Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1432

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
200.250.102/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over nakoming overeenkomst. Toerekenbaar tekortschieten opdrachtnemer door niet te adviseren om een asbestinventarisatie te laten verrichten. Bij sloopwerkzaamheden is asbest aangetroffen. Vergoeding schade.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:4577.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.250.102/01

zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 6866315 \ CV EXPL 18-3376

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. R.A.M. Schram te Haarlem,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.H.G. Plieger te Nieuwegein.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 13 november 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 22 augustus 2018, onder bovenvermeld zaaknummer/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Bij arrest van 11 december 2018 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, die op 4 maart 2019 heeft plaatsgevonden. Het van die comparitie opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak vervolgens ter zitting van 10 maart 2020 doen bepleiten door voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben bezwaar gemaakt tegen de inbreng van elkaars producties. Aard en inhoud van de producties, noch het tijdstip waarop deze zijn verzonden zijn echter in strijd met de goede procesorde, zodat deze worden toegelaten. Partijen hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft bij zijn memorie het hoger beroep beperkt tot het vonnis in conventie (verder te noemen: het bestreden vonnis) en geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerden] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hun deze zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [appellant] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze zal afwijzen, met, naar het hof begrijpt, veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.11. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.

2.1.

[geïntimeerden] hebben [appellant] in 2013 opdracht gegeven voor, kort gezegd, het verzorgen van bouwkundige tekeningen, inclusief het aanvragen van een omgevingsvergunning, en het maken van een technische werkomschrijving voor de uitbreiding van hun bedrijfspand en bovenwoning (bouwjaar 1973). De hierop betrekking hebbende (aangepaste) offerte van [appellant] gedateerd 18 januari 2013/15 februari 2013 vermeldt, voor zover van belang:

Hierbij ontvangt u (…) onze aangepaste offerte voor het verzorgen van de bouwkundige tekeningen conform het bouwbesluit (…).

(…)

Bovengenoemde prijs is inclusief het indienen en geheel begeleiden van de omgevingsvergunning/bouwaanvraag (...).

Ook hebben zij [appellant] begin 2015 opdracht gegeven om op te treden als bouwbegeleider.

2.2.

Op 15 april 2013 heeft [appellant] de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend. Deze vergunning is verleend op 31 mei 2013.

2.3.

[appellant] heeft de technische werkomschrijving gemaakt, gedateerd 30 september 2013. In deze werkomschrijving staan als ‘Sloopwerkzaamheden uit te voeren door de aannemer met de hulptroepen’ onder meer vermeld:

- Slopen en afvoeren gehele voorgevel inclusief boeidelen, ramen en deuren (…)

(…)

- Slopen en afvoeren gehele achtergevel vanaf het terras op de eerste verdieping inclusief de ramen en deuren.

2.4.

Op 30 april 2015 zijn de verbouwingswerkzaamheden aangevangen. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door aannemersbedrijf [A] (hierna: [A] ), met als ‘hulpploeg’ [geïntimeerde sub 1] en zijn schoonvader.

2.5.

Op 25 juni 2015 heeft de toezichthouder van de Omgevingsdienst IJmond geconstateerd dat bij de verbouwing is gesloopt en dat er asbest is vrijgekomen en op de openbare weg terecht is gekomen. De werkzaamheden zijn op dat moment stilgelegd. In de schriftelijke bevestiging van de Omgevingsdienst van 9 juli 2015 is vermeld, voor zover van belang:

Overtreding

U overtreedt artikel 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 waarin is gesteld dat het verboden is om zonder een sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen. Tevens overtreedt u artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, omdat u een bouwwerk gedeeltelijk doet afbreken of uit elkaar doet nemen, zonder dat u beschikt over een asbestinventarisatierapport terwijl u gezien het bouwjaar van het pand redelijkerwijs kon weten dat zich in het bouwwerk of object asbest of een asbesthoudend product bevindt.

2.6.

[A] heeft een boete gekregen voor het onder zijn verantwoordelijkheid uitvoeren van werkzaamheden waarbij asbest is vrijgekomen zonder sloopvergunning en zonder asbestinventarisatie.

2.7.

Op 25 juni 2015 is alsnog met spoed een asbestinventarisatie gedaan door Search Ingenieursbureau B.V. (hierna: Search). Blijkens het door Search opgemaakte rapport van 26 juni 2015 is daarbij asbest aangetroffen in (de restanten van) een plaat die was bevestigd aan de voorgevel van de woning.

2.8.

Tevens heeft op 25 en 26 juni 2015 met spoed een asbestsanering plaatsgevonden door saneringsbedrijf [B] B.V. (hierna: [B] ). Hierbij zijn de openbare weg alsmede het pand van [geïntimeerden] schoongemaakt. De in het pand gevestigde mondhygiënistenpraktijk (verder: de praktijk) van [geïntimeerden] was hierdoor op 26 juni 2015 gesloten. Aan het personeel is betaald verlof verleend.

2.9.

Bij factuur van 2 juli 2015 heeft Search voor de door haar verrichte werkzaamheden € 3.340,97 inclusief btw aan [geïntimeerden] in rekening gebracht. [B] heeft [geïntimeerden] bij factuur van 12 oktober 2015 € 11.969,- inclusief btw in rekening gebracht.

2.10.

Bij brief van 4 september 2015 hebben [geïntimeerden] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het niet aanvragen van de asbestinventarisatie en de sloopvergunning. [appellant] heeft zijn aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Beoordeling

3.1.

In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] , samengevat, gevorderd dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. voor recht verklaart dat [appellant] is tekortgeschoten in de deugdelijke nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de met [geïntimeerden] gesloten overeenkomst tot aanvraag van de omgevingsvergunning alsmede het verrichten van werkzaamheden als bouwbegeleider;

II. [appellant] veroordeelt tot vergoeding van de door [geïntimeerden] ten gevolge van de bovengenoemde tekortkoming geleden schade ad in totaal € 17.182,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der sommatie en met de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

3.2.

Aan hun vorderingen hebben [geïntimeerden] , kort weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, ten grondslag gelegd dat zij ten behoeve van voornoemde verbouwing, juist ook omdat bij een vorige verbouwing in 2006 het een en ander niet goed was verlopen, [appellant] hebben ingeschakeld als professionele partij om, onder meer, zorg te dragen voor het vergunningentraject. Zij hebben daarbij erop vertrouwd dat [appellant] op de hoogte was van de overheidsvoorschriften ter zake. [appellant] is niet overgegaan tot het (adviseren van het) laten verrichten van een asbestinventarisatie, ofschoon dat wel deel uitmaakte van de aan hem verleende opdracht. Bij de sloopwerkzaamheden is asbest aangetroffen. Door van (advisering van) het laten uitvoeren van een asbestinventarisatie af te zien is [appellant] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. De hieruit voortvloeiende schade ad € 17.182,37 dient voor zijn rekening te komen. Het schadebedrag bestaat uit de door Search en [B] gefactureerde bedragen ad € 3.340,97, respectievelijk € 11.969,-, € 1.050,- aan gemiste inkomsten, € 172,40 aan personeelskosten wegens het sluiten van de praktijk op 26 juni 2015 en € 650,- aan tijdens de sanering verloren gegane materialen.

3.3.

[appellant] heeft in eerste aanleg betwist dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de met [geïntimeerden] gesloten overeenkomst. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de omgevingsvergunning is niet als verplichting opgenomen om een asbestinventarisatie te laten uitvoeren. Tussen partijen is ook niet overeengekomen dat [appellant] een asbestinventarisatie zou laten uitvoeren. [geïntimeerden] waren hiervoor zelf verantwoordelijk, aangezien zij de sloopwerkzaamheden zelf (samen met [A] ) hebben uitgevoerd. [geïntimeerden] waren wel degelijk op de hoogte van de aanwezigheid van asbest en de in dat verband geldende voorschriften, althans zij hadden daarvan op de hoogte kunnen zijn, mede gelet op de eerdere verbouwing van het desbetreffende pand. [appellant] heeft [geïntimeerden] ook op de mogelijke aanwezigheid van asbest gewezen. [appellant] is pas kort voor aanvang van de werkzaamheden gevraagd om de bouwwerkzaamheden te begeleiden, maar niet ook de sloopwerkzaamheden. Als [geïntimeerden] al iemand aansprakelijk willen stellen voor de ontstane schade, dan zou dit aannemer [A] moeten zijn, aldus [appellant] .

3.4.

De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [geïntimeerden] geheel toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.5.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met 15 grieven op, die zich lenen voor een deels gezamenlijke bespreking. Daarbij stelt het hof het navolgende voorop. Bij de beoordeling van deze zaak komt belang toe aan de regelgeving rondom slopen van gebouwen waarbij asbest vrijkomt of kan komen, zoals die onder meer is neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) en het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Het Bouwbesluit bepaalt in dat verband dat het verboden is om zonder of in afwijking van een sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen. In artikel 3 lid 1 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is, kort gezegd, bepaald dat degene die een bouwwerk of object geheel of gedeeltelijk afbreekt of uit elkaar neemt, dan wel doet afbreken of uit elkaar nemen, dient te beschikken over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt.

3.6.

[geïntimeerden] hebben [appellant] in 2013 in het kader van de door hen gewenste verbouwing opdracht gegeven om bouwkundige tekeningen te verzorgen, inclusief het aanvragen van een omgevingsvergunning, en het maken van een technische werkomschrijving. De door [appellant] opgestelde offerte vermeldt onder meer dat in het voorgestelde bedrag is inbegrepen het verzorgen van de bouwkundige tekeningen conform het Bouwbesluit, alsmede het indienen en geheel begeleiden van de omgevingsvergunning/bouwaanvraag. In een later stadium, in 2015, hebben [geïntimeerden] [appellant] tevens opdracht gegeven om op te treden als bouwbegeleider. Van begin af aan was duidelijk dat sloopwerkzaamheden onderdeel zouden uitmaken van de activiteiten binnen het betrokken project, zoals ook is vermeld in de door [appellant] opgestelde technische beschrijving (feit 2.3.). [appellant] heeft voor [geïntimeerden] ten behoeve van de verbouwing een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend, welke vergunning is verleend. [appellant] heeft [geïntimeerden] niet geadviseerd om een asbestinventarisatie te doen verrichten en een dergelijk onderzoek is niet uitgevoerd. Tijdens de sloopwerkzaamheden is asbest vrijgekomen.

3.7.

[geïntimeerden] verwijten [appellant] dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst door hen niet te adviseren om een asbestinventarisatie te doen verrichten. [appellant] , die, naar hij zelf stelt, bekend was met het risico van de aanwezigheid van asbest in panden als het onderhavige gelet op het bouwjaar daarvan en van de in dat verband geldende regelgeving, heeft het standpunt ingenomen dat hij daartoe niet verplicht was. Volgens [appellant] viel dergelijke advisering niet onder de met [geïntimeerden] gesloten overeenkomst. Hij voert onder meer grieven aan tegen het andersluidende oordeel van de kantonrechter.

3.8.

De vraag of een dergelijk advies geacht moet worden te zijn begrepen in de tussen partijen gesloten overeenkomst kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de offerte die ten grondslag ligt aan de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de in de offerte opgenomen bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.9.

Tussen partijen was overeengekomen dat [appellant] ‘het indienen en geheel begeleiden (cursivering hof) van de omgevingsvergunning/bouwaanvraag’ op zich zou nemen. Dat [appellant] , zoals hij stelt, niet is ingeschakeld vanwege zijn kennis over geldende regelgeving omtrent vergunningen omdat hij geen juridische, maar slechts een bouwtechnische achtergrond heeft, is een standpunt dat moet worden verworpen. Hij heeft zich blijkens voornoemde inhoud van de offerte in elk geval aan [geïntimeerden] als deskundige op dat gebied gepresenteerd, hetgeen [geïntimeerden] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep nog eens onweersproken hebben geïllustreerd door te verwijzen naar zijn website, waarop hij datzelfde doet. [geïntimeerden] hebben dan ook mogen begrijpen dat [appellant] op dit gebied deskundig was. Bij de beoordeling heeft voorts als uitgangspunt te gelden dat [appellant] als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Die zorgvuldigheidsplicht brengt onder meer mee dat hij bij zijn adviseringstaak in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing of actie omtrent een bepaalde kwestie, in dit geval de regelgeving en vergunningverlening rondom verbouwingen, de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen of actie te nemen.

3.10.

Van [appellant] , die door de niet professionele partij [geïntimeerden] was ingeschakeld om hen bij te staan bij hun verbouwing en hen ook op het punt van de vereisten op grond van wet- en regelgeving te ontzorgen, mocht daarom worden verwacht dat hij op de hoogte was van alle van belang zijnde regelgeving rondom de beoogde verbouwing, inclusief de sloop, en die zou naleven en in ieder geval daarover aan [geïntimeerden] zou adviseren.

3.11.

[appellant] heeft een technische werkbeschrijving opgemaakt, waarin ook een beschrijving is gegeven van de te ondernemen sloopwerkzaamheden. Hij heeft zich er daarbij rekenschap van moeten geven dat bij de sloop asbest zou kunnen vrijkomen. Het te slopen pand dateerde immers uit 1973 en algemeen bekend is dat, zoals [appellant] ook erkent, in die tijd bij de bouw veelvuldig van asbest gebruik werd gemaakt in panden als het onderhavige. [appellant] had zich moeten realiseren dat in dit geval daarom een asbestinventarisatie nodig was en dat het op zijn weg lag [geïntimeerden] daartoe te adviseren.

3.12.

[geïntimeerden] hebben redelijkerwijs ook mogen begrijpen dat het zo nodig adviseren van een asbestinventarisatie onder dit vergunningentraject was begrepen en daar onlosmakelijk bij hoorde. Zij hoefden niet erop bedacht te zijn dat juist dit onderdeel hun eigen verantwoordelijkheid was, zoals [appellant] onterecht meent.

3.13.

[appellant] heeft ter zitting in hoger beroep op vragen van het hof geantwoord dat hij op grond van zijn visuele waarnemingen, de omvang van het project en het ontkennende antwoord van [geïntimeerde sub 1] op zijn vraag of [geïntimeerde sub 1] dacht dat er asbest in het pand zat, tot de inschatting is gekomen dat een asbestinventarisatie achterwege kon blijven. Die afweging was onjuist. Hij had een en ander in ieder geval met [geïntimeerden] moeten bespreken. Door [geïntimeerden] niet te wijzen op relevante eisen voortvloeiende uit de regelgeving en mogelijke consequenties daarvan, niet te adviseren tot een asbestinventarisatie over te gaan en zijn afwegingen op dit punt niet met hen te bespreken, heeft hij niet voldaan aan zijn zorgplicht als goed opdrachtnemer. [geïntimeerden] hebben als gevolg daarvan immers ook zelf geen andere keus kunnen maken ten aanzien van het al dan niet laten verrichten van een asbestinventarisatie. Dat [appellant] niet vanaf het begin af aan de bouw, en dus de sloop heeft begeleid, en dat [geïntimeerden] verder het initiatief hadden bij de sloop, doet daaraan niet af.

3.14.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat [geïntimeerden] zelf een deskundige aannemer, [A] , hebben ingeschakeld voor de sloop, dat deze ook kennis had van de regelgeving op dat punt, dat die kennis aan [geïntimeerden] moet worden toegerekend en dat van hem, [appellant] , onder die omstandigheden niet hoefde te worden verwacht nog eens over een asbestinventarisatie te adviseren en dat hij ervan uit mocht gaan dat de aannemer dat zo nodig zou doen. Een en ander, net als het feit dat [geïntimeerde sub 1] , als deelnemer van de ‘hulpploeg’ van [A] , de sloopwerkzaamheden zelf ter hand zou nemen en [appellant] pas in een later stadium werd ingeschakeld om de bouw te begeleiden, doet echter niet af aan de verantwoordelijkheid van [appellant] op grond van de overeenkomst om al in een veel eerder stadium te adviseren tot een asbestinventarisatie. Juist dat behoorde ook tot zijn taak, zodat [appellant] [geïntimeerden] niet kan verwijten dat zij, en in het verlengde daarvan [A] , ondanks het ontbreken van dat advies de sloop ter hand hebben genomen. Dat [A] mogelijk ook een fout heeft gemaakt, disculpeert [appellant] onder deze omstandigheden niet. Hij had moeten voorkomen dat door [A] die fout kon worden gemaakt.

3.15.

[appellant] heeft zich voorts erop beroepen dat [geïntimeerden] het pand reeds eerder in 2006 ingrijpend hadden verbouwd, dat het voldeed aan het Bouwbesluit 2003 en dat het aannemelijk was dat indien en voor zover asbest in het pand aanwezig was, dit bij die eerdere verbouwing zou zijn geconstateerd en zou zijn verwijderd. Er had toen een asbestinventarisatie moeten zijn uitgevoerd, zodat [appellant] ervan uit mocht gaan dat er geen asbest meer aanwezig was en in ieder geval, als dat anders was, [geïntimeerden] dus op de hoogte waren, althans hadden kunnen zijn, van de aanwezigheid van asbest en de regelgeving daaromtrent. [geïntimeerden] zouden zelfs aan [appellant] hebben gemeld dat er geen asbest aanwezig was.

3.16.

Door [geïntimeerden] is een en ander gemotiveerd betwist. Zij stellen dat het in 2006 niet om een grootschalige verbouwing ging. Volgens hen hebben destijds geen breekwerkzaamheden plaatsgevonden aan de buitengevels of andere onderdelen van het pand die mogelijkerwijs asbesthoudende materialen zouden kunnen bevatten en is toen geen asbestonderzoek verricht. [geïntimeerden] betwisten dat zij wisten of hadden moeten weten dat zich in het pand asbest bevond; zij waren volgens hen daarvan niet op de hoogte.

3.17.

Gegeven de betwisting van die stelling door [geïntimeerden] heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerden] van de aanwezigheid van asbest in het pand op de hoogte waren. Het feit dat er een eerdere verbouwing heeft plaatsgevonden is daartoe niet redengevend en neemt niet weg dat het op de weg van [appellant] als ingeschakelde professional lag, om bij deze (nieuwe) verbouwing een asbestinventarisatie te adviseren, tenzij hij zeker wist dat een dergelijk onderzoek reeds eerder had plaatsgevonden en niet op aanwezigheid van asbest duidde. Minstgenomen had hij zijn aannames op dit punt dienen te verifiëren bij [geïntimeerden] Dat dit het geval was is gesteld, noch gebleken.

3.18.

De conclusie uit het voorgaande is dat [appellant] reeds hierom is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht op grond van de overeenkomst en dat de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht terecht heeft gegeven. De stellingen van partijen rondom het al dan niet bestaan van een verplichting van [appellant] om een sloopmelding te doen en de hoeveelheid sloopafval behoeven bij deze stand van zaken geen verdere bespreking, evenmin als de vraag tot welke wijzigingen in de bestuursrechtelijke regelgeving de invoering van de Wabo in 2010 heeft geleid.

3.19.

[appellant] is verplicht de door de toerekenbare tekortkoming ontstane schade aan de zijde van [geïntimeerden] te vergoeden. De schade is ontstaan doordat sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd aan de gevel van het pand, zonder dat de slopers op de hoogte waren van de aanwezigheid van asbest. Niet aannemelijk is dat deze schade ook zonder de tekortkoming van [appellant] zou zijn ontstaan. [geïntimeerden] hebben [appellant] immers ingeschakeld als deskundige voor hun verbouwing en het is voldoende aannemelijk dat zij door hem gegeven adviezen, in dit geval om over te gaan tot een asbestinventarisatie, zouden hebben opgevolgd, zoals zij ook hebben gesteld. In dat geval zou de asbest aan het licht zijn gekomen en zou deze deskundig zijn verwijderd. De onderhavige schade zou dan niet zijn opgetreden. In zoverre is er dus een causaal verband tussen de tekortkoming van [appellant] en die schade.

3.20.

[appellant] heeft betoogd dat het ontstaan van de schade voor hem niet voorzienbaar was en daartoe aangevoerd dat hij niet heeft hoeven verwachten dat [A] zou gaan slopen zonder een asbestinventarisatie te laten uitvoeren en in strijd met de wet zou handelen. Dit betoog gaat niet op. Hiervoor is al overwogen dat een advies op dat punt juist op het terrein van [appellant] lag. Verder ligt de door [A] gepleegde overtreding niet zodanig buiten de lijn der verwachtingen dat de schade niet aan het nalaten van [appellant] kan worden toegerekend.

3.21.

[appellant] richt verder het verwijt aan de kantonrechter dat zij het relativiteitsvereiste heeft geschonden, omdat de geschonden norm die ziet op de verplichting een asbestinventarisatie uit te voeren de volksgezondheid betreft, maar niet strekt tot bescherming van de belangen van [geïntimeerden] [appellant] verliest hierbij echter uit het oog dat hem in deze zaak terecht het verwijt is gemaakt dat hij tekortgekomen is in de nakoming van de overeenkomst doordat hij zijn verplichting om deugdelijk te adviseren heeft geschonden. Dat is de geschonden norm, niet de verplichting een asbestinventarisatie te laten uitvoeren op zichzelf. In zoverre is er dus wel degelijk relativiteit.

3.22.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] als nieuw argument tegen het bestreden vonnis, en dus als nieuwe grief, aangevoerd dat de plaat asbest, die, zoals [geïntimeerden] ter zitting in hoger beroep hebben meegedeeld, tussen twee houten platen zat, waarschijnlijk niet zou zijn aangetroffen wanneer wel op voorhand een asbestinventarisatie zou zijn verricht, omdat normaal gesproken daarbij geen destructief onderzoek plaatsvindt. [geïntimeerden] hebben zich ertegen verzet dat dit argument nog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Het hof gaat aan dit betoog van [appellant] voorbij. Het is wegens strijd met de zogenoemde tweeconclusieregel te laat.

3.23.

[appellant] voert ook grieven aan tegen de door de kantonrechter toegewezen schadevergoeding ten bedrage van € 17.182,37. Voor zover die berusten op het verweer dat er eigen schuld of medeschuld van [geïntimeerden] (en/of [A] ) is, of dat er überhaupt geen schade is, worden de grieven verworpen op de hierboven reeds geformuleerde gronden; die eigen schuld of medeschuld is er niet.

3.24.

Voorts moet volgens [appellant] rekening gehouden worden met de omstandigheid dat [geïntimeerden] zijn doorgegaan met slopen nadat de aanwezigheid van asbest was geconstateerd, waarbij dit asbest bovendien op de openbare weg is gegooid, waardoor de sanering duurder werd. Die hogere kosten moeten worden begroot en komen niet voor rekening van [appellant] .

3.25.

Dat [geïntimeerden] tijdens het slopen al wisten dat er asbest werd verwijderd en hebben toegelaten dat dat op de openbare weg werd gegooid, is door [geïntimeerden] betwist en verder niet door [appellant] onderbouwd. Dat kan dus niet worden aangenomen. De gang van zaken bij het slopen, waarbij kennelijk sloopmateriaal naar beneden is gegooid en/of deels op de weg terechtkwam, zoals daarvan onder meer blijkt uit de in eerste aanleg door [appellant] in het geding gebrachte foto’s, is naar het oordeel van het hof - mede in aanmerking genomen dat dit materiaal zich grotendeels onder dan wel in de directe omgeving van de bouwsteiger bevond - niet zodanig uitzonderlijk of buiten de orde dat dit rechtens gevolgen heeft en de causaliteit met de geleden schade doorbreekt. Het bewijsaanbod van [appellant] dat een en ander heeft plaatsgevonden en tot hogere verwijderingskosten heeft geleid is dus niet relevant en wordt verworpen.

3.26.

[appellant] stelt verder dat er ook kosten van asbestinventarisatie en asbestverwijdering zouden zijn gemaakt als er wel op voorhand een asbestinventarisatie zou zijn uitgevoerd en dat die kosten in mindering moeten worden gebracht op de vordering. [appellant] begroot die kosten wat betreft de asbestinventarisatie op € 3.340,97 (de hoogte van de factuur van Search) en wat betreft de sanering op een bedrag tussen de € 3.000,- en € 5.000,-.

3.27.

Terecht voert [appellant] aan dat kosten van asbestinventarisatie en asbestsanering hoe dan ook hadden moeten worden gemaakt en dus op de vordering in mindering moeten worden gebracht. [appellant] verliest in zijn verweer echter wel uit het oog dat de in rekening gebrachte bedragen een spoedasbestinventarisatie en -asbestsanering betreffen en niet een reguliere. Daarbij komt dat de factuur van Search niet alleen betrekking heeft op een asbestinventarisatie (ad € 1.396,13 ex btw) maar ook op het nemen van zeven kleefmonsters inclusief spoedtoeslag (ad € 1.365,- ex btw). De facturen ter zake bieden hier dus onvoldoende aanknopingspunt om vast te stellen welke kosten hoe dan ook hadden moeten worden gemaakt.

3.28.

[geïntimeerden] hebben betwist dat die kosten in een gewoon geval zo hoog zouden zijn geweest. Zij hebben gesteld dat de kosten van een reguliere asbestinventarisatie € 332,75 zouden hebben bedragen, nu dat bedrag hun in rekening is gebracht voor een asbestinventarisatie aan de achterzijde van de woning, en dat de asbestverwijdering niets zou hebben gekost, nu het asbest een plaat achter de radiator betrof. Wanneer voorafgaand aan de werkzaamheden een asbestinventarisatie had plaatsgevonden, had de asbesthoudende plaat kunnen blijven zitten, dan wel hadden zij deze in zijn geheel zelf kunnen verwijderen en kosteloos naar een milieuplein kunnen brengen, aldus [geïntimeerden]

3.29.

Dat laatste is door [geïntimeerden] echter onvoldoende onderbouwd. Ook de stellingen van [appellant] zijn onvoldoende om de kosten voor verwijdering van de asbest vast te kunnen stellen. Voor bewijslevering op dit punt is dan ook geen plaats en het bewijsaanbod van [appellant] ter zake wordt afgewezen. De kosten van de asbestinventarisatie kunnen evenmin nauwkeurig worden vastgesteld. Weliswaar hebben [geïntimeerden] verwezen naar een factuur van 6 juli 2015 ten bedrage van € 332,75 inclusief btw ter zake van de asbestinventarisatie aan de achterzijde van hun woning, maar het is geen gegeven dat eenzelfde bedrag zou gelden voor de asbestinventarisatie die hier aan de orde is.

3.30.

Nu de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal het hof deze schatten. Daarbij gaat het hof ervan uit dat ook in dit geval, net als bij de achterzijde van de woning, een asbestinventarisatie type A had dienen te worden uitgevoerd. De kosten van een asbestinventarisatie worden dan geschat op € 500,-.

De kosten van verwijdering van de plaat door een professioneel bedrijf worden geschat op een bedrag van € 1.000,- inclusief btw, gelet op de beperkte omvang van de asbesthoudende plaat (2,20 x 0,60 meter) en de locatie waar die zich bevond.

3.31.

Ten slotte betwist [appellant] de opgevoerde schade van € 1.050,- betreffende gemiste inkomsten van de praktijk van [geïntimeerden] op 26 juni 2015, het bedrag van € 172,40 voor kosten personeel en het bedrag van € 650,- betreffende verloren gegane inventaris.

3.32.

Het hof is van oordeel dat het bedrag voor gemiste inkomsten en kosten personeel niet voor toewijzing in aanmerking komt, aangezien [geïntimeerden] deze schadepost onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt. Zij hebben onder meer niet onderbouwd hoeveel de gederfde winst bedraagt, hoewel dat, gezien de betwisting door [appellant] , wel op hun weg had gelegen.

Wat betreft de kosten inventaris geldt dat bij de inleidende dagvaarding andere posten opgevoerd worden dan bij de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerden] Blijkens de specificatie bij de inleidende dagvaarding gaat het immers bij de praktijk om een droogloopmat, speelgoed en wachtkamerbankjes, en bij de bovengelegen woning om een bankstel, kussens van een bank, twee vloerkleden en een eenpersoonsmatras ter waarde van in totaal € 650,-. Blijkens productie 5 bij de memorie van antwoord bestaat het schadebedrag van € 650,- echter uit een wachtkamerbank ad € 361,-, een droogloopmat ad € 100,- en een stofzuiger ad € 189,-. Nu [geïntimeerden] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt uit welk verloren gegaan materiaal hun schade bestaat, en wat de exacte omvang van de schade is, terwijl dat wel van hen had mogen worden verwacht, zal deze schadepost worden afgewezen.

3.33.

Uit het voorgaande volgt dat toewijsbaar is:

rekening Search

€ 3.340,97

rekening [B]

€ 11.969,00

minus geschatte kosten asbestinventarisatie en asbestsanering

-/- € 1.500,00

totaal

€ 13.809,97

3.34.

Het hof is voorts van oordeel dat over dit schadebedrag wettelijke rente is verschuldigd vanaf 13 september 2015, gelet op de in de aansprakelijkstelling van 4 september 2015 gestelde termijn van acht dagen. Tevens zijn op grond van artikel 6:96 BW buitengerechtelijke kosten verschuldigd, omdat deze door [geïntimeerden] voldoende zijn onderbouwd. Het aan buitengerechtelijke kosten verschuldigde bedrag zal worden aangepast aan het in hoofdsom toe te wijzen bedrag. Deze bedragen dan € 1.104,84, inclusief btw.

3.35.

De slotsom is dat de grieven leiden tot een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis. Voor het overige heeft het hoger beroep geen succes. Het hof zal het bestreden vonnis deels vernietigen en voor het overige bekrachtigen. De door [geïntimeerden] geleden schade dient te worden vastgesteld op € 13.809,97, in plaats van op € 17.182,37. Dit leidt ertoe dat [appellant] in totaal in hoofdsom inclusief buitengerechtelijke incassokosten € 14.914,81 aan [geïntimeerden] is verschuldigd in plaats van € 18.328,03, zoals door de kantonrechter is geoordeeld.

3.36.

Ondanks de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis is [appellant] nog steeds te beschouwen als de in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk gestelde partij. De ten laste van [appellant] in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling blijft dan ook in stand. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] ook worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van een hoger bedrag dan € 14.914,81 vermeerderd met de wettelijke rente over € 13.809,97 vanaf 13 september 2015 tot aan de dag van de gehele betaling;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af hetgeen door [geïntimeerden] meer is gevorderd dan een bedrag van € 14.914,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 13.809,97 vanaf 13 september 2015 tot aan de dag van de gehele betaling;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 726,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, L.A.J. Dun en S. van Gulijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.