Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1597

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
200.227.147/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2021:1397
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.227.147/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/595998 / FA RK 15-7624

Beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. I. Roos te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.M. de Winter te Amsterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt de minderjarige [dochter] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

Als informanten zijn aangemerkt:

- mw. F. Jellema, orthopedagoog/jeugdpsycholoog (Ouder- en Kindteam (OKT) Noord-West);

- mw. M. Meijer (Ouder- en Kindteam (OKT) Noord-West);

- mw. D. Russell (HVO Querido);

- drs. A.M. Stokkel (psychologenpraktijk Flinck & Stokkel).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 2 november 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 2 augustus 2017.

2.2

De vrouw heeft op 20 december 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw met bijlagen van 14 maart 2018, ingekomen op 15 maart 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man met bijlagen van 18 juni 2018, ingekomen op dezelfde datum.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 28 juni 2018 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Het hof heeft de zaak aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen psycho-educatie te volgen en partijen in de gelegenheid te stellen hun onderlinge communicatie te verbeteren.

2.5

Vervolgens zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man, met bijlagen, van 29 augustus 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw, met bijlagen, van 29 november 2018;

- een faxbrief van de zijde van de man van 24 juni 2019, met daarbij op verzoek van het hof opnieuw het journaalbericht met bijlagen van 29 augustus 2018.

2.6

De mondelinge behandeling is op 8 juli 2019 voortgezet, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De zaak is toen aangehouden zodat partijen een begin zouden kunnen maken met het traject Ouderschap Blijft. Voorts is bepaald dat informanten zullen worden opgeroepen.

2.7

Vervolgens zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een e-mail van het OKT van 14 november 2019, waarin mevrouw Jellema en mevrouw Meijer zich afmelden voor de zitting;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw, met bijlagen, van 25 november 2019, ingekomen op dezelfde dag;

- een faxbericht van de zijde van de man, met bijlage, van 4 december 2019.

2.8

De nadere mondelinge behandeling heeft op 5 december 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en door M. Bouker, tolk in de Marokkaans-Arabische taal;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers;

- mevrouw D. Russell van HVO Querido, ambulant begeleider van de man;

- drs. A.M. Stokkel van psychologenpraktijk Flinck & Stokkel.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben tot in 2009 een relatie gehad. Uit de verbroken relatie van de man en de vrouw is [in] 2009 [de minderjarige] geboren.

De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . De man heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

[de minderjarige] is verstandelijk beperkt, heeft de diagnose autisme en heeft een ernstige vorm van epilepsie.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2013 is onder meer aan de man vervangende toestemming verleend [de minderjarige] te erkennen en is een omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [de minderjarige] aldus, dat de man [de minderjarige] eenmaal per acht weken in het bijzijn van de vrouw twee uur bij zich zal hebben, waarbij partijen het omgangsmoment en de plaats waar de omgang plaatsvindt in onderling overleg overeen dienen te komen.

3.4

De man heeft sinds oktober 2014 geen contact meer gehad met [de minderjarige] .

3.5

Bij beschikking van 24 februari 2016 heeft de rechtbank Amsterdam in deze procedure het verzoek van de man om hem en de vrouw met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te belasten, afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht om onderzoek te doen – kort samengevat – naar de vraag of een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] kan worden vastgesteld en, zo ja, hoe deze regeling er uit dient te zien.

3.6

De raad heeft op 27 juli 2016 advies uitgebracht en geadviseerd om een omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en de man inhoudende dat de man en [de minderjarige] eenmaal per zes weken voor de duur van 1,5 á 2 uur omgang hebben op een locatie van Cordaan. De omgang dient daarbij stapsgewijs opgebouwd te worden nadat er mediation is geweest en de man psycho-educatie heeft gehad.

3.7

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2016 zijn partijen doorverwezen naar mediation en is de zaak aangehouden in afwachting van de uitkomst van dat traject.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op het verzoek van de vrouw de omgangsregeling beëindigd. Het verzoek van de man om te bepalen: primair dat de bestaande regeling wordt uitgebreid naar 8 uur in de 4 weken, bij de man thuis, zonder aanwezigheid van de vrouw, subsidiair: onder begeleiding van een HVO Querido medewerker of een andere maatschappelijke begeleider, meer subsidiair: een in goede justitie te bepalen omgangsregeling, is daarbij afgewezen.

4.2

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat de man [de minderjarige] eenmaal per acht weken in het bijzijn van de vrouw twee uur bij zich zal hebben, waarbij partijen het omgangsmoment en de plaats van de omgang in onderling overleg overeenkomen, dan wel een omgangsregeling vast te stellen die het hof in goede justitie juist acht.

4.3

De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Artikel 1:377a lid 2 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter op verzoek van een ouder, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt, dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt. Volgens lid 3 van deze bepaling ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.2

De man meent dat de rechtbank de omgang ten onrechte heeft beëindigd. Hij heeft aangevoerd dat de vrouw hem nooit heeft willen toelaten in het leven van [de minderjarige] en dat zij alles in het leven van [de minderjarige] bepaalt. De man heeft zijn best gedaan te communiceren met de vrouw en heeft met de vrouw ook een mediationtraject gevolgd. Dat desondanks de communicatie niet loopt en partijen niet in staat zijn afspraken te maken, zou echter niet tot beëindiging van de omgang mogen leiden, nu [de minderjarige] recht heeft op omgang met de man. Ook de raad heeft in het raadsrapport van juli 2016 geadviseerd tot omgang en eerder was er ook mooi contact tussen de man en [de minderjarige] .

De man heeft gedurende de procedure in hoger beroep psycho-educatiegesprekken gehad bij het Ouder en Kind team (OKT). Het OKT heeft de man en de vrouw geadviseerd het traject Ouderschap Blijft te volgen, maar door een wachtlijst en een misgelopen afspraak is hier nog niets van gekomen. Ondertussen heeft de man [de minderjarige] nog steeds niet gezien. De man vraagt zich ook af of het volgen van dit traject noodzakelijk is om de omgang op te starten, nu de man heeft verzocht om begeleide omgang.

5.3

Volgens de vrouw heeft de rechtbank terecht de omgang tussen de man en [de minderjarige] beëindigd. De vrouw heeft jarenlang getracht afspraken te maken met de man om tot een omgangsregeling te komen. [de minderjarige] is een kind met ernstige beperkingen en omgang met haar vereist daarom een bijzondere aanpak. De man staat echter niet open voor adviezen van de vrouw en wil niet inzien dat de vrouw zich niet met hem probeert te bemoeien maar hem juist wil helpen om in contact te komen met [de minderjarige] . De vrouw heeft zelf ook technieken moeten aanleren om contact te maken met [de minderjarige] . De vrouw is dan ook met de rechtbank van mening dat eerst communicatie tussen partijen mogelijk moet zijn en dat de man psycho-educatie dient te volgen voordat omgang plaats kan vinden, alsook dat de omgang begeleid moet plaatsvinden. De man en de vrouw hebben lang op de wachtlijst gestaan van het traject Ouderschap Blijft. Toen er uiteindelijk een afspraak was, heeft de man deze afgezegd. De man en de vrouw communiceren daardoor nog steeds niet met elkaar. In deze situatie acht de vrouw omgang tussen de man en [de minderjarige] niet verantwoord.

5.4

De raad heeft verklaard dat, hoewel het onbekend is hoe de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] verloopt, in het algemeen geldt dat voor de identiteitsontwikkeling van belang is dat kinderen een beeld hebben van beide ouders. Gezien de beperkingen van [de minderjarige] , moet er, voordat omgang kan plaatsvinden, eerst een vorm van communicatie tussen de ouders zijn. De man heeft weliswaar nu psycho-educatie gehad, maar [de minderjarige] ontwikkelt zich verder en verandert, daarom is goede communicatie tussen de ouders van belang. De vrouw heeft de meeste kennis over [de minderjarige] en de man zal moeten leren omgaan met de rol van de vrouw. Het traject Ouderschap Blijft, dat daarbij kan helpen, is nog niet gestart en de raad adviseert derhalve de zaak nog een keer aan te houden.

5.5

Het hof maakt uit de stukken op dat [de minderjarige] tien jaar oud is, maar functioneert op het niveau van een tweejarige. [de minderjarige] is verstandelijk beperkt, heeft de diagnose autisme en heeft een ernstige vorm van epilepsie. [de minderjarige] kan lopen, maar is moeilijk te sturen in haar gedrag. [de minderjarige] heeft baat bij regelmaat. Als zij steeds op dezelfde manier wordt benaderd en dit contact op dezelfde manier plaatsvindt, geeft dit haar rust en stabiliteit. Bij veranderingen, zoals een nieuwe omgeving of nieuw persoon, kan [de minderjarige] van slag raken. [de minderjarige] gaat overdag naar een kinderdagcentrum. De vrouw en [de minderjarige] worden begeleid door mevrouw Van der Veen van Cordaan, die eenmaal per twee weken bij hen thuis komt. [de minderjarige] wordt voorts individueel begeleid door psychologenpraktijk Flinck&Stokkel. Zij begeleiden [de minderjarige] wekelijks individueel thuis en ook wekelijks individueel op de groep in het kinderdagcentrum. Met deze begeleiding wordt onder meer beoogd [de minderjarige] vaardigheden aan te leren, zoals het zeggen van woorden, en gewenst gedrag, en de frustratietolerantie te vergroten. Daarnaast geven zij ouderbegeleiding en wordt de vrouw gecoacht hoe om te gaan met het gedrag van [de minderjarige] .

5.6

In deze situatie acht het hof het van groot belang dat de man de beperkingen van [de minderjarige] leert kennen en daarmee rekening leert houden in het contact met haar. Daarnaast is het belangrijk dat hij informatie kan uitwisselen met en openstaat voor feedback van de vrouw en de begeleiders van [de minderjarige] . De man heeft ondertussen in een aantal gesprekken bij het OKT psycho-educatie gehad. Het OKT heeft de man en de vrouw geadviseerd om het traject Ouderschap Blijft te volgen. Het hof acht het van groot belang dat de vader inzicht krijgt in de beperkingen van [de minderjarige] , leert om te gaan met haar beperkingen aan de hand van de aanwijzingen en ervaringen van de vrouw, en dat de vrouw vertrouwen in de man kan opbouwen. Voorts dienen de ouders te leren over (de omgang met) [de minderjarige] van gedachten te wisselen en hierover goede afspraken te maken. Pas als aan deze voorwaarden is voldaan kan eventueel omgang tussen de man en [de minderjarige] veilig plaatsvinden. Het traject Ouderschap Blijft kan daarbij begeleiding bieden. Helaas is dit traject nog niet gestart, door een wachtlijst en een misgelopen afspraak. Het hof zal de zaak opnieuw aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum. Partijen kunnen dan alsnog het traject Ouderschap Blijft volgen.

Het hof overweegt daarbij uitdrukkelijk dat zonder een vorm van behoorlijke communicatie tussen de man en de vrouw, omgang onverantwoord is en dus in strijd met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] zal zijn. Die communicatie moet dus op gang komen, waarbij de man zal moeten accepteren dat het de vrouw is die het gezag over [de minderjarige] heeft. Zij kent [de minderjarige] veel beter dan de man en weet, mede doordat zij intensief wordt begeleid, veel beter dan hij wat [de minderjarige] medische belang vergt.

5.7

Indien gewenst kunnen partijen in hun hierna te vermelden uitlating verzoeken om een nadere mondelinge behandeling. De mogelijkheid bestaat ook dat de zaak na genoemde pro forma datum op de stukken zal worden afgedaan. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma zal worden aangehouden tot zondag 8 november 2020, en bepaalt dat partijen het hof uiterlijk twee weken vóór die datum schriftelijk zullen informeren over de stand van zaken en het gewenste vervolg van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Baauw als griffier en is op 14 april 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.