Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1240

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-04-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
18/00660
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet IB 2001; weekenduitgaven (als bedoeld in art. 6.25 lid 1 Wet IB 2001)? Geen proceskostenvergoeding nu de noodzaak voor het instellen het hoger beroep uitsluitend is voortgevloeid uit de handelwijze van belanghebbende (vgl. HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-05-2020
V-N Vandaag 2020/1348
FutD 2020-1658
V-N 2020/34.35.43
NTFR 2020/1784
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 18/00660

30 april 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: J.A. Klaver,

tegen de uitspraak van 8 oktober 2018 in de zaak met kenmerk HAA 18/1017 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 24 februari 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.113.
Bij gelijktijdig genomen beschikking is belastingrente ten bedrage van € 54 in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft – na daartegen gemaakt bezwaar – bij uitspraak van 29 januari 2018 de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 8 oktober 2018 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 22 november 2018 hoger beroep bij het Hof ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020.
Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. R.G.A. de Jong en V.D.R.M. van Schijndel.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2
2. Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld.

“1. Eiser heeft op 27 maart 2016 aangifte IB/PVV 2015 gedaan naar een verzamelinkomen van € 44.084. Dit bedrag is opgebouwd uit inkomsten uit werk en woning van € 48.113 en persoonsgebonden aftrek van € 4.029.

2. Met dagtekening 24 februari 2017 is de onderhavige definitieve aanslag opgelegd. Verweerder is daarbij afgeweken van de ingediende aangifte; de persoonsgebonden aftrek is volledig gecorrigeerd.”

Nu partijen tegen deze feiten geen bezwaren hebben aangevoerd, zal ook het Hof van deze feiten uitgaan. Het Hof vult de feiten als volgt aan.

2.2.

Voor de rechtbank heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten die hij als volgt heeft gespecificeerd:

“Reiskosten [a b c] € 1.082,00

Behandelkosten [a] € 1.514,00

Behandelkosten [a] € 1.337,00

Extra kleding, bewassing, beddengoed ivm

huidproblemen/acne vrouw; gebruik zalf/crème € 310,00

Tandarts € 63,00

Medicijnkosten € 11,00

Diverse reiskosten [Z] en omgeving € 25,00

€ 4.342,00

Drempel € 3.426,00

€ 916,00”

Van deze kosten zijn de behandelkosten [a] , de kosten van extra kleding, bewassing en beddengoed en de diverse reiskosten [Z] , niet door de inspecteur geaccepteerd.

2.3.

Belanghebbende heeft in hoger beroep de verzekeringsvoorwaarden uit 2015 van zijn zorgverzekeraar ‘ [naam zorgverzekeraar] ’ overgelegd. Hierin staat dat de verzekerde slechts recht heeft op vergoeding van de eerste, tweede en derde IVF-poging indien daaropvolgend geen sprake is van een doorgaande zwangerschap of niet aan de gestelde leeftijdgrens is voldaan (hierna: verzekeringsvoorwaarden).

2.4.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een rekeningafschrift van ABN-AMRO overgelegd van 31 augustus 2015 met daarin een overboeking op 30 augustus 2015 van € 2.850,37 aan stichting bpm zorg (hierna: bankafschrift).

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is of de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek wegens kosten van een IVF behandeling, op aftrek wegens uitgaven voor extra kleding en beddengoed, en op aftrek wegens weekenduitgaven voor gehandicapten dan wel recht heeft op aftrek reiskosten ziekenbezoek. Belanghebbende doet geen beroep meer op aftrek van ‘Diverse reiskosten [Z] en omgeving’.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“Aftrek van kosten voor genees- en heelkundige hulp

7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van € 2.851 ter zake van een IVF-behandeling. Omdat het de vijfde behandeling is, wordt deze niet vergoed door de zorgverzekeraar. Die vergoedt alleen de eerste drie behandelingen, aldus eiser. Verweerder heeft dit standpunt bestreden. Er is geen afwijzing van deze kosten door de zorgverzekeraar overgelegd. Niet blijkt dat de kosten op eiser drukken, aldus verweerder.

8. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001, komen uitgaven voor genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaser-behandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen, voor aftrek in aanmerking. Uitgaven die ten laste komen van een verplicht of overeengekomen (vrijwillig) eigen risico komen niet voor aftrek in aanmerking (artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel f, Wet IB 2001). Op eiser rust, gelet op de betwisting door verweerder, de bewijslast dit aannemelijk te maken.

9. Eiser heeft nagelaten aannemelijk te maken dat hij de kosten heeft gemaakt en deze op hem drukken. Het enkele overleggen van een rekening is daartoe onvoldoende. De rechtbank tekent hierbij aan dat eisers stelling dat de behandeling niet door de verzekeraar wordt vergoed niet is onderbouwd. Verweerder heeft terecht de aftrek van deze kosten achterwege gelaten. De rechtbank verwerpt deze grief van eiser.

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

10. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van € 310 ter zake van kosten voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed. Eisers echtgenote leidt aan acné, eczeem en/of candida. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn echtgenote leidt aan acné een verwijzing van [naam huisarts] , huisarts, overgelegd waarin staat dat de echtgenote voor een acnébehandeling wordt doorverwezen. De verwijzing is gedagtekend 1 maart 2010. Voorts heeft eiser verwezen naar een verslag van 22 juli 2005 van de huisarts waaruit valt op te maken dat bij eisers echtgenote candida is geconstateerd. Verweerder heeft dit standpunt bestreden.

11. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 juncto artikel 38, eerste lid, onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, voor zover hier van belang, worden uitgaven voor extra kleding en beddengoed in aanmerking genomen voor een bedrag van € 310 indien de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort en de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren. Op eiser rust, bij betwisting door verweerder, de bewijslast dit aannemelijk te maken.

12. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat extra kosten zijn gemaakt als gevolg van de huidaandoening acné, eczeem of candida bij zijn partner. Daarvoor is redengevend dat de verklaringen waar eiser naar verwijst dateren van vijf respectievelijk tien jaar vóór het onderhavige belastingjaar. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn partner in het onderhavige jaar deze huidaandoeningen onder de leden had. Daar komt bij dat eiser geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt van behandeling van deze aandoeningen door zalven of crèmes waardoor extra uitgaven zijn gedaan als gevolg van deze aandoeningen. De rechtbank verwerpt deze grief van eiser.

Vervoerskosten

13. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op een aanvullende aftrek van € 25 voor kosten van vervoer naar de huisarts, apotheek en dergelijke. Eiser vindt deze forfaitaire stelpost redelijk. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken niet blijkt dat eiser deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De wettelijke regeling kent geen gemiddelden of stelposten, aldus verweerder.

14. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 zijn de kosten van vervoer aftrekbaar. Op eiser rust, bij betwisting door verweerder, de bewijslast aannemelijk te maken dat hij de geclaimde kosten heeft gemaakt en dat de kosten op hem hebben gedrukt.

15. De rechtbank overweegt dat verweerder dit forfaitair bedrag aan kosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het kosten betreft die voor aftrek in aanmerking komen, dat hij de door hem gestelde vervoerskosten heeft gemaakt en dat deze (indien gemaakt) op hem drukken. De rechtbank verwerpt ook deze grief van eiser.

Aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten

16. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van € 1.500 ter zake van weekenduitgaven voor gehandicapten. Eisers zwager is gehandicapt en woont bij zijn ouders (eisers schoonouders). Iedere maand verblijft zijn zwager een weekend bij hem en zijn partner om de schoonouders te ontzien. Zijn zwager woont bij zijn ouders omdat hij 24-uurszorg behoeft. Dat eisers zwager een aan hem toegekend persoonsgebonden budget en Wajong-uitkering ontvangt doet daar niet aan af.

Voorts meent eiser dat thuiszorg gelijk moet worden gesteld aan intramurale zorg. Volgens hem is de wetgeving ter zake zo bedoeld dat personen die niet in een inrichting verblijven maar door familie worden opgevangen, ook onder deze aftrekregeling vallen. Immers is het al een aantal jaren overheidsbeleid om ouderen en gehandicapten zoveel mogelijk in hun (familie)omgeving te laten verblijven. De wettelijke regeling die ziet op de aftrek van de daaraan verbonden kosten blijft achter bij deze door de overheid gewenste maatschappelijke ontwikkeling.

Verweerder stelt dat eisers zwager niet in een inrichting verblijft en dus niet in aanmerking komt voor aftrek. Daar komt bij dat de zwager een Wajong-uitkering en een persoonsgebonden budget ontvangt en dus zelf de kosten kan dragen van zijn verblijf bij een reis naar eiser, aldus verweerder.

17. Op grond van artikel 6.25, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn weekenduitgaven voor gehandicapten, voor zover hier van belang, de extra uitgaven die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind, broer of zus te verzorgen, mits deze 21 jaar of ouder is en doorgaans in een inrichting verblijft. Artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) bepaalt dat iemand voor de toepassing van artikel 6.25 van de Wet IB 2001 als ernstig gehandicapt wordt beschouwd indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens de Wet langdurige zorg geregelde intramurale inrichting. Op eiser rust, bij betwisting door verweerder, de bewijslast aannemelijk te maken dat de zwager van eiser, overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, moet worden beschouwd als ernstig gehandicapt zodat eiser op grond van artikel 6.25, eerste lid, van de Wet IB 2001 recht heeft op aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten.

18. De rechtbank overweegt dat eiser niet in zijn bewijslast is geslaagd. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn zwager voldoet aan de in artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit gestelde eisen. Eiser voldoet reeds daarom niet aan de voorwaarden voor aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten als bedoeld in artikel 6.25 van de Wet IB 2001, zodat verweerder deze aftrek terecht niet heeft toegestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding eisers ruime interpretatie van voornoemde eisen te volgen. De rechtbank verwerpt deze grief van eiser.

19. Al het voorgaande overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de genoemde kosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten. Het beroep is dan ook ongegrond.

Proceskosten

20. Bij deze uitkomst van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”

Standpunt belanghebbende

4.2.

Evenals in eerste aanleg en mede onder verwijzing naar de aldaar gegeven motivering bepleit belanghebbende de aftrek van de kosten voor een vijfde IVF-behandeling, de kosten van extra uitgaven voor kleding, bewassing en beddengoed en de aftrek van weekenduitgaven voor een gehandicapte zwager. Naar de mening van belanghebbende heeft hij in bezwaar en bij de rechtbank de aftrek van de kosten voor een vijfde IVF-behandeling al voldoende aannemelijk gemaakt. Wat de extra uitgaven voor bewassing betreft kan belanghebbende geen op het jaar betrekking hebbende doktersverklaring overleggen van de aandoeningen waaraan zijn partner lijdt, omdat de huisarts weigert mee te werken. Volgens belanghebbende worden de huisartsen onder druk gezet door de Belastingdienst. Verder wijst belanghebbende erop dat er in een ander geval wel kostenaftrek door dit Hof is verleend, ondanks het ontbreken van een doktersverklaring (een vindplaats voor die uitspraak heeft hij ter zitting niet beschikbaar). De gehandicapte zwager wordt naar belanghebbende stelt geheel thuis door zijn ouders verzorgd met verblijf overdag op een zorgboerderij. De opvang thuis zou daarom fiscaal niet anders moeten worden behandeld dan in geval van een intramuraal verblijf in een verzorgingsinstelling. In dat verband stelt belanghebbende tevens dat zijn gehandicapte zwager aanspraak kan maken op een dergelijk intramuraal verblijf.

Voor het geval de aftrek van weekenduitgaven niet wordt toegekend, luidt belanghebbendes subsidiaire standpunt dat hij recht heeft op aftrek van reiskosten voor bezoek aan zijn gehandicapte zwager. Belanghebbende trekt een vergelijking met het geval waarin een moeder haar kind bezocht in een open inrichting – lang geleden is voor dat geval in de jurisprudentie een reiskostenaftrek verleend; deze zaak is daarmee vergelijkbaar. Tevens heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding voor alle fasen van het geding.

Standpunt inspecteur

4.3.

Naar aanleiding van de in hoger beroep door belanghebbende overgelegde verzekeringsvoorwaarden en het daarbij overgelegde bankafschrift heeft hij volgens de inspecteur recht op aftrek van kosten voor IVF-behandeling ten bedrage van € 2.851.

Dat geldt volgens de inspecteur evenwel niet voor de extra uitgaven voor kleding en beddengoed en ook niet voor de weekenduitgaven gehandicapten. Volgens de inspecteur voldoet belanghebbende voor beide aftrekposten niet aan de daartoe gestelde voorwaarden, zoals ook de rechtbank heeft beslist. Bovendien betwist de inspecteur dat de candida aandoening eigen zou zijn aan het vrouw-zijn zoals de gemachtigde stelt. Dat de gehandicapte zwager aanspraak maakt of zou kunnen maken op intramurale zorg in een inrichting betwist de inspecteur; de inspecteur acht evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van volledige verpleging of verzorging thuis. Ook aan het subsidiaire standpunt van belanghebbende kan volgens de inspecteur niet tegemoet worden gekomen. Immers er is geen sprake van reiskosten voor bezoek aan een verpleegde invalide: de gehandicapte zwager wordt in het weekend bij zijn ouders opgehaald om het weekend bij belanghebbende en zijn partner te verblijven. Dat de zwager wordt verpleegd wordt bij gebrek aan enige informatie daarover ook betwist door de inspecteur.

4.4.

Het Hof overweegt dat gegeven het nadere standpunt van de inspecteur inzake de kostenaftrek voor de IVF-behandeling, hetgeen leidt tot een gegrond hoger beroep, nog resteren de geschilpunten inzake de aftrek voor extra uitgaven kleding en beddengoed en de aftrek voor de weekenduitgaven gehandicapten. Wat de aftrek voor extra uitgaven van kleding en beddengoed betreft onderschrijft het Hof het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop het berust. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd werpt geen nieuw licht op de zaak. Daaraan doet niet af de eerst in hoger geroep ingenomen stelling van belanghebbende – wat daar verder ook van zij – dat de huisarts in dit verband niet wilde meewerken omdat hij onder druk is gezet door de Belastingdienst, aangezien deze stelling op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt.

4.5.

Ook aangaande de weekenduitgaven acht het Hof het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop het berust juist; er is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 6.25, eerste lid, Wet IB 2001 aangezien de gehandicapte zwager niet doorgaans in een inrichting verblijft. Anders dan belanghebbende meent strekt de regeling van artikel 6.25 Wet IB 2001 niet mede tot aftrek van weekenduitgaven in de situatie waarin het gehandicapte familielid bij zijn ouders inwoont. Dit laatste zou alleen anders zijn indien de gehandicapte zwager wel aanspraak maakt of zou kunnen maken op opname in een intramurale inrichting als bedoeld in artikel 20, eerste lid, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Aangezien dit laatste is weersproken door de inspecteur, had het op de weg van belanghebbende gelegen hiervoor bewijs aan te dragen, hetgeen hij evenwel niet heeft gedaan. Het Hof ziet voorts geen reden om het verblijf van de gehandicapte zwager bij zijn ouders gelijk te stellen met een opname in een bij of krachtens de Wet langdurige zorg geregelde intramurale inrichting, omdat niet aannemelijk is geworden dat een verblijf in een intramurale instelling voor de toepassing van artikel 6.25, eerste lid, Wet IB 2001 is gelijk te stellen aan het verblijf bij de ouders.

4.6.

Bij het in 4.5. gegeven oordeel heeft belanghebbende subsidiair het standpunt ingenomen dat op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001 recht bestaat op aftrek van uitgaven gedaan voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van een wegens invaliditeit langer dan een maand verpleegde persoon. Uit door de gemachtigde namens belanghebbende gestelde feiten en omstandigheden maakt het Hof op dat de gehandicapte zwager van belanghebbende één keer in de maand wordt opgehaald bij de ouders waar de zwager inwoont, om het weekend bij belanghebbende en zijn partner door te brengen. Belanghebbende heeft evenwel tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van verpleging van zijn zwager in de zin van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001, waaronder het Hof verstaat een behandeling onder medisch toezicht of onder medische begeleiding. Om die reden faalt het subsidiaire standpunt.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de aanslag wordt verminderd.

5 Kosten

5.1.

Belanghebbende meent dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor alle fasen van het geding aangezien zowel in de bezwaarfase als voor de rechtbank al aannemelijk was gemaakt dat recht bestaat op aftrek van de kosten gemoeid met de IVF-behandeling; de inspecteur en de rechtbank hebben ten onrechte anders beslist. Daartegenover stelt de inspecteur dat de noodzaak van het hoger beroep uitsluitend is voortgevloeid uit de handelwijze van belanghebbende, te weten het laattijdig overleggen van de verzekeringsvoorwaarden en het bankafschrift, welke omstandigheid rechtvaardigt dat de inspecteur niet wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

5.2.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval er voor belanghebbende geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding. Niet in geschil is dat belanghebbende pas na de uitspraak van de rechtbank de verzekeringsvoorwaarden bij zijn zorgverzekeraar heeft opgevraagd en dat belanghebbende dit stuk pas in hoger beroep heeft overgelegd. Ook het bankafschrift waaruit kan worden opgemaakt dat is betaald voor de IVF-behandelingen, is pas in hoger beroep overgelegd. Aangezien de inspecteur reeds bij de aanslagregeling en ook daarna bij herhaling heeft gevraagd om ook betaalbewijzen te overleggen alsmede stukken van de verzekeraar waaruit kan worden opgemaakt of en zo ja welk deel van de kosten voor rekening van belanghebbende is gekomen, en belanghebbende daarmee heeft gewacht tot het hoger beroep, valt de inspecteur geen verwijt te maken. Belanghebbende stelt weliswaar dat hij in eerdere fasen van het geding de op hem drukkende kosten al aannemelijk heeft gemaakt, maar het Hof volgt belanghebbende daarin niet. Zo valt uit de gedingstukken op te maken dat belanghebbende bij de aanslagregeling na herhaald verzoek van de inspecteur volstaat met het tot twee keer toe overleggen van eenzelfde set facturen en declaraties, zonder daarbij een toelichting te geven, terwijl uit die stukken niet valt op te maken welke kosten door belanghebbende zijn gedragen. In de bezwaarfase komt belanghebbende – na daartoe herhaaldelijk te zijn bevraagd door de inspecteur – uiteindelijk met stukken van de verzekeraar waaruit bepaalde vergoedingen door de verzekeraar blijken. Ook die stukken zijn niet toegelicht, en daaruit valt zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet op te maken welke kosten wel op belanghebbende hebben gedrukt. Evenmin zijn stukken overgelegd waaruit blijkt dat door de verzekeraar slechts een beperkt aantal IVF-behandelingen wordt vergoed. Ook voor de rechtbank heeft belanghebbende daarover geen klaarheid gegeven. Het Hof is met de inspecteur dan ook van oordeel dat belanghebbende eerst in hoger beroep met overlegging van de verzekeringsvoorwaarden en het bankafschrift aannemelijk maakt dat en in welke mate sprake is van op hem drukkende kosten. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de gegrondverklaring van het beroep in de hogerberoepsfase van de rechtsstrijd uitsluitend het gevolg is van het laattijdig overleggen van de verzekeringsvoorwaarden en het bankafschrift. Hieruit volgt dat de noodzaak tot het instellen van het hoger beroep uitsluitend is voortgevloeid uit de handelwijze van belanghebbende (vgl. HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985). Een proceskostenvergoeding wordt daarom niet toegekend.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.533 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente;

- draagt de inspecteur op aan belanghebbende de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 172 (€ 46 en € 126) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, als griffier. De beslissing is op 30 april 2020 uitgesproken en wordt openbaar

gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.