Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1223

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
200.256.421/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Turks huwelijksvermogensrecht. Wettelijk huwelijksgoederenregime van verwervingdeelneming. Verdeling levensverzekering. Waardebepaling op tijdstip van vereffening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.256.421/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/656472 / KG ZA 18-1169 FB/EB

arrest van de meervoudige familiekamer van 14 april 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. E.B. Doganer te Amsterdam,

tegen

1 [de vrouw] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 1] ,

2. [de bewindvoerder] , vennoot van de vennootschap onder firma

[X] Bewindvoering,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] , gemeente [gemeente 2] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.F.H. Velthuizen te Zaandam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man respectievelijk de vrouw genoemd. Waar nodig zullen geïntimeerden afzonderlijk de vrouw en de bewindvoerder worden genoemd.

De man is bij dagvaardingen van 30 januari 2019 (aan de vrouw) en 1 februari 2019 (aan de bewindvoerder) in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter (hierna: de voorzieningenrechter) in de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2019, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen de vrouw en de bewindvoerder als eiseressen en de man als gedaagde.

De man heeft bij memorie van grieven geconcludeerd dat het hof bij arrest - uitvoerbaar bij voorraad - het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van de vrouw alsnog integraal zal afwijzen, althans de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

De vrouw heeft geconcludeerd de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze hem als ongegrond en onbewezen te ontzeggen, met bekrachtiging van het bestreden vonnis. In incidenteel appel heeft de vrouw geconcludeerd dat het hof, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven 1 en 2 gegrond zal verklaren, voor zover nodig met aanvulling en verbetering van de gronden, een en ander met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.

De man heeft vervolgens geconcludeerd (kort samengevat) tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar incidenteel appel althans ongegrondverklaring daarvan, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

Partijen hebben tot slot arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1

Het gaat in dit geding – kort gezegd – om de volgende kwestie.

2.2

Partijen zijn gehuwd [in] 1996. Bij beschikking van 27 juli 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 september 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) aan het adres [adres] te [plaats A] . Voor de aankoop van de woning hebben partijen een hypothecaire lening afgesloten, waaraan een levensverzekering bij ASR is gekoppeld. Deze ASR levensverzekering is aangegaan per 21 januari 2007 met een looptijd tot 21 februari 2033. De premie bedraagt € 97,- per maand. De waarde van de ASR levensverzekering bedroeg per 1 augustus 2018 € 21.237,47.

2.4

Na het uiteengaan van partijen is de man in eerste instantie met de drie (toen allemaal nog) minderjarige kinderen van partijen in de woning blijven wonen. Over de woning hebben partijen afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2012, inhoudende – kort samengevat – dat de woning zal worden getaxeerd, dat de man uiterlijk drie maanden de tijd krijgt om te laten weten of hij in staat is de woning voor de getaxeerde prijs over te nemen of een in onderling overleg te bepalen lager bedrag en dat de woning anders aan een derde zal worden verkocht, en dat bij verkoop aan een derde de eventuele over- of onderwaarde bij helfte ten gunste of ten laste van partijen zal komen.

2.5

De vrouw heeft van 2012 tot 2015 in Turkije verbleven. Inmiddels woont zij weer in Nederland. De twee oudste (inmiddels meerderjarige) kinderen van partijen wonen in de woning. De man woont bij zijn huidige partner met het jongste kind van partijen.

2.6

Over de goederen van de vrouw is op 13 november 2017 door de rechtbank Noord-Holland een meerderjarigenbewind ingesteld in verband met problematische schulden, waarbij de bewindvoerder als zodanig is benoemd.

3
3. Beoordeling

In principaal en in incidenteel hoger beroep

3.1

In deze procedure heeft de vrouw in eerste aanleg gevorderd de man te veroordelen tot – kort gezegd – medewerking aan verkoop van de woning aan een derde en afkoop van de ASR levensverzekering per leveringsdatum, alsmede te bepalen dat partijen de over- of onderwaarde van de woning minus de verkoopkosten en de opgebouwde waarde van de verzekering bij helfte verdelen.

3.2

Bij tussenvonnis van 6 december 2018 heeft de voorzieningenrechter de man (onder andere) veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van zijn vonnis mee te werken aan de verkoop van de woning. Tevens is de man gelast om binnen een week na het vonnis een kopie van de polis van de ASR levensverzekering in het geding te brengen en is hij in de gelegenheid gesteld een akte te nemen, waarin hij zijn standpunt ten aanzien van de levensverzekering preciseert. De vrouw is in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen. De procedure is met het oog daarop aangehouden.

3.3

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter – voor zover hier van belang – de man veroordeeld om mee te werken aan de afkoop van de ASR levensverzekering op de datum van overdracht van de woning aan een koper. De voorzieningenrechter heeft verder bepaald dat, voor zover de hypotheekbank geen aanspraak toekomt op de uitoefening van haar pandrechten op de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering, die waarde tussen partijen dient te worden verdeeld in een verhouding van 3 (man) staat tot 2 (vrouw). Daartoe heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen. Krachtens Turks (huwelijksvermogens-)recht dient bij de ontbinding van het huwelijk het vermogen dat gedurende het huwelijk is opgebouwd (de verwervingen) te worden verrekend, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat iedere echtgenoot rechthebbende is op de helft van de nettowaarde van de verwervingen van de andere echtgenoot. De verwervingen moeten worden gewaardeerd op het tijdstip van vereffening en niet, zoals de man aanneemt, op het tijdstip van de indiening van het echtscheidingsverzoek. Weliswaar is niet gesteld dan wel gebleken dat de vrouw tijdens het huwelijk of daarna premies heeft betaald, maar er zijn aanwijzingen dat de vrouw door het gedrag van de man niet in de gelegenheid is gesteld of is geweest aan de premies mee te betalen. Tussen partijen is in ieder geval niet in geschil dat de man sinds februari 2010 de verschuldigde premies heeft betaald en dat de vrouw jarenlang geen bemoeienis heeft gehad met de woning. Daarom dient voorshands, met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die naar valt aan te nemen ook naar Turks recht de rechtsverhouding tussen (gewezen) echtelieden beheersen, en van de onmogelijkheid van de bewijslevering in kort geding, in afwijking van het uitgangspunt van verdeling bij helfte, te worden aanvaard dat de vermogenswaarde van de onderhavige verzekering, die is opgebouwd sinds 21 januari 2007 (ingangsdatum verzekering) tussen partijen dient te worden verdeeld in voormelde verhouding van 3 (man) staat tot 2 (vrouw). De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd.

3.4.

Zowel de man als de vrouw kunnen zich niet verenigen met voormelde beslissing en de gronden waarop deze gebaseerd is. De man heeft daartegen in principaal appel drie grieven aangevoerd, de vrouw heeft in incidenteel appel twee grieven geformuleerd.

3.5.

Het hof ziet aanleiding allereerst grief 3 van de man te bespreken, nu daarin het spoedeisend belang van de vrouw wordt betwist. De man stelt dat de vrouw daartoe onvoldoende heeft gesteld. Ook heeft zij op geen enkele manier toegelicht dat zij zich heeft aangemeld voor de schuldsanering en dat in dat kader ook noodzakelijk is dat de levensverzekering dient te worden verdeeld, aldus de man. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt een spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen te hebben. Met name de stelling dat zij niet kan toetreden tot het schuldhulpverleningstraject zolang zij de afwikkeling van de woning niet heeft geregeld, en dat haar vermogen en schuldenlast eerst in kaart moet worden gebracht voordat zij een aanvraag daartoe kan doen, om welke reden de bewindvoerder bij de vrouw erop heeft aangedrongen een kort gedingprocedure aanhangig te maken teneinde de man te bewegen om tot een afwikkeling van de gezamenlijke woning en de daaraan gekoppelde hypotheekschuld en levens-verzekering te komen, maakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Grief 3 van de man faalt derhalve.

3.6

In grief 1 stelt de man dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het huwelijk van partijen is geëindigd op 23 februari 2010, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. Zoals hiervoor onder 2.2 uiteen gezet, is bij beschikking van 27 juli 2011 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is deze beschikking op 28 september 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De datum van inschrijving heeft te gelden als de datum, waarop het huwelijk tussen partijen is geëindigd. Grief 1 van de man slaagt derhalve, en heeft geleid tot een verbetering van de vaststaande feiten in deze zaak (zie hiervoor onder 2.2).

3.7

Grief 2 van de man en de grieven 1 en 2 van de vrouw lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Deze grieven komen op tegen de door de voorzieningenrechter bepaalde verdeling van de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering van 3 (man) staat tot 2 (vrouw). De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 1.752,82, zijnde de helft van de tijdens het huwelijk tot de datum van ontbinding van het huwelijksgoederenregime betaalde premies. De vrouw is van mening dat zij recht heeft op de helft van de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering per datum afkoop (datum overdracht van de woning).

3.8

Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat Turks huwelijksvermogensrecht op hun rechtsverhouding van toepassing is. Eveneens is niet in geschil dat bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja, hoe het aandeel van de vrouw in de ASR levensverzekering moet worden berekend, kan worden uitgegaan van de toepasselijkheid van het wettelijke huwelijksgoederen-regime van verwervingsdeelneming. Volgens dit regime bestaat het vermogen van iedere echtgenoot uit twee vermogens, het persoonlijke vermogen en de verwervingen (artikel 218 Turks Burgerlijk Wetboek, hierna: TBW). Als verwervingen worden beschouwd de tijdens het huwelijk om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder de inkomsten uit arbeid, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vervangende vermogensbestanddelen (artikel 219 TBW). De verwervingen en het persoonlijk vermogen worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van beëindiging (ontbinding) van het huwelijksgoederenregime (artikel 228 TBW). Dit is het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend (artikel 225 TBW). De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime aanwezige verwervingen worden naar de waarde van het tijdstip van de vereffening in de verrekening betrokken (artikel 235 TBW). Bij echtscheiding vindt aldus een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het bestaan van het huwelijksgoederenregime van de verwervingsdeelneming is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen (artikel 236 TBW).

3.9

Voor het onderhavige geval houdt dit in dat het wettelijke huwelijksgoederenregime van verwervingsdeelneming van partijen eindigde op 23 februari 2010, de datum van ontvangst van het verzoekschrift tot echtscheiding ter griffie van de rechtbank. Bestanddeel daarvan was de ASR levensverzekering. Op grond van artikel 235 TBW dient de waarde daarvan bepaald te worden op het tijdstip van vereffening. De stelling van de man in grief 2 dat de voorzieningenrechter bij het bepalen van de waarde van de ASR levensverzekering had moeten uitgaan van het tijdstip van de indiening van het echtscheidingsverzoek, is derhalve onjuist, evenals de stelling van de man dat de voorzieningenrechter ten onrechte bij de berekening van de aan de verwervingen toe te kennen vermogenswaarde is uitgegaan van de datum van verdeling. Grief 2 van de man treft in zoverre geen doel.

3.10

De voorzieningenrechter is echter in het bestreden vonnis van de onder 3.8 besproken hoofdregel – verdeling bij helfte van de nettowaarde van de verwerving – afgeweken, daartoe overwegende dat de vrouw weliswaar geen stukken heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij ten tijde van het huwelijk heeft meebetaald aan de premie, en zij ook niet heeft gesteld dat zij na de echtscheiding nog premies heeft betaald, maar dat het belang van deze beide omstandigheden dient te worden gerelativeerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er namelijk aanwijzingen dat de vrouw door het gedrag van de man tegenover haar niet ten volle in staat is geweest haar bewijspositie te bewaken en niet in de gelegenheid is gesteld of geweest aan deze premies mee te betalen. Een en ander vormde voor de voorzieningenrechter reden om op grond van de redelijkheid en billijkheid tot meergenoemde verdeling over te gaan.

3.11

De vrouw heeft in haar eerste grief gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat de man na de echtscheiding alle premies heeft betaald. Volgens haar is het volstrekt onduidelijk hoeveel de man heeft voldaan, nu de door hem als productie 16 in eerste aanleg overgelegde bankafschriften alleen iets zeggen over de periode van 23 mei 2018 tot 23 oktober 2018.

3.12

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw na de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding op enig moment premie heeft betaald ten behoeve van de ASR levensverzekering. De vrouw heeft daarnaast niet betwist dat zowel tijdens als na het huwelijk van partijen nimmer een achterstand is ontstaan in de premiebetalingen, zoals de man heeft aangevoerd. Onder die omstandigheden, mede in het licht van de door de man als productie 16 overgelegde bankafschriften, waaruit valt af te leiden dat de verschuldigde premie in de periode mei - oktober 2018 maandelijks van de rekening van de man werd geschreven, is het hof van vooralsnog van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de man na de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding de verschuldigde premies heeft betaald. Grief 1 van de vrouw faalt.

3.13

De man betwist op zijn beurt in grief 2 dat hij zich zodanig heeft gedragen dat de vrouw niet zou hebben kunnen meebetalen aan de vaste lasten van de echtelijke woning. Volgens de man is het huwelijk van partijen stuk gegaan, omdat de vrouw een relatie heeft gekregen met een andere man en zij, kort na de echtscheiding, voor langere tijd naar Turkije is vertrokken en daar met haar nieuwe partner een gezin is begonnen. De vrouw zou – aldus de man – jarenlang niets meer van zich hebben laten horen, ook niet richting de kinderen van partijen. Niets belette de vrouw echter om maandelijks de helft van de vaste lasten van de woning, dus ook de helft van de premie van de ASR levensverzekering te betalen. De vrouw heeft echter nimmer – tijdens het huwelijk noch na de ontbinding van het huwelijksgoederenregime noch na het huwelijk – meebetaald aan de premies voor de ASR levensverzekering, aldus nog steeds de man.

3.14

De vrouw heeft voormelde stellingen van de man niet (gemotiveerd) betwist. Zij stelt slechts dat de man haar heeft zwart gemaakt tegenover de kinderen van partijen, waardoor zij haar niet meer willen zien alsmede dat de man haar niet heeft aangemaand om de helft van de premies te betalen en dat zij haar betalingen tijdens het huwelijk niet kan aantonen, omdat de man alle financiële stukken ontving. Een en ander acht het hof onvoldoende om aan te nemen dat de man de vrouw niet in staat zou hebben gesteld premie te betalen, dan wel niet in staat zou hebben gesteld haar stellingen omtrent het (niet kunnen) betalen van premie nader te onderbouwen. Daarbij kon zij niet volstaan met de mededeling dat de man alle financiële stukken ontving. Anders dan de voorzieningenrechter ziet het hof dan ook geen aanleiding om met toepassing van de redelijkheid en billijkheid tot een andere verdeling te komen dan volgens de hoofdregel, zoals hiervoor onder 3.8 en 3.10 uiteen gezet. Grief 2 van de man slaagt in zoverre.

3.15

Uitgaande van de hoofdregel derhalve dat bij echtscheiding een financiële afrekening plaatsvindt voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven, betekent dit dat de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering (per datum afkoop), die is ontstaan door de premiebetalingen tijdens het huwelijk tot 23 februari 2010 (de datum waarop het huwelijksgoederenregime van partijen is geëindigd) voor verrekening in aanmerking komt. De vrouw is gerechtigd tot de helft van deze waarde. Daarbij gaat het niet om het door de man genoemde bedrag van € 1.752,82, nu dat slechts de helft van de tijdens het huwelijk tot de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap betaalde premies betreft. De vrouw heeft recht op de helft van de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering per datum afkoop, voor zover deze het gevolg is premiebetalingen tijdens het huwelijk tot 23 februari 2010. Een en ander kan aldus worden berekend: de tijdens het huwelijk tot 23 februari 2010 betaalde premie : het totaal aan betaalde premies gedurende de looptijd van de ASR levensverzekering x de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering per datum afkoop. Het exacte bedrag kan het hof niet uitrekenen, nu onduidelijk is of, en zo ja, wanneer de woning is/zal worden verkocht.

3.16

De slotsom is dat grief 2 van de man gedeeltelijk slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering tussen partijen dient te worden verdeeld in een verhouding van 3 (man) staat tot 2 (vrouw). Grief 1 van de vrouw faalt. Het hof zal bepalen dat slechts de tijdens het huwelijk tot 23 februari 2010 opgebouwde waarde dient te worden verdeeld op de wijze zoals hiervoor onder 3.15 uiteen gezet. Ook grief 1 van de man slaagt, doch dit heeft geen gevolgen gehad voor de beoordeling van het geschil. Grief 3 van de man, en de grieven 1 en 2 van de vrouw falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd voor het overige. Het hof ziet aanleiding de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren als hierna te melden.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin in rechtsoverweging 5.3 is bepaald dat de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering tussen partijen dient te worden verdeeld in een verhouding van 3 (man) staat tot 2 (vrouw);

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de opgebouwde waarde van de ASR levensverzekering tussen partijen dient te worden verdeeld zoals in rechtsoverweging 3.15 van dit arrest uiteen gezet is.

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.R. Sturhoofd, mr. C.M.J. Peters en mr. M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.