Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1412

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
19/00277
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1878
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is (fiscale)bestuursrecht bevoegd te oordelen over het al dan niet tijdig beslissen op een administratief beroep tegen een beslissing op een verzoek tot uitstel van betaling voor een belastingaanslag? Heeft belanghebbende recht op immateriele schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-06-2020
V-N Vandaag 2020/1466
FutD 2020-1746
V-N 2020/33.1.4
Belastingblad 2020/331 met annotatie van R.T. Wiegerink
NTFR 2020/1896
NLF 2020/1362 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/00277

31 maart 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Y] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),

tegen de uitspraak van 11 februari 2019 in de zaak met kenmerk AMS 17/4394 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de invorderingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken met dagtekening 29 februari 2016 (hierna: de beschikking) is de waarde van de onroerende zaak [A] te [Y] voor het jaar 2016 vastgesteld op € 286.500. Gelijktijdig, verenigd in één geschrift, zijn voor het jaar 2016 de aanslagen bekendgemaakt; een aanslag onroerende-zaakbelastingen van € 163,85, een aanslag rioolheffing van € 150,90 en een aanslag afvalstoffenheffing van € 235 (in totaal € 549,75).

1.2.

Bij brief van 8 april 2016 (door de invorderingsambtenaar ontvangen op 13 april 2016) heeft belanghebbende tegen voormelde beschikkingen bezwaar gemaakt en een verzoek tot uitstel van betaling gedaan.

1.3.

Bij besluit van 10 mei 2016 heeft de Directeur Belastingen voor een bedrag van € 163,85 uitstel van betaling verleend.

1.4.

Bij brief van 18 mei 2016 heeft belanghebbende tegen voormeld besluit van de Directeur Belastingen administratief beroep ingesteld bij het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam en verzocht om uitstel van betaling voor € 549,75.

1.5.

Bij besluit van 22 juli 2016 heeft de Directeur Belastingen uitstel van betaling verleend voor een bedrag van € 549,75.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 8 december 2016 het College van Burgemeesters en Wethouders van Amsterdam in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep van 18 mei 2016.

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 24 juli 2017 beroep bij de rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroep.

1.8.

Bij uitspraak van 11 februari 2019 heeft de rechtbank ten aanzien van dit beroep als volgt beslist:

“(…)

- verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen;

- bepaalt dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld; (…)”

Voorts is vermeld dat tegen de uitspraak op het beroep hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.

1.9.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen (per faxbericht) op 20 maart 2019, aangevuld bij faxbericht en brief van 17 april 2019. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde voornoemd. Namens de invorderingsambtenaar zijn verschenen mr. H. Oderkerk en mr. N.M. Kell.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak naast een procesverloop geen feiten vastgesteld. Het Hof verwijst naar de weergave van feiten voor zover die reeds onder ‘Ontstaan en loop van het geding’ zijn vermeld en voegt hier nog het volgende aan toe.

2.2.

Bij brief van 15 december 2016 aan (de gemachtigde van) belanghebbende heeft de Directeur Belastingen de ontvangst van het administratief beroep van 18 mei 2016 bevestigd en uitstel van betaling verleend voor een bedrag van € 549,75.

2.3.

Bij brief van 16 januari 2017 heeft de Directeur Belastingen belanghebbende onder meer als volgt nader geïnformeerd:


“U bent in afwachting van de door u met name genoemde uitspraak op het administratief beroep (…).
De artikelen van de Algemene wet bestuursrecht inzake de dwangsom zijn niet van toepassing op beslissingen inzake uitstel van betaling.
Anders dan u doet, is het dus niet mogelijk het bestuur in gebreke te stellen. Een dwangsom kan hier dus niet aan de orde zijn.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in geschil of de (fiscale)bestuursrechter bevoegd is te oordelen over het al dan niet tijdig beslissen op een administratief beroep tegen een beslissing op een verzoek tot uitstel van betaling voor een belastingaanslag. De invorderingsambtenaar heeft tevens het standpunt ingenomen dat het Hof, meer specifiek de belastingrechter, niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil.

4
4. Beoordeling van het geschil

Oordeel rechtbank

4.1.

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard en heeft daartoe als volgt overwogen en beslist:

“2. [Belanghebbende] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar administratief beroep over uitstel van betaling. Uitstel van betaling kon [belanghebbende] verzoeken op grond van artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 25, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. In artikel 8:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij die wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Op grond daarvan kan alleen tegen beslissingen op grond van de artikelen 30, 49 of 62a van de Invorderingswet 1990 beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Dit is in overeenstemming met artikel 25.7.1 van de Leidraad Invordering 2008. Daarin staat dat tegen de afwijzing van een verzoek om uitstel administratief beroep kan worden ingesteld. Daarna staat geen beroep open bij de bestuursrechter, maar kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld.1 [noot 1 rechtbank: Uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2735] Als er geen beroep openstaat tegen een uitspraak op een administratief beroepschrift, staat er ook geen beroep open tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroepschrift.

4. (…)

6. [Belanghebbende] vindt dat de bestuursrechter wel bevoegd is om van haar beroep kennis te nemen. Zij verwijst naar rechtspraak waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat de aantasting van eigendom, zoals belastingheffing, “lawful” moet zijn.2 [noot 2 rechtbank: Uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:339, rechtsoverweging 3.5.2.] Uit die eis vloeit voort dat een dergelijke maatregel vergezeld moet gaan met procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid ervan. [Belanghebbende] stelt verder dat op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens er bij de bevoegde rechter een voldoende effectief rechtsmiddel (effective remedy) moet openstaan. [Belanghebbende] vindt de toetsingsmogelijkheid van de civiele rechter onvoldoende. Die kan het verzoek niet in volle omvang toetsen, waar de bestuursrechter dat wel kan.

7. De rechtbank deelt niet de opvatting dat de bestuursrechter om deze reden, ondanks de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, wel bevoegd zou zijn. Niet duidelijk is welke rechtsbescherming [belanghebbende] zou missen bij de civiele rechter die zij wel zou hebben bij de bestuursrechter. Als [belanghebbende] aan de door haar genoemde beginselen rechten kan ontlenen, kan zij deze eveneens bij de civiele rechter geldend maken.”

Standpunt belanghebbende in hoger beroep

4.2.1.

Belanghebbendes standpunt luidt dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard te oordelen over het al dan niet tijdig beslissen op een administratief beroep tegen een beslissing op een verzoek tot uitstel van betaling van aanslagen onroerende-zaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing. Volgens belanghebbende heeft de rechtbank ten onrechte de civiele rechter als de in deze bevoegde rechterlijke instantie aangewezen. De rechtsbescherming is bij toetsing door de civiele rechter volgens belanghebbende onvoldoende gewaarborgd, omdat die rechter het geschil niet in volle omvang kan toetsen en de bestuursrechter dat wel kan. In dit verband wijst belanghebbende op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), meer specifiek op EHRM 27 december 2012, nr. 7398/07, § 48 en § 52, waarin is geoordeeld dat bij de bevoegde rechter een voldoende effectief rechtsmiddel (‘effective remedy’) moet openstaan op grond van artikel 13 EVRM.
Voorts acht belanghebbende de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd, omdat zij “onvoldoende is ingegaan op de door belanghebbende opgeworpen vraag of het verschil in toetsing leidt tot de conclusie dat het beroep op de civiele rechter tegen een beslissing op administratief beroep inzake uitstel van betaling geen ‘effective remedy’ vormt”. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak met terugwijzing van de zaak naar de rechtbank waarbij de rechtbank de invorderingsambtenaar dient op te dragen uitspraak te doen op het door belanghebbende ingediende administratief beroep op straffe van verbeurte van een dwangsom ex artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4.2.2.

Naar belanghebbende stelt is de redelijke termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak had moeten doen overschreden. Daarom verzoekt belanghebbende het Hof om toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade.

Standpunt heffingsambtenaar in hoger beroep

4.3.

De invorderingsambtenaar heeft primair het standpunt ingenomen dat het Hof onbevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Subsidiair heeft de invorderingsambtenaar de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist.

Oordeel Hof

Bevoegdheid Hof

4.4.

Het Hof constateert dat de rechtbank haar uitspraak heeft gedaan in haar hoedanigheid als bestuursrechter belast met belastingrechtspraak, gegeven de in die uitspraak opgenomen rechtsmiddelverwijzing. Mede daarvan uitgaande acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van het geschil.

Bevoegdheid rechtbank

4.5.1.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het geschil en maakt de gronden waarop dat oordeel berust tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe standpunten door belanghebbende naar voren gebracht die afdoen aan dat oordeel. Het Hof voegt daar mede gegeven het beroep van belanghebbende op artikel 13 van het EVRM, nog het volgende toe.

4.5.2.

In zijn arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (de voetnoten zijn niet opgenomen):

“5.5.1 Bij de uitleg van de art. 2 en 8 EVRM is mede art. 13 EVRM van belang, dat inhoudt dat in geval van schending van de rechten en vrijheden van het EVRM, recht bestaat op een daadwerkelijk rechtsmiddel (‘an effective remedy’) voor een nationale instantie. Volgens de rechtspraak van het EHRM garandeert deze bepaling op nationaal niveau het bestaan van een middel om die rechten en vrijheden af te dwingen. Het nationale recht moet daarom in gevallen waarin mogelijk sprake is van een schending van die rechten en vrijheden (in geval van een ‘arguable complaint’ daarover), een rechtsmiddel bieden om daartegen naar behoren op te komen en een passende voorziening te krijgen (‘appropriate relief’). De reikwijdte van deze verplichting hangt af van de aard van de schending. Het middel moet zowel praktisch als juridisch effectief (‘effective’) zijn.30

5.5.2

Er is sprake van een effectief rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM als de schending daarmee kan worden voorkomen dan wel beëindigd of als het rechtsmiddel adequaat rechtsherstel biedt voor een schending die al heeft plaatsgevonden. Bij ernstiger schendingen moeten de beschikbare rechtsmiddelen in beide voorzien, dus zowel in het voorkomen of beëindigen van de schending als in rechtsherstel.31 De nationale staten zijn dus gehouden te voorzien in middelen waarmee ernstiger schendingen effectief kunnen worden voorkomen.

5.5.3

Het rechtsmiddel dient erin te voorzien dat de vraag of sprake is van een schending van de rechten en vrijheden van het EVRM, door de nationale rechter wordt onderzocht en beoordeeld overeenkomstig de regels van het EVRM en de uitleg die het EHRM daaraan heeft gegeven.32 Kortom: er moet effectieve rechtsbescherming worden geboden tegen mogelijke schendingen van de rechten en vrijheden van het EVRM.

(…)

8.2.1

Indien de overheid tot iets verplicht is, kan zij daartoe, net als ieder ander, door de rechter worden veroordeeld op vordering van de gerechtigde (art. 3:296 BW). Dit is een fundamentele regel van de rechtsstaat, die is verankerd in onze rechtsorde. Die regel strookt wat betreft de rechten en vrijheden van het EVRM met het hiervoor in 5.5.1-5.5.3 genoemde recht op effectieve rechtsbescherming van art. 13 EVRM. Mede in verband met deze fundamentele regel is in de Grondwet neergelegd dat de burgerlijke rechter bevoegd is om van alle schuldvorderingen kennis te nemen, zodat hij steeds rechtsbescherming kan verlenen, indien geen rechtsbescherming bij een andere rechter bestaat.46 ”

4.5.3.

Ervan uitgaande dat in het onderhavige geval sprake is van schending van een door het EVRM beschermd recht, vermag het Hof, mede gezien het hiervoor aangehaalde arrest, niet in te zien waarom een rechtsgang bij de civiele rechter in de onderhavige kwestie geen ‘effective remedy’ zou zijn in de zin van artikel 13 EVRM. Ook een eventuele verplichting tot procesvertegenwoordiging waar belanghebbende in hoger beroep nog op heeft gewezen, doet als zodanig niet af aan de ‘effectiveness’ van de ‘remedy’ als bedoeld in artikel 13 EVRM, mede gegeven het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand dat Nederland kent.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de rechtbank terecht belanghebbendes standpunt heeft verworpen dat met een behandeling van haar geschil door de civiele rechter geen sprake zou zijn van een ‘effective remedy’ als bedoeld in artikel 13 EVRM. Voorts acht het Hof dat oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd.

Overschrijding redelijke termijn

4.6.1.

Belanghebbende stelt dat de redelijke termijn waarbinnen een uitspraak moet worden gedaan ruimschoots door de rechtbank is overschreden, omdat het beroep is ingediend op 24 juli 2017 en de rechtbank uitspraak heeft gedaan op 11 februari 2019. Belanghebbende vraagt daarom vergoeding van immateriële schade. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard een dergelijke verzoek niet te hebben gedaan bij de rechtbank; volgens belanghebbende had de rechtbank die vergoeding ambtshalve moeten toekennen. De invorderingsambtenaar stelt dat de verplichting om binnen redelijke termijn uitspraak te doen, in dit geval niet van toepassing is, omdat de rechtbank niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

4.6.2.

Het Hof overweegt dat de rechtbank gehouden is binnen een redelijke termijn uitspraak te doen. Dit is niet anders ingeval die uitspraak een onbevoegdheidsverklaring inhoudt, aangezien belanghebbende ook in dat geval er recht op heeft om het oordeel van de rechtbank binnen redelijke termijn te vernemen. Het Hof acht daarbij van overeenkomstige toepassing de uitgangspunten van de Hoge Raad in zijn arresten gewezen in het kader van verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij niet-ontvankelijkverklaring van het beroep (HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712, BNB 2017/38 en HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1516, BNB 2019/177). In BNB 2017/38 is onder meer het volgende overwogen:

“2.3.2. Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.

Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende – geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.

2.3.3.

In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.”

4.6.3.

Met inachtneming van voormelde jurisprudentie constateert het Hof dat in het onderhavige geval de redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaar door het bestuursorgaan op 13 april 2016. Aangezien niet gebleken is van vertraging van de procedure die aan belanghebbende valt toe te rekenen – de invorderingsambtenaar heeft daartoe ook niets gesteld –, is met inachtneming van de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan, te weten op 11 februari 2019, de redelijke termijn van twee jaar (bezwaar + administratief beroep + beroep) ruim overschreden. Aangezien beroep is ingesteld op 24 juli 2017, heeft de procedure bij de rechtbank langer dan 1,5 jaar geduurd (van die overschrijding was al sprake bij de aanvang van de zitting bij de rechtbank, te weten op 25 januari 2019). Op die grond bestaat in beginsel recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, evenwel uitsluitend voor zover die overschrijding is te wijten aan de rechtbank.

4.6.4.

Aangezien de redelijke termijn voor het doen van uitspraak in eerste aanleg al was overschreden bij aanvang van de zitting bij de rechtbank, was de rechtbank gelet op HR 19 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140 (hierna: het overzichtsarrest), anders dan belanghebbende stelt, niet gehouden over te gaan tot toekenning van vergoeding van immateriële schade zonder een daartoe strekkend verzoek van belanghebbende. Het Hof wijst in dit verband op de volgende overweging van het overzichtsarrest:

“3.13.2. Indien reeds vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting door een rechtbank of hof sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, moet een op overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb gebaseerd verzoek om vergoeding van immateriële schade als regel uiterlijk op de zitting worden gedaan. Hetzelfde heeft te gelden indien de redelijke termijn nog niet is overschreden op het moment van de zitting maar wel zal zijn overschreden op het moment waarop de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, bedoeld in artikel 8:66, lid 1, Awb, verstrijkt. (…)”

4.6.5.

Het voorgaande laat onverlet dat belanghebbende zich in hoger beroep alsnog kan beroepen op overschrijding van de redelijke termijn en een verzoek kan doen om vergoeding van immateriële schade. Alsdan geldt op grond van hetgeen is overwogen in r.o. 3.13.3, voorlaatste en laatste volzin, van het overzichtsarrest (hierna vermeld), dat daarbij de duur van de totale procedure tot en met het doen van uitspraak door het Hof mee in aanmerking moet worden genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan dan tot gevolg hebben dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg wordt gecompenseerd. Een dergelijke omstandigheid doet zich hier voor. De totale procedure van het moment van ontvangst van het bezwaar tot en met het doen van de uitspraak van het Hof heeft immers niet meer dan 4 jaren geduurd. Het Hof wijst belanghebbendes verzoek om vergoeding van immateriële schade dan ook af.

“3.13.3. Met betrekking tot het tijdsverloop in bezwaar en beroep laat het hiervoor in 3.13.2 overwogene onverlet dat een belanghebbende ook voor het eerst in hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb kan verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens dat tijdsverloop. De belanghebbende kan zich daardoor echter wel in een nadeliger positie plaatsen dan wanneer hij dat verzoek reeds bij de rechtbank had gedaan. Indien de belanghebbende namelijk reeds in de beroepsfase heeft verzocht om vergoeding van de door een overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade, moet de rechtbank op dat verzoek beslissen en, behoudens bijzondere omstandigheden, een vergoeding van immateriële schade toekennen. Wordt in een zodanig geval in hoger beroep geklaagd over die beslissing of over het ontbreken daarvan, dan is voor de beoordeling van die klachten niet van belang hoe voortvarend het hoger beroep is behandeld. Indien dat verzoek evenwel voor het eerst voor het hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij – in het licht van het hiervoor in 3.3.3 overwogene – de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (zie HR 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).”

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan, als griffier. De beslissing is op 31 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.