Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1383

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
200.245.265/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Burgerlijk procesrecht. Voorlopig deskundigenbericht. Letselschade. Partijen zijn na verkeersongeval psychiatrisch onderzoek overeengekomen in verband met vaststelling van te vergoeden schade. De enkele omstandigheid dat een partij nadat in verband met de vaststelling van zijn schade een geneeskundig onderzoek was overeengekomen en uitgevoerd, gebruik heeft gemaakt van zijn wettelijke blokkeringsrecht, brengt niet mee dat een vervolgens door die partij gedaan verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met betrekking tot dezelfde feiten, niet toewijsbaar is. Het blokkeringsrecht zou anders in belangrijke mate worden uitgehold. Wel volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid dat het een partij bij een overeenkomst betreffende de schadeafwikkeling niet vrijstaat willekeurig van het hem toekomende blokkeringsrecht gebruik te maken, bijvoorbeeld omdat de uitslag en de gevolgtrekking van het uitgevoerde onderzoek hem niet aanstaan, en dat hij deugdelijk, met mededeling van zijn bezwaren en op een voor de wederpartij begrijpelijke wijze, motiveert waarom hij van het blokkeringsrecht gebruik maakt. Art. 202 Rv, art. 6:248 lid 1 BW en art. 7:464 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.245.265/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : C/13/634400 / HA RK 17-247

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.G. Keizer te Amersfoort,

tegen

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Achmea genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift, ingekomen bij de griffie van het hof op 4 september 2018, in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2018, in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gegeven tussen hem als verzoeker en Achmea als verweerder.

Bij het beroepschrift heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en alsnog een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen overeenkomstig het verzoek dat hij daartoe in eerste aanleg heeft gedaan.

Achmea heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen bij de griffie van het hof op 12 november 2018. Zij heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 maart 2019. Daarbij is namens [appellant] het woord gevoerd door mr. M.J. de Witte, advocaat te Amersfoort, en namens Achmea door haar in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaat. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2, 2.1 tot en met 2.5, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

Kern van de zaak is de vraag of een voorlopig deskundigenonderzoek zoals bedoeld in artikel 202 Rv moet worden bevolen in verband met de vaststelling van de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het hierna te noemen verkeersongeval. Aanleiding tot deze vraag zijn, verkort weergegeven, de volgende feiten.

3.2.

Op 15 september 2011 is [appellant] , geboren [in] 1982, betrokken geweest bij een verkeersongeval in Amsterdam. Bij dat ongeval is hij, rijdend op een scooter, aangereden door een rechtsaf slaande vrachtwagen waarvan de bestuurder hem niet had gezien. [appellant] is ten val gekomen en heeft letsel opgelopen. Achmea heeft de aansprakelijkheid verzekerd waartoe de vrachtwagen die het ongeval heeft veroorzaakt, in het verkeer aanleiding kon geven. [appellant] heeft Achmea na het ongeval aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade en Achmea heeft aansprakelijkheid erkend.

3.3.

Partijen hebben overlegd over de vaststelling van de door Achmea te vergoeden schade. In verband met psychische klachten die [appellant] aan bovengenoemd ongeval wijt en beperkingen zijnerzijds die hij aan deze klachten relateert, zijn partijen in november 2015 overeengekomen dat [appellant] psychiatrisch zou worden onderzocht door dr. [A] , psychiater, als onafhankelijk deskundige. Partijen hebben afgesproken dat het desbetreffende onderzoek zou plaatsvinden aan de hand van de zogeheten IWMD-vraagstelling. Het onderzoek heeft plaatsgehad op 2 maart 2016. Dr. [A] heeft hierna een concept-rapport opgesteld en dit op 9 juni 2016 aan [appellant] toegezonden. Op 23 november 2016 heeft dr. [A] [appellant] bericht het concept-rapport als geblokkeerd te beschouwen, omdat laatstgenoemde niet had laten weten of hij het rapport al of niet wilde blokkeren.

3.4.

Het overeengekomen onderzoek heeft niet geleid tot de totstandkoming van een definitief, voor beide partijen beschikbaar rapport over [appellant] hierboven bedoelde klachten en beperkingen. Daarop heeft [appellant] de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen door een andere, door hem hiertoe voorgestelde, psychiater, opnieuw aan de hand van de IWMD-vraagstelling. Hij heeft tegelijk verzocht om een voorlopig deskundigenbericht door een neuroloog in verband met een door hem aangenomen hersenkneuzing (contusio cerebri) en een pijnsyndroom, en een voorlopig deskundigenbericht door een bedrijfseconoom met het oog op de bepaling van de inkomensschade als gevolg van de klachten en beperkingen die hij aan het onder 3.2 beschreven ongeval wijt.

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, zowel wat betreft het verzochte deskundigenbericht door een psychiater als wat betreft de verzochte berichten door een neuroloog en een bedrijfseconoom. De grieven richten zich tegen deze afwijzende beslissing en de overwegingen waarop zij berust. Zij strekken ertoe dat alsnog een voorlopig deskundigenbericht zal worden bevolen op alle door [appellant] verzochte, hierboven genoemde, punten. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij slagen voor zover zij opkomen tegen de afwijzing van een voorlopig deskundigenbericht door een voor dat doel nieuw te benoemen psychiater en falen voor het overige. Hiertoe is het volgende bepalend.

3.6.

Vast staat dat partijen in verband met de vaststelling van de door Achmea te vergoeden schade een psychiatrisch onderzoek van [appellant] zijn overeengekomen zoals onder 3.3 beschreven en dat het hiertoe door dr. [A] verrichte onderzoek niet tot een voor de schadevaststelling bruikbaar rapport heeft geleid. Op grond van het bepaalde in artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder b, BW kwam [appellant] het recht toe te beslissen of van de bevindingen van dr. [A] mededeling aan Achmea zou worden gedaan en mocht hij dit blokkeren. Achmea heeft dan ook terecht niet betwist dat [appellant] een zodanig blokkeringsrecht had. In het midden kan blijven of [appellant] voorafgaand aan het ingediende verzoek om een voorlopig deskundigenbericht van dat blokkeringsrecht gebruik heeft gemaakt of dat dr. [A] dit redelijkerwijs mocht aannemen, zoals deze kennelijk heeft gedaan toen hij [appellant] berichtte het concept-rapport als geblokkeerd te beschouwen. Zonder belang is verder of dr. [A] het concept-rapport eigenmachtig heeft geblokkeerd. [appellant] heeft in het beroepschrift (onder 6) verklaard dat hij het concept-rapport had geblokkeerd als dr. [A] dit niet zou hebben gedaan en dat diens rapport niet meer beschikbaar komt. Uit deze verklaring blijkt ondubbelzinnig dat [appellant] in ieder geval op enig moment heeft beslist dat van de bevindingen van dr. [A] geen mededeling aan Achmea zou worden gedaan en diens bevindingen aldus heeft geblokkeerd.

3.7.

De enkele omstandigheid dat een partij nadat in verband met de vaststelling van zijn schade een geneeskundig onderzoek was overeengekomen en uitgevoerd, gebruik heeft gemaakt van zijn hierboven genoemde blokkeringsrecht, brengt niet mee dat een vervolgens door die partij gedaan verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met betrekking tot dezelfde feiten, niet ter zake dienend is of in strijd komt met een goede procesorde, misbruik oplevert van de bevoegdheid een dergelijk verzoek te doen of afstuit op een ander zwaarwichtig bezwaar. Het blokkeringsrecht zou anders in belangrijke mate worden uitgehold, omdat een partij bij een overeenkomst betreffende de schadeafwikkeling die daarvan gebruik maakt, dan geen toegang meer zou hebben tot de rechter voor een voorlopig deskundigenonderzoek zoals bedoeld in artikel 202 Rv. Die partij zou zich hierdoor genoodzaakt kunnen zien, in feite al bij het aangaan van de overeenkomst, het blokkeringsrecht niet uit te oefenen en daarvan op voorhand af te zien. Dit is met de strekking van dat recht niet verenigbaar. Wel volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, waarnaar de partijen bij een overeenkomst zoals hier aan de orde zich op grond van het bepaalde in artikel 6:248, eerste lid, BW tegenover elkaar hebben te gedragen, dat het een partij niet vrijstaat willekeurig van het hem toekomende blokkeringsrecht gebruik te maken, bijvoorbeeld omdat de uitslag en de gevolgtrekking van het uitgevoerde onderzoek hem niet aanstaan, en dat hij deugdelijk, met mededeling van zijn bezwaren en op een voor de wederpartij begrijpelijke wijze, motiveert waarom hij van het blokkeringsrecht gebruik maakt.

3.8.

Een zodanige motivering heeft [appellant] gegeven. Hij heeft aangevoerd dat het hem toegezonden concept-rapport feitelijke onjuistheden bevatte, dat hem daarin woorden in de mond waren gelegd die hij niet had gebruikt en dat het concept-rapport evidente fouten inhield. De bezwaren van [appellant] tegen het concept-rapport zijn geconcretiseerd in een rapportage gedateerd 1 februari 2017 van een door hem geraadpleegde medisch adviseur, te weten [B] , waarin elf bezwaren van formele en materiële aard zijn beschreven. In die rapportage (op bladzijde 8) is de conclusie van het door dr. [A] verrichte psychiatrisch onderzoek als volgt weergegeven: ‘Imponeert iets jonger dan kalenderleeftijd, goed verzorgd, lijdzame indruk, weinig tot geen contactgroei gedurende het 5 kwartier durende gesprek. Bewustzijn helder. Kan aandacht goed bij het onderwerp houden. Denken: preoccupatie lichamelijke en psychische klachten. Beschrijft uniforme flashbacks van het ongeval. Stemming is moeilijk peilbaar. Hij beschrijft zijn stemming als depressief maar dit is niet van buitenaf af te lezen. Affect is nogal rigide. Komt zeer beheerst over, waarbij de vraag zich opdringt of er sprake is van een pose. Geen aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek. Aggraveren kan niet worden uitgesloten gezien de geobserveerde discrepantie tussen wat betrokkene aan klachten aangeeft en hoe hij ze aangeeft.’ In het midden kan blijven of het gebruik van het blokkeringsrecht door [appellant] mede is ingegeven door de mogelijkheid dat deze conclusie hem niet heeft aangestaan en ook of zijn bezwaren tegen het concept-rapport gegrond zijn. Waar het om gaat, is dat gelet op de door hem gegeven motivering niet kan worden geoordeeld dat [appellant] willekeurig en ongemotiveerd van zijn blokkeringsrecht gebruik heeft gemaakt. Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht door een nieuw te benoemen psychiater moet, nu dat verzoek voor de vaststelling van de schade ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek kunnen worden bewezen, dan ook worden toegewezen.

3.9.

Niet toewijsbaar is het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht voor zover dat betrekking heeft op onderzoeken door een neuroloog en een bedrijfseconoom zoals onder 3.4 beschreven. Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht door een neuroloog gaat eraan voorbij dat een eerder door [appellant] geraadpleegde medisch adviseur, te weten [C] , in een rapportage gedateerd 10 augustus 2012 (op bladzijde 3) heeft benadrukt geen enkele aanwijzing te hebben gevonden voor de aanwezigheid van een hersenkneuzing (contusio cerebri), ‘noch in de vorm van afwijkingen op de scans noch in de vorm van geheugenverlies langer dan een uur.’ Feiten waaruit volgt dat dit in werkelijkheid anders is, heeft [appellant] niet gesteld. Het verzoek gaat er bovendien aan voorbij dat partijen in verband met de vaststelling van de schade van [appellant] uitsluitend een psychiatrisch onderzoek zoals onder 3.3 beschreven zijn overeengekomen en niet ook een onderzoek door een neuroloog, zoals in de rede had gelegen als daartoe aanleiding had bestaan, bijvoorbeeld wegens een hersenkneuzing of een pijnsyndroom. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat het verzochte onderzoek door een neuroloog ter zake dienend is met het oog op de vaststelling van [appellant] schade, daargelaten nog dat het desbetreffende verzoek in strijd is met een goede procesorde nu partijen in verband met de schadevaststelling een overeenkomst zijn aangegaan die, anders dan zij hadden kunnen bepalen, níet mede voorziet in een onderzoek door een neuroloog. Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht door een bedrijfseconoom veronderstelt dat [appellant] gegronde klachten en beperkingen heeft als gevolg van het onder 3.2 beschreven ongeval en daardoor inkomensschade lijdt. Het door dr. [A] verrichte onderzoek heeft echter niet geleid tot een voor de schadevaststelling bruikbaar rapport waaruit dat blijkt en onderzoek door een andere psychiater heeft nog niet plaatsgevonden, zodat niet vast staat dat [appellant] daadwerkelijk zulke klachten en beperkingen heeft en dus evenmin of hij daardoor inkomensschade lijdt. Het verzochte onderzoek door een bedrijfseconoom is daarom op dit moment niet ter zake dienend en betreft geen feiten die thans met dat onderzoek bewezen kunnen worden.

3.10.

De slotsom uit het bovenstaande is dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat het verzoek van [appellant] om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen zal worden toegewezen, maar uitsluitend voor zover het verzoek betrekking heeft op een onderzoek door een psychiater. [appellant] heeft in het inleidende verzoekschrift (onder 10) voor de vraagstelling aan de hand waarvan dat onderzoek naar zijn mening zal moeten plaatsvinden, verwezen naar de eerder door partijen overeengekomen IWMD-vraagstelling en Achmea heeft bij het verweerschrift in eerste aanleg (onder 24) verklaard zich met die vraagstelling te kunnen verenigen. Achmea heeft bij het verweerschrift in eerste aanleg (onder 23) verder voorgesteld, onder anderen, tot deskundige te benoemen drs. J.L.M. Schoutrop te Nijmegen. Namens [appellant] is bij gelegenheid van de in eerste aanleg gehouden comparitiezitting verklaard dat tegen benoeming van deze persoon tot deskundige geen bezwaar bestaat. Partijen zijn in hoger beroep niet teruggekomen van hun hiervoor weergegeven standpunten en hebben daaromtrent niet iets anders verklaard. Het hof zal daarom hierna drs. J.L.M. Schoutrop, psychiater, tot deskundige benoemen en bepalen dat het door deze te verrichten onderzoek zal plaatsvinden aan de hand van de IWMD-vraagstelling zoals luidend op de datum van deze beschikking. Nu Achmea heeft erkend aansprakelijk te zijn voor de door [appellant] geleden schade, zal Achmea het bij latere rolbeschikking te bepalen voorschot op de kosten van de deskundige dienen te voldoen. Partijen zijn in hoger beroep over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld, zodat de kosten van het geding in hoger beroep tussen hen zullen worden verrekend zodanig, dat daarvan iedere partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en,

opnieuw rechtdoende:

beveelt een voorlopig deskundigenbericht met betrekking tot de onder 3.3 bedoelde psychische klachten en daaraan gerelateerde beperkingen van [appellant] ;

bepaalt dat het hiertoe te verrichten onderzoek zal plaatsvinden aan de hand van de zogeheten IWMD-vraagstelling zoals luidend op de datum van deze beschikking;

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

drs. J.L.M. Schoutrop, psychiater

[adres]

[postcode en plaats]

tel. [telefoonnummer] ;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat beide partijen vóór 16 juni 2020 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk en onverminderd het blokkeringsrecht van [appellant] ten aanzien van het concept-rapport van dr. [A] ;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat het onderzoek zal plaatshebben op een door de deskundige te bepalen dag en tijdstip;

verzoekt de deskundige de kosten van het onderzoek te begroten en deze begroting vóór 30 juni 2020 op te geven aan de griffier, onder vermelding van zaaknummer 200.245.265/01 en de namen van partijen;

bepaalt dat de griffier na ontvangst van de opgave van de deskundige de door deze begrote kosten aan partijen zal mededelen en partijen gelegenheid zal geven zich daarover vóór 14 juli 2020 uit te laten bij brief aan de griffier;

bepaalt dat het in artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde voorschot op de kosten van de deskundige bij latere rolbeschikking zal worden vastgesteld;

bepaalt dat Achmea het alsdan vast te stellen, aan de deskundige toekomende voorschot op diens kosten zal dienen te voldoen zoals in die rolbeschikking vermeld;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 13 oktober 2020;

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen, onder vermelding van zaaknummer 200.245.265/01 en de namen van partijen;

verwijst de zaak naar de rol van 21 juli 2020 voor vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige;

verrekent de kosten van het geding in hoger beroep zodanig, dat daarvan iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, W.H.F.M. Cortenraad en E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2020.