Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1451

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
23-003001-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het overdragen van 4 automatische aanvalsgeweren, pistolen en munitie heeft verdachte willens en wetens bijgedragen aan toenemend vuurwapengeweld, waarbij niet zelden derden om het leven komen. Rekening gehouden met leeftijd en vooruitgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003001-19

datum uitspraak: 2 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-728163-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog van belang, ten laste gelegd dat:

1.
Hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 22 januari 2019 te Amsterdam en/of De Meern, gemeente Utrecht, en/of Den Helder en/of Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of Udenhout, gemeente Tilburg, en/of Deventer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer wapens en/of munitie van categorie II en/of III, te weten

  • -

    een pistool (merk Baretta, model 90, kaliber 7,65mm) en/of een patroonmagazijn en/of een of meer (veertig) (loden watcutters)patro(o)n(en) (kaliber .32 S&W Long) en/of een of meer (tien) (volmantel rondneus(patro(o)n(en) (kaliber 7,65mm br) en/of

  • -

    een of meer (twee) pisto(ol)l(en) (merk Grand Power, type P1F Ultra, kaliber 9mm x 19) en/of een (omgebouwd gas- en alarm)pistool (merk Ekol Gediz, kaliber 9mm kort) en/of een of meer (negen) (volmantel vlakneus)patro(o)n(en) (kaliber 9mm x 17) en/of een of meer (veertien) (volmantel vlakneus)patro(o)n(en) (kaliber 9mm x 19) en/of een aanvalsgeweer (merk Maadi, type Kalashnikov AK47, kaliber 7,65 x 39mm) en/of een patroonmagazijn en/of een of meer (negentien) (volmantel spitsneus)patro(o)n(en) (kaliber 7,62 x 39mm) en/of

  • -

    een pistool (merk Alkartasuna, kaliber 7,65mm) en/of een patroonmagazijn en/of een of meer (vijf) patro(o)n(en) (kaliber 7,65mm) en/of

  • -

    een aanvalsgeweer (merk Izmash, model AKM, type Kalashnikov AK47, kaliber 7,62 x 39mm) en/of een patroonmagazijn en/of een of meer (achttien) patro(o)n(en) (kaliber 7,62 x 39mm) en/of een of meer (twaalf) (lichtspoor)patro(o)n(en) en/of

  • -

    een aanvalsgeweer (merk Staatsarsenaal, model PM90, type AK47, kaliber 7,62 x 39mm) en/of een aanvalsgeweer (merk Zastava, model M70 AB2, type AK47, kaliber 7,62 x 39mm) en/of een of meer (drie) patroonmagazijn(en) (met daarin een of meer (twee) patro(o)n(en)) en/of een of meer (veertien) patro(o)n(en) (kaliber 7,62 x 39mm) en/of een of meer (achtenvijftig) (lichtspoor)patro(o)n(en) (kaliber 7,62 x 39mm),

zijnde (telkens) een of meer wapens en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;


3.
Hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Den Helder, in elk geval in Nederland, een of meer wapens en/of munitie van categorie III, te weten

  • -

    een gaspistool (merk Heckler & Koch, model P30, kaliber 9mm knal) (voorzien van een laserrichtmiddel) en/of een of meer (drie) patro(o)n(en) (kaliber 9mm P.A.K. knal) en/of

  • -

    een of meer (twee) patroonmagazijn(en) (merk Glock, kaliber 9mm x 19) en/of een of meer (acht) (volmantel rondneus)patro(o)n(en) (merk CBC, kaliber 9mm x 19)

  • -

    een of meer (drie) patroonmagazijn(en) (merk Lancer System L5 Advanced Warfighter Magazine, kaliber 5.65 x 45mm) en/of

  • -

    een patroonmagazijn (model AK47, kaliber 7.62 x 39mm) en/of een of meer (vier) (volmantel langogief)patro(o)n(en) (kaliber 7.62 x 39mm)

zijnde (telkens) een wapen en/of munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

4.
Hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Den Helder, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer 5,07 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of een of meer (vijf) tablet(ten) MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval (telkens) middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;


5.
Hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Den Helder, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer 185,33 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.
Hij in of omstreeks de periode van 12 november 2018 tot en met 22 januari 2019 te Den Helder en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer goederen, te weten een of meer pa(a)r(en) (vijf) schoenen heef verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de rechtbank, alsmede tot een ander oordeel omtrent de strafbaarheid van het onder 6 bewezenverklaarde en de op te leggen straf.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep kort gezegd verklaard dat hij niet wist dat zich in zijn woning harddrugs bevonden en heeft gesuggereerd dat deze zijn achtergelaten door vrienden die in zijn woning hebben mogen feesten of ‘chillen’. In het verlengde daarvan heeft zijn raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde, omdat niet overtuigend kan worden bewezen dat hij opzettelijk verdovende middelen in zijn woning aanwezig heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt.

Op 22 januari 2019 zijn bij een doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres] op verschillende plekken verdovende middelen gevonden. In de la van de salontafel lagen acht wikkels, waarvan zes met daarop de afbeelding van [naam 1] , met daarin cocaïne en drie gele pillen met indruk ‘ [naam 2] ’ met MDMA (XTC). Op de rand van de schouw werden twee gele pillen met indruk ‘ [naam 2] ’ met MDMA, een brokje hasjiesj en diverse onderdelen van vuurwapens aangetroffen.

Het dossier biedt geen solide aanknopingspunt voor de gedachte dat de aangetroffen harddrugs door toedoen van anderen dan de verdachte in zijn woning terecht gekomen zijn. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte van de aanwezigheid van die waar in zijn woning op de hoogte is geweest. Voor die conclusie is temeer aanleiding nu:

  • -

    de verdachte in de periode voorafgaand aan het aantreffen van genoemde pillen chatgesprekken heeft gevoerd over het (door hem) afnemen van pillen met verschillende opdrukken, waaronder ‘ [naam 3] ’, en daarin ook met zoveel woorden XTC krijgt aangeboden;

  • -

    de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de aangetroffen hasjiesj van hem waren en dat hij de onderdelen van vuurwapens (in afwachting van de verkoop daarvan) in zijn woning heeft bewaard, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat verschillende van genoemde XTC-pillen op de schouw naast die hasjiesj en wapenonderdelen lagen;

  • -

    de verdachte op 9 januari 2019 in een afgeluisterd telefoongesprek onomwonden heeft gezegd dat hij (niet zo hele goede) cocaïne in huis heeft en spreekt over de verkoop van cocaïne.

Om deze gronden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 4 tenlastegelegde harddrugs opzettelijk in zijn woning aanwezig heeft gehad. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde

Op 22 januari 2019 zijn in de woning en de auto van de verdachte in vijf schoenendozen vijf paar schoenen van luxe merken gevonden. Blijkens de prijsstickers op de dozen hadden de schoenen een verkoopprijs variërend van € 495,00 tot € 775,00 per paar.

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij die schoenen samen met zijn vader heeft gekocht op de Zwarte Markt in Beverwijk en dat de betreffende verkoper hen er daarbij van heeft weten te overtuigen dat het originele merkschoenen betroffen. In aansluiting daarop heeft de raadsman het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 6 tenlastegelegde, omdat niet bewezen is dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de schoenen van diefstal afkomstig waren. Verder heeft de raadsman in twijfel getrokken dat kan worden vastgesteld dat de schoenen van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof verwerpt het verweer in beide onderdelen en overweegt daartoe als volgt.

De ter terechtzitting door de verdachte afgelegde verklaring acht het hof ongeloofwaardig, reeds omdat (i) hij tegenover de politie heeft verklaard dat hij niet meer weet van wie hij de schoenen heeft gekocht1 en (ii) zijn vader op 25 juni 2019 tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij weliswaar met zijn zoon is meegegaan naar de Zwarte Markt, maar hij niet bij de daadwerkelijke verkoop aanwezig is geweest en dat hij er overigens vanuit ging dat de schoenen nep waren. Daarbij komt het volgende.

Op 12 november 2018 is ingebroken bij [bedrijf 1] , een opslag- en distributiebedrijf in Amsterdam waarmee [bedrijf 2] samenwerkte. Daarbij hebben de inbrekers een gat in de muur van het betreffende pand gemaakt en zijn er schoenen weggenomen die, naar het hof begrijpt, kort daarvoor voor [bedrijf 2] bij [bedrijf 1] waren afgeleverd. Namens [bedrijf 2] is te kennen gegeven dat de schoenen die bij de verdachte zijn gevonden, deel uit maakten van hun collectie. Op 21 januari 2019 heeft de verdachte in een afgeluisterd OVC-gesprek verteld dat ‘de schoenen die hij verkocht’ ‘van iemand anders uit Amsterdam’ kwamen en dat ‘die de muur van de leverancier van [bedrijf 2] eruit hadden geblazen en schoenen hadden gepakt’. Op 11 januari 2019 heeft de verdachte een potentiële koper van één van de schoenenparen in een chatgesprek laten weten: “Ze zijn gewoon uit het magazijn van [bedrijf 2] hè en dus origineel”.

Uit dit een en ander leidt het hof af dat de bij de verdachte aangetroffen schoenen zijn buitgemaakt bij de inbraak bij [bedrijf 1] , mede omdat er in het dossier niets is te vinden dat er op wijst dat hij in genoemde gesprekken de onwaarheid heeft gesproken. Dat de verdachte, zoals hij op de terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep heeft verklaard, op 11 januari 2019 slechts heeft gedaan alsof de schoenen van diefstal afkomstig waren omdat dit de verkoop zou vergemakkelijken, acht het hof volstrekt onaannemelijk, te meer omdat dit onverklaard laat waarom hij soortgelijke uitlatingen heeft gedaan in het OVC-gesprek. Uit de gesprekken van 11 en 21 januari 2019 volgt voorts rechtstreeks dat de verdachte van de criminele komaf van de schoenen op de hoogte was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 10 september 2018 tot en met 22 januari 2019 in Nederland wapens van categorie II en wapens van categorie III en munitie van categorieën II en III, te weten

  • -

    een pistool, merk Beretta, model 90, kaliber 7,65mm, veertig loden watcutterspatronen, kaliber .32 S&W Long, en tien volmantel rondneuspatronen, kaliber 7,65mm br en

  • -

    een pistool, merk Alkartasuna, kaliber 7,65mm, en vijf patronen, kaliber 7,65mm, en

  • -

    een aanvalsgeweer, merk Izhmash, model AKM, type Kalashnikov AK47, kaliber 7,62 x 39mm, achttien patronen, kaliber 7,62 x 39mm, en twaalf lichtspoorpatronen en

  • -

    een aanvalsgeweer, merk Staatsarsenaal, model PM90, type AK47, kaliber 7,62 x 39mm, en een aanvalsgeweer, merk Zastava, model M70 AB2, type AK47, kaliber 7,62 x 39mm, en drie patroonmagazijnen , veertien patronen, kaliber 7,62 x 39mm, en achtenvijftig lichtspoorpatronen, kaliber 7,62 x 39mm,

heeft overgedragen;

en

hij op 4 november 2018 te Udenhout, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander

een wapen van categorie II en wapens van categorie III en munitie van categorie III, te weten

  • -

    twee pistolen, merk Grand Power, type P1F Ultra, kaliber 9mm x 19, en

  • -

    een omgebouwd gas- en alarmpistool, merk Ekol, model Gediz, kaliber 9mm kort, en

  • -

    negen volmantel vlakneuspatronen, kaliber 9mm x 17, en

  • -

    veertien volmantel vlakneuspatronen, kaliber 9mm x 19, en

  • -

    een aanvalsgeweer, merk Maadi, type Kalashnikov AK47, kaliber 7,62 x 39mm, en

  • -

    negentien volmantel spitsneuspatronen, kaliber 7,62 x 39mm,

heeft overgedragen;


3.
hij op 22 januari 2019 te Den Helder wapens van categorie II en wapens van categorie III en munitie van categorieën II en III, te weten

  • -

    een gaspistool, merk Heckler & Koch, model P30, kaliber 9mm knal, voorzien van een laserrichtmiddel en drie patronen, kaliber 9mm P.A.K. knal, en

  • -

    twee patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber 9mm x 19, en acht volmantel rondneuspatronen, merk CBC, kaliber 9mm x 19, en

  • -

    drie patroonmagazijnen, merk Lancer System L5 Advanced Warfighter Magazine, kaliber 5.65 x 45mm, en

  • -

    een patroonmagazijn, model AK-47, kaliber 7.62 x 39mm, en vier volmantel langogiefpatronen, kaliber 7.62 x 39mm,

voorhanden heeft gehad.

4.
hij op 22 januari 2019 te Den Helder opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,07 gram cocaïne en 5 tabletten MDMA.

5.
hij op 22 januari 2019 te Den Helder opzettelijk aanwezig heeft gehad 185,33 gram hasjiesj.


6.
hij op 22 januari 2019 te Den Helder goederen, te weten vijf paar schoenen, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen onder 1, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 6 bewezenverklaarde ambtshalve als volgt. Om te voldoen aan de delictsomschrijving van artikel 416, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht dient bewezenverklaard te worden dat de verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed wist dat de schoenen door misdrijf zijn verkregen. Nu dat essentiële bestanddeel in de tenlastelegging en dus in de bewezenverklaring ontbreekt, is het bewezenverklaarde niet onder die wettelijke delictsomschrijving te brengen en ook niet onder enige andere. Daarom levert het onder 6 bewezenverklaarde geen strafbaar feit op en zal de verdachte te dien aanzien worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

De raadsman heeft het hof primair verzocht de verdachte een gevangenisstraf van 36 maanden en subsidiair van 48 maanden op te leggen. Daartoe heeft hij gewezen op de jeugdige leeftijd van de verdachte, diens overwegende bekentenis, diens spijtbetuigingen en de positieve persoonlijke ontwikkeling die hij sinds de aanvang van zijn detentie heeft doorgemaakt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende vijf maanden schuldig gemaakt aan het (verkopen en) overdragen van een reeks aan pistolen en automatische aanvalsgeweren, inclusief (daarbij behorende) munitie. Handel in dergelijke wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Zij worden immers gebruikt bij schietincidenten, waarvan het aantal de afgelopen jaren in rap tempo is toegenomen en waarbij geregeld dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Voor de automatische vuurwapens geldt dat deze uitermate dodelijk zijn en daarmee steeds vaker koelbloedige liquidaties worden uitgevoerd, waarbij ook derden gevaar lopen dodelijk gewond te raken. De verdachte, die nota bene in de veronderstelling verkeerde zijn vuurwapens te leveren aan leden van de zogenoemde mocromaffia, is er zich blijkens onderschepte communicatie volledig bewust van geweest dat de door hem te leveren wapens bij liquidaties gebruikt konden worden en dat het gebruik daarvan (ook overigens) catastrofale gevolgen kon hebben.2 Hij heeft zich daardoor echter niet laten weerhouden en heeft zich slechts laten leiden door zijn zucht naar geld. Hij heeft zelfs meermalen de ambitie uitgesproken om, ter verdere verrijking van zichzelf, internationale transportlijnen voor vuurwapens vanuit Oost-Europa en Italië op te zetten en heeft ook serieuze stappen in die richting gezet.

Voorts zijn in de woning van de verdachte, naast een hoeveelheid wapentuig dat nog verkocht moest worden, enkele XTC-pillen, cocaïne en hasjiesj gevonden. Verdovende middelen, met name harddrugs, vormen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer omdat personen die daaraan verslaafd zijn vaak vermogensdelicten plegen om in hun drugsgebruik te kunnen voorzien.

Het spreekt voor zich dat gezien de ernst van de bewezen feiten met geen andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft het hof in het bijzonder gewicht toegekend aan de frequentie waarmee en de duur van de periode waarin de verdachte heeft gehandeld in vuurwapens en aan het gegeven dat het daarbij in vier gevallen om automatische aanvalsgeweren ging. Het hof heeft verder gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. In het licht van dit alles acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden in beginsel op zijn plaats. Het hof zal deze straf enigszins matigen, aangezien de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde nog relatief jong was en hij sinds hij gedetineerd is geraakt het nodige in het werk heeft gesteld om zijn toekomst na zijn invrijheidstelling concreet en op maatschappelijk verantwoorde wijze vorm te kunnen gaan geven. Zo heeft hij (in detentie) onder meer een Mbo-diploma behaald.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 4 jaren passend en geboden.

Beslag

Onder de verdachte zijn voorwerpen in beslag genomen die nog niet zijn teruggegeven. Daarvan heeft de rechtbank een personenauto (BMW 1-serie, kenteken [kenteken] ), een vuilniszak en een handdoek verbeurdverklaard en een patroon en een doos munitie onttrokken aan het verkeer. Daarnaast heeft zij de teruggave aan de verdachte gelast van een bedrag van € 300,00 en de teruggave aan (het hof begrijpt: de bewaring ten behoeve van) de rechthebbende van een bedrag van € 1.000,00.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof omtrent het beslag beslist zoals als de rechtbank dat heeft gedaan.

De raadsman heeft het hof verzocht de inbeslaggenomen auto aan de verdachte terug te geven, omdat de door de rechtbank ten aanzien daarvan genomen beslissing niet proportioneel is.

Het hof overweegt als volgt.

Het onder 1 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de aan de verdachte toebehorende BMW. Hij heeft de auto immers diverse malen gebruikt om vuurwapens met (bijbehorende) munitie te vervoeren. De auto wordt om die reden als bijkomende straf verbeurd verklaard. De raadsman heeft gesteld dat de auto ‘slechts heeft gediend om de vuurwapens van A naar B te vervoeren’. Het hof ziet dat anders: het voertuig is een onmisbare schakel geweest bij het ophalen en afleveren van de onder 1 genoemde vuurwapens in diverse provincies door de destijds in Den Helder woonachtige verdachte. Gezien waarde van de auto, die kort na de inbeslagname daarvan werd geschat op € 6.000,00 tot € 6.200,00,3 wordt de verdachte door deze beslissing niet onevenredig in zijn vermogen getroffen.

Het onder 1 bewezenverklaarde is voorts begaan met behulp van de in beslag genomen en niet teruggegeven handdoek en vuilniszak. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom eveneens worden verbeurd verklaard.

Het patroon en de doos met munitie die onder de verdachte in beslag zijn genomen en aan hem toebehoren, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de onder 1 bewezenverklaarde misdrijven aangetroffen. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij (i) van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang en de wet en (ii) kunnen dienen tot het begaan van feiten die soortgelijk zijn aan het onder 1 bewezenverklaarde.

Onder de verdachte zijn diverse contante geldbedragen in beslag genomen van in totaal € 1.300,00. Daarvan moet € 1.000,00 worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat uit een afgeluisterd telefoongesprek van 3 februari 2019 blijkt dat dit bedrag niet aan de verdachte toebehoort.4 De overige € 300,00 moet worden teruggegeven aan de verdachte. Daartoe is mede aanleiding omdat niet kan worden vastgesteld dat het hier om de baten van het onder 1 bewezen geachte gaat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, eerste lid, 26, eerste lid, 31, eerste lid, en 55 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 6 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    Personenauto [kenteken] BMW 1erReihe, goednummer 5697070;

  • -

    Vuilniszak, goednummer 5684281;

  • -

    Handdoek, goednummer 5720811.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 DVS Patroon, goednummer 5631425;

  • -

    1 DS Doos NORMA munitie, goednummer 5631574.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- ten aanzien van goednummers 5696960, 5697214 en 5697217, geld, te weten € 300,00.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- ten aanzien van goednummers 5696960, 5697214 en 5697217, geld, te weten € 1.000,00.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juni 2020.

De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 Persoonsdossier 01, p. 50.

2 Zie bijv. Persoonsdossier 01, p. 87, Algemeen dossier p. 69 en de verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 juli 2019.

3 Persoonsdossier 01, p. 60

4 Zaaksdossier 6, p. 60065-60066.