Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1285

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
25-05-2020
Zaaknummer
19/00573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van proceskosten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-05-2020
V-N Vandaag 2020/1395
FutD 2020-1735
V-N 2020/27.35.29
NTFR 2020/1891
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/00573

31 maart 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van

[X] , wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: P.R. Autar (Reesingh Advies)

tegen de uitspraak van 20 april 2017 in de zaak met kenmerk ROT 16/757 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 13 februari 2015 (hierna: de beschikking) heeft de heffingsambtenaar de waarde (hierna: WOZ-waarde) van de onroerende zaak [A-straat] (hierna: de woning) voor het belastingjaar 2015 vastgesteld op € 68.000. Gelijktijdig, verenigd in één geschrift, is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) voor het jaar 2015 bekendgemaakt.

1.2.

Nadat belanghebbende tegen de onder 1.1. vermelde beschikking en aanslag bezwaar heeft gemaakt, heeft hij de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Vervolgens heeft belanghebbende bij brief van 28 januari 2016 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en een verzoek ingediend tot het opleggen van een dwangsom.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 februari 2016 de voor de woning vastgestelde WOZ-waarde alsook de onder 1.1 vermelde aanslag OZB gehandhaafd en geen dwangsom toegekend. Belanghebbende heeft daartegen (tijdig) beroep ingesteld.

1.4.

De rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 550,- is verschuldigd;

- veroordeelt verweerder tot een schadevergoeding van € 107,14;

- bepaalt dat voornoemde betalingen dienen te geschieden binnen zes weken nadat de uitspraak openbaar is gemaakt;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.482,- te betalen aan eiser.”

1.5.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Gerechtshof Den Haag heeft in zijn uitspraak van 15 december 2017 (BK-17/00508) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Bij arrest van 5 april 2019, nr. 18/00311, ECLI:NL:HR:2019:495 (hierna: het arrest), heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van Gerechtshof Den Haag vernietigd, behalve voor zover daarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het betreft de dwangsom en het geding naar het Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.7.

Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 19 juni 2019 en de heffingsambtenaar bij brief van 7 mei 2019.

1.8.

Partijen hebben bij e-mailberichten van 16 maart 2020 schriftelijke inlichtingen aan het Hof verstrekt en toestemming gegeven tot het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. Hierna heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest de volgende – na verwijzing relevante – feiten vastgesteld:

“2.1.1. De heffingsambtenaar heeft op 19 februari 2015 het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen dat gericht is tegen de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2015 betreffende de onroerende zaak [A-straat] (hierna: de WOZ‑beschikking en aanslag OZB 2015).

2.1.2.

Bij brief van 21 december 2015 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende meegedeeld dat de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar, onder verwijzing naar artikel 7:10, lid 3, Awb, met zes weken is verdaagd.

2.1.3.

Bij brief van 2 januari 2016, door de heffingsambtenaar ontvangen op 5 januari 2016, heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.

2.1.4.

Bij brief van 28 januari 2016 heeft belanghebbende beroep ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en een verzoek ingediend tot het opleggen van een dwangsom wegens het niet naleven van de wettelijk voorgeschreven beslistermijn.

2.1.5.

De heffingsambtenaar heeft op 12 februari 2016 uitspraken op bezwaar gedaan, het bezwaar ongegrond verklaard en geen dwangsom toegekend. De Rechtbank heeft het beroep op grond van artikel 6:20, lid 3, Awb mede gericht geacht tegen de uitspraken op bezwaar.

2.1.6.

Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben in november 2016 alsnog overeenstemming bereikt over verlaging van de WOZ-waarde tot € 59.000 en over een dienovereenkomstige verlaging van de aanslag OZB 2015.

2.1.7.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, een dwangsom vastgesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar en aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep.”

2.2.

Op de zitting van 1 februari 2017 bij rechtbank Rotterdam is namens belanghebbende onder meer het volgende verklaard:

“In deze zaak heeft [de heffingsambtenaar] bij brief van 18 november 2016 de waarde van de woning nader vastgesteld op € 59.000,-. Ik kan mij vinden in de nader vastgestelde WOZ-waarde. In geschil zijn de dwangsom en de schadevergoeding.”

3 Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest – voor zover voor het geding na verwijzing van belang – het volgende overwogen:

“2.2.1. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

2.2.2.

Voor het Hof was in geschil of de termijn voor het doen van de uitspraken op bezwaar was verlengd door de in 2.1.2 vermelde brief van de heffingsambtenaar en of belanghebbende recht had op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van die uitspraken. Tevens was in geschil of belanghebbende recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep en op een vergoeding van de (proces)kosten van bezwaar en beroep.

2.2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de beslistermijn van artikel 30, lid 9, Wet WOZ door de in 2.1.2 vermelde brief met zes weken is verdaagd, zodat de ingebrekestelling van 2 januari 2016 prematuur was en de heffingsambtenaar geen dwangsom verbeurt. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende geen vergoeding van immateriële schade toekomt omdat de beroepsfase niet meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, en evenmin van in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep niet‑ontvankelijk verklaard.

2.3.1.

De eerste klacht betoogt dat de beslistermijn van artikel 30, lid 9, Wet WOZ niet met toepassing van artikel 7:10, lid 3, Awb kan worden verdaagd, zodat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

2.3.2.

De klacht faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/00309 tussen dezelfde partijen.

2.4.1.

De tweede klacht houdt in dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

2.4.2.

De Rechtbank heeft op 20 april 2017 uitspraak gedaan. Dat is twee jaar, twee maanden en een dag nadat het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar was ontvangen. De redelijke termijn voor berechting van de zaak in eerste aanleg is daardoor met ruim twee maanden overschreden. Dit heeft het Hof miskend. De tweede klacht slaagt.

2.5.

De derde klacht betoogt dat het Hof ten onrechte de door de Rechtbank toegekende vergoeding van griffierecht en proceskosten niet in stand heeft gelaten. Deze klacht slaagt ook, in aanmerking genomen dat de heffingsambtenaar na het instellen van beroep aan belanghebbende is tegemoetgekomen (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/04397, ECLI:NL:HR:2010:BO5988).

2.6.

De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof dient opnieuw te oordelen over vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van (proces)kosten.”

4 Geschil na verwijzing

Na verwijzing is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van (proces)kosten.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Uit de door partijen na verwijzing verstrekte schriftelijke inlichtingen blijkt dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de voor de procedure in eerste aanleg door de rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, vergoeding van (proces)kosten en griffierecht. Het Hof ziet geen aanleiding om partijen niet te volgen in hun gezamenlijke standpunt. Het Hof zal derhalve de door de rechtbank toegekende vergoedingen in stand laten.

Slotsom

5.2.

Het hoger beroep is gegrond. Beslist dient te worden als hieronder vermeld, waarbij het Hof in aanmerking neemt dat de Hoge Raad (blijkens het dictum van het verwijzingsarrest) de uitspraak van Gerechtshof Den Haag in stand heeft gelaten voor zover daarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard en de uitspraak van de rechtbank reeds heeft vernietigd (uitsluitend) voor wat betreft de beslissing inzake de dwangsom.

5.3.

Het Hof dient na verwijzing derhalve nog een beslissing te nemen over het beroep van belanghebbende tegen de onder 1.3 vermelde uitspraak op bezwaar inzake de WOZ-beschikking. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft belanghebbende verklaard (zie onder 2.2) zich te kunnen vinden in de door de heffingsambtenaar (na het instellen van beroep) nader vastgestelde waarde. Partijen hebben evenwel geen overeenstemming bereikt over de toe te kennen (proces)kostenvergoeding, waaronder de kostenvergoeding in de bezwaarfase. Hieruit volgt dat de heffingsambtenaar in beroep niet volledig aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen met betrekking tot de in een eerdere procesfase (de bezwaarfase) genomen beslissingen en dat belanghebbende mitsdien een procesbelang had bij een beslissing op het beroep. Beslist dient te worden als hieronder vermeld.

6. Kosten

6.1.

Aangezien de door de rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade, (proces)kosten en griffierecht in stand blijft en belanghebbende zich in hoger beroep heeft moeten verweren tegen de door de heffingsambtenaar hiertegen aangevoerde grieven, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende (bij Gerechtshof Den Haag en na verwijzing bij het Hof) op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6.2.

De zaken die zijn geregistreerd onder de kenmerknummers 19/00572 t/m 19/00584 - waaronder de onderhavige zaak - worden door het Hof aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De desbetreffende zaken zijn in hoger beroep gelijktijdig behandeld, terwijl de beroepsmatige rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden van deze gemachtigde – in zijn verweer tegen de door de heffingsambtenaar aangevochten (kosten)vergoedingen – in elk van deze zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarmee is voldaan aan het criterium voor samenhang (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420, BNB 2016/122).

6.3.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit. Voor het onderhavige geval zijn dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op:

- voor de hoger beroepsfase bij Gerechtshof Den Haag: 2,0 punten (1,0 punt voor verweerschrift + 1,0 punt voor zitting) x € 525 x 1 (wegingsfactor) x 1,5 (vermenigvuldigingsfactor voor 13 samenhangende zaken) = € 1.575;

- voor de hoger beroepsfase na verwijzing: 1,0 punt (0,5 punt voor conclusie na verwijzing + 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen na verwijzing) x € 525 x 1 (wegingsfactor) x 1,5 (vermenigvuldigingsfactor voor 13 samenhangende zaken) = € 787,50.

Het totaal te vergoeden bedrag aan proceskosten bedraagt derhalve € 2.362,50.

6.4.

Gelet op de hiervoor vermelde samenhang zal in elk van de genoemde zaken een bedrag van € 2.362,50 / 13 = € 181,73 als vergoeding van proceskosten worden toegewezen.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar, en

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 181,73.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan, als griffier. De beslissing is op 31 maart 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. R.C.H.M. Lips.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.