Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:133

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2020
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
23-000806-19
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:386
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal in vereniging en met braak (Nissan Micra). Gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000806-19

datum uitspraak: 20 januari 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-250339-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,

BRP-adres: [adres 1],

woonadres volgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

19 december 2019 en 6 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 december 2018 in de gemeente Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een personenauto (merk Nissan, type Micra), die stond geparkeerd op of aan de Heemskerkerweg en/of de Laan der Nederlanden aldaar en/of een of meer goed(eren) uit die personenauto, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel, naar die personenauto is toegelopen en/of (vervolgens) een ruit van die personenauto heeft vernield en/of (vervolgens) die personeneauto is ingegaan en/of het dashboardkastje van die personenauto heeft geopend en/of doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsvoering en verwerping van een bewijsverweer

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken wegens een gebrek aan bewijs. Daartoe heeft zij onder andere aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de verdachte iets te maken heeft met de gebroken autoruit en dat uit niets blijkt van een voorgenomen diefstal van goederen uit de auto dan wel diefstal van de auto zelf.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen1 blijkt het volgende:

▪ De getuige [getuige] heeft op 7 december 2018 omstreeks 23:13 uur gezien dat drie donker geklede personen, van wie één met een rugzak, in de richting liepen van het parkeerterrein, gelegen naast de Vredevorstkerk in Beverwijk; dat één van de mannen aan het eind van het parkeerterrein op de uitkijk stond, terwijl de twee anderen achter en rechts naast een rode Nissan Micra stonden; dat de binnenverlichting van de auto aan- en uitging en dat twee mannen in de auto hingen; dat toen de politie kwam aanrijden en deze twee mannen wegrenden in de richting van het naastgelegen park Overbos; dat de politie deze mannen heeft aangehouden. [getuige] heeft niet gezien waar de derde man die op de uitkijk stond, heen was gegaan.2

▪ De ruit van het rechter voorportier van de rode Nissan Micra, die toebehoorde aan de aangever

[benadeelde], was ingeslagen en de spullen uit het dashboardkastje lagen op de bijrijdersstoel.3

▪ Politieambtenaren die op 7 december 2018 om 23:15 uur ter plaatse kwamen, zagen twee donker geklede personen, van wie één met een rugtas, hard wegrennen het park Overbos in. Zeer kort daarop zijn de verdachte en zijn mededader, na een korte achtervolging, aangehouden waarbij [verdachte] niet uit het oog verloren is en waarbij [medeverdachte] is aangetroffen in de bosjes waar men hem in zag rennen, in bezit van een rugtas met daarin een stanleymes, diverse zaklampen, diverse laadkabels en een On Board Diagnostics foutcodelezer. [verdachte] was in het bezit van een lifehammer,4 een instrument bedoeld om autoruiten mee in te kunnen slaan, zoals van algemene bekendheid mag worden geacht.

Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat de verdachte en zijn medeverdachte bewust en nauw hebben samengewerkt overeenkomstig een (mede gezien het op de uitkijk staan van een derde) tevoren gesmeed plan dat er toe strekte door het inslaan van een autoruit toegang te krijgen tot zich in die auto bevindende goederen van hun gading. Uit het doorzoeken van het dashboardkastje door de verdachte en zijn mededader leidt het hof af dat in elk geval is gezocht naar door hen begerenswaardig geachte goederen. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in zoverre verworpen.

Bij gebreke van voldoende sterke aanwijzingen voor een poging tot diefstal van de auto zelf, zal het hof de verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 december 2018 in de gemeente Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om goederen uit een personenauto (merk Nissan, type Micra) die toebehoorde aan [benadeelde], weg te nemen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, een ruit van die personenauto heeft vernield en die personenauto is ingegaan en het dashboardkastje van die personenauto heeft geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals daarnaar in de bovenstaande voetnoten is verwezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft verzocht om de in eerste aanleg opgelegde straf te matigen en bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal van spullen uit een auto. Daarbij is een autoruit ingeslagen en het voertuig doorzocht. Dit feit heeft niet alleen schade veroorzaakt, het zal de gedupeerde ook ergernis en rompslomp hebben opgeleverd. De verdachte heeft laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander en slechts uit te zijn op eigen financieel gewin.

Bij gebreke van solide aanknopingspunten voor de gedachte dat de verdachte – die in Polen is ingeschreven – zich op bonafide wijze in de Nederlandse samenleving probeert te bewegen, beklijft bij het hof de indruk dat de verdachte naar Nederland is gekomen om in zijn onderhoud te voorzien op een maatschappelijk ongewenste wijze. Doordat de verdachte niet op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, heeft hij zichzelf de kans ontnomen deze indruk weg te nemen. Dat de verdachte thans betaald werk verricht, is wel gesteld, maar niet (voldoende concreet) met stukken onderbouwd.

Het hof is, gelet op het voorgaande en de ernst van het feit, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van materiële schade. Deze bedraagt € 85,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de gehele vordering van € 85,00 moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

Namens de verdachte is, tegen de achtergrond van de bepleite vrijspraak, gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader tot een bedrag van € 85,00 rechtstreeks materiële schade heeft geleden, mede omdat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Daarbij zullen de verdachte en zijn mededader hoofdelijk tot vergoeding van de schade worden verplicht.

Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 85,00 (vijfentachtig euro) ter zake van materiële schade,

waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 85,00 (vijfentachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 1 (één) dag, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 december 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. J.J.I. de Jong en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2020.

=========================================================================

[…]

1 De processen-verbaal waarnaar in de navolgende voetnoten wordt verwezen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen (p. 22 van het doorgenummerde dossier) in samenhang met het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] (p. 23-24 van het doorgenummerde dossier).

3 Het proces-verbaal van aangifte (p. 4-5 van het doorgenummerde dossier).

4 Het proces-verbaal van bevindingen (p. 8-9 van het doorgenummerde dossier).