Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1310

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
200.242.753/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade; (pijn)klachten na aanrijding; ECLI:NL:GHARL: 2018:1661 en ECLI:NL:GHARL:2016:3988.

Niet gebleken van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, die voor de aanrijding nog niet bestonden, en evenmin kan worden aangenomen dat deze klachten op zichzelf door de aanrijding veroorzaakt kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0417
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaak-/rolnummer : 200.242.753/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/624933/HA ZA 17-243

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2020

inzake

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

N.V. VERZEKERINGSBEDRIJF GROOT AMSTERDAM (VGA),

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en VGA genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 26 juni 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en VGA als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met productie;

- memorie van antwoord met productie;

- akte uitlating productie van [appellante] .

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen behoudens betreffende de begroting en de veroordeling van VGA in de kosten van het deelgeschil en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vorderingen zal toewijzen met veroordeling van VGA in de kosten van het geding in beide instanties.

VGA heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Op 25 november 2010 heeft op de kruising van de Holendrechtdreef en de Meerkerkdreef te Amsterdam een aanrijding (hierna: de aanrijding) plaatsgevonden tussen de auto van [appellante] , een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), en een bus van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf (GVB) met kenteken [kenteken] (hierna: de bus). [appellante] was op dat moment de bestuurster van de auto. De heer [A] was de chauffeur van de bus.

2.2

De bus was ten tijde van het ongeval verzekerd bij VGA. [appellante] heeft VGA aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade.

2.3

In een door [A] ondertekende brief van 18 februari 2011 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) Op 18 februari 2011 heeft de heer (…) [B] , leidinggevende, met de heer [A] het schadevoorval 25 november 2010 [besproken].

De heer [A] verklaart over dit voorval het volgende;

Ik moest op de kruising linksaf. Naast mij stond een auto. Ondanks dat ik de bocht hoog nam ben ik met de achterzijde van de bus tegen de spiegel van genoemde tegenpartij gereden. Door mijn stuurfout is schade ontstaan aan de linker spiegel van de tegenpartij. Nadat ik gegevens met haar aan het uitwisselen was verklaarde zij ook “het is alleen maar een spiege[l]”.(…) [A] ontken[t]dat hij meer schade heeft toegebracht aan de auto van de tegenpartij dan de linker buiten spiegel (…)”

2.4

Bij e-mail van 29 maart 2012 heeft de toenmalige advocaat van [appellante] aan een ooggetuige van het voorval, mevrouw [C] (hierna: [C] ), gevraagd of zij zich kan herinneren dat behalve de buitenspiegel ook de zijkant van de auto door de bus is geraakt en zo ja, of zij dat per e-mail kan bevestigen. [C] heeft in reactie daarop bij e-mail van 13 april 2012 aan de toenmalige advocaat van [appellante] bericht, voor zover van belang:

“(…) Ik heb gezien dat de bus haar ‘meenam’ toen hij de bocht naar links maakte. Hij raakte haar spiegel. (…) Toen ik haar auto daarna zag was er naast het feit dat haar spiegel geraakt is, nog een kras op de auto aan de portierszijde (…)”

2.5

Bij brief van 10 september 2012 heeft [D] , coördinator van Documentation Based Care (hierna: DBC) Badhoevedorp, voor zover van belang, aan de afdeling SMZ, ZW-Arbo van UWV het volgende bericht betreffende het re‑integratieplan van [appellante] :

“(…)

Conclusie

Fysieke en psychische klachten die ontstaan zijn na een aanrijding in november 2010. Problematiek herkenbaar als een ‘pijn-gevolgen’ patroon. Cliënte heeft forse problemen in het omgaan met de gebeurtenissen en de ontstane situatie.

De hierdoor aanwezige arousal en distress lijken herstelbelemmerend te werken. Er zijn milde nekfunctiestoornissen.

Mijns inziens een goede indicatie voor een multidisciplinair DBC traject met een combinatie van fysieke training en psychologische begeleiding.

(…)”

2.6

Een deel van het huisartsenjournaal van de huisarts van [appellante] luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

27-06-2014 komt voor hulp ivm knieklachten; (…) houdt veel last van de knieen; maar ook van li pols en van de rug. (…)

02-10-2012 (…) Klacht: pijn in li knie; gevoel er doorheen te zakken (…) Heeft gevoel of knie naar achteren klapt. Bij staan en bewegen. (…)

01-07-2011 Nog steeds pijn aan knie links. FT gestopt, kan niets meer voor pte betekenen. Ook pijn aan polsen en veel stress. Kan niet werken. (…)

13-05-2011 (…) MRIcentrum: li-knie geen afwijkingen

19-04-2011 last van linker knie; sinds ongeval; wisselend pijn (…) aanvraag mri

06-04-2011 (…) bij fysio 365 geweest (…)

(…)

30-11-2010 houdt pijn in arm links; in pols; bang dat het helemaal niet goed zal gaan in toekomst; met werk. Pijn in nek; pijn in knie (…)

Econtusie (na auto-ongeval)

26-11-2010 Op 25-11 (…) ongeluk gehad: stond stil met auto, achterkant GVB bus is tegen linkerkant auto aangereden. Auto niet erg kapot. (…) Nu last van linkerpols (al langer last van: FT en brace, mogelijk CTS? Pijn mn in dig. II en III) van lage rugpijn links en nek links. Geen tintelingen of doof gevoel. Pte heeft contact opgenomen met de letselschadeadviseur: advies gekregen om binnen 24 uur contact op te nemen met arts.. Pijnstilling: ibuprofen 600 mg 2 sachets. Vraag: pijnstilling?

O Drukpijn en hypertonie m. trapezius links, drukpijn paravertebraal links naast LW. Bewegingen pijnlijk intact (…)

Pijnstilling: ibuprofen 600 mg 3 dd 1 z.n. PCM 4dd 1000 mg. Volgende week dinsdag tc (…)”

2.7

Bij brief van 12 februari 2013 is namens DBC, voor zover van belang, aan de afdeling IR ZW/Arbo van UWV het volgende bericht betreffende de eindrapportage van [appellante] :

“(…) De interventie is gestart op 18 september 2012 en op 12 februari 2013 afgerond. (…)

Cliënte heeft in totaal 15 trainingen ontvangen. In de laatste trainingen gaf cliënte aan zich duidelijk fysiek beter te voelen en dat haar nekklachten verminderd waren. Tevens gaf zij aan in januari 2013 terug te willen keren naar de arbeidsmarkt in haar oude functie. (…)”

2.8

Bij beschikking van de rechtbank van 2 april 2015 is op verzoek van [appellante] een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Op 26 mei 2015 heeft [appellante] als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…) Op 25 november 2010, dus niet 2011, was ik betrokken bij een aanrijding op de kruising Holendrechtdreef/ Meerkerkdreef te Amsterdam. (…) Gekomen bij de kruising met de Holendrechtdreef stopte ik voor het stoplicht. Ik kan mij niet meer herinneren of er nog een auto voor mij stond. (…) Links van mij stond een gelede bus van het gemeentelijk vervoersbedrijf. (…) Op een gegeven moment ging de bus die links van mij stond rijden. (…) Toen de bus linksaf ging heeft hij mijn auto geraakt met het achterste deel van de bus. Hierbij is schade aan mijn auto ontstaan, de spiegel was eraf en ik had een deuk en krassen in de twee linker portieren. (…) Ik ben de volgende dag of de dag erna naar de dokter gegaan. Ik had klachten aan mijn linkerknie en aan mijn nek. Ik had een stijve nek, volgens de dokter had ik een whiplash. Dat was niet mijn eigen huisarts, want die was met vakantie, maar een waarnemer. Zij zei dat ik het moest aanzien, in ieder geval tot mijn eigen huisarts terug was en heeft gezegd dat ik paracetamol moest slikken. Vervolgens kreeg ik hoofpijn en mijn eigen huisarts zei dat het migraine was. Daarna ben ik op advies van vrienden naar een fysiotherapie praktijk gegaan en die zeiden dat ik een erge whiplash had. Ik begon ook pijn in mijn onderrug te krijgen. Ik werd daar vier maal per week behandeld en zij hebben mij verwezen naar een letselschade advocaat met wie zij samenwerken, mr. Aarts. Daar ben ik toen mee in contact getreden. Op een gegeven moment werd de fysiotherapie niet meer vergoed en toen ben ik er mee opgehouden. Later heb ik nog een aantal behandelingen van het UWV gekregen. De klachten bestaan nog steeds. Na de aanrijding kon ik met mijn eigen auto naar huis rijden.

(…)

Mijn auto was aan de hele linkerzijde beschadigd. De spiegel was eraf, in linker voorportier zat een deuk en er waren krassen over de hele linkerzijkant. Ook de bumper linksvoor was beschadigd. Die schade liep door tot aan de voorkant. (…) [A] zag dat ik erg geschrokken was en vroeg mij of ik klachten had. Ik zei ik hem dat ik wel iets voelde maar dat het niet erg was. Hij raadde mij toen aan naar mijn huisarts te gaan. De schade aan de auto is geheel vergoed. (…)”.

2.9.

[C] heeft op 26 mei 2015 als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…) In november 2010 heb ik mijn zoontje met de auto van school gehaald. Mijn zoontje zat in dezelfde klas als het zoontje van mevrouw [appellante] . Ik kende haar toen nog niet zo goed, maar ik wist wel dat zij een nieuwe auto had en dat daar geen schade op zat. Dat had ik gezien. Die middag in november reden wij achter elkaar over de Meerkerkdreef. Wij moesten stoppen voor het stoplicht, dat op rood stond. Naast ons stond een gelede bus van het GVB. Toen het stoplicht op groen sprong ging iedereen rijden, ook ik trok langzaam op. Ik zag dat de bus linksaf sloeg en daarbij de auto van Mevrouw [appellante] raakte, ik zag dat hij de spiegel eraf reed en de auto aan de zijkant raakte. (…) Ik zag toen dat er schade was aan de beide portieren aan de linkerzijde. Ik weet zeker dat die schade er voor de aanrijding niet was. De volgende dag heb ik de auto bij de school nog een keer bekeken. De strip van beide portieren was eraf en er was duidelijke schade aan de portieren, hoe het er exact uitzag dat weet ik niet meer. Wel waren beide portieren beschadigd. (…)

Het was het achterste gedeelte van de bus dat bij het nemen van de bocht uitzwenkte en de auto van mevrouw [appellante] raakte. (…) Toen ik haar na de aanrijding bij de bushalte zag ben ik gestopt en heb ik gevraagd hoe het ging. Zij zag er niet goed uit. Het was duidelijk dat ze erg geschrokken was en ze klaagde over pijn aan haar arm. Ik heb niet uitgebreid gevraagd of ze nog ergens anders pijn had. Ik heb mevrouw [appellante] daarna bij school regelmatig gezien en vroeg af en toe hoe het ging. Zij vertelde mij dat het niet goed ging. (…) Mijn verklaring in de e-mail van 13 april 2012 is niet volledig. Er was duidelijk meer schade dan alleen een kras op de portier.”

2.10

De heer [B] (teammanager bij GVB) heeft op 23 september 2015 als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…) Wij kunnen zelf in ons systeem zien om welk voertuig het gaat. De heer [A] reed op het moment van de aanrijding in het voertuig met kenteken [kenteken] . Wij gebruiken normaal alleen grootwagennummers en dit betrof grootwagennummer [nummer] . Dit is een normale bus, geen gelede bus. De heer [A] heeft hierbij ingevuld dat bij de auto de spiegel kapot was. Aan de bus was geen zichtbare schade. (…)”.

2.11

Op 5 november 2015 heeft [appellante] een verzoekschrift deelgeschil bij deze rechtbank ingediend, waarin zij de rechtbank (onder meer) heeft verzocht te bepalen dat VGA aansprakelijk is voor de letselschade die zij als gevolg van de aanrijding heeft geleden en lijdt. VGA heeft primair als verweer gevoerd dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Bij beschikking van 30 juni 2016 heeft de rechtbank – onder meer – als volgt geoordeeld:

“(…)

Artikel 1019z Rv bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij geldt dat de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

(…)

4.6.Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank van oordeel is dat er thans onvoldoende bewijs is voor de door [appellante] gestelde toedracht en ernst van de aanrijding en het conditio sine qua non-verband tussen de aanrijding en het gestelde letsel. Er is dan ook nader onderzoek noodzakelijk om vast te kunnen stellen of VGA aansprakelijk kan worden gehouden voor het door [appellante] gestelde letsel. Een dergelijk onderzoek valt echter buiten het bestek van de deelgeschilprocedure, aangezien het zich niet verdraagt met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt dient te zijn. De hiervoor in rechtsoverweging 4.2. opgenomen belangenafweging dient derhalve naar het oordeel van de rechtbank in het nadeel van [appellante] uit te vallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [appellante] zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Dat leidt tot afwijzing van het verzoek van [appellante] .

(…)”

2.12

Bij brief van 4 januari 2017 heeft [E] van Centro FysioMedico Sports & Rehabilitation Amsterdam, voor zover hier van belang, het volgende aan de advocaat van [appellante] bericht:

“(…) Naar aanleiding van uw verzoek omtrent medische informatie over patiënt Mevr. [appellante] (…) kan ik u bij dezen verklaren dat al de gepresenteerde beperkingen en of stoornissen toe te schrijven waren aan het overkomen ongeval d.d. 23-11-2010.

M.i. bevond patiënt zich in het absolute eindstadium en viel er fysiotherapeutisch geen resultaat meer te behalen uit de forse beperkingen op Stoornis, Acceptatie en Participatie niveau.

In deze ging het nu meer om het onderhouden van mobiliteit en het voorkomen van recidieven. Advies was om patiënt te laten overstappen naar een multidisciplinair behandeltraject onder Revacare revalidatie traject.

De ADL en werk activiteiten werden ernstig belemmerd en in functie onmogelijk.

(…)

Werkdiagnose:

(…) Posttraumatisch whiplash syndroom volgens de regelgeving van de Nederlandse Vereniging van Neurologie, alsmede beperkingen op Stoornis en Participatie niveau die belemmeren om langdurig te staan, zitten, liggen, heffen, reiken, drukken, trekken, tillen en kortdurende acties waarbij enig gewicht gedragen en of getild moet gaan worden en of plotselinge bewegingen en acties waarbij enige concentratie nodig moet zijn.

(…) WAD graad II.

(…)”

3 Beoordeling

3.1

[appellante] vordert in deze procedure - kort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang - een verklaring voor recht dat VGA aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade, aldus dat VGA onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en veroordeling van VGA tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van VGA, nader op te maken bij staat, met proceskostenveroordeling.

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis deze vorderingen afgewezen omdat het conditio sine qua non-verband tussen de door [appellante] gestelde klachten en het ongeval, onvoldoende is onderbouwd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, zelfs uitgaande van de door [appellante] gestelde toedracht van het ongeval, sprake is van een relatief beperkte impact. Bovendien is de auto van [appellante] van de zijkant en niet van achteren aangereden, zoals doorgaans het geval is bij klachten zoals door [appellante] beschreven. Gelet op die omstandigheid had zij het causaal verband tussen de door haar gepresenteerde klachten en de aanrijding nader moeten onderbouwen. De door [appellante] in het geding gebrachte gegevens zijn daarvoor onvoldoende. Omdat het causaal verband tussen de aanrijding en de gestelde letselschade niet komt vast te staan, kan VGA niet tot vergoeding daarvan worden veroordeeld. De mogelijkheid van andere schade is niet aannemelijk gemaakt, zodat ook de verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure zijn afgewezen.

3.2

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met zes grieven op.

Grief 1 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [appellante] het conditio sine qua non verband tussen de door haar gestelde schade en het ongeval onvoldoende heeft onderbouwd. Grief 2 ziet op haar oordeel dat de aanrijding een beperkte impact heeft gehad en dat de auto aan de zijkant is aangereden en niet van achteren, zoals doorgaans het geval is bij de door [appellante] beschreven klachten. Grief 3 is gericht tegen de overweging in rov. 4.10 dat [appellante] het causale verband tussen (het hof begrijpt: het ongeval en) haar klachten nader had moeten onderbouwen. Met haar vierde grief klaagt [appellante] erover dat zij niet in de gelegenheid is gesteld bewijs te leveren, bijvoorbeeld door het benoemen van een deskundige. Grieven 5 en 6 hebben geen zelfstandige betekenis.

3.3

[appellante] voert ter toelichting op haar grieven aan dat zij aan de hand van de in eerste aanleg in het geding gebrachte medische informatie voldoende bewijs heeft geleverd van haar stelling dat haar lichamelijke klachten door het ongeval zijn veroorzaakt.. Zij meent dat op grond van die informatie vast staat dat zij na het ongeval last had van haar linker pols, lage rugpijn links had en last had van haar nek rechts. De fysiotherapeut heeft beperkingen geconstateerd waarvan aannemelijk is dat deze aan het ongeval zijn toe te rekenen en ook DBC Badhoevedorp heeft fysieke en psychische klachten genoemd die zijn ontstaan na de aanrijding in 2010, aldus [appellante] . Zij licht toe dat zij uit privacyoverwegingen het historisch huisartsenjournaal niet in het geding heeft gebracht, maar dat daarin geen zaken zijn benoemd die voor deze zaak relevant zijn. [appellante] heeft voorts een brief in het geding gebracht van [F] , bedrijfsarts en medisch adviseur, die blijkens de inhoud daarvan op grond van door de advocaat van [appellante] toegezonden medische informatie tot de volgende conclusie komt:

Er zijn meerdere contusies door het ongeval ontstaan, welke zich uiteindelijk hebben ontwikkeld tot een WAS II diagnose.

Een Whiplash Associated Disorder I-II is een gangbare diagnose, passend bij acceleratie/deceleratietraumata, zoals ook in onderhavige casus het geval is. Betrokkene heeft klachten en beperkingen ontwikkeld op meerdere functioneringsniveaus, ook passend bij een zich volledig ontwikkelde Whiplash Associated Disorder I-II. Om exact te kunnen aangeven welke klachten en beperkingen er thans nog zijn, zou ik willen adviseren uiteindelijk een expertise te entameren door een orthopedisch chirurg.

[appellante] wijst erop dat deze medisch adviseur wel de beschikking heeft gehad over het huisartsenjournaal vanaf 17 december 2008 (per abuis is in de brief 2018 vermeld) en dat zij constateert dat voor de datum van het ongeval geen relevante medische diagnoses zijn vermeld die verband houden met de aan het ongeval gerelateerde klachten.

[appellante] bestrijdt verder dat de impact van het ongeval gering is geweest en dat het schadebeeld aan de auto zo beperkt was als waarvan de rechtbank is uitgegaan. Zij stelt dat het ongeval zodanig ernstig was dat de letselschade daardoor veroorzaakt kon worden.

3.4

VGA stelt voorop dat uit zowel de getuigenverklaringen als het schaderapport van Generali, de WA- en cascoverzekeraar van [appellante] , blijkt dat sprake was van een aanrijding met een zeer geringe impact. De daaruit voortgevloeide materiele schade is inmiddels vergoed. Zij betwist dat het ongeval daarnaast ook letselschade heeft veroorzaakt. Uit de overgelegde medische informatie blijkt niet dat [appellante] als gevolg van de aanrijding letsel heeft opgelopen. Ten aanzien van de pijnklachten aan de pols blijkt daaruit wel van een relevante voorgeschiedenis. Ten aanzien van de informatie van de fysiotherapeut wijst zij erop dat [appellante] daar sinds 29 augustus 2016 onder behandeling was, aldus vijf jaar na het ongeval. Verder blijkt uit dit rapport niet welke beperkingen of stoornissen hij heeft vastgesteld en behoort het bovendien niet tot de expertise van een fysiotherapeut om vast te stellen dat deze beperkingen en stoornissen zijn toe te schrijven aan de aanrijding van 2010. Ook DBC Badhoevedorp kan niets zeggen over het causaal verband tussen de door [appellante] gestelde klachten en de aanrijding.

Met betrekking tot de brief van [F] stelt VGA dat ook daaruit het causaal verband niet blijkt. Zij verwijst naar het rapport van haar eigen medisch adviseur [G] , dat zij in het geding heeft gebracht. [G] concludeert op basis van de medische informatie dat daaruit niet meer kan worden afgeleid dan dat sprake is geweest van een kneuzing. Hij onderschrijft de conclusies van [F] niet, en wijst erop dat zij verzuimt te vermelden dat het dossier grote hiaten bevat en dat [appellante] regelmatig niet kwam opdagen bij de behandelingen. Uit niets blijkt dat zij een orthopedisch chirurg heeft bezocht en wat er in de tussenliggende periode is gebeurd. Dat het letsel zich ontwikkeld heeft tot een WAD2 diagnose kan hij op basis van deze informatie niet onderschrijven. Al met al ziet hij geen aanleiding om een causaal verband tussen klachten en het ongeval aan te nemen.

VGA voert verder aan dat [appellante] heeft verzuimd te concretiseren op welke delen van de brief van [F] zij een beroep doet. VGA merkt op dat onduidelijk is over welke medische informatie [F] heeft beschikt. Zij trekt bovendien de conclusies van [F] in twijfel, reeds omdat uit de wel beschikbare gegevens blijkt dat er een relevante voorgeschiedenis is ten aanzien van de pols.

3.5

Het hof overweegt als volgt. [appellante] stelt dat zij als gevolg van de hierboven beschreven aanrijding letselschade heeft geleden waarvoor de verzekerde van VGA aansprakelijk is. Zij stelt bij dagvaarding in eerste aanleg dat haar klachten bestaan uit hoofdpijn, druk op de ogen, duizeligheid en pijn in de nek. Haar linkerarm tintelt van pols tot schouder, en zij heeft last van haar linkerschouder en linkerknie. Verder heeft zij geen kracht in haar linkerbeen, heeft zij last van pijn in haar onderrug en slaapt zij slecht sinds het ongeval. [appellante] stelt zich op het standpunt dat al deze klachten zijn veroorzaakt door de aanrijding in 2010.

3.6

Het hof stelt voorop dat het aan [appellante] als benadeelde is om te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat zij aan gezondheidsklachten lijdt die het gevolg zijn van de aanrijding. Dat het, gelet op de door [appellante] beschreven klachten, gaat het om subjectieve klachten die moeilijk objectief vast te stellen zijn, doet daaraan niet af. Aangesloten wordt bij de rechtspraak op grond waarvan het bestaan van klachten kan worden aangenomen, als een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten aanwezig is, en bovendien komt vast te staan dat deze gezondheidsklachten voor de aanrijding niet bestonden, terwijl die klachten op zichzelf door de aanrijding veroorzaakt kunnen worden (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 februari 2018, ECLI:NL:GHARL: 2018:1661 en 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3988).

3.7

Partijen twisten over de toedracht van de aanrijding op 25 november 2010. De rechtbank heeft de exacte toedracht in het midden gelaten, en vastgesteld dat ook uitgaande van de lezing van [appellante] sprake is geweest van een aanrijding van opzij met een relatief beperkte impact. [appellante] heeft tegen deze overweging een grief gericht, en zij stelt dat de toedracht van het ongeval zodanig ernstig was dat daardoor de door [appellante] beschreven letselschade kon ontstaan. Zij bestrijdt dat het schadebeeld aan de auto en de bus zo beperkt was als de rechtbank heeft aangenomen. Het hof stelt vast dat [appellante] deze stellingen niet nader toelicht, noch onderbouwt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.8

Partijen zijn het erover eens dat [appellante] en de buschauffeur beiden voor het stoplicht stonden te wachten, [appellante] op de strook voor rechtdoor en de buschauffeur op de strook voor linksaf. Het stoplicht voor linksaf ging op eerder op groen dan dat voor rechtdoor. Bij het nemen van de bocht raakte de bus de auto van [appellante] . [appellante] meent blijkens haar stellingen dat de bus daarbij (aanzienlijk) meer schade heeft aangericht dan het eraf rijden van de spiegel. Zij gaat kennelijk uit van een aanrijding met een grote impact, maar naar het oordeel van het hof kan de juistheid van die lezing niet worden gestaafd door het ter beschikking bestaande bewijsmateriaal. Het hof wijst daarbij op het aanrijdingsformulier dat na de aanrijding is ingevuld en door beide bestuurders ondertekend, en waarop als zichtbare schade aan de auto is vermeld: ‘spiegel kapot’. Als zichtbare schade aan de bus is niets ingevuld. Dit is in lijn met de schriftelijke verklaring van buschauffeur [A] : Door mijn stuurfout is schade ontstaan aan de linker spiegel van de tegenpartij. Nadat ik gegevens met haar aan het uitwisselen was verklaarde zij ook “het is alleen maar een spiegel”.(…) [A] ontken[t]dat hij meer schade heeft toegebracht aan de auto van de tegenpartij dan de linker buiten spiegel (…)” Dit strookt ook met de verklaring van [B] dat geen schade aan de bus is geconstateerd. Op verzoek van de advocaat van [appellante] heeft getuige [C] op 13 april 2010 per e-mail een nadere verklaring afgelegd over de schade. Zij verklaart daarin dat zij heeft gezien dat de bus de auto van [appellante] ‘meenam’ toen hij de bocht naar links maakte en dat hij daarbij haar spiegel raakte. Toen zij later de auto van [appellante] zag, zag zij dat er naast schade aan de spiegel nog een kras op het portier zat. Ook dit is grotendeels in lijn met de eerdergenoemde verklaringen.

Anders dan [appellante] betoogt, kan uit het schaderapport van Generali geenszins worden afgeleid dat schade aan de auto is toegebracht die wijst op een aanrijding met een grote impact. Dit rapport vermeldt als vervangen onderdelen: portierruit V L, schachtl B port V L, steun BU-spiegel L afdekkap BU-spiegel L en spiegelglas L. Ook de vermelde herstelwerkzaamheden wijzen niet op andere schade dan schade verband houdend met de buitenspiegel. Weliswaar heeft [appellante] bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij een deuk en krassen had in de twee linkerportieren, maar het schaderapport van Generali maakt geen melding van uitdeuken of spuiten van een of meer portieren. Ook heeft [appellante] geen verklaring gegeven voor het feit dat zij deze deuken niet heeft vermeld op het schadeformulier.

Ook uit de verklaring van [C] bij gelegenheid van het getuigenverhoor kan de door [appellante] gestelde toedracht niet worden afgeleid. Weliswaar verklaart [C] daar, anders dan in haar e-mail van 13 april 2010, over schade aan beide portieren (de strip was eraf) maar desgevraagd weet zij niet meer exact hoe de schade eruit zag. Dat er een deuk zou zitten in beide portieren, wordt in elk geval niet door haar bevestigd.

3.9

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat [appellante] , op wie de bewijslast rust, er niet is geslaagd om te bewijzen dat er op 25 november 2010 een aanrijding heeft plaatsgevonden met grote (zijwaartse) impact. [appellante] heeft op dit punt ook geen nader bewijsaanbod gedaan. Het hof kan op grond van de hierboven vermelde bewijsmiddelen niet méér vaststellen dan dat de bus bij het nemen van de bocht naar links de linkerbuitenspiegel van de auto van [appellante] eraf heeft gereden. Grief 2 faalt.

3.10

Van een dergelijke aanrijding kan niet, anders dan bij een kop-staartbotsing, in algemene zin worden aangenomen dat de gestelde letselschade hierdoor kan worden veroorzaakt. Het lag dan ook op de weg van [appellante] om nader toe te lichten dat het door haar gestelde letsel door de aanrijding is veroorzaakt. Dat heeft zij evenwel nagelaten. Weliswaar heeft [appellante] betwist dat alleen aanrijdingen van achteren tot whiplash-achtige klachten kunnen leiden, maar zij heeft niet toegelicht, laat staan onderbouwd, dat en op welke wijze de aanrijding als hierboven omschreven (het eraf rijden van een buitenspiegel) tot dergelijke klachten zou kunnen leiden. Een dergelijke toelichting kan ook niet worden gevonden in de brief van [F] . Blijkens haar brief gaat [F] uit van een acceleratie-deceleratietrauma, veroorzaakt door een zijwaartse impact met een grote energieoverdracht. Gelet op de door het hof vastgestelde toedracht kan niet worden aangenomen dat een dergelijke situatie zich hier heeft voorgedaan. Grief 3 faalt daarmee eveneens.

3.11

Voorts geldt dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten die voor de aanrijding niet bestonden. Dit volgt niet uit de door [appellante] overlegde medische gegevens, waarover het hof het volgende overweegt.

3.12

Uit het huisartsenjournaal komt geen consequent, consistent en samenhangend beeld van klachten naar voren. [appellante] meldde zich daags na het ongeval met pijnklachten aan pols, rug en nek. Voor zover het de polsklachten betreft, geldt dat die al bestonden voor de aanrijding, en dat zij daarvoor reeds in behandeling was bij een fysiotherapeut en een brace droeg. Pas een week na de aanrijding maakte zij telefonisch melding van knieklachten. Daarover had zij daarvoor geen mededelingen gedaan. De huisarts stelde - telefonisch - vast dat een fractuur niet waarschijnlijk was en hield het op een kneuzing. Kennelijk is [appellante] in die periode behandeld door een fysiotherapeut, maar daarover heeft [appellante] geen informatie verstrekt. Onduidelijk is dan ook op welke klachten deze behandeling betrekking had en hoe die behandeling is verlopen. Wel duidelijk is dat [appellante] in maart 2011 niet op afspraken verscheen en niet op brieven reageerde. In mei 2011 is een MRI gemaakt van de knie, waarbij geen afwijkingen zijn gevonden. De rug- en nekklachten komen na eind 2010 niet meer terug in de aantekeningen van de huisarts. Over de rugklachten wordt pas in 2014 weer voor het eerst melding gemaakt. Nergens wordt aantekening gemaakt van psychische klachten of slaapproblemen.

3.13

Uit het overgelegde verslag van de coördinator van DBC Badhoevedorp blijkt dat in september 2012 een behandeling is gestart bestaande uit herstellende nektrainingen en cardiotrainingen, waarna de klachten verminderden. Weliswaar wordt daarin vermeld dat de ‘fysieke en psychische klachten’ zijn ontstaan na de aanrijding in november 2010, maar niet is onderbouwd waarop de coördinator dat baseert. In elk geval volgt dit niet uit het huisartsenjournaal.

3.14

In de brief van de fysiotherapeut van CentroFysioMedico van 4 januari 2017 meldt deze dat de gepresenteerde beperkingen en/of stoornissen zijn toe te schrijven aan het ongeval van 23 november 2010. Nog daargelaten dat de fysiotherapeut met deze mededeling buiten zijn deskundigheid treedt, volgt daaruit niet op welke beperkingen of stoornissen de fysiotherapeut doelt, noch volgt uit dit schrijven een chronologisch beloop van deze klachten. Het hof merkt daarbij op dat [appellante] blijkens dit schrijven pas vanaf augustus 2016 bij de fysiotherapeut in behandeling is geweest. Over de periode tussen de behandeling van DBC Badhoevedorp en de start van de behandeling in augustus 2016 bij CentroFysioMedico is in het geheel geen informatie verstrekt.

3.15

Het hof concludeert dat uit de overlegde informatie geen consequent en consistent klachtenbeeld naar voren komt. De informatie vormt grote hiaten en medische informatie over de periode voor de aanrijding ontbreekt vrijwel geheel. Dat [appellante] ervoor heeft gekozen uit privacyoverwegingen die informatie niet in het geding te brengen is haar goed recht, maar komt wel voor haar eigen rekening. Aan de opmerking van Kooy dat het huisartsenjournaal over de periode voor het ongeval geen relevante informatie bevat, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, alleen al niet omdat tussen partijen vaststaat dat [appellante] al bestaande klachten aan de linkerpols had waarvoor zij onder behandeling van een fysiotherapeut was. [appellante] heeft dit ter zitting in eerste aanleg bevestigd. Dit is onmiskenbaar relevante informatie in het kader van de thans gestelde klachten en het beweerde oorzakelijk verband met de aanrijding. Het rapport van [F] voegt aan medische informatie ook niets toe, aangezien haar onderzoek zich heeft beperkt tot het bestuderen van de medische informatie en het daaraan verbinden van een conclusie. Gelet op voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat die informatie de door [F] getrokken conclusie niet kan dragen.

3.16

De slotsom is dan ook dat hetgeen [appellante] heeft gesteld geen consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten inhoudt, die voor de aanrijding nog niet bestonden, en evenmin kan worden aangenomen dat deze klachten op zichzelf door de aanrijding veroorzaakt kunnen zijn. Grief 1 faalt daarmee.

3.17

Aan bewijslevering komt het hof niet toe, omdat als hetgeen [appellante] heeft aangevoerd komt vast te staan, dat niet tot toewijzing van haar vorderingen kan leiden. Grief 4 faalt daarmee. Het hof ziet geen aanleiding tot het gelasten van een deskundigenbericht. Uitgangspunt is dat een deskundigenbericht een middel is om de rechter te voorzien van kennis en ervaring waarover hij zelf niet beschikt en dat nodig is om een beslissing in de zaak te kunnen nemen. Bij de hiervoor genoemde stand van zaken is een deskundigenbericht niet aan de orde.

3.18

De grieven 1 t/m 4 falen en de gerieven 5 en 6 delen hun lot. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van VGA begroot op € 726,- aan verschotten en € 1.074,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J.F. Aalders, mr. J.W. Hoekzema en mr. M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.