Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1294

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2020
Datum publicatie
27-05-2020
Zaaknummer
K19/230351
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Sv. Klacht (oud-)mariniers over niet vervolgen advocaat van nabestaanden treinkapers De Punt voor smaad/laster/belediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K19/230351 van

[klager] ,

wonende te [plaats] ,

klager.

1 Het beklag

Het hof heeft op 2 augustus 2019 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde] (hierna: beklaagde) ter zake van smaad/laster/belediging.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 15 januari 2020 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven om primair klager niet-ontvankelijk te verklaren in het beklag en subsidiair de klacht ongegrond te verklaren.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- de aangifte;

- de sepotbeslissing van de officier van justitie;

- het klaagschrift en de toelichting daarop;

- het verslag van de advocaat-generaal.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 5 februari 2020 het beklag toe te lichten. Klager is in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op 4 maart 2020 te worden gehoord. Beklaagde is, daarbij bijgestaan door mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, in raadkamer verschenen en heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 Feitelijke uitgangspunten

De Bijzondere Bijstandseenheid Mariniers (hierna: BBE-M), de contra-terreureenheid van het Korps Mariniers, is door de Staat ingezet bij de beëindiging van de treinkaping bij De Punt op 11 juni 1977. Bij die actie hebben twee gegijzelden en zes kapers het leven verloren.

Beklaagde is de advocaat van nabestaanden van twee van de omgekomen kapers, [kaper 1] en [kaper 2] . Namens haar cliënten is beklaagde in 2015 bij de rechtbank Den Haag een civielrechtelijke procedure begonnen. Zij hebben gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de Staat tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld door [kaper 1] en [kaper 2] zonder noodzaak dood te schieten, en dat de Staat zal worden veroordeeld tot schadevergoeding.

Het beklag ziet op een drietal uitlatingen van beklaagde die in de periode na het tussenvonnis van 1 februari 2017 van de rechtbank in de media zijn verschenen. Met deze uitspraken is volgens klager opzettelijk de eer en goede naam van het hele Korps Mariniers en de BBE-M aangetast, dus ook die van hem. Om die reden wenst klager vervolging van beklaagde voor smaad/laster/belediging.

6 Ontvankelijkheid

Terwijl aangifte kan worden gedaan door ieder die kennis draagt van een strafbaar feit, is de mogelijkheid tot het doen van beklag als bedoeld in artikel 12 Sv beperkt tot rechtstreeks belanghebbenden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat worden aangemerkt als belanghebbende. Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. Bovendien moet worden beoordeeld of de overtreden strafbepaling beoogt dit specifieke belang van klager te beschermen.

Klager is een voormalig lid van de BBE-M van het Korps Mariniers. Hij stelt zich op het standpunt dat het deel uitmaken van een elitekorps als de BBE-M leidt tot een noodzakelijke, bijzondere en sterke verbondenheid tussen BBE-M’ers. Volgens klager is hij rechtstreeks belanghebbende, omdat beklaagde met haar uitlatingen de beroepseer en reputatie van iedere BBE-M’er in twijfel trekt.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De uitlatingen van beklaagde zijn gedaan in het kader van een civielrechtelijke procedure tegen de Staat, die specifiek betrekking heeft op de bevrijdingsactie van de gekaapte trein. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat die uitlatingen alle leden van het Korps Mariniers en/of de BBE-M betreffen, maar alleen degenen die betrokken waren bij die actie.

Klager was niet zelf bij de bevrijdingsactie betrokken.

Het hof heeft begrip voor de betrokkenheid en verbondenheid van klager met zijn collega-mariniers. Dat maakt echter nog niet dat hij een objectief bepaalbaar, persoonlijk belang heeft om te klagen over het uitblijven van een bevel vervolging voor de uitlatingen van beklaagde. Om die reden kan klager niet als belanghebbende in de zin van artikel 12 Sv worden aangemerkt en is hij niet-ontvankelijk in zijn beklag. Het beklag wordt afgewezen.

7 Beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

25 mei 2020 door mrs. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, P.C. Kortenhorst en N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.