Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1510

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
200.267.491/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstekzaak. Vordering uit hoofde van geldlening van € 20.000,00 in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van € 16.000,00. Appel tegen de afwijzing van € 4.000,00. Beroep op verrekening van (niet verschenen) geïntimeerde wordt in appel alsnog verworpen en het bedrag van € 4.000,00 wordt alsnog toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.267.491/01

zaaknummer rechtbank : 7507188 \ CV EXPL 19-949

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.J. Sneller te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 3 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 17 juli 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Nadat tegen [geïntimeerde] verstek was verleend, heeft [appellant] onder overlegging van een productie van grieven gediend.

Ten slotte heeft [appellant] arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd, naar het hof begrijpt, dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen, voor zover daarbij een deel van de vordering van [appellant] is afgewezen en die vordering alsnog integraal zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Beoordeling

2.1

Stellende dat hij [geïntimeerde] , met wie hij een affectieve relatie heeft gehad, een bedrag van € 20.000,00 heeft uitgeleend en dat dit bedrag opeisbaar is maar [geïntimeerde] weigert het aan hem terug te betalen, heeft [appellant] in de eerste aanleg van dit geding van [geïntimeerde] de (terug)betaling gevorderd van voormeld bedrag van € 20.000,00, met rente. [geïntimeerde] heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

2.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering toegewezen tot een bedrag van € 16.000,00, met rente, en voor het overige afgewezen, een en ander onder verwijzing van [geïntimeerde] in de proceskosten. De kantonrechter verwierp daarbij het primaire verweer van [geïntimeerde] dat tussen partijen geen overeenkomst van geldlening bestond maar honoreerde het door [geïntimeerde] subsidiair gedane beroep op verrekening met een bedrag van € 4.000,00 wegens door haar aan de moeder van [appellant] (kennelijk onverschuldigd) gedane betalingen van € 1.700,00, € 1.300,00 en € 1.000,00.

2.3.

Met zijn grief betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte het door [geïntimeerde] gedane beroep op verrekening heeft gehonoreerd en de vordering tot een bedrag van € 4.000,00 heeft afgewezen.

2.4.

De grief is gegrond. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij de betalingen tot een bedrag van € 4.000,00 aan de moeder van [appellant] zonder rechtsgrond (dus onverschuldigd) heeft gedaan en mag verrekenen met het bedrag dat [appellant] uit hoofde van de geldlening van haar te vorderen heeft. Aangezien [geïntimeerde] zich erop beroept dat zij voormeld bedrag van € 4.000,00 mag verrekenen met haar schuld aan [appellant] en deze dat gemotiveerd betwist – de door [geïntimeerde] aan [appellant] moeder betaalde bedragen zagen volgens hem op door zijn moeder aan [geïntimeerde] verstrekte (andere) geldleningen respectievelijk op door [geïntimeerde] aan de stiefvader van [appellant] verschuldigd loon –, rust op [geïntimeerde] de bewijslast ten aanzien van de door haar gestelde onverschuldigde betalingen. [geïntimeerde] is echter in appel niet verschenen en heeft (dus) geen bewijsaanbod gedaan, terwijl zonder bewijslevering de gegrondheid van het beroep op verrekening niet is vast te stellen. Reeds daarom komt haar geen bevoegdheid tot verrekening toe. Daar komt nog bij dat op grond van door [appellant] in appel overgelegde afschriften van de bankrekening van zijn moeder voorshands aannemelijk is dat in ieder geval de betaling door [geïntimeerde] van het bedrag van € 1.700,00 geschiedde als terugbetaling van een door de moeder van [appellant] aan [geïntimeerde] verschafte geldlening tot dat bedrag, zulks in verband met de aankoop van een auto. Bij deze stand van zaken kan onbeantwoord blijven de meer principiële vraag of [geïntimeerde] eventueel door haar onverschuldigd aan de moeder van [appellant] gedane betalingen kan verrekenen met haar schuld aan [appellant] .

2.5.

De conclusie is dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van [appellant] tot een bedrag van € 4.000,00, met rente, heeft afgewezen, reden waarom het hof die vordering – onder vernietiging in zoverre van het bestreden vonnis – alsnog zal toewijzen. [geïntimeerde] zal, als de in appel in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep - uitsluitend - voor zover daarbij het hierna te melden gedeelte van de vordering van [appellant] is afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), zulks bovenop hetgeen door de kantonrechter bij het bestreden vonnis is toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2018 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 423,99 aan verschotten en € 759,00 voor salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J.M. Smit, mr. W.H.F.M. Cortenraad en mr. I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2020.