Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1333

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
200.244.704/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweede schadestaatprocedure. Verjaringstermijn 20 jaar. Art. 3:324 en 325 lid 1 onder c BW: instellen schadestaatprocedure is daad van tenuitvoerlegging. Tweede schadestaatprocedure in strijd met goede procesorde. HR 28 november 1969, ECLI:NL:PHR:1969:AC4973. Eisvermeerdering in eerste schadestaatprocedure afgewezen wegens strijd met tweeconclusieregel. Hoofdzaak en de beide schadestaatprocedures worden als één geding beschouwd. Deze eisvermeerdering alsnog toelaten in de tweede schadestaatprocedure is niet mogelijk wegens de bindende eindbeslissing in de eerste schadestaatprocedure. HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8044.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0423
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.244.704/01

zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/251364/HA ZA 16-745

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2020

inzake

1.) HAARLEMSCHE AUTOCENTRALE B.V.,

gevestigd te Tweede Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn,

2.) [X],

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,

tegen

[Y] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Verhoef te Uithoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna HAC en [X] , tezamen [X] c.s., en [Y] genoemd.

[X] c.s. zijn bij dagvaarding van 9 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 mei 2018, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [X] c.s. als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [Y] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 29 oktober 2019 doen bepleiten, [X] c.s. door mr. Dorgelo voornoemd en [Y] door mr. Verhoef voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

- voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - alsnog hun vorderingen in conventie zal toewijzen, de vorderingen in reconventie van [Y] zal afwijzen, met veroordeling van [Y] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.

[Y] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met

- uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [X] c.s. bestrijden in grief 1 de weergave van rov. 6.10 van het vonnis van de rechtbank Haarlem van 19 januari 2005, zoals verwoord in rov. 2.5 van het bestreden vonnis. Deze grief slaagt, omdat uit dat vonnis van 19 januari 2005, met name de laatste zin van rov. 6.9 en rov. 3.2, volgt dat de veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat, niet enkel ziet op de waarde van de door [Y] niet-teruggeven auto’s die op 4 mei 2004 tot de handelsvoorraad van [X] c.s. behoorden. Verder heeft [Y] bezwaar geuit tegen de vaststelling dat er meerdere incidenten zijn geweest tussen partijen en dat [X] gevlucht is. De opsomming van de feiten is hieraan aangepast, nu deze feiten niet tussen partijen vaststaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn voor het overige in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[X] heeft onder de naam HAC in Haarlem een autobedrijf uitgeoefend. [X] was sinds 5 februari 1999 aandeelhouder van HAC en sinds 31 december 2003 statutair directeur.

2.2.

Ook [Y] hield zich bezig met de verkoop van (tweedehands) auto’s. Hij is van eind 2001 tot eind 2002 aandeelhouder geweest van Antique and Classic Cars Nederland B.V. (hierna: ACC). Aanvankelijk waren de contacten tussen [X] en [Y] heel goed.

2.3.

Op 4 mei 2004 heeft zich een incident voorgedaan, dat erop neerkwam dat [Y] met een aantal handlangers [X] heeft bedreigd en hem enige uren tegen zijn wil in zijn kantoor heeft vastgehouden. [Y] wilde dat [X] de aandelen in HAC aan hem zou overdragen om niet. [Y] heeft de bedrijfsvoorraad van HAC van het terrein van [X] afgevoerd/doen afvoeren. Ook heeft hij zich de kentekenbewijzen en de sleutels van deze auto’s toegeëigend.

2.4.

Tussen partijen zijn naar aanleiding van dit incident meerdere procedures gevoerd. Die hebben geleid tot de volgende vonnissen van rechtbank Haarlem en arresten van dit hof.

- Het vonnis van 19 januari 2005, hersteld bij het vonnis van 16 februari 2005 van de rechtbank Haarlem (hierna tezamen: het 2005-vonnis). In dit vonnis zijn [Y] en ACC (hierna: [Y] c.s.) veroordeeld de auto’s waarop op 22 juli 2004 conservatoir beslag is gelegd, alsmede de toen in gerechtelijke bewaring gegeven auto’s aan [X] c.s. af te geven op straffe van een dwangsom. In het herstelvonnis is deze veroordeling onder andere aangevuld met afgifte van de kentekenbewijzen en sleutels behorende bij bedoelde auto’s. Tevens zijn [Y] c.s. veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Uit rov. 6.10 van dit vonnis, gelezen in samenhang met rov. 6.9 en 3.2, volgt dat die schadevergoeding ziet op de schade die het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [Y] jegens [X] , gepleegd op en na 4 mei 2004, meer in het bijzonder door het afvoeren en onder zich houden van de auto’s die de bedrijfsvoorraad van HAC vormden.

- [Y] c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gegaan. In het arrest van dit hof van 23 juni 2009 is het vonnis bekrachtigd.

- Het vonnis van 21 september 2005 van de rechtbank Haarlem. Hierin is de vordering van [Y] in conventie tot nakoming van de overeenkomst tot overdracht van (de aandelen in) HAC aan [Y] afgewezen. De rechtbank heeft in rov. 6.3 verwezen naar rov. 6.6 van het vonnis van 19 januari 2005, waarin is geoordeeld dat wilsovereenstemming ontbrak, en overwogen dat er geen reden bestaat daarvan terug te komen. In reconventie had [X] de opheffing van het conservatoir beslag dat [Y] ten laste van hem had doen leggen, gevorderd. Die vordering is toegewezen. De eveneens gevorderde vergoeding van de als gevolg van het beslag geleden schade is afgewezen, omdat niet was gebleken dat door dit beslag enige schade was geleden.

- Van dit vonnis is [Y] in hoger beroep gegaan. Dit hof heeft bij arrest van 1 juni 2006 [X] ontslagen van instantie.

- Het eindvonnis in de eerste schadestaatprocedure van 8 februari 2012 en het bijbehorende tussenvonnis van 29 juni 2011 van de rechtbank Haarlem. In deze vonnissen heeft de rechtbank de verschillende schadevorderingen in conventie en in reconventie beoordeeld en uiteindelijk met elkaar en met de door [Y] verbeurde dwangsommen (waarvan het vorderingsrecht reeds was verjaard) verrekend. Geoordeeld is dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben, waarna de vorderingen in conventie en in reconventie zijn afgewezen.

- [X] c.s. zijn van zowel het tussenvonnis als het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan. Dit hof heeft bij arrest van 20 oktober 2015 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.

2.5.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 20 september 2018 [X] c.s. veroordeeld de door hen ten laste van [Y] op

8 juni 2004 en 22 september 2016 gelegde conservatoire beslagen binnen een week na betekening van dat vonnis op te heffen en bepaald dat, indien zij dat niet doen, het vonnis in de plaats treedt van hun toestemming voor het opheffen van de beslagen. De beslagen zijn inmiddels doorgehaald.

3 Beoordeling

3.1

De rechtbank is in het bestreden vonnis in deze tweede schadestaatprocedure tot de volgende slotsom gekomen (daarbij verwijzend naar nummers van de gevorderde schadeposten die voorkomen op een lijst die aan het vonnis is gehecht en die aangeduid is als productie 59 (hierna ook: de lijst)):

4.57. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen/posten die in productie 59 zijn vermeld het volgende lot is beschoren:

- de schadeposten 5 t/m 8 zijn reeds eerder beoordeeld in vonnissen die inmiddels in kracht van gewijsde zijn gegaan

- de vorderingen uit hoofde van de schadeposten 1 t/m 4, 9, 12, 14, 16, 20, 21, 25, 27 en 28 zijn verjaard

- de schadeposten 15, 17 t/m 19 en 24 worden afgewezen omdat de schade in een te ver verwijderd verband staat tot het onrechtmatig handelen

- schadepost 26 wordt afgewezen, omdat deze kosten niet zijn toe te rekenen aan [Y] uit hoofde van onrechtmatig handelen.

Alle door [X] c.s. in conventie gevorderde schadeposten zijn afgewezen. [X] c.s. zijn in reconventie veroordeeld de ten laste van [Y] c.s. in 2004 en 2016 gelegde conservatoire beslagen uit hoofde van de in deze procedure aanhangig gemaakte schadevorderingen op te heffen en vergoeding van de schade die [Y] heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van (handhaving van) de beslaglegging in 2004 en 2016, nader op te maken bij staat.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [X] c.s. met hun grieven 2 tot en met 11 op.

3.2.

[X] c.s. werpen in de grieven 2 en 3, kort samengevat en naar het hof begrijpt, het volgende op. In deze procedure vorderen zij, naast de schade tengevolge van het incident op 4 mei 2004, ook de schade door de incidenten tussen partijen in de periode januari tot 4 mei 2004 (schadeposten 1 tot en met 4 en 28 deels) en door het onrechtmatig nalaten van het betalen van de dwangsommen vanaf de aanzegging ervan in 2005 (schadepost 27).

3.3.

De schadeposten 1 tot en met 4 en een deel van 28 van de lijst zien op incidenten op 27 en 30 januari en 1 en 2 maart 2004. De posten 5 tot en met 26 en het andere deel van 28 die op de lijst voorkomen zien op het incident op 4 mei 2004. Uit het 2005-vonnis, waarin de aansprakelijkheid van [Y] is vastgesteld, blijkt dat het enkel betrekking heeft op het incident op 4 mei 2004. Hiertoe wordt verwezen naar de rov. 2 onder c en d, 3.2, 6.3 en 6.5 van dat vonnis.

Dit betekent dat in deze procedure nog de vragen voorliggen of de incidenten op 27 en 30 januari en 1 en 2 maart 2004 zich hebben voorgedaan, zoals [X] c.s. stellen, en zo ja, welke schade als gevolg daarvan door hen is geleden. [Y] werpt hiertegen onder meer op dat deze vordering voor zover betreffende de schadeposten 1 tot en 4 en 28 (voor zover die ziet op genoemde incidenten) verjaard zijn.

Deze schadeposten verjaren ingevolge art. 3:310 lid 1 BW door verloop van vijf jaren nadat [X] c.s. zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid

- die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon

(HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:20). Nu [X] c.s. steeds kort na bedoelde incidenten blijkens hun eigen stellingen bekend waren met zowel de daardoor veroorzaakte schadeposten als met de aansprakelijke persoon, slaagt het beroep op verjaring. Niet gebleken is dat [X] c.s. deze verjaring rechtsgeldig overeenkomstig art. 3:317 lid 1 BW hebben gestuit. Ook het beroep dat [X] c.s. hebben gedaan op HR 19 januari 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AD3017 kan hen niet baten. In dit arrest is beslist dat wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de vergoeding van door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde een ander deel van de vergoeding van diezelfde schade vordert, en de tweede vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de eerste, de eerste dagvaarding als een daad van rechtsvervolging geldt, die de verjaring stuit, ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde. Deze situatie doet zich hier echter niet voor, omdat de hier aan de orde zijnde schadeposten gegrond zijn op incidenten in de periode januari tot 4 mei 2004, terwijl de dagvaarding in de eerste schadestaatprocedure (alleen) ziet op het incident van 4 mei 2004. [X] c.s. hebben verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

De door [Y] opgeworpen vraag of in deze tweede schadestaatprocedure door [X] c.s. nieuwe schadeveroorzakende incidenten kunnen worden aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

3.4.

Schadepost 27 op de lijst ziet op door [Y] verbeurde dwangsommen ad in totaal € 500.000 en de verschenen wettelijke handelsrente daarover ad € 494.995 (afgerond). In het vonnis van 8 februari 2012 is in rov. 2.17 reeds vastgesteld dat deze schadepost is verjaard. Het hof ziet geen aanleiding om op deze bindende eindbeslissing terug te komen. Hierna (rov. 3.10) zal aan de orde komen dat de hoofdzaak en de beide schadestaatprocedures als één procedure moeten worden beschouwd, waardoor de leer van de bindende eindbeslissing van toepassing is. Gezag van gewijsde (art. 236 Rv) speelt hier dus niet, anders dan [Y] meent.

[Y] voert, naar het hof begrijpt, aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [X] c.s. zich jegens hem op een verjaarde, maar voor verrekening vatbare vordering wegens verbeurde dwangsommen van

€ 500.000 beroepen, gelet op de omstandigheid dat de dwangsommen zijn verbeurd voor het niet teruggeven van auto’s met een waarde van iets meer dan € 60.000. Deze stelling stuit af op rov. 2.17 van het vonnis van 8 februari 2012 in de eerste schadestaatprocedure. Ook hier is sprake van een bindende eindbeslissing en geen aanleiding om hiervan terug te komen. Het nog niet verrekende deel van de dwangsommen van € 171.556,09 kan worden verrekend met de schuld aan [X] c.s. aan hem, zoals overwogen door de rechtbank in rov. 4.53 van het bestreden vonnis.

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 2 en 3 falen. De schadeposten 1 tot en met 4, 27 en 28 (voor zover die ziet op de incidenten in de periode januari tot

4 mei 2004) van de lijst zijn terecht afgewezen door de rechtbank.

3.6.

[X] c.s. voeren in de grieven 4 tot en met 8, kort samengevat, aan dat de schadeposten van voor 21 oktober 2011, uitgaande van de stuitende werking van inleidende dagvaarding in deze procedure van 21 oktober 2016, niet zijn verjaard. Deze grieven zien op de schadeposten 5 tot en met 26 en 28 (voor zover die ziet op het incident op 4 mei 2004) van de lijst.

3.7.

De vordering van [X] c.s. in deze procedure ziet volledig op de schadeposten die zijn vermeld op de lijst. [Y] beroept zich op gezag van gewijsde voor zover over die schadeposten reeds is geoordeeld in de eerste schadestaatprocedure en op verjaring ten aanzien van de resterende schadeposten.

De lijst hebben [X] c.s. in het geding gebracht bij hun memorie van antwoord in incidenteel appel van 14 oktober 2004 in de eerste schadestaatprocedure, waarin zij als appellanten in principaal hoger beroep, tevens geïntimeerden in incidenteel hoger beroep optraden. Zij hebben de lijst gebruikt als toelichting bij hun vermeerdering van eis als appellanten/oorspronkelijk eisers. Dit hof heeft de vermeerdering van eis geweigerd, omdat de tweeconclusieregel meebrengt dat die bij memorie van grieven had dienen te geschieden. Op een paar schadeposten na (zie hierna rov. 3.10) zijn de schadeposten 5 tot en met 26 en 28 (voor zover die ziet op het incident op 4 mei 2004) van de lijst daarom niet beoordeeld in de eerste schadestaatprocedure.

3.8.

De verjaringstermijn van vijf jaren is overeenkomstig art. 3:310 lid 1 BW gaan lopen kort na 4 mei 2004, nu uit de memorie van grieven volgt dat [X] c.s. reeds kort na het incident op 4 mei 2004 bekend waren met zowel de schadeposten 5 tot en met 26 en 28 (voor zover die ziet op dat incident) van de lijst als met [Y] als de aansprakelijke persoon. Ingevolge art. 3:316 BW wordt deze verjaring gestuit door het instellen van een eis; indien die eis niet tot toewijzing leidt dient binnen zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de desbetreffende uitspraak een nieuwe eis te worden ingesteld, die tot toewijzing leidt teneinde stuiting van de verjaring te realiseren.

De verjaring is overeenkomstig art. 3:316 lid 1 BW gestuit door de eis die heeft geleid tot het toewijzend 2005-vonnis. Daarin is [Y] veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. Dit vonnis is door dit hof bekrachtigd bij arrest van 23 juni 2009. Hiertegen is geen cassatie ingesteld. Op 24 juni 2009 is, anders dan [Y] betoogt, ingevolge art. 3:324 BW de verjaringstermijn van twintig jaar voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging gaan lopen (zie Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 268 en 270). Het instellen van de schadestaatprocedures dient als een daad van tenuitvoerlegging als bedoeld in de art. 3:324 en 325 lid 2 onder c BW te worden gezien. De vordering van [X] is dus niet verjaard.

3.9.

Dit brengt mee dat wordt toegekomen aan het verweer van [Y] in eerste aanleg dat het entameren van deze tweede schadestaatprocedure in strijd met de goede procesorde is. Dit verweer slaagt.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de art. 612 en met 614 Rv. er niet aan in de weg staan dat, indien het onzeker is welke schade door de gelaedeerde in de toekomst zal worden geleden, de schadevergoeding wordt vastgesteld bij wege van twee of meer successievelijk in te stellen schadestaatprocedures. (HR 28 november 1969, ECLI:NL:PHR:1969:AC4973). In dit geval doet zich echter niet de situatie voor dat er sprake was van toekomstige schade toen de eerste schadestaatprocedure aanving bij dagvaarding van 8 februari 2010. Uit de stellingen van [X] c.s. volgt dat zij van mening zijn dat (enkel) de schadeposten 26 en 28 (deels) toekomstige schade betreffen, maar ten onrechte. Schadepost 26 ziet op de nota van drs. J.J.H. ten Hoor, volgens [X] c.s. hun accountant en adviseur, van 15 januari 2012 ad € 39.641,28 inclusief btw aan HAC met als vermelding “voor u verrichte werkzaamheden” (productie 66 bij memorie van grieven). Deze nota bevatte in elk geval geen toekomstige schade ten tijde van de dagvaarding in hoger beroep van 21 mei 2012 in de eerste schadestaatprocedure, zodat deze nota meegenomen had kunnen en moeten worden in de eerste schadestaatprocedure.

Schadepost 28 ziet op smartengeld. Volgens [X] c.s. duurt het lijden van [X] nog steeds voort. [X] c.s. hebben echter deze stelling in het geheel niet onder-bouwd, zodat, in aanmerking genomen het tijdsverloop sinds 4 mei 2004, ervan wordt uitgegaan dat het volledige bedrag aan smartengeld in de eerste schadestaatprocedure had kunnen en moeten worden gevorderd.

3.10.

Bovendien is het niet mogelijk om de eis in deze tweede schadestaatprocedure te baseren op de lijst, omdat de vermeerdering van eis in de eerste schadestaatprocedure op basis van deze lijst door dit hof wegens strijd met de tweeconclusieregel niet is toegelaten. De hoofdzaak en de beide schadestaatprocedures worden immers als één geding beschouwd. Deze eisvermeerdering alsnog toelaten in de tweede schadestaat-procedure is niet mogelijk, omdat hierover al bij bindende eindbeslissing in de eerste schadestaatprocedure is beslist (vgl. HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:

AD8044).

De leer van de bindende eindbeslissing brengt tevens mee dat deze vordering voor zover betreffende schadeposten waarover reeds in de eerste schadestaatprocedure is beslist, te weten, naar het hof begrijpt, posten 5, 6 en 27, niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld in deze tweede schadestaatprocedure.

[X] c.s. voeren nog aan dat [Y] ermee rekening had moeten houden dat zij hun eis zouden kunnen vermeerderen bij hun memorie van grieven in de eerste schadestaatprocedure. Wat hiervan ook zij, dit rechtvaardigt geen uitzondering op de leer van de bindende eindbeslissing. Andere feiten en omstandigheden die een uitzondering hierop zouden kunnen rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken.

3.11.

De conclusie uit het voorgaande is dat ook de vordering voor zover gebaseerd op de schadeposten 5 tot en met 26 en 28 voor zover die ziet op het incident op

4 mei 2004 door de rechtbank terecht is afgewezen. De grieven 4 tot en met 8 falen dan ook.

3.12.

Verder uiten [X] c.s. in de grieven 9 tot en met 11 bezwaren tegen de toegewezen vorderingen in reconventie.

[X] c.s. stellen in grief 9 onder meer dat hun beslag ter zekerheid van hun vordering rechtmatig is. [Y] bestrijdt dit.

[X] c.s. hebben in 2004 conservatoir beslag op een aantal onroerende zaken van [Y] gelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat door het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van dit hof in de eerste schadestaatprocedure dit beslag van rechtswege is vervallen (art. 704 lid 2 Rv). Het beslag was dus niet rechtmatig.

Voorts hebben zij in 2016 opnieuw conservatoir beslag op genoemde zaken van [Y] gelegd. De rechtbank heeft terecht beslist dat dit beslag opgeheven dient te worden, nu de vordering tot zekerheid waarvan dit beslag is gelegd blijkens het bovenstaande ondeugdelijk is.

[X] c.s. stellen in grief 9 voorts dat zij niet hoeven mee te werken aan de opheffing van de beslagen, omdat ze van rechtswege vervallen. [X] c.s. verliezen hierbij echter uit het oog dat zij op grond van art. 3:28 lid 1 BW verplicht zijn een schrifte-lijke verklaring van waardeloosheid af te geven.

Een en ander betekent dat grief 9 faalt.

3.13.

In grief 10 voeren [X] c.s. aan dat [Y] onvoldoende heeft gesteld om schade als gevolg van het handhaven van het beslag uit 2004 alsmede als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag uit 2016 aannemelijk te doen zijn.

Ook deze grief gaat niet op. In zijn conclusie van eis in reconventie heeft [Y] aangevoerd dat hij “door deze beslagen inmiddels 13 jaar lang zijn inkomsten ad minimaal € 100.000,00 per jaar en een winstderving van ruim € 1.500.000,00 door onmogelijke verkoop van de beslagen onroerende zaken en de ernstige beperking daardoor in zijn en onmogelijkheid van kredietverkrijging [ontbeert]”. Deze stelling hebben [X] c.s. niet (voldoende) gemotiveerd betwist, waarmee de mogelijkheid van schade als gevolg van deze onrechtmatige beslagen voldoende aannemelijk is. Mocht [Y] overwegen om een schadestaatprocedure tegen [X] c.s. te beginnen ter uitvoering van het bestreden vonnis, dan zal hij daarbij wel in aanmerking moeten nemen dat de tegenvordering van [X] c.s. op hem wegens verbeurde dwangsommen, pro resto groot € 171.556,09, die weliswaar verjaard is, ingevolge art. 6:131 lid 1 BW voor verrekening in aanmerking komt.

3.14.

Tot slot werpen [X] c.s. in grief 11 op dat als [Y] voor de rechtbank een onvoldoende concrete omschrijving van de beslagen heeft gegeven om die op te heffen, voor hen uiteraard hetzelfde geldt.

Deze grief duidt op een verkeerde lezing van het vonnis en snijdt dan ook geen hout. [X] c.s. beschikken namelijk als beslagleggers over alle informatie om de beslagen te doen doorhalen en daarom heeft de rechtbank hen terecht veroordeeld tot opheffing van de beslagen.

Overigens heeft [Y] onbetwist gesteld dat de beslagen inmiddels zijn opgeheven door middel van de vervangende toestemming van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 20 september 2018 (productie 2 bij memorie van antwoord).

3.15.

De slotsom is dat alle grieven falen. Het bewijsaanbod van [X] c.s. wordt gepasseerd, nu dat geen betrekking heeft op stellingen, die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X] c.s. zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [Y] begroot op € 1.649 aan verschotten en € 16.503 voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Wessels, A.L.M. Keirse en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.