Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1561

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
23-000440-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting, bewijsoverweging omstandigheden van het geval oa de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000440-17

datum uitspraak: 8 juni 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 januari 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 15-800515-16 en 15-703365-13 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hof gaat uit van een impliciet cumulatieve tenlastelegging met betrekking tot de ten laste gelegde oplichting. Ter zake van de oplichting van het slachtoffer [benadeelde 1], opgenomen onder het tweede gedachtestreepje (aangifte 2016182730) is de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal op grond van het bovenstaande de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze partiële vrijspraak.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd - voor zover nog aan de orde - dat:


hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Broek op Langedijk en/of Heerhugowaard en/of (elders in) Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7],

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, hebbende hij, verdachte, in genoemde periode, zakelijk weergegeven, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

(aangifte 2016174249)

op of omstreeks 29 juli 2016 aan die [benadeelde 2] verteld dat zijn auto in puin was en/of de ventilatorriem kapot was en/of dat deze auto in Koedijk stond en/of dat hij zijn portemonnee niet bij zich had en daarom geen taxi kon krijgen en/of dat hij van zijn werk kwam en/of heeft gedaan alsof hij zijn dochter aan het bellen was en/of aan die [benadeelde 2] gevraagd hem, verdachte, (in verband met de betaling van een taxirit naar het ziekenhuis in verband met diens bevallende dochter) een geldbedrag van 20 euro te lenen en daarbij aangegeven dat hij, verdachte, het bedrag verdubbeld, althans voornoemd bedrag, (diezelfde avond) zou teruggeven, waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot afgifte van 20 euro en/of

(aangifte 2016226298)

op of omstreeks 25 september 2016 aan die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] heeft verteld dat hij zijn woning niet in kon omdat zijn dochter de sleutels zou hebben en/of die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] aangesproken en gevraagd om hem, verdachte, (in verband met de betaling van een taxirit of busvervoer naar het ziekenhuis in verband met diens bevallende dochter) een geldbedrag te lenen onder vermelding het te lenen bedrag dan wel een veelvoud daarvan (50 euro) terug te betalen/geven

en/of

op of omstreeks 26 september 2016 aan die [benadeelde 4] gevraagd om hem, verdachte 20 of 30 euro, althans een geldbedrag, te geven zodat hij, verdachte, een bedrag/briefje van 50 euro kon teruggeven aan die [benadeelde 4] met daarbij de vermelding dat hij, verdachte, direct 50 euro zou gaan pinnen om aan die [benadeelde 4] terug te betalen/geven en/of op of omstreeks 26 september 2016 aan die [benadeelde 3] gevraagd hem, verdachte, (in verband met de betaling van een boete inzake diens auto) een geldbedrag te lenen onder vermelding het te lenen bedrag diezelfde dag terug te betalen/geven

en/of

op of omstreeks 29 september 2016 aan die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] gevraagd hem, verdachte, een bedrag van 50 euro te geven onder vermelding dat hij, verdachte, voornoemd bedrag nodig had om 200 euro te wisselen bij diens broer waardoor die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] werd(en) bewogen tot afgifte van 10 euro en/of 20 of 30 euro en/of 40 euro en/of 50 euro en/of

(aangifte 2016244966)

op of omstreeks 29 oktober 2016 aan die [benadeelde 5] gevraagd om hem, verdachte, 50 of 100 euro te lenen (in verband met de betaling van een taxirit naar het ziekenhuis in verband met de bevalling van diens dochter) onder vermelding het te lenen bedrag (welke uiteindelijk 20 euro werd) diezelfde avond terug te betalen/geven en/of (later die dag) aan die [benadeelde 5] medegedeeld alleen een briefje van 100 euro te hebben met daarbij de vraag aan die [benadeelde 5] of hij voornoemd bedrag van 100 euro kon wisselen (waarna die [benadeelde 5] een briefje van 50 euro op tafel heeft gelegd) waardoor die [benadeelde 5] werd bewogen tot afgifte van 20 euro en/of 50 euro en/of

(aangifte 2016258541)

op of omstreeks 21 november 2016 zich heeft voorgesteld als [verdachte] en/of aan die [benadeelde 6] gevraagd hem, verdachte, een bedrag van 10 of 20 euro te lenen (voor vervoerskosten daar diens dochter aan het bevallen was in het ziekenhuis) onder vermelding het te lenen bedrag (diezelfde dag) verdubbeld terug te betalen/geven en/of (later die dag) aan die [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] gevraagd hem, verdachte, 20 euro wisselgeld of benzinegeld te lenen/geven (eveneens) onder de vermelding dit bedrag terug te betalen/geven of te verrekenen met een openstaand bedrag waardoor die [benadeelde 6] werd bewogen tot afgifte van 20 euro en/of die [benadeelde 7] werd bewogen tot afgifte van 20 euro;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Broek op Langedijk en/of Heerhugowaard en/of (elder in) Nederland, opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (bonafide) lener (te weten door te zeggen/te suggereren dat het geleende geld zal worden terugbetaald) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proces-economische overwegingen worden vernietigd.

Bewijsoverweging

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Daartoe moet de verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.1

Het hof stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte heeft telkens aan het einde van de maand de slachtoffers uit het niets op de openbare weg aangesproken. Daarbij heeft de verdachte steeds een indringende situatie doen ontstaan door, vaak op theatrale wijze, met name de mededelingen te doen dat zijn dochter in het ziekenhuis aan het bevallen was, dat hij geld nodig had om naar zijn dochter te gaan en dat hij het bedrag (verdubbeld) (nog dezelfde avond) terug zou geven. Daarmee heeft hij welbewust en in strijd met de waarheid het beeld geschetst van een bezorgde vader, die willekeurige voorbijgangers aansprak, op een paniekerige wijze een direct en urgent beroep deed op hun menselijk gevoel en sociale begaan zijn en daarbij aangaf er meer dan het te lenen bedrag voor over te hebben om bij de bevalling van zijn dochter te kunnen zijn. Er was voor de nietsvermoedende toevallige voorbijgangers, gelet op de indringendheid van de gedane leugenachtige mededelingen, in die omstandigheden geen aanleiding om de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Wanneer de slachtoffers vervolgens contact opnamen met de verdachte over de teruggave van de bedragen deed de verdachte de mededeling dat de slachtoffers weer geld mee moesten nemen om te kunnen wisselen zodat de verdachte het juiste bedrag kon terugbetalen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus door een samenweefsel van verdichtsels en/of het gebruikmaken van een valse naam en/of het aannemen van een valse hoedanigheid bij de slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze zijn bewogen tot afgifte van geld aan de verdachte. In het handelen van de verdachte is een gelijksoortig patroon te herkennen: zo hebben de tenlastegelegde feiten allemaal rondom het einde van de maand plaatsgevonden, wordt steeds ongeveer dezelfde mededeling door de verdachte gedaan namelijk dat zijn dochter in het ziekenhuis aan het bevallen is en vertoont het verloop rondom de terugbetaling van het bedrag bij de verschillende slachtoffers overeenkomsten. Het hof betrekt deze terugkerende modus operandi mede bij de beoordeling van de vraag of voldoende bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen, in die zin dat alle aangiften over en weer worden gebruikt als steunbewijs voor de bewezen verklaarde feiten, omdat het bewijsmateriaal ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onderling op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van de andere te bewijzen feiten.

Daarnaast stelt het hof vast dat ten aanzien van de afzonderlijke oplichtingen voor wat betreft hetzelfde slachtoffer telkens sprake is van een voortgezette handeling, nu sprake is van een patroon van elkaar in tijd opvolgende gelijksoortige misleidende gedragingen, van het in eerste instantie aanspreken van de slachtoffers tot aan de mededelingen dat zij opnieuw geld moesten meenemen zodat de verdachte geldbedragen kon wisselen om het geld terug te kunnen betalen, waaraan één ongeoorloofd wisbesluit ten grondslag lag.

Gelet op al het vorenstaande, in onderling verband bezien met de te bezigen bewijsmiddelen, acht het hof bewezen dat het opzet van de verdachte in alle gevallen van aanvang af en gedurende alle handelingen gericht is geweest om het oplichten van zijn slachtoffers.

Gelet op het bovenstaande komt het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij in de periode van 29 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Broek op Langedijk en/of Heerhugowaard, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7], heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld, hebbende hij, verdachte, in genoemde periode, zakelijk weergegeven, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- op 29 juli 2016 aan die [benadeelde 2] verteld dat zijn auto in puin was en de ventilatorriem kapot was en dat deze auto in Koedijk stond en dat hij zijn portemonnee niet bij zich had en daarom geen taxi kon krijgen en dat hij van zijn werk kwam enen aan die [benadeelde 2] gevraagd hem, verdachte, een geldbedrag te lenen en daarbij aangegeven dat hij, verdachte, het bedrag verdubbeld, (diezelfde avond) zou teruggeven, waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot afgifte van 20 euro, en

- op 25 september 2016 aan die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft verteld dat hij zijn woning niet in kon omdat zijn dochter de sleutels zou hebben en die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] aangesproken en gevraagd om hem, verdachte, (in verband met de betaling van een taxirit of busvervoer naar het ziekenhuis in verband met diens bevallende dochter) een geldbedrag te lenen onder vermelding het te lenen bedrag dan wel een veelvoud daarvan (50 euro) terug te geven, en

- op 26 september 2016 aan die [benadeelde 4] gevraagd om hem, verdachte 30 euro, te geven zodat hij, verdachte, een bedrag van 50 euro kon teruggeven aan die [benadeelde 4] met daarbij de vermelding dat hij, verdachte, direct 50 euro zou gaan pinnen om aan die [benadeelde 4] terug te geven en op 26 september 2016 aan die [benadeelde 3] gevraagd hem, verdachte, (in verband met de betaling van een boete inzake diens auto) een geldbedrag te lenen onder vermelding het te lenen bedrag terug te geven, en

-op 29 september 2016 aan die [benadeelde 4] gevraagd hem, verdachte, een bedrag van 50 euro te geven onder vermelding dat hij, verdachte, voornoemd bedrag nodig had om 200 euro te wisselen bij diens broer waardoor die [benadeelde 4] werd bewogen tot afgifte van 50 euro, en

- op 29 oktober 2016 aan die [benadeelde 5] gevraagd om hem, verdachte, 50 of 100 euro te lenen (in verband met de betaling van een taxirit naar het ziekenhuis in verband met de bevalling van zijn dochter) onder vermelding het te lenen bedrag (dat uiteindelijk 20 euro werd) diezelfde avond terug te geven en (later die dag) aan die [benadeelde 5] medegedeeld alleen een briefje van 100 euro te hebben met daarbij de vraag aan die [benadeelde 5] of hij voornoemd bedrag van 100 euro kon wisselen (waarna die [benadeelde 5] een briefje van 50 euro op tafel heeft gelegd) waardoor die [benadeelde 5] werd bewogen tot afgifte van 50 euro, en

- op 21 november 2016 zich heeft voorgesteld als [verdachte] en aan die [benadeelde 6] gevraagd hem, verdachte, een bedrag te lenen onder vermelding het te lenen bedrag (diezelfde dag) verdubbeld terug te geven en (later die dag) aan die [benadeelde 6] en [benadeelde 7] gevraagd hem, verdachte, 20 euro wisselgeld of benzinegeld te lenen/ (eveneens) onder de vermelding dit bedrag terug te geven waardoor die [benadeelde 7] werd bewogen tot afgifte van 20 euro.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest, in combinatie met de hiervoor gegeven bewijsoverweging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van twaalf weken met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting. Hij heeft verschillende slachtoffers op een doortrapte manier geld afhandig gemaakt en heeft het daarbij niet bij één bedrag gelaten. Daarbij heeft de verdachte misbruik gemaakt van de goede bedoelingen van zijn slachtoffers en hun bereidheid om een medemens in nood te helpen. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen van zijn slachtoffers in hun medemens en de maatschappij beschaamd. Hierdoor zijn niet alleen bij deze slachtoffers gevoelens van achterdocht en wantrouwen ontstaan maar door dit handelen ontstaan deze gevoelens in de maatschappij in het algemeen.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof verder mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2020 eerder meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Bovendien heeft de verdachte het feit begaan terwijl hij nog in een proeftijd liep.

Het hof stelt daarnaast vast dat gelet op het bepaalde in artikel 22b, tweede lid, Sr oplegging van louter een taakstraf thans is uitgesloten.

Gelet op de ernst van de feiten en de hardnekkigheid waarmee de verdachte blijkens die opeenvolging van feiten en zijn strafblad dit soort feiten, ook tijdens een lopende proeftijd, blijft plegen, is het hof van oordeel dat, zulks in weerwil wat de raadsman heeft aangevoerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, nu niet meer met een voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. De verdachte is een en andermaal een gewaarschuwd mens geweest en nu is het moment gekomen waarop hij de consequenties van zijn daden in volle omvang zal moeten ervaren.

Wat betreft de redelijke termijn overweegt het hof dat in artikel 6, eerste lid Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht.

In deze procedure is de op redelijk te beoordelen termijn aangevangen op 29 november 2016, het moment van verhoor van de verdachte. Het vonnis waarvan beroep werd gewezen op 18 januari 2017. Vervolgens is op 1 februari 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 8 juni 2020. Daarmee is de redelijke termijn in de fase van hoger beroep overschreden (met één jaar en vier maanden). De duur van de totale berechting in twee feitelijke instanties heeft echter wel binnen de termijn van vier jaren plaatsgevonden. Derhalve volstaat het hof met louter de constatering dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is geschonden.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 20,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 70,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 90,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte is in eerste aanleg niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen voor zover jegens [benadeelde 1] gepleegd waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. Vanwege deze vrijspraak is het ten laste gelegde ten aanzien van [benadeelde 1] in hoger beroep niet meer aan de orde. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 56, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof zal overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2015, parketnummer 15-703365-13, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 20 dagen niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het tenlastegelegde met betrekking tot [benadeelde 1].

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het overigens ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20,00 (twintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 20,00 (twintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 november 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20,00 (twintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 20,00 (twintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 november 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 70,00 (zeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 70,00 (zeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 oktober 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 90,00 (negentig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 90,00 (negentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 september 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering tenuitvoerlegging

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 15-703365-13.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. J.L. Bruinsma en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 juni 2020.

=========================================================================

[…]

1 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892.