Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1324

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
200.248.550/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Artikel 843a Rv-vordering. De geïntimeerde heeft belang erbij duidelijkheid te krijgen over de rechtsgeldigheid (bedrog? misbruik van omstandigheden?) van de vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.248.550/01

zaak -en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/652439 / KG ZA 18-855

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2020

inzake

[appellante] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.M. Govaert te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ),

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. M. Faber te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 30 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningen-rechter) van 24 september 2018, in kort geding gewezen onder bovenvermeld zaak -en rolnummer tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens houdende vermeerdering van eis, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met een productie.

[appellante] heeft, kort samengevat en naar het hof begrijpt, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alle door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen alsnog zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de door haar reeds voldane dwangsommen met rente en de proceskosten in beide instanties, met nakosten. Voor zover het hof het bestreden vonnis in stand laat, heeft [appellante] geconcludeerd de daarbij uitgesproken veroordeling tot afgifte van stukken te beperken tot de door [appellante] reeds overgelegde bescheiden en de dwangsommen op nihil te bepalen dan wel te matigen tot € 250,- voor iedere dag dat [appellante] niet heeft voldaan aan het daarin opgenomen bevel en [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot (i) volledige terugbetaling van de dwangsommen dan wel (ii) terugbetaling van het verschil tussen het gecorrigeerde bedrag aan dwangsommen en de reeds door [appellante] aan [geïntimeerde] voldane dwangsommen, met rente, en (iii) tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, daaronder begrepen de nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en in incidenteel appel, kort samengevat, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigt en zijn in eerste aanleg afgewezen vorderingen tot afgifte of inzage stukken alsnog toewijst. Voor zover onder de bij zijn vorderingen gehanteerde term ‘gevoerde interne correspondentie’ niet reeds ook WhatsApp-berichten vallen, heeft [geïntimeerde] bij wijze van eisvermeerdering in appel tevens gevorderd [appellante] te veroordelen tot afgifte van dan wel inzage in:

1) de in december 2017 tussen [appellante] medewerkers [A] en [D] uitgewisselde WhatsApp-berichten inzake (i) het laten vervallen van de functie van [geïntimeerde] en (ii) het creëren van een nieuwe (senior) functie op het gebied van interne communicatie;

2) de in januari 2018 tussen [appellante] medewerkers [J] , [A] , [M] en/of [D] uitgewisselde WhatsApp-berichten inzake het aantrekken van een ad interim kracht om de interne communicatie te managen,

alles met veroordeling van [appellante] in de kosten van zowel het principale als het incidentele appel, met nakosten en wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring.

[appellante] heeft in incidenteel appel geconcludeerd dat het hof de incidentele grief zal verwerpen en de gevorderde dwangsom zal afwijzen, althans deze op nihil zal bepalen, alles met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidentele appel, met nakosten en wettelijke rente.

Op 27 september 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden waarbij partijen, door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, hun standpunten nader hebben toegelicht, mr. Govaert voornoemd aan de hand van schriftelijke aantekeningen die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid heeft [appellante] nadere producties in het geding gebracht en hebben partijen enige vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.5. de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

a. [geïntimeerde] is met ingang van 1 november 2016 bij [appellante] in dienst getreden als Director Internal Communications.

b. Ruim een jaar later is [geïntimeerde] meegedeeld dat zijn arbeidsplaats vanaf 31 maart 2018 zou komen te vervallen wegens een reorganisatie als gevolg waarvan zijn functie niet langer zou bestaan, en dat er voor hem geen herplaatsingsmogelijk-heden waren.

c. [appellante] heeft [geïntimeerde] vervolgens een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Daarin staat dat [appellante] de arbeidsovereenkomst wil beëindigen op bedrijfseconomische gronden, dat de functie van [geïntimeerde] vervalt en dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn. [geïntimeerde] heeft de vaststellingsovereenkomst ondertekend op 11 januari 2018. In die overeenkomst op grond waarvan [appellante] aan [geïntimeerde] een vergoeding van ongeveer € 280.000,- heeft toegekend, staat onder randnummer 22 de volgende bepaling (hierna ook: de kwijtingsbepaling):

“The Employee acknowledges and agrees that the amounts which are paid to him in execution of the previous Clauses in the Agreement, are the full and definitive settlement of any amounts to which he would be entitled related to the closing, the execution and/or the termination of the employment agreement of, in general, related to the contractual relationships which would have existed between him and the Company and/or any Affiliate. Upon due execution of the previous Clauses of the Agreement, the Parties irrevocably waive the right to initiate or pursue a legal procedure against each other, for any reason whatsoever and on any ground and which would be connected to the closing, the execution and/or the termination of the employment agreement and/or their previous contractual relationships. The Employee explicitly waives any future claim for whatsover reason and of any kind, and he waives any entitlements he could claim following the closing, the execution, and/or the termination of the employment agreement and/or the professional activities within the Company or any Affiliate. This means that the Parties, except in so far as relating to the performance of the rights and obligations laid down in the Agreement, grant each other final discharge. (…)”

d. In mei 2018 heeft [geïntimeerde] vernomen dat [appellante] een externe kandidaat, [O] (hierna: [O] ), had aangenomen en benoemd als Director Internal Communications. In een intern bericht van [D] , de voormalig leidinggevende van [geïntimeerde] binnen [appellante] , staat daarover voor zover hier van belang het volgende:

“Welcome [O] , Director Internal Communications (…)

I’m pleased to announce that [O] has joined my team to lead internal communications, reporting to me. (…) [O] will be working with me and Jacky to assist in disseminating information across the [appellante] HQ offices, as well as liaising with our teams in the operating companies to support their internal communications objectives. (…)”

e. [geïntimeerde] heeft [appellante] om opheldering gevraagd over het aanstellen van [O] . De verkregen antwoorden hebben bij [geïntimeerde] meer vragen opgeroepen dan duidelijkheid opgeleverd.

f. Bij dagvaarding van 12 augustus 2019 heeft [geïntimeerde] een procedure aanhangig gemaakt jegens [appellante] . [geïntimeerde] vordert in die procedure betaling van een totaalbedrag van ongeveer € 450.000,- als schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [appellante] dan wel handelen in strijd met goed werkgeverschap.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd de veroordeling van [appellante] tot afgifte van (i) besluiten en correspondentie over (a) het laten vervallen van zijn functie, (b) het creëren en openstellen van de Senior functie, (c) het aantrekken van een interim kracht voor de interne communicatie, (ii) profielen van de functie die hij zelf heeft vervuld, van de Senior functie en van de functie van [O] , (iii) het contract met het recruitmentbureau over het aantrekken van een interim kracht en alle correspondentie daarover en (iv) de service agreement met East West Ventures over het inlenen van [O] en alle correspondentie daarover, alles op straffe van verbeurte van dwangsommen, en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.2

Nadat [appellante] tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat aan de voorwaarden die worden gesteld in artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor toewijzing van een exhibitievordering is voldaan. De voorzieningenrechter heeft [appellante] - uitvoerbaar bij voorraad - op straffe van verbeurte van een dwangsom bevolen aan [geïntimeerde] te verstrekken:

- de in december 2017 gevoerde interne correspondentie over het laten vervallen van de functie Director Internal Communications;

- de in december 2017 gevoerde interne correspondentie over het creëren van de functie Senior Director Internal Communications and Communications Strategy;

- de interne correspondentie over het toch niet openstellen van de functie van Senior Director Internal Communications and Communications Strategy;

- de in januari 2018 gevoerde interne correspondentie over het aantrekken van een interim manager voor de interne communicatie;

- de overeenkomst tussen [appellante] en [T] inzake het aantrekken van een interim manager voor de interne communicatie, met dien verstande dat zij daarbij privacy- en concurrentiegevoelige informatie onleesbaar mag maken;

- de correspondentie tussen [appellante] en [T] voorafgaand aan en over de uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst inzake het aantrekken van een interim manager voor de interne communicatie;

- de correspondentie tussen [appellante] en East West Ventures inzake het inlenen door [appellante] van [O] ;

- de service agreement tussen [appellante] en East West Ventures betreffende het inlenen van [O] voor de periode van 23 mei 2018 tot 23 november 2018, met dien verstande dat zij daarbij privacy- en concurrentiegevoelige informatie onleesbaar mag maken;

alsmede [appellante] veroordeeld in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.

3.3

Tegen voornoemde beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] op met zes grieven op. [geïntimeerde] bestrijdt de grieven in principaal appel en komt in incidenteel appel met één grief op tegen de afwijzing van zijn vordering tot het overleggen van (i) de verlengde service agreement tussen [appellante] en East West Ventures betreffende het inlenen van [O] vanaf 23 november 2018, en (ii) alle correspondentie tussen [appellante] en East West Ventures inzake de verlengde service agreement betreffende het inlenen van [O] vanaf 23 november 2018. Tevens vermeerdert [geïntimeerde] zijn eis als hiervoor is weergegeven.

In principaal appel

3.4

In principaal appel betoogt [appellante] met grief I dat uit de feiten, tijdslijnen en de door haar overgelegde stukken blijkt dat er op het moment van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst geen sprake kan zijn geweest van bedrog, dwaling of misbruik van omstandigheden.

3.5

Het hof overweegt als volgt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de in de vaststellingsovereenkomst onder randnummer 22 opgenomen kwijtingsbepaling waarin staat dat het partijen niet is toegestaan juridische procedures tegen elkaar aanhangig te maken, in de weg staat aan vorderingen op grond van dwaling maar niet aan vorderingen die gegrond zijn op bedrog of misbruik van omstandigheden. Het hof verenigt zich met dat oordeel en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. De onderhavige exhibitievordering strekt ertoe te onderzoeken of daadwerkelijk sprake is geweest van bedrog of misbruik van omstandigheden. [appellante] heeft weliswaar betoogd dat dat niet het geval is, maar de vraag of sprake is van bedrog of misbruik van omstandigheden zal door de rechter in het reeds aanhangige bodemgeschil kunnen worden beantwoord. Er is thans geen aanleiding in het kader van dit kort geding daarop vooruit te lopen. Grief I faalt.

3.6

Met grief II betoogt [appellante] dat de voorzieningenrechter [geïntimeerde] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vordering wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Anders dan [appellante] heeft bepleit, heeft [geïntimeerde] spoedeisend belang bij zijn onderhavige 843a Rv-vordering aangezien hij er belang bij heeft duidelijkheid te krijgen over de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst. Ook grief II faalt.

3.7

Grief III strekt ertoe dat [geïntimeerde] geen rechtmatig belang heeft bij zijn vordering aangezien een mogelijk onderliggende vordering niet aannemelijk is en met grief IV betoogt [appellante] dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv en de vordering van [geïntimeerde] door de voorzieningenrechter had moeten worden gekwalificeerd als een ‘fishing expedition’ en om die reden had moeten worden afgewezen. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat [geïntimeerde] voldoende aanwijzingen heeft genoemd die de mogelijkheid ondersteunen van een schending door [appellante] van haar (post)contractuele verplichtingen jegens hem. Daarbij komt dat [geïntimeerde] de relevantie van de gevraagde bescheiden voldoende heeft toegelicht. Zo heeft hij gesteld dat de gevorderde bescheiden benodigd zijn om de exacte tijdlijn van alle gebeurtenissen te onderbouwen hetgeen relevant is voor het bewijzen van opzet bij [appellante] en om de inhoud van de functie van [O] aan te tonen opdat komt vast te staan dat de destijds door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden nog steeds worden uitgevoerd bij [appellante] . Anders dan [appellante] heeft betoogd, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat sprake is van een rechtsbetrekking en dat de gevorderde bescheiden voldoende bepaald zijn. Het hof verenigt zich met dat oordeel dat voldoende is gemotiveerd. Dit leidt ertoe dat de grieven III en IV falen.

3.8

Grief V strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat afgifte van de stukken uit een oogpunt van een efficiënte rechtspleging alsmede van betrouwbaarheid van het materiaal is te verkiezen boven tijdrovende en kostbare voorlopige getuigenverhoren. Anders dan [appellante] kennelijk betoogt, doet de omstandigheid dat [geïntimeerde] bewijs kan vergaren voor zijn stellingen via voorlopige getuigenverhoren niet af aan zijn recht om op de voet van artikel 843a Rv inzage te vorderen in de door hem bedoelde bescheiden. Daarbij komt, zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, dat afgifte van de bedoelde bescheiden uit het oogpunt van efficiënte rechtspleging alsmede van betrouwbaarheid van het materiaal, de voorkeur heeft boven tijdrovende en kostbare voorlopige getuigenverhoren. Grief V faalt eveneens.

3.9

Ten slotte faalt ook grief VI waarmee [appellante] heeft bepleit dat de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- buitenproportioneel is en op geen enkele wijze in verhouding staat tot het belang dat daarmee wordt gediend. De voorzieningenrechter heeft, gezien het feit dat [geïntimeerde] tevergeefs [appellante] heeft gevraagd om afgifte de door hem bedoelde bescheiden, bepaald dat aan de veroordeling tot afgifte van stukken een zodanige dwangsom wordt verbonden dat daaruit een voldoende prikkel voor [appellante] ontstaat om aan het vonnis te voldoen. Het hof verenigt zich met dit oordeel. De omstandigheid dat in andere zaken een lager bedrag aan dwangsom pleegt te worden opgelegd, doet hieraan niet af.

In incidenteel appel

3.10

In incidenteel appel komt [geïntimeerde] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot het overleggen van de verlengde service agreement tussen [appellante] en East West Ventures betreffende het inlenen van [O] vanaf 23 november 2018 en alle correspondentie tussen [appellante] en East West Ventures inzake de verlengde service agreement betreffende het inlenen van [O] vanaf 23 november 2018. Met zijn grief in incidenteel appel betoogt [geïntimeerde] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] bestrijdt dat het contract van [O] is of zal worden verlengd en dat er geen aanwijzingen bestaan dat dit onjuist is. Volgens [geïntimeerde] staat vast dat [O] na 23 november 2018 werkzaam is gebleven bij [appellante] in de functie van Director Internal Communications, hetgeen onder meer blijkt uit het LinkedIn-profiel. Dit betekent dat het contract van [O] is verlengd. [geïntimeerde] meent dan ook dat [appellante] dit contract aan hem dient te verstrekken, evenals de bij wijze van eisvermeerdering in hoger beroep gevorderde correspondentie. [geïntimeerde] stelt dat hij een rechtmatig belang heeft bij deze bescheiden omdat hij deze stukken nodig heeft voor het complementeren van de tijdlijn van alle gebeurtenissen en voor het bewijzen van de inhoud van de functie van [O] en de kennis die [appellante] destijds had omtrent de onjuistheid van de aan [geïntimeerde] gedane mededelingen.

3.11

De grief faalt. Daartoe is het volgende redengevend. Vaststaat dat [geïntimeerde] bij dagvaarding van 22 augustus 2019 een bodemgeschil aanhangig heeft gemaakt jegens [appellante] en dat hij zijn vordering in die zaak heeft gebaseerd op onrechtmatig handelen van [appellante] dan wel handelen van [appellante] in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap. Blijkens de inhoud van de dagvaarding en de daarbij gevoegde producties heeft [geïntimeerde] zijn vordering reeds onderbouwd met een aantal stellingen en daaraan feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die volgens hem ertoe leiden dat de mededeling van [appellante] dat zijn functie per 1 april 2018 was komen te vervallen, onjuist was. Tegen deze achtergrond heeft [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht dat hij thans een (spoedeisend) belang heeft bij zijn vordering strekkende tot afgifte van dan wel inzage in de door hem bedoelde aanvullende bescheiden. Het ligt op de weg van [geïntimeerde] concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt. [geïntimeerde] heeft niet genoegzaam toegelicht waarom de gevraagde bescheiden, naast de al beschikbare bescheiden, voor de beoordeling van het geschil relevant zijn, en evenmin wat de gevraagde bescheiden kunnen zeggen over zijn stelling dat zijn functie in werkelijkheid niet was vervallen. Dit brengt tevens met zich dat de hiervoor onder 1. weergegeven vermeerderde vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

In principaal en in incidenteel appel

3.12

De slotsom is dat alle grieven falen, zowel in het principale als in het incidentele appel. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en de in hoger beroep vermeerderde vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal appel. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 318,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.074,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart bovenstaande kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, J.C. Toorman en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.