Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1280

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
25-05-2020
Zaaknummer
200.257.293/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontbinding als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Het hof acht een billijke vergoeding van € 75.000,- passend. Directe inkomensschade, pensioenschade en immateriële schade waar tegenover enig arbeidsperspectief staat.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:228

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0600
PR-Updates.nl PR-2020-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.257.293/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 7176460 \ AO VERZ 18-127

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2020

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

advocaat: mr. M. Koudstaal te Haarlem,

tegen

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W. van der Boon te Utrecht.

1 Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en KLM genoemd.

Op 28 januari 2020 is een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar de tussenbeschikking.

Vervolgens zijn de volgende stukken ingediend:

- een akte uitlating, met producties door KLM;

- een akte uitlating door [appellante] .

2 De verdere beoordeling

2.1.

In de tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat het voor de bepaling van de hoogte van de aan [appellante] toe te wijzen billijke vergoeding dient te beschikken over gegevens met betrekking tot de [appellante] mogelijk toekomende uitkeringen op grond van de Ziektewet (hierna: ZW) en/of de Werkloosheidswet (hierna: WW) en de hoogte van de bedragen die daarmee zijn gemoeid, mede gelet op de afwijzing van een ZW-uitkering per datum einde dienstverband door het UWV bij brief van 21 augustus 2019. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld, eerst KLM en vervolgens [appellante] , zich daarover bij akte uit te laten.

2.2.

KLM heeft in haar akte uiteengezet welke uitkeringen [appellante] vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst (1 maart 2019) zal (hebben) ontvangen en welke bedragen daarmee zijn gemoeid, ervan uitgaande dat [appellante] tot haar AOW-gerechtigde leeftijd (die zij bereikt op 4 december 2026) eerst arbeidsongeschikt en vervolgens werkloos blijft. KLM heeft het UWV verzocht om niet aan te nemen dat sprake is van een benadelingshandeling in het kader van de ZW, waarna het UWV alsnog een ZW-uitkering heeft toegekend met terugwerkende kracht tot 1 maart 2019. In die situatie heeft [appellante] vanaf 1 maart 2019 tot 18 januari 2021 recht op een (verlengde) ZW-uitkering, waarbij zij wekelijks een bedrag van € 605,10 bruto (over de periode maart tot en met juni 2019) respectievelijk € 612,55 bruto (over de periode juli tot en met december 2019) en € 619,30 bruto (vanaf januari 2020 en verder) zal ontvangen. KLM acht het niet aannemelijk dat [appellante] na afloop van de ZW-uitkering in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat zij naar verwachting in staat zal zijn om passende arbeid te verrichten.

2.3.

Voor het geval [appellante] niet tijdens of na afloop van de ZW-uitkering een nieuwe baan zal vinden zal [appellante] volgens KLM hoogstwaarschijnlijk recht hebben op een WW-uitkering gedurende 24 maanden en gedurende 24 tot 38 maanden op de Private Aanvulling WW (hierna: PAWW) die KLM vrijwillig voor haar werknemers heeft verzekerd. Gelet op de anticumulatie van de ZW en de WW wordt de duur van de ZW-uitkering in mindering gebracht op de duur van de WW-uitkering, zo stelt KLM. De ZW-uitkering loopt van 1 maart 2019 tot 18 januari 2021. Vervolgens zal [appellante] van 18 januari 2021 tot 1 maart 2021 een WW-uitkering ontvangen en vanaf 1 maart 2021 tot 1 mei 2022 een PAWW-uitkering. De hoogte van deze uitkeringen is gelijk aan de ZW-uitkering omdat van hetzelfde dagloonbegrip wordt uitgegaan.

2.4.

KLM veronderstelt dat [appellante] per 1 mei 2022 recht heeft op een IOW-uitkering tot uiterlijk 4 december 2026 (AOW-gerechtigde leeftijd). Zij zal in die periode per week een bedrag van € 280,25 bruto ontvangen.

2.5.

[appellante] heeft zich in haar akte gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft de cijfermatige uiteenzetting van KLM gekoppeld aan de verschillende uitkeringen. [appellante] heeft aangevoerd dat, gelet op de huidige imploderende markt, haar eenzijdige werkervaring en haar door de kwestie met KLM opgelopen psychische schade de kans klein is dat zij een nieuwe baan zal vinden.

2.6.

Indien [appellante] tot haar pensioengerechtigde leeftijd geen nieuwe betaalde werkzaamheden zal kunnen verrichten, dan is voor de berekening van haar directe inkomensschade het volgende van belang. Het door [appellante] vanaf 1 januari 2018 genoten inkomen bedroeg, gebaseerd op een 60%-aanstelling, € 2.479,48 bruto maand. De door haar na afloop van het dienstverband (te) ontvangen ZW-uitkering bedraagt, zoals hierboven onder 2.2 is vermeld, ruim € 2.620,- bruto per maand. Partijen hebben geen inzicht gegeven in de hoogte van de na afloop van die ZW-uitkering naar verwachting te ontvangen WW- en PAWW-uitkering. KLM heeft gesteld dat op de duur van de te ontvangen WW-uitkering de duur van de ZW-uitkering in mindering zal worden gebracht, maar heeft daarvoor geen wettelijke grondslag genoemd. Indien de WW- dan wel de PAWW-uitkering van vergelijkbare hoogte zou zijn als de ontvangen ZW-uitkering en indien de PAWW-uitkering zou eindigen op 1 mei 2022 dan bedraagt de directe inkomensschade tot 4 december 2026 ongeveer € 75.000,- bruto, terwijl [appellante] een transitievergoeding heeft ontvangen van € 70.452,66 bruto.

2.7.

[appellante] heeft haar pensioenschade berekend op een bedrag van € 93.425,40. KLM heeft dat bedrag betwist met het argument dat een actuariële berekening ontbreekt. KLM heeft haar betwisting echter niet nader onderbouwd. Een dergelijke onderbouwing had van haar wel mogen worden verwacht. Het door [appellante] berekende bedrag aan pensioenschade is gebaseerd op het als gevolg van het ontslag jaarlijks door haar gemiste bedrag aan pensioen vermenigvuldigd met haar op gemiddelden gebaseerde levensverwachting, hetgeen een eenvoudige maar niet onbegrijpelijke wijze van berekening van pensioenschade is. Dat [appellante] niet-onaanzienlijke pensioenschade leidt als gevolg van haar ontslag staat op zichzelf tussen partijen in ieder geval niet ter discussie.

2.8.

Het hof sluit echter niet uit dat [appellante] , ondanks haar eenzijdige werkervaring en haar leeftijd, nog enig perspectief op betaalde arbeid heeft. Deze omstandigheid in acht nemend en verder rekening houdend met de naar verwachting te lijden directe inkomensschade, pensioenschade en immateriële schade, is het hof van oordeel dat een billijke vergoeding van € 75.000,- bruto passend is. KLM zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [appellante] .

2.9.

Met betrekking tot de overige verzoeken van [appellante] blijft het hof bij hetgeen daarover in de tussenbeschikking is overwogen en geoordeeld. Wat de toe te wijzen verlofdagen (54 dagen en 2.2 uren) betreft, heeft nog te gelden dat de verzochte wettelijke verhoging (gematigd tot twintig procent) en de wettelijke rente daarover eveneens toewijsbaar zijn. [appellante] heeft verzocht te bepalen dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is te wijten aan ernstig verwijtbaar handelen van KLM. Dit verzoek zal worden toegewezen. [appellante] heeft, naar het hof begrijpt voor het geval het hof toekomt aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst, verzocht de wettelijke opzegtermijn vanaf de datum van de te wijzen beschikking, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum in acht te nemen. Zoals in r.o. 3.4 van de tussenbeschikking is overwogen, heeft [appellante] tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter geen grief gericht. De datum van de uitgesproken ontbinding staat daarmee vast. Het verzoek een wettelijke opzegtermijn in acht te nemen is al om die reden niet toewijsbaar.

2.10.

De slotsom is dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd voor zover het verzoek van [appellante] om een billijke vergoeding is afgewezen en wat betreft het aantal door KLM aan [appellante] uit te betalen verlofdagen. Voor het overige zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep zal KLM in de proceskosten worden veroordeeld.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het verzoek van [appellante] om een billijke vergoeding is afgewezen en voor zover KLM is veroordeeld tot uitbetaling aan [appellante] van 44 dagen en 2,2 uren aan verlofdagen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen van KLM;

veroordeelt KLM tot betaling aan [appellante] van een billijke vergoeding van € 75.000,- bruto, te storten op een door [appellante] aan te geven bankrekening;

veroordeelt KLM tot betaling aan [appellante] van vergoeding van 54 verlofdagen en 2.2 verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van twintig procent en de wettelijke rente vanaf de datum van de verschuldigdheid;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt KLM in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [appellante] gevallen, op € 324,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, F.J. Verbeek en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2020.