschap valt, maar de kwijtschelding van de samengestelde rente, waarvan niet blijkt dat die is overeengekomen, niet.

5.40

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Ingevolge artikel 1:100 BW hebben echtgenoten een gelijk aandeel in de goederen en de schulden van ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, zodat de ontbonden gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749 en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748). Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft overwogen dat ten aanzien van de studieschuld ad € 22.048,- van de man aan zijn ouders sprake is van een gemeenschappelijke schuld. De lotsverbondenheid tussen echtgenoten die met elkaar een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan en/of gehuwd zijn in de wettelijke gemeenschap van goederen brengt met zich dat schulden die zijn ontstaan vóór of tijdens het huwelijk in beginsel gemeenschappelijk zijn, ongeacht wie van beide echtgenoten de schuld is aangegaan. Ieder van partijen heeft dan ook een draagplicht voor de helft ex artikel 1:100 BW, behoudens afwijking op grond van de redelijkheid en billijkheid. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank in dit geval ten onrechte een dergelijke afwijking heeft aangenomen. De rechtbank is tot haar oordeel gekomen op grond van de overweging dat het gaat om een studieschuld van de man, omdat zijn ouders de opleiding niet wilden betalen. Door jaren later alsnog (het resterende deel van) zijn studie te betalen, door een bedrag ter hoogte van de nog openstaande studieschuld te voldoen, draait de vrouw op voor studiekosten die de ouders van de man eerst niet en later alsnog hebben voldaan, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbaar is. Het hof wijst erop dat de vrouw in eerste aanleg nimmer heeft gesteld en vervolgens in hoger beroep op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de ouders van de man bij het aangaan van de lening weliswaar in staat waren de man het bedrag dat hij nodig had om zijn studie te bekostigen, te schenken, maar desondanks hebben besloten hem dit bedrag niet te geven. Integendeel, de man heeft – onbetwist en gemotiveerd – uiteengezet dat geen sprake was van het niet willen betalen van zijn opleiding, maar dat zijn ouders teneinde hem het benodigde bedrag te kunnen lenen hun hypothecaire lening hebben moeten verhogen, hetgeen voor hen leidde tot hogere rentelasten. Daarbij komt dat de beslissing van de ouders van de man om hem het geld te lenen in plaats hem dit geld te schenken, ter vrije keuze van de ouders van de man stond. Anders gezegd, de omstandigheid dat de ouders van de man hebben besloten de man het geld voor zijn opleiding niet te geven maar in de vorm van een lening te verstrekken, is een beslissing waar de man buiten staat - het tegendeel is gesteld noch gebleken. Anders dan de vrouw kennelijk meent, kunnen de bij de ouders van de man levende motieven niet ertoe leiden dat alleen de man draagplichtig zou zijn voor deze schuld. Ook onjuist is het oordeel van de rechtbank dat de vrouw door middel van de door de ouders van de man gekozen constructie zou opdraaien voor de studiekosten van de man, omdat het voorliggende feitencomplex ertoe leidt dat, nu een op de gemeenschap rustende schuld is tenietgegaan vanwege een uitsluitend aan de man toekomende schenking, de man een vordering heeft op de gemeenschap tot het bedrag van de schenking. Ook de stelling van de vrouw dat deze constructie onbillijk is, nu deze ertoe leidt dat de man de helft van de schuld op de vrouw afwentelt, terwijl de revenuen van deze dure opleiding, de ontslagvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] , alleen aan de man zouden toekomen, is tevergeefs voorgesteld. Zoals hiervoor onder 5.36 is overwogen, strekte de ontslagvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] immers ter vervanging van inkomen uit arbeid dat de man bij voortzetting van de dienstbetrekking bij [luchtvaartmaatschappij] zou hebben genoten in de periode ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Tegenover de studieschuld van de man staan echter ook de revenuen van de door de man gevolgde opleiding – zijn inkomsten als piloot –, die een groot aantal jaren (gedurende het geregistreerd partnerschap en tijdens het huwelijk) aan partijen gezamenlijk – en dus ook aan de vrouw – ten goede zijn gekomen. Dat de vrouw de man iets dient te vergoeden, dat hem is kwijtgescholden, zonder dat haar de revenuen daarvan toekomen, onderschrijft het hof dan ook niet. Al met al is het hof van oordeel dat de argumenten waarop de rechtbank haar oordeel omtrent de onaanvaardbaarheid van een gezamenlijke draagplicht van het door de ouders van de man aan hem onder uitsluiting geschonken gedeelte van de studieschuld gebaseerd heeft, onvoldoende zijn om tot dat oordeel te komen. Grief 3 in principaal beroep slaagt derhalve.

5.41

Vervolgens komt (voorwaardelijke) grief II van de vrouw aan de orde. Deze grief is ingesteld op voorwaarde dat grief I van de vrouw niet slaagt. Gelet op de verwerping van grief I in incidenteel beroep, behoeft grief II van de vrouw bespreking. Daarin verzoekt de vrouw het hof, voor het geval de schenking van de ouders van de man in de vorm van kwijtschelding van rente buiten de gemeenschap zou vallen en/of verknochtheid ter zake de ontslagvergoeding wordt aangenomen, alsnog te bepalen dat de studieschuld die hieraan ten grondslag ligt als bijzonder verknocht aan de man dient te worden beschouwd, althans om te bepalen dat de redelijkheid en billijkheid gebieden dat de man bij uitsluiting van de vrouw draagplichtig is voor deze schuld, een en ander met als gevolg dat de man hetgeen vanuit de gemeenschap aan zijn studieschuld is terugbetaald, te weten een bedrag van € 41.679,-, aan de gemeenschap dient te vergoeden.

5.42

De vraag of een schuld wegens het hoogstpersoonlijk karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW aan een van de echtgenoten is verknocht en dus op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW niet in de gemeenschap valt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van die schuld zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 15 februari 2008, LJN BC0377, NJ 2008/275). Daarvan zal slechts in bijzonder omstandigheden sprake zijn. Het hof is van oordeel dat hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende is om van dergelijke bijzondere omstandigheden te spreken. De vrouw voert aan dat de geldlening van de man bij zijn ouders een hoogstpersoonlijke lening betreft, naar achteraf bleek met onbillijke rentevoorwaarden, waarvoor de man in 1996 heeft geopteerd boven een lening bij de bank. Zonder die dure pilotenopleiding had de man geen aanspraak kunnen maken op de van [luchtvaartmaatschappij] ontvangen ontslagvergoeding. De vrouw meent daarom dat indien wordt geoordeeld dat de [luchtvaartmaatschappij] vergoeding als bijzonder verknocht heeft te gelden, de redelijkheid en billijkheid alsdan gebieden dat de studieschuld eveneens als bijzonder verknocht wordt beschouwd, met als gevolg dat de man de betalingen (aan hoofdsom en rente) die zijn verricht door de gemeenschap, aan de gemeenschap dient te vergoeden. Daargelaten dat de man gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van onbillijke rentevoorwaarden, miskent de vrouw met haar stellingen naar het oordeel van het hof hetgeen hiervoor onder 5.36 en 5.40 is overwogen ter zake van de strekking van de ontslagvergoeding. Immers, zoals hiervoor uiteengezet, is deze vergoeding slechts verknocht voor zover deze ziet op te derven inkomen ná ontbinding van het huwelijk, terwijl de revenuen van de door de man gevolgde pilotenopleiding ook al gedurende het geregistreerd partnerschap en tijdens het huwelijk van partijen aan de gemeenschap, en dus wel degelijk ook aan de vrouw ten goede zijn gekomen. Het standpunt van de vrouw zou tot de niet-billijke uitkomst leiden dat de revenuen over een periode van meer dan 10 jaar (het geregistreerd partnerschap is in juni 2006 aangegaan) deel uitmaken van de gemeenschap waartoe de vrouw bij helfte is gerechtigd, terwijl de studieschuld van de man slechts door de man gedragen zou moeten worden, met als gevolg dat de man de betalingen ter aflossing van deze studieschuld die zijn verricht door de gemeenschap aan de gemeenschap zou moeten vergoeden. Het feit dat de ouders van de man een bedrag van € 22.048,- onder uitsluitingsclausule aan de man hebben geschonken in de vorm van kwijtschelding van een deel van de studieschuld, vormt evenmin een omstandigheid die tot verknochtheid van de studieschuld van de man dient te leiden. Deze kwijtschelding berust op een beslissing van de ouders van de man, die – zoals hiervoor uiteen gezet is – in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw niet in strijd met de redelijkheid en de billijkheid wordt geacht. Overige bijzondere omstandigheden die tot verknochtheid van de studieschuld dan wel een afwijking van de regel met betrekking tot de draagplicht van schulden dienen te leiden, heeft de vrouw niet gesteld. Grief II in incidenteel appel faalt derhalve.

5.43

Grief III in incidenteel appel, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw heeft meegedeeld dat zij het door haar gestorte geld voor de afbetaling van de studieschuld niet vergoed wenst te zien, deelt het lot van grief II in incidenteel appel. Ook deze grief is gebaseerd op de – hiervoor verworpen – stelling dat “het redelijk en billijk zou zijn indien zowel de studieschuld als de revenuen daarvan” – lees: de ontslagvergoeding van [luchtvaartmaatschappij] - als bijzonder verknocht worden gezien, dan wel dat beide in de gemeenschap vallen.

De kinderrekeningen

5.44

Grief 4 in principaal appel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de bankrekeningen, die ten behoeve de studie van de kinderen zijn geopend, niet in de gemeenschap van goederen vallen en buiten de verdeling blijven. De man stelt thans dat deze rekeningen niet op naam van de kinderen staan en derhalve van rechtswege in de ontbonden gemeenschap vallen. Daarbij komt nog – aldus de man – dat het onverdeeld blijven van deze rekeningen ongewenste gevolgen heeft. Onduidelijk is wie deze rekeningen opvoert in de belastingaangifte. Over en weer ontbreekt het partijen op dit moment aan vertrouwen in de ander om gezamenlijk het beheer te voeren over deze rekeningen. De rekeningen dienen volgens de man in de verdeling te worden betrokken, waarbij partijen ieder de helft van het saldo per datum feitelijke verdeling ontvangen en kunnen aanwenden voor een eigen spaarvoorziening voor de studie van de kinderen. De vrouw is van mening dat de rechtbank de bankrekeningen, die volgens beide partijen bestemd waren voor de kinderen, terecht buiten de verdeling heeft gehouden. De rekeningen zijn grotendeels gevoed door de ouders van de vrouw, zo stelt de vrouw, die nadrukkelijk hebben bepaald dat het geld voor de kinderen bestemd is. Tevens heeft de vrouw gedurende enige tijd maandelijks € 50,- per kind per maand bijgeschreven op deze rekeningen vanaf de rekening waarop zij de kinderalimentatie ontving van de man. Het is dan ook in strijd met de doelstelling van de rekeningen en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om deze rekeningen alsnog in de verdeling te betrekken, aldus nog steeds de vrouw.

5.45

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Hoewel de tenaamstelling van de rekeningen een aanwijzing vormt dat het gaat om vermogen van partijen dat daarmee in de gemeenschap valt, stellen beide partijen dat het hier gaat om rekeningen waarop (uitsluitend) geld is gestort ten behoeve van (de studie van) de kinderen. Daarmee is – bij gebreke van andersluidende stellingen - het uitgangspunt gegeven dat vermogen dat zich op deze rekeningen bevindt, toekomt aan de kinderen, opdat zij in het kader van een beroeps- of vervolgopleiding de saldi op deze rekeningen kunnen aanwenden als financiële ondersteuning. Deze gelden dienen bij die stand van zaken als niet-behorend tot de gemeenschap te worden aangemerkt en buiten de verdeling te blijven. Het is aan partijen om in hun hoedanigheid van met (gezamenlijk) gezag belaste ouder af te spreken hoe zij het beheer van deze rekeningen zullen vormgeven. Daarnaast dienen zij als ouders onderling af te spreken hoe zij deze rekeningen ieder in hun eigen aangifte inkomstenbelasting verwerken (en wat daarvan de gevolgen moeten zijn voor de saldi). Grief 4 in principaal appel faalt derhalve.

Vergoedingsrecht van de vrouw vanwege schenkingen van haar ouders

5.46

Grief V in incidenteel appel heeft betrekking op het door de vrouw gestelde vergoedingsrecht op de ontbonden huwelijksgemeenschap. In dit verband heeft de vrouw in eerste aanleg gesteld dat zij van haar ouders schenkingen tot een bedrag van € 41.000,- onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen en dat zij daarvan € 40.000,- in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd, welk bedrag – volgens de vrouw – bij vooruitneming uit de opbrengst van de verkoop van de woning aan haar moet worden uitgekeerd. De man heeft in eerste aanleg betwist dat sprake is geweest van schenkingen tot het door de vrouw genoemde bedrag alsook dat deze schenkingen onder uitsluitingsclausule hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft het beroep van de vrouw op een vergoedingsrecht afgewezen, daartoe overwegende dat zij met de achteraf door haar ouders opgestelde verklaring (productie 15 in eerste aanleg) niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht, waarbij de rechtbank in overweging heeft genomen dat bij geen van de girale overboekingen door de ouders is vermeld dat het om een schenking onder uitsluiting ging. De rechtbank heeft de vrouw om die reden niet tot bewijslevering toegelaten en heeft geoordeeld dat de schenkingen van de ouders van de vrouw in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen. De vrouw stelt in hoger beroep dat de substantiëringsplicht uitsluitend geldt voor dagvaardings- en niet voor verzoekschriftprocedures. De man was op de hoogte van deze schenkingen en het was dan ook een verrassing voor de vrouw dat de man zich hiertegen ging verweren. De vrouw heeft niet begrepen dat de man de verklaring van de ouders van de vrouw betwistte. Zij wenst dit in hoger beroep te repareren. De vrouw wijst ten bewijze van de overeengekomen uitsluitingsclausule allereerst wederom op de schriftelijke verklaring van haar ouders. Daarnaast biedt zij expliciet getuigenbewijs aan van haar stelling dat de schenkingen van haar ouders schenkingen onder uitsluiting betreffen krachtens een daartoe met haar ouders gemaakte mondelinge afspraak in 2005, voorafgaand aan de (eerste) schenkingen, en wel door middel van het horen van haar ouders en haarzelf. Ter zitting in hoger beroep heeft zij haar broer aan dat rijtje toegevoegd. De schenkingen zijn onderhands geschied en zijn vormvrij, aldus de vrouw. Gelet op de afspraak dat de schenkingen niet in de gemeenschap zouden vallen, was het niet nodig om steeds weer te stipuleren dat een uitsluitingsclausule was afgesproken.

5.47

De man handhaaft zijn standpunt dat de vrouw niet heeft aangetoond dat sprake is van schenkingen onder uitsluitingsclausule. De verklaring die door de ouders van de vrouw is opgesteld, waarvan de man de juistheid uitdrukkelijk betwist, is volgens de man onvoldoende bewijs van een schenking onder uitsluiting ten tijde van de gift. Daarnaast vindt de man het opmerkelijk dat al ruim voordat partijen het geregistreerd partnerschap aangingen, de uitsluiting werd ‘afgesproken’, terwijl nog geen sprake was van enige gemeenschap. Kennelijk was men toen al wel bekend met eventuele wettelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap zonder het opstellen van partnerschapsvoorwaarden, maar is nimmer een moment geweest waarop dit ergens schriftelijk is vermeld (terwijl dit tamelijk eenvoudig is bij girale betalingen). De man waardeerde de gulheid van de ouders van de vrouw gedurende het geregistreerd partnerschap en het huwelijk van partijen en heeft dit ook meerdere malen geuit jegens de ouders van de vrouw.

5.48

Artikel 1:94 lid 2 onder a BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat giften zijn uitgezonderd van de gemeenschap van goederen, indien bij de gift is bepaald dat het verkregen goed buiten de huwelijksgemeenschap blijft (uitsluitingsclausule). De verklaring van de gever dat de gift buiten de huwelijksgemeenschap blijft, is vormvrij indien de gift ook vormvrij plaatsvindt. De gever kan niet alsnog – achteraf – bepalen dat het goed niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Bij geschil over de vraag of een gift al dan niet in de huwelijksgemeenschap valt, zal de echtgenoot die stelt dat er sprake is van een gift met uitsluitingsclausule dit moeten bewijzen. Het was derhalve – gelet op de gemotiveerde betwisting door de man - aan de vrouw om aan te tonen dat ten aanzien van de van haar ouders ontvangen schenkingen sprake is van schenkingen onder uitsluiting.

5.49

De vrouw heeft haar stelling dat de schenkingen zijn gedaan onder uitsluitingsclausule onderbouwd met de hiervoor genoemde achteraf opgestelde verklaring van haar ouders, waarin zij verklaren dat de door hen vanaf 2005 gedane schenkingen steeds onder uitsluiting zijn verricht en dat dit ook zo voorafgaand aan de eerste schenking met de vrouw is afgesproken. Aangezien de man de stelling van de vrouw gemotiveerd heeft betwist en de vrouw bewijs heeft aangeboden van haar stelling door het horen van getuigen, welk aanbod het hof voldoende gespecificeerd acht, zal het hof de vrouw toelaten in haar aanbod tot het leveren van (getuigen)bewijs. Het hof zal daartoe uit zijn midden een raadsheer-commissaris benoemen en een datum bepalen waarop getuigen kunnen worden gehoord zodra de verhinderdata van partijen en de overige betrokkenen bekend zijn. Het hof geeft partijen in overweging op dit punt een regeling in der minne te treffen, mede ter besparing van verdere kosten en tijd.

Inkomstenbelasting tot 1 augustus 2017

5.50

Tot slot komt de vrouw in grief VI op tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen gehouden zijn om ieder de helft van de (inkomsten)belastingschuld te dragen, voor zover deze betrekking heeft op de periode tot 1 augustus 2017, zonder echter te bepalen dat partijen de belastingteruggaven over de periode tot 1 augustus 2017 dienen te delen. Volgens de vrouw heeft de man over de periode tot 1 augustus 2017 recht op teruggave van belasting en premies. Na verkregen teruggave dient de man een en ander aan de gemeenschap te vergoeden respectievelijk met de vrouw af te rekenen.

5.51

De man heeft zich in eerste instantie - in zijn verweerschrift in incidenteel appel - op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een teruggave over 2017, waartoe hij een aantal stukken in het geding heeft gebracht (productie 15 tot en met 17). Ter zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat in ieder geval over 2016 en mogelijk over 2017 teruggaven van de belastingdienst zijn gevolgd dan wel volgen. Afgesproken is dat de man na afloop van de zitting de door hem ontvangen aanslagen met betrekking tot deze jaren in het geding zal brengen.

5.52

Bij brief van 27 juni 2019 heeft de man als productie 37 tot en met 39 een aantal stukken met betrekking tot de (definitieve aanslag) inkomstenbelasting 2016 in het geding gebracht. Uit deze stukken valt af te leiden dat de man na de peildatum twee teruggaven heeft ontvangen, te weten op 5 juni 2019 een bedrag van € 4.666,- en op 15 juni 2019 een bedrag van € 1.332,-, in totaal derhalve € 5.998,-. De vrouw heeft recht op de helft van dit bedrag, derhalve een bedrag van afgerond € 2.999,-.

5.53

Uit de door de man bij verweerschrift in incidenteel appel overgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2017 (productie 15 tot en met 17) valt verder af te leiden dat de man over 2017 vooralsnog uitsluitend belasting verschuldigd is - een bedrag van € 3.214,- - en geen recht heeft op een teruggave. De vrouw heeft in dit verband ter zitting opgemerkt dat over de inkomstenbelasting 2017 een procedure loopt bij de kantonrechter. Op basis van voormelde gegevens is het hof van oordeel dat thans niet kan worden vastgesteld dat de man over 2017 recht heeft op teruggave van inkomstenbelasting en premies, zodat haar verzoek over het betreffende deel van 2017 niet voor toewijzing in aanmerking komt. Grief VI van de vrouw slaagt derhalve gedeeltelijk

5.54

Met het voorgaande zijn alle grieven in zowel principaal als incidenteel appel ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen besproken. De conclusie is dat grief 3 van de man slaagt, evenals grief V van de vrouw, zodat het hof de vrouw zal toelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij van haar ouders schenkingen tot een bedrag van € 41.000,- onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen. Ook grief VI van de vrouw slaagt gedeeltelijk. De grieven 1 en 2 van de man falen, zodat (voorwaardelijke) grief IV van de vrouw geen bespreking behoeft. Ook grief 4 van de man faalt evenals de grieven I tot en met III van de vrouw. Bij eindbeschikking zal het hof de bestreden beschikking van 8 augustus 2018 vernietigen voor zover de rechtbank in rechtsoverweging 2.7.7 de aanspraak van de man op vergoeding van een bedrag van € 22.048,- door de gemeenschap wegens het voldoen van een gedeelte van zijn studieschuld uit privévermogen heeft afgewezen. Het hof zal bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de ontbonden gemeenschap van € 22.048,-. Daarnaast zal het hof bepalen dat de man gehouden is de vrouw een bedrag van € 2.999,- te betalen wegens na de peildatum ontvangen belastingteruggaven inkomstenbelasting 2016.

6 De beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.249.478/01:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van 4 januari 2019 voor zover daarbij is bepaald dat de man met ingang van 4 januari 2019 € 566,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, en in zoverre daarin is bepaald dat de man € 289,- bruto per maand aan de vrouw dient te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man in de periode van 4 januari 2019 tot en met maart 2019 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op een bedrag van € 502,- (VIJFHONDERDTWEE EURO) per kind per maand en vanaf 1 april 2019 op een bedrag van € 518,50 (VIJFHONDERDACHTTIEN EURO EN VIJFTIG CENT) per kind per maand, voor zover het de niet-verschenen termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van 4 januari 2019 op een bedrag van € 1.696,- (EENDUIZEND ZESHONDERDZESENNEGENTIG EURO) per maand, voor zover het de niet-verschenen termijn betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de beschikking van 4 januari 2019 voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

In de zaak met zaaknummer 200.249.197/01

in het principaal en het incidenteel appel

laat de vrouw toe tot het bewijs van haar stelling dat zij van haar ouders schenkingen tot een bedrag van € 41.000,- onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen ;

beveelt dat voor zover de vrouw getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. A.R. Sturhoofd, die daartoe tot raadsheer-commissaris wordt benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat de vrouw het aantal voor te brengen getuigen, alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven bij brief aan de griffie uiterlijk op 21 juli 2020 waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zal worden vastgesteld;

bepaalt dat de vrouw overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen minstens een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en
mr. M.C. Schenkeveld in tegenwoordigheid van de griffier en is op 23 juni 2020 in het openbaar uitgesproken.