Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:16

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
200.248.973/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatige daad. Letsel. Verlies van een hand door illegaal vuurwerk (Cobra 6). Bedrijfsfeest waar alcohol werd gedronken. Eigen schuld. Onrechtmatig handelen door het bij zich hebben van illegaal vuurwerk en daarover de controle te verliezen. Eigen schuld van 90% door het vuurwerk binnen af te steken. Gebruik van alcohol heeft geen invloed op de verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0059
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.248.973/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/261495 / HA ZA 17-517

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 januari 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J. Streefkerk te Voorburg,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.W. Brugman te Wognum.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 17 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 18 juli 2018 gewezen onder bovenvermeld zaak- en rolnummer tussen hem als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met een productie;

- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Op 28 oktober 2019 is een zitting gehouden waar de partijen met hun hiervoor genoemde advocaten aanwezig zijn geweest. De advocaten hebben een pleidooi gehouden en daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities die zij aan het hof hebben gegeven. Verder heeft het hof de zaak met partijen besproken en verschillende vragen gesteld. Beide partijen hebben het hof en hun wederpartij voorafgaand aan de zitting nog een stuk toegestuurd (productie 8 van [appellant] en productie VIII van [geïntimeerde] ). Tijdens de zitting is de zaak enige tijd geschorst geweest om partijen de gelegenheid te geven te proberen tot een schikking te komen. Een minnelijk regeling is niet tot stand gekomen. Aan het eind van de zitting hebben partijen het hof gevraagd de zaak voor de duur van twee weken aan te houden om te proberen alsnog een schikking te bereiken. Op de rol van 12 november 2019 is meegedeeld dat geen schikking is bereikt en is het hof gevraagd om bij arrest uitspraak in deze zaak te doen.

[appellant] concludeert tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde] concludeert in het principaal hoger beroep tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank. In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] dat het vonnis ten aanzien van het vastgestelde percentage aansprakelijkheid wordt vernietigd en dat bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dit percentage zal worden vastgesteld op 75, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping van de grief van [geïntimeerde] .

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan, aangevuld met andere feiten die niet of onvoldoende zijn betwist. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.

Op vrijdag 10 december 2010 vanaf circa 17:00 uur hadden circa 14 werknemers van pannendekkersbedrijf [X] een afscheidsfeest van een collega in de bedrijfskantine.

2.2.

Onder de aanwezigen waren [geïntimeerde] en [A] (hierna: [A] ). [geïntimeerde] en [A] hebben verklaard op het feest 10, respectievelijk 8 à 10 flesjes bier te hebben gedronken.

2.3.

[appellant] , een vriend van [A] , is met een auto naar het feest gereden om [A] op te halen omdat hij had gedronken. [appellant] kwam om ongeveer 21:45 uur ter plaatse aan.

2.4.

[appellant] had vuurwerk van het type “Cobra 6” bij zich. Het is op grond van het Vuurwerkbesluit verboden dit soort vuurwerk te bezitten.

2.5.

[appellant] heeft na zijn aankomst ter plaatse buiten aan [A] een Cobra 6 laten zien. [A] heeft dit vuurwerk uit de handen van [appellant] gepakt, waarna [appellant] en [A] samen naar binnen zijn gegaan, waar het feest nog gaande was.

2.6.

In de bedrijfskantine is het stuk vuurwerk in handen gekomen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft het vuurwerk binnen aangestoken en slaagde er niet in dit tijdig naar buiten te gooien, waarna het in zijn hand is geëxplodeerd. [geïntimeerde] heeft door de explosie een groot deel van zijn rechterhand verloren. [geïntimeerde] is volledig arbeidsongeschikt verklaard.

2.7.

Bij vonnis van de politierechter te Alkmaar van 13 juli 2012 is [appellant] strafrechtelijk veroordeeld voor het bezit van verboden vuurwerk.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] vordert in dit geding dat uitvoerbaar bij voorraad:
(i) voor recht wordt verklaard dat [appellant] aansprakelijk is voor alle door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 10 december 2010;
(ii) [appellant] wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] te vergoeden alle door [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente, voor wat betreft het smartengeld vanaf de datum van het voorval en met betrekking tot de overige schadeposten vanaf 26 juni 2017 tot aan de dag van algehele betaling;
(iii) [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, vermeerderd met nakosten.

3.2.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door zeer zwaar vuurwerk mee te nemen naar een bedrijfsfeest waar veel alcohol werd gedronken en het vuurwerk daarbij uit het oog te verliezen. Daarbij speelt een grote rol dat [appellant] wist of behoorde te weten dat de gevolgen van het ondeskundig afsteken van het zware, illegale vuurwerk ernstig konden zijn. Het was voor [appellant] eenvoudig geweest om veiligheidsmaatregelen te nemen. Hij had de controle over het vuurwerk moeten hernemen om te voorkomen dat er ongelukken zouden gebeuren. Doordat hij dit niet heeft gedaan en [geïntimeerde] hierdoor schade heeft geleden, is hij gelet op deze omstandigheden hiervoor volgens de rechtbank aansprakelijk.

In het kader van het beroep van [appellant] op eigen schuld van [geïntimeerde] is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de aan beide partijen toe te rekenen causale bijdragen gelijkelijk tot de schadeveroorzakende gebeurtenis hebben geleid. Uit een oogpunt van billijkheid heeft de rechtbank in verband met de ernst van de verwijtbaarheid de verdeling ten gunste van [appellant] bijgesteld tot een 70% ( [geïntimeerde] ) / 30% ( [appellant] ) verdeling. Daarna is een 65/35-verdeling vastgesteld in verband met de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [geïntimeerde] . Vervolgens heeft de rechtbank belang gehecht aan de omstandigheid dat [appellant] tegen wettelijke aansprakelijkheid kan zijn verzekerd. Als [appellant] verzekerd is, leidt dat naar het oordeel van de rechtbank tot een 50/50-verdeling. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [appellant] aansprakelijk is voor 50% van de schade die het gevolg is van de gebeurtenis indien zijn WA‑verzekering de schade dekt en voor 35% indien dat niet het geval is. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg.

3.3.

Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vier grieven op. De eerste twee grieven zien op de aansprakelijkheid van [appellant] ten opzichte van [geïntimeerde] . De twee daarop volgende grieven zijn in subsidiair verband aangevoerd en zien op de toepassing van artikel 6:101 BW (eigen schuld). In de memorie van grieven heeft [appellant] verklaard dat zijn aansprakelijkheidsverzekeraar geen beroep zal doen op een eventuele uitsluiting of beperking van de dekking.

3.4.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] één grief aangevoerd. Deze grief is in die zin voorwaardelijk dat als de grieven van [appellant] die zien op het aansprakelijkheidsoordeel niet slagen en komt vast te staan dat [appellant] aansprakelijk is voor de gevolgen van de schadetoebrengende gebeurtenis, de rechtbank volgens [geïntimeerde] ten onrechte tot een 50/50-verdeling van de schade is gekomen. Hij vindt dat [appellant] voor 75% van de schade aansprakelijk dient te worden gehouden.

3.5.

De grieven zullen hierna onderwerpsgewijs worden besproken.

Aansprakelijkheid

3.6.

Tijdens de zitting heeft het hof met partijen de toedracht van het vuurwerkongeval besproken in het licht van de verschillende verklaringen die zijn afgelegd. [appellant] heeft zijn beschrijving van de gebeurtenissen gegeven. [geïntimeerde] kan zich niet meer herinneren hoe hij het vuurwerk in handen heeft gekregen. [geïntimeerde] weet alleen nog dat hij het vuurwerk naar buiten wilde gooien nadat hij de lont had aangestoken. Het lukte echter niet om een raam open te krijgen.

3.7.

Bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag gaat het hof uit van de volgende loop van gebeurtenissen. [appellant] heeft in België vuurwerk van het type Cobra 6 gekocht. In de week voor 10 december 2010 heeft [appellant] achter zijn huis een Cobra 6 afgestoken. Een ander exemplaar heeft hij in zijn jaszak gedaan. De avond van 10 december 2010 is [appellant] met een auto naar de bedrijfskantine van [X] gereden om [A] op te halen, omdat [A] had gedronken. Daar aangekomen heeft [appellant] [A] gebeld en gezegd dat hij buiten stond om hem op te halen. [A] had net een nieuw biertje opengemaakt en wilde niet direct meekomen. [A] is naar buiten gekomen om [appellant] binnen te laten. Toen [appellant] de autosleutels in zijn jaszak deed, voelde hij de Cobra 6 in zijn jaszak zitten. Hij liet het stuk vuurwerk aan [A] zien en zei: “Zullen we dat afsteken?” [A] heeft gezegd dat afsteken van vuurwerk niet wordt gewaardeerd en heeft het stuk vuurwerk afgepakt en mee naar binnen genomen. De bedrijfskantine bevindt zich aan de achterzijde van een loods. Het is een relatief kleine ruimte met in het midden een tafel met stoelen eromheen en langs de wanden een aanrecht en een koffieautomaat. [A] liet in de bedrijfskantine het stuk vuurwerk aan de aanwezigen zien. Het vuurwerk is vervolgens al snel in handen gekomen van [geïntimeerde] , die vrijwel direct daarna onder de tafel de lont heeft aangestoken. Vervolgens lukte het hem niet om het vuurwerk naar buiten te gooien en is het in zijn hand geëxplodeerd.

3.8.

Het hof neemt in aanmerking dat [appellant] ervan op hoogte was dat in

Nederland voor particulieren het bezit van vuurwerk van het type Cobra 6 verboden en strafbaar is. Hij wist ook dat de Cobra 6 zeer zwaar vuurwerk is en dat het ondeskundig afsteken ervan tot ernstig letsel of grote schade kan leiden. Dat is ook de reden dat dit soort vuurwerk in Nederland verboden is voor particulieren. [appellant] had het vuurwerk op 10 december 2010 bij zich in zijn jaszak en heeft het aan [A] laten zien. Hij wist dat [A] die avond had gedronken en wist of kon dus weten dat [A] op een bijeenkomst was waar werd gedronken. [appellant] heeft het desondanks laten gebeuren dat hij de controle over het vuurwerk verloor doordat het in handen is gekomen van [A] , waarna het uiteindelijk bij [geïntimeerde] terecht is gekomen. [appellant] heeft geen pogingen ondernomen om het vuurwerk weer terug te krijgen. Onder deze omstandigheden is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat [appellant] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] . [appellant] had ter voorkoming van ongelukken geen situatie in het leven moeten roepen die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was. Op [appellant] rustte in de gegeven omstandigheden de verplichting tot zorg en oplettendheid, omdat hij bezitter was van het illegale vuurwerk en op de hoogte was van de ernst van het gevaar dat aan dit type vuurwerk is verbonden. Mede gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kon worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen konden ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan konden hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen had [appellant] naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid anders moeten handelen. Hij had de Cobra 6 op 10 december 2010 niet bij zich moeten hebben, niet in handen moeten laten komen van [A] en - toen dat toch gebeurde - het vuurwerk direct weer moeten innemen. Door in strijd hiermee te handelen, is [appellant] op grond van artikel 6:162 BW jegens [geïntimeerde] aansprakelijk. Reeds daarom falen de eerste twee grieven van [appellant] .

Eigen schuld

3.9.

[geïntimeerde] heeft zelf aan het ontstaan van de schade bijgedragen doordat hij het vuurwerk heeft aangestoken. Artikel 6:101 BW schrijft voor dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Toepassing van die (primaire) maatstaf van artikel 6:101 lid 1 BW houdt een causaliteitsafweging in, die in dit geval neerkomt op de (feitelijke) vraag in welke mate de onrechtmatige daad van [appellant] en de omstandigheden die aan [geïntimeerde] zijn toe te rekenen tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen.

3.10.

[appellant] heeft het risico op het ontstaan van schade in het leven geroepen doordat hij vuurwerk bij zich had en daarover de controle is verloren, zodat het uiteindelijk bij [geïntimeerde] terecht kon komen. Als hij zich had gedragen zoals hij zich naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid had behoren te gedragen, had [appellant] het vuurwerk niet bij zich gehad en was het niet bij derden terechtgekomen. De schade van [geïntimeerde] zou dan niet zijn ontstaan. Voor rekening van [geïntimeerde] komt dat hij het vuurwerk heeft afgestoken. Als hij dat niet had gedaan, had hij geen letsel opgelopen. Alles afwegende is het hof van oordeel dat partijen in gelijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade, zodat er op grond van de causaliteitsafweging geen aanleiding is om de schadevergoedingsverplichting van [appellant] op méér dan vijftig procent te stellen.

3.11.

Na de causaliteitsafweging komt de (subsidiaire) vraag aan de orde of - eveneens op grond van artikel 6:101 BW - de billijkheid eist dat een andere verdeling van de schade plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft. In dit verband wordt rekening gehouden met de uiteenlopende ernst van de over en weer gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval.

3.12.

In dit geval moet een andere verdeling van de schade plaatsvinden dan de uit de (primaire) maatstaf van artikel 6:101 BW voortvloeiende 50/50-verdeling. Het gedrag van [geïntimeerde] is namelijk aanzienlijk meer verwijtbaar dan het gedrag van [appellant] . Het gevaar dat aan vuurwerk is verbonden realiseert zich pas als het wordt afgestoken. Daarbij komt dat het algemeen bekend is dat het buitengewoon gevaarlijk is om binnen vuurwerk af te steken. Dat geldt temeer als het wordt afgestoken in een relatief kleine bedrijfskantine waarin zich personen bevinden die dicht op elkaar zitten. Toen [geïntimeerde] het vuurwerk in handen kreeg, had hij het daarom aan de eigenaar moeten teruggeven in plaats van de lont aan te steken. [geïntimeerde] had ongeveer 10 flesjes bier gedronken. Over dit alcoholgebruik denkt het hof niet anders dan de rechtbank. Als [geïntimeerde] onder invloed van alcohol heeft gehandeld, heeft dat niet tot gevolg dat hem geen of een minder groot verwijt kan worden gemaakt. Zijn onvoorzichtige gedrag omvat mede het in zodanige mate nuttigen van alcohol dat hij niet meer voldoende in staat was om zijn impulsen te onderdrukken en/of het gevaarzettende van zijn gedrag te overzien.

3.13.

Het gevaarzettende gedrag van [geïntimeerde] weegt in het kader van de billijkheidscorrectie veel zwaarder dan het foutieve gedrag van [appellant] . De ernst van het letsel en de gevolgen daarvan heeft [geïntimeerde] daarom in overwegende mate aan zichzelf te wijten. Het feit dat [appellant] is verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid kan niet tot een ander oordeel leiden. Alles afwegend komt het hof tot het oordeel dat de billijkheid eist dat [geïntimeerde] 10% van zijn schade toegewezen dient te krijgen en 90% daarvan zelf dient te dragen. In zoverre slagen de grieven III en IV van [appellant] en is de incidentele grief van [geïntimeerde] vergeefs voorgesteld.

3.14.

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak dienen te leiden. De bewijsaanbiedingen zullen daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

Slotsom

3.15.

De grieven in het principaal hoger beroep slagen ten dele. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd ten aanzien van het percentage van de schade waarvoor [appellant] aansprakelijk is. Het incidenteel hoger beroep is vergeefs ingesteld. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep. In de uitkomst van de zaak - beide partijen hebben deels gelijk en deels ongelijk gekregen ( [appellant] is aansprakelijk, maar het percentage is gering) - ziet het hof aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg tussen partijen te compenseren, zodat elk de eigen kosten daarvan dient te dragen. Ter wille van de leesbaarheid zal het hof het dictum van het vonnis geheel vernietigen en de veroordelingen opnieuw vaststellen.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor 10% van de schade die het gevolg is van het vuurwerkongeval van 10 december 2010;

veroordeelt [appellant] om die schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente, voor wat betreft het smartengeld vanaf de datum van het voorval en met betrekking tot de overige schadeposten vanaf 26 juni 2017 tot aan de dag van algehele betaling;

compenseert de proceskosten van het geding in eerste aanleg tussen partijen aldus dat iedere partij daarvan de eigen kosten dient te dragen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 416,01 aan verschotten, € 3.222,00 voor salaris advocaat in principaal hoger beroep en € 1.611,00 voor salaris advocaat in het incidenteel hoger beroep;

verklaart de veroordeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.W.H. Vink en M.M. Kosten-Krijnen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.